Secundair onderwijs: VOET 2010 in 20 vragen
- Waar vind ik de nieuwe eindtermen?
- Wat zijn eindtermen? Wat zijn vakoverschrijdende eindtermen? Wat zijn vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen?
- Waarom werden de oude vakoverschrijdende eindtermen (VOET) geactualiseerd?
- Maken vakoverschrijdende eindtermen deel uit van de basisvorming?
- Gelden deze VOET ook voor het buitengewoon secundair onderwijs?
- Hoe zien de vakoverschrijdende eindtermen er nu uit?
- Wat wordt bedoeld met een gemeenschappelijke stam?
- Hoe moet ik de term ‘context’ begrijpen?
- Wat is veranderd? Wat is nieuw?
- Wat is niet veranderd?
- Waarom worden de vakoverschrijdende eindtermen niet langer per graad geordend?
- Hoe kunnen we als middenschool of per graad met deze eindtermen omgaan? Zijn we verplicht ze alle te realiseren?
- Waarom wordt leren leren nu afgesplitst?
- Is muzisch-creatieve vorming afgeschaft
- Moeten we als school kunnen bewijzen dat we deze vakoverschrijdende eindtermen bereiken?
- Er is geen gedoogperiode maar hoe kijkt de inspectie tijdens de overgang van de oude naar de nieuwe VOET?
- Moeten we voor al deze VOET nieuwe projecten verzinnen?
- De stam bevat algemene vaardigheden en attitudes. Moeten we die stuk voor stuk verbinden met de verschillende contexten?
- Mogen we de eindtermen uit de stam ook afzonderlijk nastreven?
- Hoe pakken we de communicatie met de ouders aan? Hoe kunnen we met hen samenwerken aan de VOET?
Bijkomende vragen kunt u stellen via
akov@vlaanderen.be.
1 Waar vind ik de nieuwe eindtermen?
Neem een kijkje op de website:
http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/secundair/index.htm.
2 Wat zijn eindtermen? Wat zijn vakoverschrijdende eindtermen? Wat zijn
vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen?
Eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar
acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie in het gewoon secundair
onderwijs. Met minimumdoelen wordt bedoeld: een minimum aan kennis, inzicht,
vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie.
Eindtermen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn.
Vakoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek
behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meerdere vakken
of onderwijsprojecten worden nagestreefd. Elke school heeft de
maatschappelijke opdracht de vakoverschrijdende eindtermen bij de leerlingen
na te streven. De school toont aan dat ze met een eigen planning aan de
vakoverschrijdende eindtermen werkt.
De vakoverschrijdende eindtermen worden vastgelegd per graad of globaal
voor het secundair onderwijs. Indien ze worden vastgelegd voor, of toegepast
in het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar, dan worden ze
vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen genoemd. Inhoudelijk is er geen
verschil: het gaat om dezelfde lijst met doelen.
3 Waarom werden de oude vakoverschrijdende eindtermen (VOET)
geactualiseerd?
In 1997 kreeg het secundair onderwijs voor het eerst te maken met
vakoverschrijdende eindtermen. Ruim tien jaar later was het tijd voor
evaluatie en bijsturing. Er waren immers signalen dat het totale pakket te
omvangrijk was. Het onderwijsveld vroeg een meer haalbaar pakket eindtermen
en wou ook meer autonomie bij het realiseren ervan. Dit laatste past in een
beleidsoptie waarbij beleidsvoerend vermogen van scholen sterk wordt
beklemtoond. Vakoverschrijdende eindtermen leunen bovendien sterk aan bij
maatschappelijke, onderwijskundige en wetenschappelijke evoluties. Een
inhoudelijke bijsturing was nodig om maatschappelijk, onderwijskundig en
wetenschappelijk actuele vakoverschrijdende eindtermen te formuleren. Een
wetenschappelijk onderzoek (onder leiding van prof. Mark Elchardus, VUB)
naar de "Maatschappelijke en onderwijskundige relevantie en haalbaarheid van
de vakoverschrijdende eindtermen" verschafte de noodzakelijke
evaluatiegegevens om de actualisering van de VOET adequaat aan te pakken.
De inhoudelijke ingrepen kunnen worden samengevat als: het toevoegen van
actuele en toekomstgerichte accenten, het bijsturen van de relatie met de
vakgebonden eindtermen, het schrappen van overlap en van eindtermen die niet
langer relevant bleken te zijn en tenslotte, het garanderen van een
voldoende brede basisvorming.
4 Maken vakoverschrijdende eindtermen deel uit van de basisvorming?
Leerlingen hebben recht op een basisvorming die hen ondersteunt in de
uitbouw van een persoonlijk leven en in hun kritisch-creatief functioneren
in de samenleving. Niet alle inhouden en vormingscomponenten die daarbij
belangrijk zijn, vinden we in de vakken terug. Vakoverschrijdende eindtermen
vangen dit tekort op. Ook op het niveau van de Europese Unie is hierover
nagedacht. Er is immers een aanbeveling van het Europees Parlement
betreffende sleutelcompetenties voor levenslang leren. Dit was een
belangrijke inspiratiebron voor het actualiseren van de vakoverschrijdende
eindtermen.
Het Vlaams Parlement maakte in april 2009 ook juridisch de band tussen
vakoverschrijdende eindtermen en basisvorming sterker. Vakoverschrijdende
eindtermen zijn voortaan immers uitsluitend van toepassing op
structuuronderdelen waarvoor vakgebonden eindtermen gelden. Dit wil zeggen
dat vakoverschrijdende eindtermen van toepassing zijn in:
- De eerste graad (eerste leerjaar A, eerste leerjaar B, het tweede
leerjaar van de eerste graad, het beroepsvoorbereidend leerjaar). In het
eerste leerjaar B en in het beroepsvoorbereidend leerjaar gelden alleen
ontwikkelingsdoelen. De vakoverschrijdende eindtermen worden daar
vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen genoemd. Inhoudelijk is er geen
verschil: het gaat om dezelfde lijst met doelen.
- De tweede graad: eerste en tweede leerjaar ASO, TSO, KSO en BSO.
- De derde graad: het eerste en het tweede leerjaar van het ASO, TSO,
KSO en BSO en het derde leerjaar van het BSO.
- De algemene vorming van het deeltijds beroepssecundair onderwijs.
- De algemene vorming van de leertijd.
5 Gelden deze VOET ook voor het buitengewoon secundair onderwijs?
Voor het BuSO in opleidingsvorm 3 gelden de ontwikkelingsdoelen algemene sociale vorming.
Hierin zijn de 'oude' vakoverschrijdende eindtermen opgenomen, weliswaar in een aangepaste
versie die relevant en haalbaar is voor het doelpubliek van OV3.
Meer info is te vinden op
onze website.
Voor opleidingsvormen 1 en 2 zijn er nog geen decretale doelen bepaald.
Voor opleidingsvorm 4 gelden de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van het gewoon onderwijs: dus ook de nieuwe VOET.
Daarnaast bepaalt het decreet over eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het secundair onderwijs
dat scholen voor buitengewoon onderwijs ook doelen kunnen selecteren uit de ET/OD van het gewoon
onderwijs. Dit betekent concreet dat ook de BuSO-scholen kunnen selecteren uit de nieuwe
vakoverschrijdende eindtermen/ontwikkelingsdoelen.
6 Hoe zien de vakoverschrijdende eindtermen er nu uit?
De ‘klassieke’ thema’s (gezondheidseducatie, milieueducatie, opvoeden tot
burgerzin, sociale vaardigheden en muzisch-creatieve vorming) worden
vervangen door een nieuw ordeningskader. Dit ordeningskader bestaat uit een
‘gemeenschappelijke stam’ en uit zeven contexten. Deze eindtermen zijn
globaal voor het secundair onderwijs geformuleerd, dus niet meer per graad.
Daarnaast zijn er vakoverschrijdende eindtermen die wel per graad worden
aangeboden: leren leren, ict in de eerste graad en technisch-technologische
vorming in de tweede en derde graad ASO. Deze laatste twee pakketten zijn
niet veranderd.
Het ordeningskader in stam en contexten presenteert de eindtermen meer
dan voorheen als een samenhangend geheel. De lay-out van de VOET
weerspiegelt dat ordeningskader en de bedoelde samenhang. Men leest en
hanteert de eindtermen in de gemeenschappelijke stam in combinatie met de
eindtermen van zeven contexten, met de eindtermen van leren leren, ict,
technisch-technologische vorming en met de eindtermen van de vakken. Dit
kader bepaalt niet de volgorde of concrete uitwerking van de
vakoverschrijdende eindtermen binnen de schoolcontext. Het staat scholen
vrij zelf nieuwe combinaties van eindtermen te maken, afhankelijk van hun
visie en keuzen.
De VOET werden sterk gereduceerd in aantal en er is bijzonder veel
aandacht besteed aan een heldere, eenduidige formulering.
7 Wat wordt bedoeld met een gemeenschappelijke stam?
De gemeenschappelijke stam is een opsomming van vrij algemeen
geformuleerde eindtermen, los van elke context. Ze zijn toepasbaar in álle
opvoedings- en onderwijsactiviteiten van de school. Ze kunnen, afhankelijk
van de keuze van de school, in samenhang met alle andere vakgebonden of
vakoverschrijdende eindtermen worden toegepast.
8 Hoe moet ik de term ‘context’ begrijpen?
Context is een ander woord voor ‘inhoudelijk geheel’. In de contexten
werden die eindtermen geordend die typisch en essentieel geacht worden voor
die verschillende inhoudelijke gehelen.
De gebruiker van VOET kan op die manier overzicht houden en eindtermen
gemakkelijk terugvinden. De zeven contexten zijn: Lichamelijke gezondheid en
veiligheid; Mentale gezondheid; Sociorelationele ontwikkeling; Omgeving en
duurzame ontwikkeling; Politiek-juridische samenleving; Socio-economische
samenleving; Socioculturele samenleving.
9 Wat is veranderd? Wat is nieuw?
Nieuw is zeker:
- het ordeningskader;
- de integratie van de eindtermen muzisch-creatieve vorming in stam en
contexten;
- de toekomstgerichte accenten die werden toegevoegd;
- een sterke reductie van het aantal;
- het niet graadgebonden aanbod (behalve voor leren leren, ict in de
eerste graad en technisch-technologische vorming in de tweede en derde
graad ASO);
- de meer heldere formulering;
- en tenslotte ook de klemtoon op het belang van lokale beleidsvoering
op school.
De meest opvallende nieuwe inhoudelijke accenten zijn onder meer: een
preventieve i.p.v. curatieve promotie van gezondheid en welzijn, duurzame
ontwikkeling en systeemdenken, Europa, de Belgische staatsstructuur,
ondernemingszin, socio-economische basisinzichten, cultuuropvoeding vanuit
het perspectief van de kunst, mediawijsheid, esthetische bekwaamheid,
justitie, herinneringseducatie.
10 Wat is niet veranderd?
- Niet alle eindtermen zijn nieuw. Wat volgens evaluatieonderzoek
relevant en haalbaar is gebleken, werd grotendeels behouden, al is dat
soms in een andere formulering.
- De nieuwe vakoverschrijdende eindtermen vragen geen totale
omwenteling in de werking van scholen. Heel wat schoolactiviteiten die
gericht zijn op de ‘oude’ eindtermen zullen ook geschikt zijn voor de
nieuwe.
- Vakoverschrijdende eindtermen blijven een belangrijk onderdeel van de
vorming van leerlingen in het secundair onderwijs.
- De inspanningsverplichting blijft behouden.
- De eindtermen voor leren leren blijven geformuleerd per graad.
- De VOET technisch-technologische vorming in de tweede en derde graad
ASO blijven ongewijzigd omdat ze later dienen aan te sluiten bij de
eindtermen techniek van de eerste graad. Ook de ict-eindtermen voor de
eerste graad zijn niet veranderd wegens vrij recent en nog voldoende up
to date.
11 Waarom worden de vakoverschrijdende eindtermen niet langer per graad
geordend?
Behalve de eindtermen leren leren, ict in de eerste graad en
technisch-technologische vorming in de tweede en derde graad ASO zijn de
overige VOET niet langer per graad geformuleerd.
Deze beleidsoptie biedt scholen meer autonomie bij het werken aan de
VOET. Dit was een duidelijke vraag vanuit het onderwijsveld. Er is al heel
wat ervaring met vakoverschrijdend werken. Er is dus meer dan vroeger
deskundigheid aanwezig om het eigen pedagogisch project vorm te geven met
behulp van de vakoverschrijdende eindtermen en om de beschikbare
beleidsruimte effectief en efficiënt te gebruiken.
12 Hoe kunnen we als middenschool of per graad met deze eindtermen omgaan?
Zijn we verplicht ze alle te realiseren?
Helemaal niet. Het formuleren van vakoverschrijdende eindtermen globaal
voor het secundair onderwijs mag niet tot de interpretatie leiden dat alle
eindtermen in alle graden aan bod moeten komen. Dit zou een onbedoelde
verzwaring van de inspanningsverplichting tot gevolg hebben. Wel mag worden
verwacht dat elke graad in elke school een redelijke inspanning levert ten
opzichte van het geheel van de eindtermen. De inspanning per graad moet in
verhouding staan tot de totale tijd die leerlingen in het secundair
onderwijs doorbrengen. Het is niet mogelijk of wenselijk hiervoor strikte
kwantitatieve criteria te hanteren. Met het oog op de schoolloopbaan van
leerlingen is het belangrijk dat scholen communiceren over de keuzes die ze
maken met betrekking tot de vakoverschrijdende eindtermen. Hier geldt het
principe van de consecutiviteit: de tweede graad bouwt verder op de eerste,
de derde graad op de tweede. In deze communicatie kunnen
scholengemeenschappen een belangrijke rol spelen.
13 Waarom wordt leren leren nu afgesplitst?
Dat is niet zo. Leren leren wordt nagestreefd in samenhang en in
combinatie met de eindtermen van de stam, de contexten en vakken. Leren is
een voorwaarde om effect te behalen bij zowel vakgebonden als
vakoverschrijdende eindtermen. Hoewel er hier sprake is van een zeer directe
relatie, wordt leren leren toch apart vermeld. Dat heeft alles te maken met
het graadgebonden aanbod van leren leren en met het specifiek karakter en
het belang van deze VOET.
De lay-out van de VOET leren leren werd wel aangepast om zoveel mogelijk
overzicht te bieden en op die manier ondersteunend te zijn voor
leerkrachten.
14 Is muzisch-creatieve vorming afgeschaft?
Helemaal niet.
De eindtermen voor muzisch-creatieve vorming zijn herschreven zodat ze
meer gericht zijn op cultuuropvoeding vanuit het perspectief van de kunst en
zijn geïntegreerd in de stam en in verschillende contexten die zich daartoe
leenden.
15 Moeten we als school kunnen bewijzen dat we deze vakoverschrijdende
eindtermen bereiken?
Neen, voor de VOET geldt een inspanningsverplichting.
De school moet haar inspanningen kenbaar en zichtbaar maken
(verantwoorden) voor de inspectie. Er staat geen kwantitatieve norm op de
"inspanning". De school toont tijdens een doorlichting aan dat ze vanuit een
eigen visie en met een eigen planning aan de vakoverschrijdende eindtermen
werkt. Wanneer men zich in dit verband organiseert, is het goed volgende
bedenking uit de Memorie van Toelichting in het achterhoofd te houden:
"Het formuleren van vakoverschrijdende eindtermen globaal voor het
secundair onderwijs mag niet tot de interpretatie leiden dat alle eindtermen
in alle graden aan bod moeten komen. … De inspanning per graad moet in
verhouding staan tot de totale tijd die leerlingen in het secundair
onderwijs doorbrengen… Deze samenhang wordt gerealiseerd door de school op
basis van haar visie en prioriteiten."
Inspanning blijkt uit de dynamiek die men aan de dag legt. Vragen die de
inspectie zich in dit verband stelt, zijn bijvoorbeeld: heeft men nagedacht
over de nieuwe inhoudelijke accenten en over de verruimde mogelijkheden op
vlak van organisatie vooraleer zich te (re-)organiseren en te handelen,
welke ontwikkeling maakt men door en welke evolutie merken we met betrekking
tot het nastreven van VOET, heeft men verwoord wat men wil bereiken bij
leerlingen en zoekt men naar een gepaste manier om vorderingen in dit
verband op te volgen, evalueert men af en toe zelf de kwaliteit van de
processen die men m.b.t. VOET heeft uitgevoerd en zijn er als gevolg hiervan
bijsturingen gebeurd of gaf het aanleiding tot ondersteuning van
leerkrachten, ….
16 Er is geen gedoogperiode maar hoe kijkt de inspectie tijdens de overgang
van de oude naar de nieuwe VOET?
De inspectie gaat na of de school inspanningen levert om de VOET na te
streven. In het schooljaar 2009-2010 aanvaardt ze dat een school dit kan
doen ofwel volgens de huidige visie en richtlijnen ofwel volgens het nieuwe
concept.
Omwille van de overgang van de oude naar de nieuwe VOET wordt er rekening
mee gehouden dat één en ander in beweging zal zijn, maar er is geen
gedoogperiode en er wordt bijgevolg verwacht dat de toepassing van de nieuwe
VOET vanaf 1/9/2010 bezig is.
17 Moeten we voor al deze VOET nieuwe projecten verzinnen?
Neen. Hoewel heel wat VOET werden geherformuleerd, werd ook behouden wat
inhoudelijk relevant en haalbaar is.
Het is wellicht wel een goed idee om de bestaande initiatieven op school
te toetsen aan het nieuwe VOET-concept om te kunnen detecteren voor welke
nieuwe VOET nog geen inspanningen worden geleverd.
18 De stam bevat algemene vaardigheden en attitudes. Moeten we die stuk voor
stuk verbinden met de verschillende contexten?
Neen. Het is niet zo dat alles met alles moet verbonden worden. Waar
mogelijk, kunnen eindtermen uit stam, contexten, leren leren, ict in de
eerste graad, technisch-technologische vorming in de tweede en derde graad
ASO en vakken door het schoolteam worden gecombineerd tot – voor de school -
zinvolle en relevante gehelen.
19 Mogen we de eindtermen uit de stam ook afzonderlijk nastreven?
Ja. De eindtermen uit de stam zijn multifunctioneel, d.w.z. zonder
vermelding van context geformuleerd. Daardoor wordt het mogelijk gemaakt dat
iedereen op school, onderwijsgevend of in een andere functie, ook ouders en
andere schoolbetrokken externen, inspanningen kunnen leveren om elk van deze
eindtermen na te streven wanneer de gelegenheid zich voordoet. Deze
eindtermen kunnen dus zowel in samenhang met een of meer contexten, met
vakgebonden doelstellingen of ook gewoon in de dagelijkse omgang met elkaar
en afzonderlijk worden nagestreefd.
20 Hoe pakken we de communicatie met de ouders aan? Hoe kunnen we met hen
samenwerken aan de VOET?
Het leren van leerlingen gebeurt niet enkel op school. Er is ook het
informele en niet-schoolse leren thuis, in de vrije tijd, met
leeftijdsgenoten, via lectuur of internet, enz.
Ouders zijn ‘eerstelijns opvoeders’. Ouders en leerkrachten zijn partners
in het onderwijzen en opvoeden van kinderen en jongeren. Het is echter aan
de school om te beslissen of en op welke wijze met ouders wordt
gecommuniceerd over gelijk welk schooleigen onderwijsaanbod, dus ook over de
VOET.
Omwille van het belang van samenwerking tussen school en ouders werden de
koepels van ouderverenigingen door de overheid geïnformeerd over het nieuwe
VOET-concept. Zij zullen via de geëigende kanalen deze informatie doorspelen
naar de aangesloten ouderverenigingen.
naar boven
|