+U bent hier: Onderwijs en Vorming > Gelijke onderwijskansen > FAQ > Basisonderwijs

Vragen en antwoorden voor het basisonderwijs

Update: 8 februari 2012

Opgelet:de antwoorden gelden tot 1.09.2012. Dan gelden nieuwe regels voor inschrijving van kinderen in een school. U vindt hier spoedig vragen en antwoorden over de nieuwe regeling.

1. Vragen over het recht op inschrijving

Wanneer is een leerling effectief ingeschreven?

Als de ouder(s) of de leerling zelf (indien 12 jaar of ouder) instemmen met het schoolreglement en het pedagogisch project, en de leerling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, is er een effectieve inschrijving. Die uitdrukkelijke, schriftelijke instemming is een voorwaarde in alle scholen van alle netten.

De school bepaalt zelf hoe de schriftelijke instemming moet gegeven worden. Het moet evenwel voor iedere ouder of leerling hetzelfde zijn. In de meeste gevallen zal dat betekenen dat men het schoolreglement en het pedagogisch project ondertekent.

Wat bedoelt men precies met voldoen aan de toelatingsvoorwaarden?

Om ingeschreven te kunnen worden en aanspraak te kunnen maken op het inschrijvingsrecht, moet men voldoen aan de decretaal vastgelegde toelatingsvoorwaarden.

Dat betekent bijvoorbeeld voor het gewoon kleuteronderwijs, 2,5 jaar zijn (of worden) op de instapdag. Voor het buitengewoon kleuteronderwijs betekent dat bovendien een inschrijvingsverslag hebben voor het type waar men voor inschrijft.

Wat is het verschil tussen inschrijving en toelating?

Op het moment van de inschrijving, tijdens de voorziene inschrijvingsperiode(s) van de betrokken school, verwerven de ouders hun rechten op inschrijving. Het kind moet echter maar voldoen aan de toelatingsvoorwaarden op het ogenblik van de instap of het begin van het schooljaar. Het is niet op het moment van inschrijving dat aan de toelatingsvoorwaarden moet voldaan zijn. In een aantal gevallen kan dat zelfs niet. Een leerling die zich op de opendeurdagen van mei wil inschrijven in het secundair onderwijs beschikt op dat moment bijvoorbeeld nog niet over het getuigschrift basisonderwijs.

Vanaf wanneer kan een leerling zich inschrijven?

Een leerling kan zich ten vroegste inschrijven vanaf 1 september van het voorafgaande schooljaar, d.i. het schooljaar voor de leerling effectief instapt. Uitzondering is voorzien voor de 2,5-jarigen die niet kunnen instappen tijdens het schooljaar dat ze 2,5 jaar worden.(zie verder)

 
Moet iedere school over een inschrijvingsregister beschikken?

Ja, elke school dient daarover te beschikken. Het inschrijvingsregister is zelfs het beste bewijsstuk dat de inschrijvingen effectief chronologisch en correct verlopen.

Scholen die dat wensen, kunnen het model gebruiken dat aangeboden wordt door het departement onderwijs (één voor gewoon en één voor buitengewoon onderwijs). Dit model van inschrijvingsregister is terug te vinden als bijlage bij de omzendbrief gelijke onderwijskansen in het basisonderwijs.

Kan de school nog een reservatielijst aanleggen?

Er kunnen geen reservatielijsten, wachtlijsten of andere lijsten meer gehanteerd worden. Alle inschrijvingen moeten geregistreerd worden (zie ook omzendbrief). (Vb. De school mag geen lijst meer hanteren met namen van kinderen die zich komen aanbieden vóór de inschrijvingsperiode en voor wie al voortijdig een plaats wordt gereserveerd.)

Inschrijvingen zijn ofwel gerealiseerde inschrijvingen (de ouders gaan akkoord met het pedagogisch project en het schoolreglement en er zijn geen door het decreet toegestane redenen tot weigering van toepassing op de leerling) ofwel geweigerde inschrijvingen (ouders zijn wel akkoord met het project en reglement maar één van de decretaal omschreven weigeringsgronden is van toepassing). De ouders ontvangen dan een schriftelijke motivering bij weigering. Deze motivering bevat de datum en uur van inschrijving. Leerlingen die niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden of waarvan de ouders niet instemmen met het schoolreglement, kunnen geen aanspraak maken op het inschrijvingsrecht.

Let op: naast een inschrijvingsregister kan een school ook nog een aanmeldingsregister hanteren wanneer de school werkt met een aanmeldingsprocedure (zie Vragen over de aanmeldingsprocedure)


Kunnen peuters of kleuters geweigerd worden omdat ze niet zindelijk zijn?

Neen, het zindelijk zijn is geen toelatingsvoorwaarde. Het niet zindelijk zijn is evenmin één van de weigeringsgronden. Het al dan niet zindelijk zijn kan dus op geen enkel ogenblik aan de orde zijn om een kind al dan niet in te schrijven.

Moet iedere leerling ieder schooljaar opnieuw ingeschreven worden in dezelfde school? Hoelang blijft een inschrijving geldig?

Een inschrijving blijft in principe geldig voor de volledige schoolloopbaan van een leerling in dezelfde school. Een leerling die ingeschreven is in de eerste kleuterklas kan beschouwd worden als een ingeschreven leerling tot en met de derde kleuterklas voor een kleuterschool en tot en met het zesde leerjaar voor een basisschool. Eens een leerling ingeschreven is in een school blijft hij/zij ingeschreven tot hij/zij de school verlaat of van school verandert of na een tuchtprocedure uitgesloten wordt. (Zie ook volgende vraag)

Zijn er uitzonderingen waarbij toch opnieuw dient ingeschreven te worden?

In basisscholen met meer vestigingsplaatsen kleuteronderwijs dan lager onderwijs die een capaciteitsprobleem voorzien, kan het schoolbestuur bij de overgang van kleuter naar lager een herinschrijving vragen. Een schoolbestuur hoeft dit niet te doen maar als ze het doet, geldt dat voor alle kleuters. Het is daarbij niet mogelijk dat leerlingen van een welbepaalde kleuterafdeling voorrang krijgen. De beslissing een herinschrijving te vragen, moet opgenomen zijn in het schoolreglement zodat ouders weten dat ze hun kind opnieuw moeten inschrijven.

Zijn er uitzonderingen waarbij er bij schoolverandering toch geen nieuwe inschrijving moet gebeuren?

Soms zijn scholen juridisch-administratief wel afzonderlijke scholen, maar liggen ze op eenzelfde campus. (dit betekent: op eenzelfde of aangrenzende kadastrale percelen liggen) Dat is het geval met een aantal autonome kleuterscholen en autonome lagere scholen of basisschool. Voor ouders vormen die afzonderlijke kleuterschool en die afzonderlijke lagere school of basisschool één geheel. Dergelijke scholen kunnen ervoor opteren om bij de overgang van kleuter naar lager onderwijs geen formele inschrijving te vragen. Dit betekent dat de kleuters automatisch ingeschreven zijn in de lagere school. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruik wil maken, neemt dit op in het schoolreglement zodat de ouders op de hoogte kunnen zijn.

Wanneer kunnen de 2,5 jarigen zich inschrijven?

Kleuters jonger dan 3 jaar kunnen instappen op één van de 7 instapdagen wanneer ze voor of ten laatste op die instapdatum 2,5 jaar geworden zijn. Voor kinderen die na de eerste schooldag volgend op Hemelvaart 2,5 jaar worden, betekent dat dat ze pas het volgende schooljaar kunnen instappen.

De regel dat een kind kan ingeschreven worden vanaf 1/9 van het jaar voorafgaand aan het schooljaar dat men ook effectief in de school zal zitten, had voor die groep nadelige gevolgen, omdat het overgrote deel van hun “jaargenootjes” al een jaar voor hen ingeschreven kunnen zijn.

De bijgestuurde regeling maakt het mogelijk dat kinderen van eenzelfde geboortejaar voortaan ook mogen ingeschreven worden tijdens dezelfde inschrijvingsperiode, al kunnen ze nog niet op de laatste instapdatum van het volgende schooljaar effectief instappen, maar pas bij het begin van het daarop volgende schooljaar.

Opgelet: die kleuters mogen evenwel niet aanwezig zijn en ze mogen niet meetellen voor de telling van 1 februari als ze niet ten laatste op de eerste schooldag van februari van het schooljaar waarin ze instappen 2,5 jaar worden.

Een voorbeeld ter verduidelijking: Kinderen geboren in 2008 stappen meestal in tijdens het schooljaar 20010-2011 en mogen zodoende ingeschreven worden vanaf 1 september 2009. Een kind geboren in november en december van 2008 stapt pas in in het schooljaar 2011-2012 omdat ze op de laatste instapdatum van het schooljaar 2010-2011 nog geen 2,5 jaar zijn maar dat wel worden voor het einde van dat schooljaar. Deze kinderen mogen ook ingeschreven worden tijdens de inschrijvingsperiode voor het schooljaar 2010-2011 omdat het geboortejaar 2008 is.

Kan een 2,5-jarige kleuter die eerst geweigerd werd op basis van “volzet” en plots toch kan ingeschreven worden, onmiddellijk starten?

Een 2,5-jarige kleuter die op een instapdatum (vb. 1 september) mag starten werd eerst geweigerd in een school (maar heeft wel de intentie om op 1 september te beginnen schoollopen) en plots komt er toch nog een plaats vrij op vb. 14 september. Die kleuter mag onmiddellijk instappen en hoeft niet te wachten tot de volgende instapdatum.

Kan ik als ouder een volmacht geven om mijn kind in te schrijven en aan wie mag ik die volmacht geven?

Wanneer de ouders afwezig zijn tijdens de inschrijvingsperiode of wegens beroepsbezigheden zelf hun kind niet kunnen inschrijven, kunnen zij aan iemand anders een volmacht geven, bijvoorbeeld aan een grootouder of een ander familielid, of aan een buur.

De persoon die de volmacht krijgt zorgt ervoor dat hij/zij een document bij heeft waarin de ouders uitdrukkelijk te kennen geven dat zij aan die betrokkene de bevoegdheid geven om hun kind in te schrijven in die school. In de volmacht staat dus best expliciet de volledige identificatie van de ouders, van het kind en van de persoon die volmacht krijgt. Best wordt ook uitdrukkelijk de gekozen school vermeld. Aangewezen is ook een kopie van de identiteitskaarten van de ouders en van de SIS-kaart van het kind bij te hebben. 

Kan een ouder zijn/haar kind telefonisch inschrijven?

Neen, want de ouder moet zich bij inschrijving schriftelijk akkoord verklaren met het pedagogisch project en het schoolreglement.

Binnen een aanmeldingsexperiment kan er eventueel wel telefonisch aangemeld worden (zie verder

Wanneer kan een school leerlingen weigeren?

Wanneer de leerling op zijn/haar eerste schooldag niet kan voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het onderwijsniveau waarin hij/zij heeft ingeschreven MOET de leerling geweigerd worden.

Wanneer de vooropgestelde maximumcapaciteit wordt overschreden, kan de school weigeren. Ze moet dat consequent toepassen (zie verder).

Wanneer de leerling het vorige of daaraan voorafgaande schooljaar definitief uitgesloten werd, kan de school weigeren.

Als een kind beschikt over een BO-attest (een BO-attest dat oriënteert naar het type 8 uitgezonderd) kan de school inschrijven onder de ontbindende voorwaarde van een draagkrachtafweging. Dit kan in een aantal gevallen tot een weigering leiden.

Wanneer is een school ‘vol’?

De overheid legt hiervoor geen normen op, bepaalt geen klasgrootte en doet geen uitspraak over het al dan niet vol zijn van een school. De school kan autonoom haar maximale opvangcapaciteit bepalen en bepaalt ook autonoom op welk niveau die maximumcapaciteit bepaald wordt: school vestigingsplaats, niveau kleuteronderwijs of lager onderwijs, leerlingengroep (enkel gewoon), type (enkel BO). (zie verder)

In geval de school een maximumcapaciteit vastlegt en deze hanteert om leerlingen te weigeren, moet dat consequent toegepast worden. (zie ook verder) Hoewel het decreet geen deadline bepaalt, is het logisch dat de maximumcapaciteit vastgelegd wordt vóór de inschrijvingsperiode van start gaat. Het is ook logisch dat de maximumcapaciteit opgenomen wordt in het schoolreglement.

De maximumcapaciteit kan ieder (school)jaar gewijzigd worden maar het is niet opportuun dat tijdens de inschrijvingsperiode zelf nog te doen, tenzij om de capaciteit te verhogen. De school moet dan wel de volgorde van het inschrijvingsregister respecteren.

Wat betekent "consequente toepassing" bij weigering?

Consequente toepassing bij weigering betekent dat een school systematisch elke nieuwe leerling weigert vanaf de datum dat de op voorhand afgesproken maximumcapaciteit wordt bereikt. Dat betekent dat het niet kan dat een school een leerling weigert omwille van volzet zijn, maar de volgende leerling die zich aanbiedt, wel inschrijft. Die consequente toepassing wordt desgevallend getoetst in de commissie leerlingenrechten.

Kan weigeren omwille van capaciteit in het gewoon basisonderwijs op het niveau van het leerjaar of de leerlingengroep bekeken worden?

In het gewoon basisonderwijs kan de capaciteit op het niveau van de school bekeken worden, op het niveau van de vestigingsplaats, op het niveau kleuter- of lager onderwijs, of op het niveau van het leerjaar of de leerlingengroep. Met leerlingengroep wordt bedoeld: de leerlingen die samen voor een bepaalde periode eenzelfde opvoedings- of onderwijsactiviteit volgen. In het kleuteronderwijs kunnen de kinderen van eenzelfde geboortejaar ook als een leerlingengroep beschouwd worden.
Het schoolbestuur heeft de autonomie om te beslissen op welk niveau de capaciteit gelegd wordt, maar moet kunnen bewijzen dat de gekozen optie consequent toegepast wordt. Daarnaast dient het schoolbestuur iedere weigering te motiveren en zal de overheid toezien op de consequente toepassing.

Kan weigeren in het buitengewoon onderwijs op het niveau van het type bekeken worden?

Een school voor buitengewoon basisonderwijs kan geen leerling weigeren die over een attest beschikt voor een type dat in de school aangeboden wordt, tenzij de school, de vestigingsplaats, het type of het niveau (kleuter- of lager onderwijs) volzet is. Weigering omwille van capaciteit kan in het buitengewoon basisonderwijs voor elk type afzonderlijk maar niet op het niveau van leerlingengroepen. Met andere woorden, als men binnen type 7 ook een autigroep heeft, kan men enkel leerlingen weigeren wanneer het type volzet is, maar niet omdat het autigroepje volzet is.

Kan een leerling nog ingeschreven worden ondanks het overschrijden van de maximumcapaciteit?

Voor welbepaalde categorieën van leerlingen is inschrijven ondanks het bereiken van de maximumcapaciteit nog steeds mogelijk. Het gaat hierbij om volgende leerlingen:

  • een anderstalige nieuwkomer in het gewoon basisonderwijs;
  • een leerling in het basisonderwijs die geplaatst is door de rechter of door een comité voor bijzondere jeugdzorg of als interne verblijft in een internaat verbonden aan een school voor gewoon basisonderwijs;
  • een leerling in het buitengewoon basisonderwijs die opgenomen is in een internaat verbonden aan een school voor buitengewoon onderwijs;
  • een leerling in het gewoon basisonderwijs die deelneemt aan een project OETC.

Deze afwijkingsmogelijkheid vormt geen verplichting en kan voor alle categorieën van leerlingen of voor één welbepaalde categorie. Het schoolbestuur kan dit zelf beslissen. Een schoolbestuur dat hiervan gebruik wenst te maken, neemt dit best op in het schoolreglement zodat de ouders hiervan op de hoogte zijn.

Wat als een ingeschreven leerling bij het begin van het schooljaar niet komt opdagen?

Er is inderdaad nooit 100% zekerheid dat elke leerling die zich ingeschreven heeft, ook effectief aanwezig zal zijn bij het begin van het schooljaar. De school moet er zich eerst van vergewissen of de ontbrekende leerlingen effectief niet meer zullen komen. (Het is best dat men voor bewijzen zorgt voor verantwoording bij eventuele klacht.)

Om de open gekomen plaatsen aan te vullen tot de maximumcapaciteit moet de school tijdens de eerste 10 schooldagen de lijst van geweigerde leerlingen genoteerd in het inschrijvingsregister chronologisch aflopen om die leerlingen de mogelijkheid te geven alsnog in te schrijven. Zijn er geen van deze leerlingen nog zonder school of nog geïnteresseerd in een inschrijving, dan kunnen nieuw aangemelde leerlingen ingeschreven worden.

Wat als een ingeschreven leerling later dan 01/09 komt opdagen? Is de inschrijving dan nietig?

Neen, de voorwaarde voor inschrijving is voldoen aan de toelatingsvoorwaarden. Indien de leerling afwezig is, dient de regelgeving i.v.m. afwezigheden gevolgd te worden. Pas als na contactname met de ouders blijkt dat de leerling elders naar school gaat, kan zijn plaats vrijkomen en kunnen de leerlingen op het register (in chronologische volgorde) gecontacteerd worden en dit tot 10 dagen na de eerste schooldag.

Wat indien in de loop van het schooljaar binnen de school één of meerdere plaatsen vrij komen ingevolge uitschrijvingen van leerlingen?

Om het voor de scholen niet te complex te maken dient het inschrijvingsregister maar gevolgd te worden tot en met de 10de schooldag van het nieuwe schooljaar. Nadien is een schoolbestuur niet meer gebonden aan de chronologie van het inschrijvingsregister. Concreet betekent dit dat de school de volgorde van het inschrijvingsregister niet meer dient te hanteren of respecteren en mag ook een nieuwe leerling (een leerling die nog niet op het inschrijvingsregister voorkomt) die zich aandient met de intentie om in te schrijven, ingeschreven worden.

Het inschrijvingsregister dient echter nog steeds bijgehouden en ingevuld te worden, alleen kan afgezien worden van een toepassing van de chronologie na de eerste 10 schooldagen.

Wat verstaat men onder “draagkracht van een school”?

Een schoolbestuur of inrichtende macht van een school voor gewoon onderwijs kan een leerling die op het ogenblik van de inschrijving over een inschrijvingsverslag voor buitengewoon onderwijs (type 8 uitgezonderd) beschikt, weigeren wanneer de draagkracht van de school onvoldoende is om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie en verzorging. Dit wordt kind per kind bekeken.

Het schoolbestuur of de inrichtende macht beslist in overleg met de ouders en met inachtneming van de beschikbare ondersteunende maatregelen en een advies van het CLB waardoor de school begeleid wordt. De draagkracht zal dus afgewogen moeten worden aan de hand van de ondersteunende maatregelen, de specifieke behoeften van de leerling, de voorwaarden die gesteld worden aan het onderwijsaanbod en het draagvlak dat in de school bestaat.

Deze weigeringsgrond geldt alleen t.a.v. leerlingen die blijkens een inschrijvingsverslag georiënteerd worden naar een type van BuO (type 8 uitgezonderd). Voor een leerling met een attest type 8 kunnen de criteria zoals opgesomd in het decreet (advies CLB, inschatting van de ondersteunende maatregelen) niet gehanteerd worden om die leerling bij inschrijving te weigeren.

Bij deze weigeringen zal het LOP automatisch een bemiddelingstaak opnemen en kan in tweede instantie de Commissie Leerlingenrechten beslissen over de gegrondheid van de weigering.

Concreet betekent het voorgaande:

  • als er geen inschrijvingsverslag is bij de inschrijving (dus geen oriënteringsverslag naar BuO), kan er geen weigering met een automatische procedure voor het LOP plaatsvinden.
  • een leerling wordt ingeschreven onder de ontbindende voorwaarde van het aantonen van onvoldoende draagkracht.
  • deze inschrijving onder ontbindende voorwaarde is nodig omdat het proces van afweging en inwinnen van advies de nodige tijd vraagt. Indien het kind geen plaats “verwerft” in het inschrijvingsregister kan op het ogenblik dat toch besloten zou worden het kind in te schrijven de maximumcapaciteit reeds bereikt zijn. Het kind zou dan niet meer ingeschreven kunnen worden.
  • pas wanneer de hele procedure is afgerond (inschrijvingsverslag, overleg, beslissing inrichtende macht, betekening van de beslissing aan de ouders en het LOP, bemiddeling door het LOP en eventueel oordeel van de commissie leerlingenrechten), mag de school de bewuste leerling uitschrijven. In zo’n geval dient men de ouders wel te wijzen op de reglementering inzake de leerplicht. Deze uitschrijving betekent niet dat de leerling niet kan ingeschreven worden in een andere school voor gewoon onderwijs.

Zijn er kinderen die voorrang krijgen bij inschrijvingen? 

Het GOK-decreet voorziet volgende voorrangscategorieën:

  •  broertjes/zusjes
  • GOK-leerlingen
  • niet-GOK-leerlingen
  • Leerlingen met thuistaal Nederlands (enkel in de Brusselse Nederlandstalige scholen)

Aan welke kinderen moet voorrang verleend worden bij inschrijving?

Kinderen die tot eenzelfde leefeenheid behoren, krijgen voorrang bij inschrijving op alle andere kinderen.

Daaronder wordt verstaan:

  • effectieve broers en zussen (hebben 2 gemeenschappelijke ouders) al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • halfbroers en halfzussen (hebben 1 gemeenschappelijke ouder) al dan niet wonend op hetzelfde adres;
  • kinderen die onder hetzelfde dak wonen maar geen gemeenschappelijke ouder(s) hebben.

Dat voorrangsrecht is absoluut, dat betekent dat de school daar niet kan op afwijken. Uiteraard geldt dit voorrangsrecht maar tot de school volzet is.

Wat als het schoolbestuur geen afzonderlijke inschrijvingsperiode bepaalt of geen voorrangsperiode bepaalt voor broers en zussen? Is er dan geen voorrang voor broers en zussen?

Broers en zussen hebben altijd voorrang (tot de school volzet is) of er nu een voorrangsperiode wordt bepaald of niet. Het schoolbestuur moet een procedure bepalen waaronder het voorrangsrecht geldt en deze ook kenbaar maken aan de ouders. De modaliteiten van de procedure vastleggen, behoort tot de autonomie van het schoolbestuur maar het vastleggen van een procedure is een decretale verplichting.

Aan welke categorieën van leerlingen kán voorrang verleend worden?

  • Alle scholen kunnen voorrang geven aan kansarme leerlingen (de zogenaamde GOK-leerlingen). Dit is echter verschillend voor de scholen in het Nederlandse taalgebied en voor de scholen van het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad. (Voor het verschil zie GOK-omzendbrief.)
  • Sommige scholen kunnen voorrang geven aan niet-GOK-leerlingen op voorwaarde dat de relatieve aanwezigheid van de leerlingen die beantwoorden aan de gelijke kansenindicatoren in de school 10% of meer boven de relatieve aanwezigheid gelegen is van deze leerlingen in het werkingsgebied van het LOP, in het door het LOP afgebakende deelgebied of in de gemeente als er geen lokaal overlegplatform is.
  • De Brusselse scholen kunnen een voorrang verlenen aan leerlingen met thuistaal Nederlands. De scholen die voor die voorrang kiezen, geven 55% voorrang, tenzij het LOP een hoger percentage vastlegt.

Het behoort tot de autonomie van een schoolbestuur om al dan niet een voorrangsperiode te voorzien voor deze groepen van leerlingen.

Er kunnen binnen het LOP wel gezamenlijke afspraken gemaakt worden over de voorrangscategorieën en periodes.

Hoe wordt bij inschrijving de thuistaal Nederlands in Brusselse scholen aangetoond?

Het volstaat niet langer op eer te verklaren dat de thuistaal het Nederlands is.

Vanaf 1/9/2010 wordt de thuistaal Nederlands aangetoond door het voorleggen van:

  1. het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs van vader of moeder,
  2. het Nederlandstalig getuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs van vader of moeder;
  3. het bewijs dat vader of moeder het Nederlands beheerst minstens op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen,
  4. het bewijs van voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het Selectiebureau van de Federale Overheid.
  5. het bewijs dat vader of moeder 9 jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalig lager én secundair onderwijs.

Het bewijs van niveau B1, bedoeld in c) gebeurt op basis van volgende stukken:

  •  een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsi-
    dieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont,
  • een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het ver-
    eiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont.

Het bewijs van 9 jaar Nederlandstalig onderwijs, bedoeld in e) gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen.

Moeten de verklaringen op eer van de leerlingen die al ingeschreven zijn vervangen worden door getuigschriften, attesten en bewijzen?

Neen, de leerlingen die voorheen een voorrang gekregen hebben op basis van de thuistaal Nederlands, vielen nog onder de toepassing van de vroegere regelgeving en dat blijft zo zolang ze in dezelfde school blijven.

Hoe wordt de inschrijvingsperiode geregeld?

Dit is de autonomie van de school en/of het schoolbestuur. Het hanteren van een eventuele inschrijvingsperiode en procedure moet vermeld worden in het schoolreglement en consequent toegepast worden.

In het LOP kunnen afspraken gemaakt worden over inschrijvingsperiodes en voorrangscategorieën die netoverschrijdend door alle scholen gevolgd worden. Scholen die beperktere of verschillende inschrijvingsperiodes hanteren leggen dit bij voorkeur voor aan het LOP. µ

Voorrangsperiodes kunnen maximaal 6 weken bedragen en het schoolbestuur beslist over het al dan niet hanteren van voorrangscategorieën. (voor broers/zussen is er een verplichting)

Is het decreet en het recht op inschrijving ook van toepassing op kinderen die gedomicilieerd zijn in het buitenland?

Het recht op inschrijving geldt voor alle leerlingen. (speciale regelingen voor Brussel en faciliteitengemeenten.) Belg zijn of in België geboren zijn is geen toelatingsvoorwaarde.

Wat met inschrijvingen in scholen in Brussel van kinderen die er woonachtig zijn?

Ouders in Brussel kunnen binnen de context van de vrijheid van het gezinshoofd zoals voorzien in de taalwetgeving kiezen voor óf Nederlandstalig onderwijs óf Franstalig onderwijs. Met het GOK-decreet verdwijnt deze keuzemogelijkheid niet. (Zie taalwetgeving.)

Scholen kunnen niet beperkend optreden ten aanzien van anderstaligen voorafgaand aan de inschrijving. Dit betekent dat een school geen bijkomende inschrijvingsvoorwaarden kan opleggen zoals: één van beide ouders spreekt Nederlands, de 2,5-jarige kleuter dient reeds Nederlands te praten. Het enige haalbare wat de Brusselse scholen kunnen doen om de Nederlandstalige ouders aan te trekken, is hen zelf aanspreken, hen sensibiliseren en een actief beleid voeren opdat deze groep ouders hun kinderen tijdig zouden aanmelden voor inschrijving. Het behoud van een Vlaamsvriendelijk profiel van de Brusselse school is op die manier iets wat de directeur zelf gedeeltelijk in de hand heeft. Wel kan vanaf inschrijvingen voor het schooljaar 2006-2007 een voorrang worden verleend aan Nederlandstalige leerlingen.

Wat met inschrijvingen in scholen in Brussel van kinderen die in andere gemeenten wonen?

Leerlingen die zich willen inschrijven in een school van Brussel en van wie de ouders buiten Brussel wonen of verblijven, zal de onderwijstaal steeds de taal van de streek van de verblijfplaats van de ouders zijn. Vb. Als een leerling en zijn ouders in Wallonië wonen dan dienen deze kinderen ingeschreven te worden in Franstalige scholen; als een leerling en zijn ouders in Vlaanderen wonen dan dienen deze kinderen ingeschreven te worden in Nederlandstalige scholen. (Zie taalwetgeving.)

Wat met inschrijvingen in scholen in de Taalgrensgemeenten, de faciliteitengemeenten en de Brusselse rand?

Ook voor deze scholen geldt het principieel inschrijvingsrecht zoals voorzien in het GOK-decreet, zonder afwijkingsmogelijkheden.

Deze scholen kunnen evenmin beperkend optreden ten aanzien van anderstaligen voorafgaand aan de inschrijving.

Wat als een schoolreglement en/of een pedagogisch project niet conform zijn met de uitgangspunten van het decreet?

Wanneer ouders vaststellen dat een schoolreglement of pedagogisch project selectiemechanismen bevatten, kunnen ze dat melden aan de Minister van Onderwijs (Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel), die de onderwijsinspectie kan vragen om die documenten te onderzoeken. Deze mogelijkheid geldt ook als ouders vaststellen dat de school op andere vlakken niet in orde is met de onderwijsregelgeving.

Enkele voorbeelden van ontoelaatbare selectiemechanismen zijn:

  • de school laat alleen meisjes toe;
  • één van beide ouders moet Nederlandstalig zijn;
  • de leerling moet 85% behaald hebben in het 6de leerjaar om te kunnen ingeschreven worden in het 1ste jaar A secundair onderwijs.

Indien de niet conforme bepalingen leiden tot een concrete weigering, kunnen de ouders uiteraard een klacht indienen m.b.t. die weigering bij de Commissie inzake Leerlingenrechten (Hendrik Consciencegebouw - Koning Albert-II laan 15 - 1210 Brussel).


2. Vragen over de experimentele aanmeldingsprocedure

Kan elke school gebruik maken van een aanmeldingsprocedure?

Vanaf 1/9/2010 kunnen alle scholen een aanmeldingsprocedure uitproberen.
Voor scholen gelegen in gemeenten waar een lokaal overlegplatform is opgericht, is de experimentele aanmeldingsprocedure uitvoerbaar indien ze bij dubbele meerderheid goedgekeurd is door het lokaal overlegplatform waarin de betrokken scholen participeren.
 
Voor scholen gelegen in gemeenten waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, is de experimentele aanmeldingsprocedure uitvoerbaar indien ze is goedgekeurd door de schoolbesturen/inrichtende machten van minstens de helft van de scholen van het betrokken onderwijsniveau gelegen in die gemeente.

De schoolraden van de betrokken scholen verlenen vooraf verplicht advies over de experimentele aanmeldingsprocedure, zoals bepaald in de artikelen 19 en 20 van het Decreet van 2 april 2004 betreffende de participatie op school en de Vlaamse onderwijsraad.

Wat is een aanmeldingsprocedure?

Voor de inschrijvingen die betrekking hebben op de schooljaren 2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012 kunnen schoolbesturen gebruik maken van een experimentele aanmeldingsprocedure. Deze procedure moet er enerzijds voor zorgen dat de ouders hun kinderen kunnen aanmelden en een intentie tot inschrijving kunnen kenbaar maken. Anderzijds zorgt deze procedure ervoor dat de school, op basis van een goedgekeurde procedure met ordeningscriteria, een rangorde kan aanbrengen in de aanmeldingen.

Een aanmeldingsprocedure bestaat uit twee zaken: de aanmeldingsperiode en ordeningscriteria.

Wat is een aanmeldingsperiode?

Dat is een afgebakende periode, door het schoolbestuur vastgelegd (mits goedkeuring), waarbinnen leerlingen (of hun ouders) kunnen te kennen geven dat ze ingeschreven willen worden in die bepaalde school.

Is er maar één aanmeldingsperiode per schooljaar?

Het schoolbestuur kan kiezen voor een aanmeldingsperiode per voorrangscategorie of voor verschillende aanmeldings- en inschrijvingsperiodes. Dat is autonomie van het schoolbestuur. Hoe dan ook moet er een afzonderlijke aanmeldingsperiode zijn voor de broers/zusjes.

Wanneer kan ik mijn kind aanmelden in mijn school of vestigingsplaats van keuze?

U kunt uw kind aanmelden tijdens de daartoe voorziene aanmeldingsperiode(s). De school of het LOP maakt die periode(s) kenbaar via verschillende informatiekanalen aan ouders en aan intermediairen.

Wat zijn ordeningscriteria?

Dat zijn criteria, door het schoolbestuur gekozen, om alle aangemelde leerlingen te ordenen. Het schoolbestuur heeft volgende keuze, voor het basisonderwijs:

  1. chronologie van aanmelden, met uitsluiting van chronologie bij fysieke aanmelding.
    vb. chronologie bij telefonische aanmelding via een call-center, chronologie bij aanmelding via pc.
    Uitgesloten is in elk geval kamperen.
  2. afstand van de woon- of verblijfplaats van de leerling tot de school en de afstand van het werkadres van één van beide ouders tot de school.
    Als de school kiest voor het ordeningscriterium afstand, dan zijn het de ouders die kiezen tussen de afstand thuis-school of de afstand werkplaats-school.
    Het schoolbestuur legt vast op welke wijze de afstand bepaald wordt.

Welk document moet de school de ouders geven bij aanmelding en wanneer?

Bij aanmelding moet de school geen document afgeven aan de ouders tenzij er binnen de experimentele aanmeldingsperiode andere afspraken worden gemaakt.

Hoe weten de ouders welke plaats hun kind inneemt op het aanmeldingsregister?

De ouders worden binnen de 4 werkdagen na de ordening zelf schriftelijk op de hoogte gebracht van de plaats van hun kind in de rangordening. Daarbij wordt onmiddellijk meegedeeld of hun kind gunstig dan wel niet gunstig gerangschikt werd.

Wordt een aanmelding automatisch omgezet in een inschrijving?

Neen, alle ouders die hun kind op basis van de ordening wensen in te schrijven, moeten zich in de school aanbieden binnen de vooropgestelde termijn om de inschrijving effectief te realiseren.

Dit geldt eveneens voor kinderen die ongunstig gerangschikt zijn. Pas op dat moment en na instemming met het schoolreglement en het pedagogisch project worden zij immers ingeschreven in het inschrijvingsregister.

De school bepaalt binnen welke termijn de inschrijvingen, op basis van de aanmelding, dienen te gebeuren en dit wordt duidelijk naar de betrokken ouders gecommuniceerd. Ouders die binnen deze afgesproken termijn geen gebruik maken van deze mogelijkheid verliezen voor hun kind het recht op inschrijving via aanmelding.

Wat gebeurt er als mijn kind geen gunstige plaats krijgt in de rangordening?

Ouders van kinderen die ongunstig gerangschikt werden, kunnen zich op school aanbieden om een weigeringsdocument te krijgen. Als later zou blijken dat een gunstig gerangschikte leerling zich niet aanbiedt voor een effectieve inschrijving, kunnen zij een eventueel vrij gekomen plaats innemen (hierbij zal de volgorde van de geweigerde leerlingen in het inschrijvingsregister worden gerespecteerd). Dat kan bvb. omdat iemand uiteindelijk afziet van een effectieve inschrijving of zich niet tijdig aanbiedt om op basis van de verkregen plaats in de rangordening ingeschreven te kunnen worden.

Kan men in het LOP afwijken van het huishoudelijk reglement om de aanmeldingsprocedure goed te keuren?

De procedure van instemming met de helft + 1 dient zowel bij de onderwijspartners ( clb’s horen tot deze categorie!)als de niet-onderwijspartners gehanteerd te worden. De meeste huishoudelijke reglementen van de LOP’s voorzien een ander besluitvormingproces. De decretale bepaling primeert echter op de bepalingen binnen de huishoudelijke reglementen. 

Hoe zal het LOP de aanmeldingsprocedure evalueren?

Evalueren gebeurt in functie van de doelstellingen van de decretale bepalingen. Het strekt tot aanbeveling om de gewenste effecten vooraf duidelijk te definiëren. Na de eerste en de tweede aanmeldingsprocedure dient het LOP telkens een evaluatie te maken (vóór 1 november) die dient voorgelegd te worden aan de Vlaamse Regering. Deze evaluaties zullen de Vlaamse Regering in staat stellen om de regelgeving al dan niet bij te sturen. M.a.w. op het derde experimenteerjaar volgt er geen evaluatie meer. 

Waar kunnen ouders terecht bij klachten?

De Commissie leerlingenrechten is, enkel na klacht, bevoegd om te oordelen over de regelmatige toepassing van de aanmeldingsprocedure.

Voor klachten m.b.t. discriminatie moet men zich wenden tot het Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding.


3. Vragen over de lokale overlegplatforms

Hoe wordt de algemene vergadering van het LOP samengesteld?

De algemene vergadering wordt samengesteld zoals beschreven in het decreet. Voor de verschillende actoren worden vertegenwoordigers aangeduid. Elke directie moet aanwezig zijn en elk schoolbestuur of inrichtende macht moet een vertegenwoordiger hebben in het LOP. Het kan niet dat in de Algemene Vergadering een persoon optreedt namens verschillende directies, schoolbesturen en/of inrichtende machten.

Hoe worden de niet-onderwijs partners binnen het LOP aangeduid?

Voor de aanduiding van de andere partners werd overleg gepleegd met de centrale organisaties van de partners die op het lokale vlak in het LOP aanwezig zijn (representatieve vakorganisaties, erkende ouderverenigingen, Vlaamse Scholierenkoepel, Vlaams Minderhedencentrum, Vlaams Netwerk van Verenigingen waar Armen het woord nemen, Minderhedenforum). Deze centrale organisaties hebben in overleg met de deskundigen plaatselijke vertegenwoordigers gemandateerd of zullen deze nog aanduiden. 

Hoe gebeurt de aanduiding van de gecoöpteerden (socio-culturele en/of economische partners en SOW)?

De aanduiding gebeurt bij eerste vergadering met alle andere participanten. Er wordt best gewerkt met aanmeldingen en organisaties die een duidelijke bijdrage kunnen betekenen voor het overleg. Het heeft weinig zin om organisaties die geen voeling hebben met de problematiek bij de werkzaamheden van het lokaal overleg te betrekken.

Hoe gebeurt de voordracht van de voorzitter?

Het LOP draagt de voorzitter voor, de Vlaamse Regering (i.c. de minister bevoegd voor onderwijs) stelt de voorzitter aan.

De voorzitter moet vertrouwd zijn met het brede onderwijsveld en mag niet zetelen in een IM en geen personeelslid zijn van een betrokken school, scholengroep, scholengemeenschap of CLB. Er bestaat geen onverenigbaarheid met het opnemen van een politiek mandaat (tenzij voor de Schepen van Onderwijs), ook niet met een opdracht in een hogeschool of universiteit. Het belangrijkste is dat alle participanten aan het LOP de voorzitter in consensus hebben gekozen.

Op de installatievergadering van het LOP moet de kandidatuur van de voorzitter bevestigd worden. Door middel van het verslag van de vergadering wordt de voordracht van de voorzitter gemeld aan AgODi. AgODi legt een voorstel tot officiële aanstelling voor aan de minister en brengt het LOP (de voorzitter) op de hoogte van de beslissing.

Hoe komt het huishoudelijk reglement tot stand of hoe wordt het gewijzigd?

Moet bij consensus tot stand komen of gewijzigd worden, door de voltallige Algemene Vergadering. Dit betekent dat alle partners in de mogelijkheid moeten zijn zich uit te spreken. Kan een organisatie niet effectief aanwezig zijn omwille van het nog ontbreken van een lokale vertegenwoordiger, dan is het aangewezen de betreffende organisatie te informeren en desgevallend om een standpunt te vragen.


Hoe verloopt de besluitvorming?

De beslissingen van het LOP worden (zoveel mogelijk) bij consensus genomen.

Constante aandacht voor en terugkoppeling van de beslissingen naar de doelstellingen van het decreet en de opdrachten van het LOP (art. IV.4) is aangewezen.

Wie roept de eerste maal het LOP bijeen?

De deskundige roept het LOP samen tot er een voorzitter is. Hij spreekt eerst de verplichte partners aan (zie decreet GOK-I, art.IV.3 §1, 1°,2°,3°). Daarna worden de andere partners gecontacteerd (art.IV.3 §1, 4°, 5°, 6°,.8°, 9°, 10°, 11°) Dit alles kan gebeuren in voorbereidende vergaderingen. Tenslotte wordt gezocht naar kandidaten voor de gecoöpteerden (art.IV.3 §1, 7°, 12°). Vanaf de eerste Algemene Vergadering kunnen de gecoöpteerde participanten aangeduid worden.

Kunnen/moeten Franstalige scholen in Brussel en de faciliteitengemeenten betrokken worden bij het LOP?

Franstalige scholen in Brussel en in de faciliteitengemeenten zijn geen formeel lid van het LOP. Gelet op de lokale context kunnen ze wel geïnformeerd worden en kunnen er contacten zijn.

Het kan positief zijn dat Franstalige scholen die bereid zijn, kunnen participeren aan de LOP-werking zonder dat ze de besluitvorming kunnen beïnvloeden.

Moet een doorverwijzing of oriëntering naar het buitengewoon onderwijs telkens via het LOP passeren?

Neen, een oriëntering naar het buitengewoon onderwijs waartoe besloten wordt als het kind al een tijdje in de school aanwezig is (en op het moment van de inschrijving nog geen attest BO had), valt niet onder de procedures van het LOP en het is daarenboven geen verplichting voor de ouders.

Tot welk LOP moeten scholen van de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zich richten?

Alle scholen van de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren tot één LOP, nl. dat van Brussel. Voor Brussel zijn er wel twee LOP’s en die zijn niveaugebonden: dus één voor het basisonderwijs en één voor het secundair onderwijs.

Het lokaal overleg kan plaatselijk instrumenten uitwerken waardoor scholen met een gering aantal leerlingen die voldoen aan de gelijke kansenindicatoren een groter aantal van deze leerlingen kunnen inschrijven. Wat wordt hieronder verstaan?

Deze lokale autonomie reikt niet zover dat decretale bepalingen over het recht op inschrijving op de helling kunnen gezet worden. Wat mogelijk is, is met alle scholen binnen het werkingsgebied van het LOP afspraken te maken over de inschrijvingsperiodes die men zal respecteren, over specifieke rekruteringsacties in de buurt van scholen, over het geven van gezamenlijke informatie aan alle scholen,… zodat elke ouder zo goed als mogelijk geïnformeerd is over het recht op inschrijving, wat hij of zij dan ook ten volle kan laten gelden.

 

4. Vragen over de Commissie inzake leerlingenrechten en de rechtsbescherming

Hoeveel tijd heeft de commissie leerlingenrechten om de procedure van weigering te doorlopen?

Wanneer de klacht binnenkomt, dient de commissie binnen de 21 kalenderdagen een oordeel te vellen. Indien de leerling terecht geweigerd werd, kunnen de ouders aan het LOP vragen hen bij te staan bij een nieuwe inschrijving.

Is de commissie alleen maar bevoegd voor weigeringen?

De commissie is bevoegd voor alle weigeringen maar nu ook voor de aanmeldingen.

Voor weigeringen op basis van draagkracht is de commissie niet in eerste aanleg bevoegd. Pas als het LOP niet tot een oplossing komt (binnen 10 dagen) gaat de weigering op basis van draagkracht over naar de commissie. Ook hier dienen dezelfde termijnen als bij de andere weigeringsgronden gerespecteerd te worden.

De commissie kan eventueel een voorstel van sanctie (t.a.v. schoolbesturen die een weigering onvoldoende kunnen motiveren) indienen bij de Vlaamse regering die binnen de 14 dagen een sanctie uitspreekt.

Bij aanmeldingen is de commissie na klacht bevoegd om een uitspraak te doen over de regelmatige toepassing van de aanmeldingsprocedure. Zij kan geen uitspraak doen over de ordeningscriteria noch over de aanmeldingsperiode(s).

Wie meldt een weigering aan het LOP?

Het schoolbestuur/de Inrichtende Macht die een leerling weigert, deelt dit binnen een termijn van 4 kalenderdagen bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs mee aan de voorzitter van het LOP en aan de ouders van de leerling.

Indien de school niet gelegen is in het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform dient de weigering voor het basisonderwijs gezonden te worden naar Sophie Huybrechts, AgODi, Scholen Basisonderwijs en CLB, Koning Albert II-laan 15, lokaal 4A24, 1210 Brussel.

Bij weigering kunnen de ouders maar ook elke belanghebbende een klacht neerleggen bij de Commissie inzake leerlingenrechten.

Bij weigering op basis van draagkracht zal het LOP, wanneer na bemiddeling geen definitieve inschrijving gerealiseerd kon worden, het dossier doorsturen naar de Commissie inzake leerlingenrechten.

Zelfs als de school geen schriftelijke motivatie meegeeft aan de ouders kan klacht neergelegd worden bij de Commissie.

Waar blijft het kind tot de beslissing over de weigering op basis van draagkracht is gevallen?

Een school die overweegt een leerling te weigeren op basis van draagkracht, moet deze leerling inschrijven onder ontbindende voorwaarde. Tijdens het overwegingsproces blijft de leerling in de nieuwe school ingeschreven en loopt er ook school. Nadat de volledige procedure doorlopen is, besluit de nieuwe school om de leerling te weigeren of echt ingeschreven te houden.

Als er, na weigering, bij bemiddeling in het LOP geen andere school gevonden wordt, blijft het kind dus ingeschreven in de nieuwe school tot de Commissie leerlingenrechten een oordeel heeft betekend.

Indien de Commissie de beslissing van de school gegrond acht, wordt de leerling ingeschreven in een andere school van keuze.

Indien de Commissie de beslissing van de school ongegrond acht, blijft de leerling ingeschreven in de nieuwe school.

Als de ouders de beslissing van de Commissie weigeren te aanvaarden, hebben ze nog steeds de mogelijkheid om juridische stappen te ondernemen. Men moet ouders wel wijzen op de leerplicht.

Wat is de rol van de verificatie bij de rechtsbescherming?

Er zullen geen specifieke controles door de verificatie gebeuren in situaties waar er leerlingen omwille van materiële omstandigheden geweigerd worden, maar waarvoor geen klachten worden ingediend. De verificatie kan evenwel door de Commissie ingeschakeld worden om controles uit te voeren in welbepaalde dossiers.

Hoe kennen ouders hun rol binnen de procedures van rechtsbescherming en welke garanties zijn er voor scholen (vb. tegen school-shopping?)

Mondigheid van ouders zal via de organisaties gestimuleerd moeten worden (de LOP-deskundigen kunnen hier ook op toezien).

Een schoolverandering is een recht voor de ouders. De bestaande procedures voor schoolverandering worden gevolgd. 

Kan de Commissie inzake leerlingenrechten een CLB-dossier opvragen?

Na toestemming van de ouders kan het multidisciplinair dossier van een leerling vrijgegeven worden, om een beslissing te staven. Als de ouders geen toestemming geven om het dossier in te zien dan gebeurt dat niet. (Vb. In geval van weigering op grond van draagkracht.) 

Wat met motiveringen en bemiddeling bij weigering wanneer er geen LOP is?

Meldingen gebeuren naar AgODi (Sophie Huybrechts voor basisonderwijs en Peter Bex voor secundair onderwijs - zie omzendbrief) die dan, in overleg met de coördinatiecel voor de LOP's, het bevoegde LOP aanspreekt om het dossier op te nemen. Enkel weigeringen op basis van draagkracht brengen een automatische bemiddeling met zich mee; in geval van andere weigeringsgronden, kan bemiddeling op vraag gebeuren. De bevoegde LOP-deskundige is de deskundige van het LOP van het betrokken onderwijsniveau waarvan de standplaats het dichtst gelegen is bij de hoofdvestigingsplaats van de betrokken school. Er wordt eveneens beslist welk lid van de inspectie het dossier mee zal opvolgen.

Op het ogenblik dat het dossier van de betrokken school in een LOP besproken wordt, is het aangewezen dat die school tijdelijk betrokken wordt bij de bemiddelingscel.

 

5. Vragen over het geïntegreerd ondersteuningsaanbod

Blijven de extra lestijden Onderwijsvoorrang(OVB) behouden in het buitengewoon onderwijs?

In het schooljaar 2009/2010 is er een GOK-regeling in het buitengewoon onderwijs van start gegaan.

Waarom is GOK in het BO beperkt tot de types 1 en 3?

Bij de conceptie van het GOK-beleid in het buitengewoon onderwijs werd zeer sterk rekening gehouden met het onderzoek dat werd uitgevoerd onder leiding van professor P. Ghesquire van de KULeuven (http://www.ond.vlaanderen.be/leerzorg/onderzoek/).
 
De voornaamste conclusie van dat onderzoek was dat scholen voor de types 1 en/of 3 die een relatief hoog aantal leerlingen tellen die scoren op de indicatoren “taal” en “opleidingsniveau moeder” het meeste effect op het school- en het klasgebeuren ondervinden door de aanwezigheid van deze leerlingen. Binnen de andere types is, o.a. door de algemene problematiek, de impact op het klas- en schoolgebeuren minder.

Op welke manier dienen de aanvullende lestijden in het kader van GOK aangewend te worden?

  • Mogen de GOK-lestijden gebruikt worden om een klasgroep te splitsen?

  • Dienen de GOK-lestijden verdeeld te worden tussen kleuteronderwijs en lager onderwijs?

  • Dienen deze lestijden exclusief om de doelgroepleerlingen te begeleiden, of mogen ze ook ingezet worden om andere kinderen te helpen die niet aan de gelijke kansenindicatoren voldoen?

Het pakket aanvullende lestijden gelijke onderwijskansen wordt toegewezen aan een school en niet aan een niveau of een vestigingsplaats van de school. De aanwending van deze lestijden is vrij d.w.z. dat het de school vrij staat om de lestijden óf in het kleuteronderwijs óf in het lager onderwijs óf in beiden (GOK+ lestijden zijn enkel voor het kleuteronderwijs bedoeld) aan te wenden en in om het even welke vestigingsplaats. Dit betekent o.a. dat GOK-lestijden eventueel kunnen gebruikt worden om klasgroepen te splitsen als dit past binnen de schooleigen visie rond gelijke onderwijskansen en de zelfgekozen doelstellingen van de school; m.a.w. niet om louter te komen tot kleinere klassen als doel op zich en dat betekent eveneens dat kinderen die niet voldoen aan de kansarmoede-indicatoren (bijv. hoogbegaafde kinderen) kunnen gebruik maken van de globale aanpak van de school én van die extra ondersteuning.

De aanvullende lestijden GOK moeten evenwel gebruikt worden voor wat ze bedoeld zijn. Het zijn aanvullende lestijden met een specifiek doel die enkel en alleen voor dat doel dienen gebruikt te worden. Daarenboven moet de aanwending van de lestijden kaderen in de schooleigen visie rond gelijke onderwijskansen en de gekozen doelstellingen. De onderwijsinspectie is bevoegd om de aanwending van die aanvullende lestijden te controleren.

Het verder aangeven hoe deze lestijden dienen ingevuld te worden is niet de taak van de administratie maar de autonomie van de school. De school kan zich daarin laten bijstaan door de netgebonden pedagogische begeleiding. 

Is er geen sensibilisering van de ouders nodig via de media daar sommige ouders het informatieformulier m.b.t. de indicatoren niet invullen?

De privacywetgeving bepaalt dat niemand verplicht kan worden om persoonlijke gegevens door te geven. Het staat de ouders zodoende vrij om de gegevens in het kader van gelijke onderwijskansen al dan niet te verstrekken.

De directeur speelt hierbij wellicht een cruciale rol. Een goede communicatie met de groep ouders kan een oplossing bieden. Een aantal directies roepen de ouders samen en lichten het hoe en het waarom van de bevraging duidelijk toe. Deze aanpak biedt geen garanties maar heeft wellicht toch meer kans van slagen. 

Waarom telt de gelijkekansenindicator “Thuistaal is niet het Nederlands” enkel mee als deze voorkomt in combinatie met een andere indicator (in het kader van het geïntegreerd ondersteuningsaanbod)?

De indicator “Thuistaal is niet het Nederlands” telt wel mee als indicator maar niet als enige indicator. Deze indicator moet steeds voorkomen in combinatie met een andere indicator. Dit is een duidelijke keuze geweest mede op aangeven van het Centrum voor Taal en Onderwijs (CTenO) dat via wetenschappelijk onderzoek tot de vaststelling gekomen is dat kinderen die gemakkelijk leren en voldoende onderwijs- en ontwikkelingskansen krijgen zeer snel een andere taal aanleren. De taalrijkdom en woordenschat in hun moedertaal liggen immers hoog en dit wordt heel gemakkelijk overgedragen bij het aanleren van een nieuwe taal. Kinderen die echter uit een taalarm milieu komen en niet over zo’n grote woordenschat beschikken in hun moedertaal hebben het veel moeilijker om ook een nieuwe taal aan te leren. 

Wat wordt verstaan onder behoren tot de trekkende bevolking?

In de omzendbrief GOK wordt uitvoerig omschreven wie tot deze categorie behoort. Dit wordt bewezen aan de hand van attesten die in de school bewaard worden ter verantwoording voor de verificatie.

Vallen daar niet onder:

  • Kinderen die door de grootouders worden opgevoed.
  • Kinderen die afwisselend bij de ene ouder en de andere ouder verblijven binnen een situatie van co-ouderschap. 

Wanneer is de thuistaal NIET het Nederlands?

Een leerling is niet-Nederlandstalig als de taal die de leerling in het gezin spreekt (dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen) niet het Nederlands is. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

  • voorbeeld 1: de leerling leeft in een gezin met 2 andere gezinsleden dan zichzelf en spreekt met de vader Frans en met de moeder Nederlands: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde het Nederlands.
  • voorbeeld 2: de leerling leeft in een gezin met 2 andere gezinsleden dan zichzelf en spreekt met de vader Frans en met de moeder Frans: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde niet het Nederlands.
  • voorbeeld 3: de leerling leeft in en gezin met minstens 3 gezinsleden en spreekt met de moeder Arabisch, met de vader Frans en met de broers en zussen Nederlands: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde niet het Nederlands want alle broers en zussen worden als 1 gezinslid beschouwd.
  • voorbeeld 4: de leerling leeft in en gezin met minstens 3 gezinsleden en spreekt met de moeder Arabisch, met de vader Nederlands en met de broers en zussen Nederlands: de taal van de leerling wordt beschouwd als zijnde het Nederlands want alle broers en zussen worden weliswaar als 1 gezinslid beschouwd maar er wordt met 2 gezinsleden Nederlands gepraat. 

Wat met pleegkinderen? Op wie slaan de indicatoren dan?

Voor pleegkinderen zijn het de natuurlijke ouders die tellen voor de indicatoren. Welke opleiding de pleegmoeder heeft genoten doet niet ter zake evenmin als de thuistaal van het pleeggezin. Het is het opleidingsniveau van de natuurlijke moeder dat in aanmerking wordt genomen en de gangbare taal van het natuurlijke gezin van het kind die een rol speelt. De verklaring op eer dient eveneens door de natuurlijke ouders ondertekend te worden.

Voor de indicator “de leerling wordt tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen”, is een verklaring van de persoon, de voorziening of de sociale dienst waar de minderjarige is opgenomen nodig.

Wie dient de verklaringen op eer te ondertekenen voor kinderen die in een asielcentrum verblijven of verbleven?

De toenmalige Minister van Onderwijs heeft op 17 juli 2002 beslist dat de verklaringen op eer van de kinderen die in een asielcentrum verblijven (of verbleven) mogen als correct beschouwd worden als de directeur van het asielcentrum deze verklaringen heeft ondertekend. Dit betekent dat die kinderen wel degelijk in aanmerking mogen komen voor de berekening van de aanvullende lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid. 

Welke teldag wordt er gehanteerd om het aantal lestijden in het kader van GOK en GOK+ te bepalen?

De teldag is voor alle scholen de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de driejaarlijkse periode. Dit geldt ook voor scholen in herstructurering, in programmatie of met fusie of opsplitsing die voor hun lestijdenpakket tellen op de eerste schooldag van oktober.

Ook voor de twee laatste schooljaren van elke driejaarlijkse periode is deze teldag de enige waar rekening wordt mee gehouden. Voor aanvullende lestijden GOK en GOK+ wordt er op geen enkel moment en onder geen enkele voorwaarden herteld. Het aantal lestijden GOK en GOK+ blijft derhalve gelijk voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren. 

Wat als een school een vestigingsplaats bij krijgt van een andere school?

Bij fusies en herstructureringen behoort de nieuwe verdeling van de lestijden GOK tot de autonomie van de school. Het departement onderwijs zal niet bepalen welk aandeel lestijden naar de ene school of de andere school moet gaan.

Wanneer een school een vestigingsplaats bij krijgt van een andere school dan dienen de betrokken directies van beide scholen in overleg te treden met elkaar en deze lestijden te verdelen zoals het voor hen op de meest zinvolle manier kan besteed of aangewend worden. 

Wat is het minimum aantal aanvullende lestijden GOK die scholen die minstens 10% doelgroepleerlingen tellen ontvangen?

Een school die minstens 10% doelgroepleerlingen telt, zal altijd een minimum van 6 lestijden krijgen.
Scholen die in het kader van de sociale maatregel de helft van het verlies van hun GOK-lestijden mogen behouden, kunnen minimaal 3 GOK-lestijden krijgen, nl. 6 : 2. 

Dienen de scholen die ingestapt zijn in VBB ook over een schooleigen visie te beschikken?

Alle scholen die aanvullende lestijden GOK hebben gekregen en deze ook aanwenden dienen een schooleigen visie en zelfgekozen doelstellingen uit te schrijven. Scholen die instapten in het Voorrangsbeleid Brussel kunnen hun beginsituatie-analyse of geactualiseerde beginsituatie-analyse voor VBB uiteraard ook gebruiken voor gelijke onderwijskansen. Zij worden derhalve niet ontslagen van het uitschrijven van een schooleigen visie en doelstellingen rond gelijke onderwijskansen.

Elke school die niet over een uitgeschreven schooleigen visie beschikt over gelijke onderwijskansen moet bij vaststelling onmiddellijk de aanvullende lestijden GOK teruggeven en kan daarenboven nog een sanctie krijgen.

Wanneer kunnen de scholen controle verwachten van de inspectie?

Tijdens het eerste en tweede trimester van het derde schooljaar zullen alle scholen systematisch controle krijgen van de onderwijsinspectie. (Zie website van de inspectie, www.onderwijsinspectie.be, voor verdere informatie.) De inspectie zal o.a. de aanwending van de lestijden GOK controleren, of de beginsituatie-analyse voldoende kwaliteitsvol is verlopen, of er een visie is, of er doelstellingen zijn, of deze voldoende verantwoord gekozen zijn en of deze bereikt werden, of er een zelfevaluatie is gebeurd en of die kwaliteitsvol is verlopen, of er eventuele bijsturingen zijn gebeurd en wat het resultaat daarvan is.

Verliest een school haar recht op GOK-lestijden bij negatief inspectieverslag?

Neen, op voorwaarde dat de school zich laat begeleiden door de netgebonden pedagogische begeleiding, kan ze gedurende het eerste jaar van de GOK-cyclus de helft van het aantal berekende GOK-lestijden aanwenden. Na een positieve inspectiecontrole tijdens het eerste jaar kan ze gedurende het 2de en 3de jaar van de GOK-cyclus de volle 100% GOK-lestijden terug krijgen en aanwenden. Is de inspectiecontrole negatief, dan verliest ze haar GOK-lestijden voor de twee komende schooljaren.

Hoe kunnen de GOK-lestijden aangewend worden voor het personeel?

Het schoolbestuur beslist jaarlijks of de aanvullende lestijden in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid worden georganiseerd in het ambt van kleuteronderwijzer of in het ambt van onderwijzer. De aanvullende lestijden kunnen ook worden toegekend aan de directeur of adjunct-directeur met onderwijsopdracht.

Deze keuze heeft bepaalde consequenties voor personeelsleden. Eens gekozen voor het ambt waarin de aanvullende lestijden worden aangewend, moet het schoolbestuur de regels toepassen met betrekking tot de verdeling van de betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de voorrang. 

Kan in deze GOK-lestijden vastbenoemd worden?

De betrekkingen die worden opgericht op basis van “organieke lestijden” voor gelijke onderwijskansen, komen in aanmerking voor vacantverklaring en vaste benoeming.

Voor het overige dient dezelfde procedure te worden gevolgd als voor de andere personeelsleden.

Indien het schoolbestuur ervoor opteert om de aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen toe te kennen aan een vastbenoemd personeelslid dat echter niet vastbenoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer of onderwijzer (bijvoorbeeld een logopedist) kan dit slechts via het stelsel en onder de voorwaarden van het “verlof tijdelijk ander ambt” (zie de omzendbrief “Regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn – referentie 13AC/GDH/SH/js van 19-06-1998).

 

Naar boven