English info

Toolbox
(Nederlandse vertaling)

Dit is een vertaling van het grootste deel van de toolbox - Engelse versie van augustus 1998.  De Engelse toolbox vindt u op de  website Poseidon van het Deense ministerie van Onderwijs.
Bemerk dat de toolbox in de Engelse versie
vaker wordt bijgewerkt dan deze vertaling.
Een aantal hoofdstukken zijn niet vertaald, omdat zij tot dusver enkel voor de Deense situatie ingevuld zijn (zie bvb website Poseidon - index van de toolbox -  links Tips and advice from spearheads -tips en advies van voortrekkers).


INDEX

Hieronder vindt u een schematisch overzicht van de verschillende fasen en activiteiten in het strategisch proces.

Klik de verschillende onderwerpen aan om de inhoud ervan te kennen. U kunt ook doorheen de gehele toolbox scrollen.

 

maand 1-4

maand 5-8

maand 9- 12

 

 


ORGANISATIE

ORGANISATIE

Ga terug naar de index                           

Onderstaand model kan worden gebruikt als basis om de projectorganisatie op te bouwen. Van bijzonder groot belang is dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden op een eenvoudige en ondubbelzinnige manier over de verschillende projecteenheden worden verdeeld.

 

Kenmerken

Verantwoordelijkheden

 

 

Stuurgroep

Moet zodanig zijn samengesteld dat de betrokken onderdelen binnen de organisatie door een leidinggevend persoon worden vertegenwoordigd. De groep mag echter niet te groot zijn om zijn beslissingskracht niet in het gedrang te brengen. Algemeen verantwoordelijk voor het leiden van het project wat tijdschema, kwaliteit en financiën betreft. Neemt de algemene beslissingen in verband met doel en kader van het project.
 

 

 

Sponsor

Moet een persoon uit het hogere management zijn (schoolhoofd, directeur van de instelling).

Is ook lid van de stuurgroep (meer bepaald als voorzitter).

Helpt de projectmanager om het project te doen aanvaarden en te doen vorderen. Neemt samen met de projectmanager "snelle" beslissingen.

Werkt mee aan de marketing en ondersteuning van het project, zowel extern als intern.

 

 

Projectgroep

De sleutelgebieden van het project moeten worden vertegenwoordigd door personen met degelijke vakkennis die tevens kunnen rekenen op het vertrouwen en respect van hun collega’s. Staat in voor het dagelijkse werk. Moet de werkgroepen helpen bij hun werk en hun resultaten volgen.

Die groep moet klein en dynamisch zijn (3-4 personen).

 

 

 

 

Projectleider

Moet een vurig voorstander van het project zijn. Hij moet een goed en grondig inzicht hebben in de doelstelling van de onderwijsinstelling en in de managementbehoeften op het vlak van organisatie en ICT-integratie. Bovendien moet hij enigszins op de hoogte zijn van de didactische mogelijkheden die ICT biedt. Hij is verantwoordelijk voor het werk van de projectgroep en voor de vooruitgang van het project, conform het tijdschema. Hij onderhoudt het contact met de projectbegeleider (Katholieke Hogeschool Brussel).
 

Werkgroepen

Kunnen worden opgericht in bepaalde specifieke deelgebieden van het project. Verantwoordelijk voor specifieke deelgebieden.

Moeten werken binnen een zeer duidelijk gedefinieerd werkveld en een zeer kort tijdsbestek.

 

ROL VAN DE PROJECTLEIDER EN PROJECTMANAGEMENT

Ga terug naar de index

Advies voor de projectleider

De rol van de projectleider

Stel open vragen

Valkuilen en tips om ze te vermijden

IT bezorgt iedereen een schuldgevoel

Weerstand tegen verandering

Als u er meer wilt over weten

 

 

Advies voor de projectleider

Op de volgende pagina’s beschrijven we een aantal punten waarmee de projectleider beter rekening kan houden als hij de verantwoordelijkheid neemt voor het implementeren van het project in de komende twee jaar. Het gaat onder meer over algemene aspecten bij het leiden van grote projecten en over de taak en rol van de projectleider, maar ook over specifieke aangelegenheden zoals het werken met strategieën en plannen voor het gebruik van ICT. Voorts verwijzen we naar bijkomende literatuur die nuttig kan zijn voor wie méér over het onderwerp te weten wil komen.

Veel leesgenoegen!

 

De rol van de projectleider

Specifiek voor de projectleider is niet zozeer zijn professionele deskundigheid, maar eerder de functie en rol die hij wil spelen tegenover de andere werknemers en collega’s. Zoals de functie-aanduiding zegt, is de projectleider degene die het project leidt en dus verantwoordelijk is voor de implementering ervan.

Maar de projectleider neemt uiteraard ook bepaalde professionele en persoonlijke standpunten in over de werkelijke inhoud van het project, meer bepaald over de onderwerpen die in de loop van het Pre-ENIS project naar voren komen en waarover een beslissing moet worden genomen.

De projectleider moet zich bewust zijn van die dubbele rol en voortdurend voor zichzelf én voor de andere collega’s duidelijk stellen wanneer hij in professionele discussies over het project spreekt als projectleider of als gewone deelnemer, op gelijke voet met de andere deelnemers.

Als de projectleider er niet in slaagt een onderscheid te maken tussen zijn rol als manager die voor het proces verantwoordelijk is, en zijn rol als gewone betrokkene bij datzelfde proces, zal hij bij de andere deelnemers aan het project snel zijn geloofwaardigheid verliezen. Het kan gebeuren dat zij er de projectleider niet onterecht van beschuldigen te trachten bepaalde houdingen en beslissingen door te drukken, niet door redenering en discussie onder mensen op gelijke voet, maar door zijn macht en invloed als projectleider te misbruiken.

De rol van de projectleider bestaat erin:

  • het proces te organiseren en te structureren
  • voor vooruitgang en dynamisme te zorgen
  • bereidheid te creëren om de veranderingen te implementeren
  • resultaten te boeken
  • de resultaten ook daadwerkelijk toe te passen
  • kennis te verspreiden
  • begrip te bewerkstelligen
  • onder de collega’s motivatie en inzet te doen ontstaan.

 

Stel open vragen

Heel wat projectleiders hebben grote successen geboekt doordat ze inzicht verwierven in zichzelf en in hun eigen gedrag, met name door hun omgeving om feedback en beoordeling te vragen. Pas die houding ook toe in het project: stel je collega’s en deelnemers aan het project altijd open en zelfs "domme" vragen.

Stel vragen over hoe men in de instelling aankijkt tegen de invoering van ICT, het projectproces en uw taak als projectmanager. Wees open en attent en u zult merken dat u in ruil heel wat inspiratie voor de volgende stappen in het proces zult krijgen.

 

Problemen of kansen

Als projectleider moet u beslist de houding aannemen dat problemen niet als moeilijkheden moeten worden gezien, maar eerder als een kans om bij te leren. Ook hier is het belangrijk altijd doel en visie van het project voor ogen te blijven houden.

 

Als er zich in de loop van het proces toch situaties zouden voordoen die u als projectleider niet met bovenvermelde aanpak kunt oplossen, dan kan onderstaande lijst van open vragen u misschien helpen om samen met de andere deelnemers toch vooruitgang te boeken:

Stel algemene vragen:
  • Met welke problemen krijgt u te maken?
  • Wat is het probleem?
  • Wat is volgens u het probleem voor de anderen?

Stel vragen over de omstandigheden:

  • Wanneer doet zich het probleem voor?
  • Wanneer doet zich het probleem niet voor? (uitzonderingen zijn vaak een aanduiding voor de omstandigheden waarin het probleem zich wel voordoet)
  • Wanneer is het probleem het grootst?

Stel vragen over de personen die bij het probleem betrokken zijn:

  • Wie heeft met het probleem te maken?
  • Voor wie is het probleem het grootst?
  • Wie wil er iets veranderen?

Vraag wie er baat heeft en wie er nadeel heeft van het probleem:

  • Wie wil dat het probleem opgelost raakt?
  • Wat winnen degenen die het probleem opgelost willen zien erbij?
  • Wie kan met het probleem leven?
  • Wie zal iets verliezen als het probleem wordt opgelost?
  • Wat zullen degenen die erbij verliezen echt verliezen als het probleem wordt opgelost?

Stel vragen over houdingen / gedragingen:

  • Welke is de impact van het probleem op u / de anderen?
  • Hoe zou het voor u / de anderen beter zijn?

Stel vragen over de tijd:

  • Wanneer deed het probleem zich voor het eerst voor?
  • Wanneer is het het grootst / het kleinst?
  • Hoe vaak doet het probleem zich voor?

Stel vragen over mogelijkheden en hindernissen:

  • Wat hebt u al gedaan om het probleem op te lossen?
  • Wat houdt u tegen om het probleem op te lossen?
  • En wat als u ……?
  • Wat als het probleem verdwijnt / niet verdwijnt?

 

IT bezorgt iedereen schuldgevoel

Bij het uitwerken van een algemene strategie om IT in uw instelling in te voeren, moet u zich bewust zijn van een gegeven dat typisch is bij het werken en bespreken ervan.

De informatietechnologie ontwikkelt zich razendsnel, denk maar aan Internet. Tegelijk worden we er ons steeds meer van bewust dat die ontwikkelingen de komende jaren een enorme invloed zullen hebben op onze dagelijkse manier van leven. Informatietechnologie is niet langer alleen iets voor "nerds" maar wekt sterke belangstelling bij de meest uiteenlopende personen. Informatietechnologie is niet meer uit ons leven weg te denken.

Velen van ons hebben het gevoel dat alles zo snel verandert dat het niet bij te houden is. Dat geeft ons een soort van gevoel dat we niet genoeg ons best hebben gedaan om die technologische ontwikkelingen te leren kennen en van de mogelijkheden ervan gebruik te maken. Sommigen voelen zich zelfs wat minderwaardig als er over IT wordt gesproken en zij het technische jargon niet begrijpen.

Een projectleider moet daar rekening mee houden.

Praat daar tijdens het project open over. Als projectmanager moet u het goede voorbeeld geven en een sfeer en aanpak voorstaan waarin het OK is om te praten over alle dingen die u niet weet en over uw gevoel van onzekerheid in verband met die dingen.

Geef het goede voorbeeld en laat zelf uw onzekerheid en twijfels blijken.

 

Valkuilen en tips om ze te vermijden

Als projectleider die verantwoordelijk is voor de implementering van het project, moet u beducht zijn voor een aantal valkuilen. Hieronder noemen we een aantal typische valkuilen op waarin vroeger veel projectleiders en projecten zijn beland. We geven telkens een paar tips om zo’n situatie te vermijden. De opsomming bestaat uit drie groepen: valkuilen bij de start van het project, in de loop van het project en aan het einde van het project.

 

Bij de start van het project:

Valkuilen

Tips

Onduidelijke verwachtingen tussen de projectleider en de andere personeelsleden. Zorg ervoor dat de rol van alle betrokkenen van meet af aan duidelijk gedefinieerd is: maak afspraken over wat de projectleider mag doen, wanneer hij het mag doen en in welke context hij het mag doen.
Duidelijke maar verkeerde verwachtingen, bv. dat de projectleider al het werk zal doen. Ga de confrontatie niet uit de weg: stel directe vragen, bv. Ik heb het gevoel dat u verwacht dat ik x deel van het werk zal doen. Klopt dat?
Gebrek aan inzet 1: Geef hun tijd – misschien zijn uw verwachtingen te hoog.

2: Ga na of de middelen geschikt zijn – hebben uw collega’s nog wel energie genoeg om zich in te zetten?

3: Ga na welke de reden voor dat gebrek aan inzet kan zijn. Lees in dat verband de volgende paragraaf over weerstand tegen verandering .

 

 

In de loop van het project:

Valkuilen

Tips

De projectleider gaat meer doen dan goed is. Fris de gezamenlijke doelstellingen even op. Hoe pakken wij de dingen verstandig aan?
De projectleider raakt zijn enthousiasme kwijt. Zorg ervoor dat u op iemand of op een groep kunt terugvallen – wie zich met laaiend enthousiasme inzet, kan ook uitgeblust raken.
De deelnemers aan het project raken het oneens over het doel en de middelen. 1: Aanvaard en doe anderen aanvaarden dat er veel wegen zijn die naar hetzelfde doel leiden.

2: Als men het over het doel oneens is, moet u misschien de beginfase van het project herhalen.

Het project gaat niet vooruit. Vaak merken degenen die bij een groot project betrokken zijn de vorderingen het minst goed op, net als ouders bij een kind dat groot wordt. Signaleer alle kleine gebeurtenissen, bepaal deadlines, maak in nieuwsbrieven en via uw home page duidelijk wat er reeds is gebeurd en wat er nog aan het gebeuren is

 

Aan het einde van het project:

Valkuilen

Tips

De projectleider onttrekt zich te vroeg aan zijn taken. Het project is niet echt af tot het stevig in het werk van elke dag in de instelling is ingeburgerd zodat de elementen ervan verder kunnen groeien.
De deelnemers aan het project koesteren weinig realistische verwachtingen over hoe de implementering van de laatste fasen van het project hun dagelijks leven zal vergemakkelijken. Een onderling realistisch afwegen van verwachtingen is aan het einde al even belangrijk als in het begin, zoniet zal men zich later voornamelijk de teleurstellingen herinneren.
De deelnemers kijken uit naar de terugkeer van een dagelijks leven zonder de extra druk van projecten. Breng dat punt te berde voor het opduikt en vraag wat elke deelnemer daarvan vindt. Wellicht is het eerder regel dan uitzondering dat we in ons werk met voortdurende verandering zullen moeten leren leven.
Het project liet geen sporen na. Dat is weinig waarschijnlijk, maar als dat het geval is, moet de manier van samenwerken en beslissingen nemen in de instelling opnieuw worden bekeken.

 

Weerstand tegen verandering

Als u aan het Pre-ENIS project werkt en een algemene strategie en plan uitwerkt om de komende jaren ICT in uw instelling in te voeren, dan betekent dat dat u tegelijk in de organisatie een radicaal veranderingsproces invoert. Mensen kunnen daar op zeer uiteenlopende wijze op reageren. Sommigen kunnen van mening zijn dat het tijd werd dat de instelling een degelijke inspanning op dat vlak leverde, terwijl anderen sceptischer zijn en sommigen zelfs regelrecht tegen het idee gekant kunnen zijn.

Het is een goed idee om als projectleider duidelijk te onderstrepen dat een algemene strategie uitwerken net zozeer betekent dat er wordt nagegaan en gedefinieerd wat u niet wilt als wat u wel wilt bereiken.

Voor u als projectmanager is het ook belangrijk dat u iets afweet van de reacties die uw collega’s in de loop van het project kunnen vertonen, en hoe zij zullen reageren op bepaalde acties en activiteiten die hun angst en weerstand tegen verandering kunnen verminderen. Hieronder beschrijven we een aantal typische reacties bij verandering en stellen wij activiteiten / acties voor die de angst voor verandering kunnen temperen.

Weerstand tegen verandering

Elke verandering doet hevige of minder hevige gevoelens ontstaan. Onze behoefte aan zekerheid en stabiliteit, zelfrespect en een coherent wereldbeeld behoren tot onze meest fundamentele behoeften.

Door oog te hebben voor de psychologische behoeften zoals de behoefte die altijd aan de daden van individuen of organisaties ten grondslag ligt, wordt het gemakkelijker om te begrijpen:

  • Waarom mensen zo of zo reageren.
  • Wat men kan doen om met die angst voor verandering overweg te kunnen.

Mogelijke reacties op verandering:

  • Ontkenning
  • Psychosomatische reacties
  • Strikt volgens de regels werken
  • Actieve weerstand / sabotage
  • Ziekte
  • Belachelijke nieuwe activiteiten
  • Stilzwijgen
  • Belasteren
  • Misplaatste woede / afreageren op anderen

Activiteiten / acties die de angst voor verandering of de weerstand tegen verandering kunnen afzwakken

  • Zelf het goede voorbeeld geven, het voortouw nemen, de visies verduidelijken
  • Voortdurend informatie geven
  • Nieuwe kennis bijbrengen
  • Nieuwe ervaringen aanbrengen
  • Nieuwe vaardigheden oefenen
  • Bijeenkomsten houden waarin men zijn twijfels en onzekerheden kan uiten
  • In perioden van verandering de structuren, opdrachten en verantwoordelijkheden nog duidelijker bepalen
  • Degenen die moeten veranderen helemaal van in het begin bij het proces betrekken
  • Compromissen sluiten
  • De opiniemakers / leiders beïnvloeden
  • Verantwoordelijkheid geven
  • Luisteren / ernstig nemen
  • Redeneren
  • Het fysische kader veranderen

 

Als u er meer wilt over weten

Voor wie er meer wil over lezen: meer informatie over de rol van de projectmanager vindt u onder meer in:

Belbin, M. Management Teams: Why They Succeed or Fail. Butterworth-Heinemann, 1981

De Britse industriële psycholoog Belbin heeft onderzocht wat bepaalde werkgroepen succesvoller maakt dan andere. De conclusies van dat onderzoek heeft hij in dit boek samengevat. Hij onderscheidt acht rollen als manager die wij allemaal in meerdere of mindere mate bezitten als onderdeel van onze persoonlijkheid. Uit zijn onderzoek is gebleken dat in de meest succesrijke groepen die acht rollen even sterk aan bod komen. Het boek geeft een goed beeld van hoe men groepen moeten samenstellen en leiden. Zowel projectmanagers als geïnteresseerde medewerkers aan het project kunnen er veel uit opsteken.

 

 

INTERNE COMMUNICATIE OVER HET PROJECT

Ga terug naar de index

Projectcommunicatie

Denk aan de doelgroep

Communicatie vóór de start van het project

Communicatie bij de start

Communicatie tijdens het project

Communicatie aan het einde van het project

 

Projectcommunicatie

Projectcommunicatie gaat voornamelijk over de informatie die in de loop van het project wordt verstrekt en doorgegeven aan personen en organen die buiten het eigenlijke projectteam staan. Pamfletten, nieuwsbrieven, informatievergaderingen, rapporten en krantenartikels zijn voorbeelden van hoe de communicatie over het project kan gebeuren.

Hoe sterker het project van de omgeving afhangt – economisch, politiek, qua steun, qua management, op moreel vlak – hoe méér belang aan communicatie moet worden gehecht.

In het Pre-ENIS project plannen we de toekomst van de hele onderwijsinstelling wat IT-integratie betreft, en dat betekent dat het communicatiewerk bijzonder belangrijk is, zeker ten aanzien van de rest van het onderwijzend personeel.

 

Denk aan de doelgroep

Wie zelf aan het project meewerkt, is uiteraard sterk bij het werk betrokken. Maar het is in communicatie erg belangrijk te beseffen dat de doelgroep, tot wie de communicatie zich richt, die belangstelling niet noodzakelijkerwijs deelt. Voor de anderen is het "gewoon een project" dat wordt opgestart en weer een nieuw punt waaraan zij aandacht moeten besteden.

Daarom moet u heel goed nagaan welke uw doelgroep is, welke houdingen en inzichten kenmerkend zijn voor die groep, en hoe die groep op uw communicatiewerk zou kunnen reageren. Het is tegelijk ook belangrijk om het evenwicht te bewaren en de juiste dosis voorlichting te geven. De informatie mag niet té gedetailleerd zijn, maar ook niet te algemeen of te vaag. Begin met de vraag te stellen: wat wil ik met deze communicatie bereiken? En bepaal dan, op grond van de aard van de doelgroep, hoe u dat kunt bereiken. In dat opzicht is het goed om met iemand van die doelgroep te praten om ideeën en communicatievoorstellen te testen.

 

Communicatie vóór de start van het project

Communicatie vóór de start van het project heeft in de eerste plaats tot doel informatie over het project door te geven en een algemene goodwill tegenover het project te doen ontstaan. In dat opzicht is het bijzonder belangrijk de verwachtingen betreffende het project aan de realiteit te toetsen zodat er over het project geen geruchten en mythes gaan ontstaan. Het Pre-ENIS project kan aanleiding geven tot het ontstaan van twee verschillende mythen en misvattingen:

 

  • Het project gaat alleen over de technische aspecten van IT-integratie
  • Het project streeft ernaar zoveel mogelijk informatietechnologie in te voeren als mogelijk is.

 

Het is belangrijk om bij de communicatie actieve inspanningen te leveren om zo’n misvattingen te ontzenuwen. Als de eerste mythe ingang vindt in uw instelling, dan moet u in uw communicatie uitdrukkelijk stellen dat het project over lesgeven gaat en over het toepassen van IT, en dat de technische aspecten aan deskundigen worden overgelaten. Als de tweede mythe ingang heeft gevonden, moet u benadrukken dat het in een dergelijk strategisch proces al even belangrijk is te bepalen wat men niet als wat men wel gaat doen. Een strategisch proces houdt in dat men op een systematische en doordachte manier gaat beslissen wat men wil en wat men niet wil.

Bij de communicatie vóór de start van het project moet de aandacht uitgaan naar de volgende doelgroepen:

  • Het voltallige onderwijzend personeel
  • De andere personeelsleden in de instelling
  • De organen die de instelling leiden (het bestuur)
  • Het politieke en administratieve niveau
  • De gebruikers van de instelling (leerlingen / ouders, stagiairs, studenten, bedrijven)

De antwoorden op de volgende vragen zijn de drie belangrijkste boodschappen die in het initiële communicatieproces moeten worden doorgegeven:

  • Wat is het doel van het project?
  • Wat betekent het project voor mij?
  • Wanneer zal ik nog iets over het project horen?

Het is belangrijk om in de eerste communicatiefase geen verwachtingen te doen ontstaan die later niet vervuld kunnen worden of die eigenlijk niet aan de orde zijn. Zorg er dus voor dat het project niet overdreven wordt aangeprezen; tracht integendeel een realistisch beeld te geven van de inhoud en de resultaten die men van het project verwacht.

In verband met het project moet uitdrukkelijk worden meegedeeld dat het niet de werkgroep noch de desbetreffende projectleider is die beslissingen neemt over de toekomstige integratie van IT in de instelling. De uiteindelijke beslissingen in verband met IT zullen op precies dezelfde manier worden getroffen als de andere strategische beslissingen in de instelling.

De werkgroep is alleen verantwoordelijk voor het proces en moet een optimale basis creëren zodat die belangrijke beslissingen kunnen worden genomen. De werkgroep moet met andere woorden het beslissingsproces voorbereiden.

 

Communicatie bij de start van het project

Aan de start van het project moet enige ruchtbaarheid worden gegeven. Toch moet de communicatie in deze fase eerder concreet en feitelijk zijn.

Zo moet bijvoorbeeld op de volgende vragen een antwoord worden gegeven:

  • Wie leidt het project?
  • Wie zit in de werkgroep?
  • Waarom worden die mensen bij het project betrokken?
  • Welke taak, welke opdracht hebben zij?
  • Wat is het concrete doel van het project?
  • Wat doen we om te verzekeren dat in het project met onze standpunten en inzichten rekening wordt gehouden?

 

Communicatie tijdens het verloop van het project

De communicatie tijdens het project moet vooral informeren over de vorderingen die worden gemaakt en over de reeds geboekte resultaten. Ook hier is het belangrijk het juiste evenwicht te vinden tussen té veel en té weinig informatie en communicatie.

Een ander doel van communicatie is de werkgroepen motiveren om voor de nodige input voor het project te zorgen. Dat kan deelnemen aan vergaderingen en werkgroepen betekenen, of ook voorbereiden van discussies, implementeren van studies en dergelijke. Bij communicatie is het inderdaad één van de belangrijkste en moeilijkste opdrachten om het onderwerp zo aantrekkelijk en belangrijk voor te stellen dat de collega’s bereid zijn om de nodige tijd vrij te maken om aan het project mee te werken.

Dat kan enerzijds door de nadruk te leggen op het doel van het project en de toepassing van de resultaten. Als het project slaat op domeinen die voor de doelgroep belangrijk zijn en ook voor hun dagelijkse manier van werken gevolgen zullen hebben, zal men vanzelf meer geneigd zijn om inspanningen te doen en de kans grijpen om de eigen visie en meningen naar voren te brengen.

In dit verband moet ook worden benadrukt dat de deelnemers aan het project naast de formele communicatie ook hun contactpersonen en kennissen moeten aanspreken om op een meer informele manier informatie over het project te verstrekken.

 

Communicatie aan het einde van het project

Als het project is afgelopen, moeten de resultaten worden meegedeeld. Alvorens daarmee te beginnen moet men nagaan welke informatie in de loop van het project reeds werd verstrekt en ook wat de verwachtingen en behoeften van de doelgroep in verband met zo’n rapport wel zijn.

Als in vroegere mededelingen niet werd meegedeeld dat voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers een en ander kan veranderen, dan is het van het allergrootste belang dat de betrokkenen daarvan op de hoogte worden gesteld vóór het eindrapport verschijnt.

 

 

TIPS VOOR CONTACTEN MET DE PERS

Ga terug naar de index


Goede raad wanneer u de lokale pers moet aanspreken om enige aandacht voor uw project te krijgen:

  • Denk zelf reeds in journalistieke termen vóór u de pers benadert. U kunt er de nadruk op leggen dat de school een algemeen plan voor de invoering van IT wil uitwerken, of beter nog, u kunt de resultaten voorstellen van een onderzoek dat onlangs werd gehouden. Hoe concreter u bent, hoe gemakkelijker het zal zijn om belangstelling voor uw project te krijgen.
  • Neem een actuele gebeurtenis als aanknopingspunt om het publiek een en ander over uw project mee te delen. Als er geen "nieuwsaspect" aan het project zit, zal uw vraag bij de redactie van de krant onderaan de stapel belanden. Het is dus beter de pers pas te contacteren als u echt nieuws hebt mee te delen, eerder dan de media aan te spreken omdat u publiciteit voor uw project nodig hebt – voor de pers en het publiek is dat toch niet relevant.
  • Denk in termen van verhalen voor en over mensen als u de pers benadert. Wat betekent het Pre-ENIS project voor de leerling / stagiair die naar die school gaat. Je kunt de pers ook een interview met de projectleider, de schooldirecteur en een leerling / stagiair / student bezorgen. Grappige, opwindende of ongewone verhalen over mensen zijn altijd goed persmateriaal. En het is tegelijk vaak een goede manier om over ingewikkelde onderwerpen te schrijven. Vóór je contact legt met de pers, is het aanbevolen om de personen die het verhaal gaan "verkopen" ook te vertellen dat ze door de pers zullen worden gecontacteerd. Zo zijn ze op de situatie voorbereid als een journalist opbelt.
  • Spreek altijd van tevoren af wie verantwoordelijk zal zijn voor de contacten met de pers. Het zorgt alleen maar voor verwarring als de redactie door verschillende mensen over dezelfde zaak wordt opgebeld.

Als het eerste contact niets oplevert, kun je pers beter nog eens aan het bestaan van het project herinneren. Maar dring niet teveel aan. Er gebeuren in de lokale gemeenschap wel meer opwindende dingen, en afhankelijk van de prioriteit die aan andere items wordt toegekend, beslist de redactie of het Pre-ENIS project in de krant komt. Als u te zeer aandringt, krijgt u bij de redacties al gauw een slechte reputatie en dan wordt het soms moeilijk om later een goed verhaal nog verkocht te krijgen.


Een aantal tips voor het schrijven van een perscommuniqué:

  • Deel eerst de belangrijkste punten mee. U kunt verder in de tekst dieper ingaan op de achtergrond en context.
  • Een perscommuniqué moet kort en concreet zijn; vermijd dus lange uitleg over dingen die alleen voor u belangrijk zijn en voor het publiek niet relevant zijn.
  • Tracht op een actieve manier te schrijven – vermijd te lange samengestelde woorden en geleerd aandoende termen. Vermijd ook de passieve, onpersoonlijke stijl. Zeg precies wie wat denkt of doet. Gebruik korte zinnen.
  • Stel u bij het schrijven voor dat u het verhaal vertelt aan uw oude moeder of aan een andere persoon die geïnteresseerd is, maar niets over het project afweet. Zo merkt u beter welke punten u op een duidelijke manier moet uitleggen. Sla ook geen belangrijke feiten over die voor u vanzelfsprekend zijn, maar die een buitenstaander helemaal niet kent.
  • Vermeld ook altijd duidelijk bij wie de pers voor meer informatie terecht kan. Vermeld waar en wanneer die persoon te bereiken is en zorg dat u bijkomende informatie en de telefoonnummers van contactpersonen bij de hand hebt zodat de journalist meteen door kan gaan met zijn werk als hij opbelt voor meer informatie.

 

maand 1-4


OVER DE STAND-VAN-ZAKEN FASE

Ga terug naar de index

Wat is een stand-van-zakenrapport?

Waartoe dient het stand-van-zakenrapport?

Wie moet dat stand-van-zakenrapport voorbereiden?

Tot wie moet dat stand-van-zakenrapport gericht zijn?

Hoe lang moet het stand-van-zakenrapport zijn?

Hoe moet het stand-van-zakenrapport eruitzien?

 

Wat is een stand-van-zakenrapport?

Doel van het opmaken van een stand van zaken is een verslag voor te bereiden waarin een algemene beschrijving wordt gegeven van de huidige situatie op het vlak van ICT in de instelling en van het huidige kader en voorwaarden in verband met ICT-integratie.

Het stand-van-zakenrapport geeft een antwoord op vragen zoals "waar staan wij vandaag in verband met ICT-integratie?" en "wat zijn onze huidige structuren en voorwaarden in verband met ICT-integratie?".

Het rapport bestaat uit een intern en een extern gedeelte. Het interne gedeelte gaat over de instelling zelf en over de personen die er werken. Dat omvat bijvoorbeeld de vaardigheden van de leraars op het vlak van ICT, de omvang en aard van de huidige ICT-integratie, de huidige hardware en software, de kwalificaties van de leerlingen.

Het externe gedeelte gaat over de omstandigheden in de omringende wereld die een rechtstreekse of onrechtstreekse invloed hebben op de integratie van ICT in de instelling. Denk aan de politieke en administratieve omstandigheden, bepaald door de lokale overheid / de provincie / de staat, de wetgeving, de eisen en verwachtingen van degenen die de afgestudeerde leerlingen van de instelling tewerkstellen of verder opleiden, enz.

Een stand-van-zakenrapport is in wezen objectief en beschrijvend. Dat betekent dat er geen noemenswaardige twijfel kan rijzen over de gegeven informatie. Het moet in alle kringen goed worden onthaald en aanvaard.

Wanneer het rapport ook delen bevat waarin evaluaties worden gemaakt en voorstellen worden gedaan, moeten deze van het louter beschrijvende deel worden gescheiden en het moet voor de lezer duidelijk zijn dat het om een meer subjectieve voorstelling gaat. De beschrijving moet dus een duidelijk onderscheid maken tussen de beschrijvende en de beoordelende elementen.

 

Waartoe dient die stand van zaken?

Doel van het rapport is een algemeen en omvattend beeld te geven van de ICT-integratie in de instelling dat als vertrekpunt kan dienen voor iedereen die aan het verdere strategische werk zal deelnemen. De beschrijving is een gemeenschappelijk platform waarop moet worden voortgebouwd. Zij moet ook een gemeenschappelijke kijk geven op hoe de wereld er momenteel uitziet.

Wanneer het strategische werk niet van dergelijke beschrijving van de stand van zaken vertrekt, rijst er onder de leerkrachten vaak onenigheid betreffende de huidige situatie in de instelling in verband met ICT. Elke werknemer heeft zijn of haar beeld van de problemen op het vlak van ICT-integratie, en er zal veel energie verloren gaan in het bespreken van die problemen, ten nadele van werk dat op termijn tot vooruitgang moet leiden.

Met het opstellen van het stand-van-zakenrapport is ook het voorbereidende werk achter de rug. De leerkrachten moeten geen energie verspillen met het bespreken van feitelijke, praktische problemen, maar moeten hun aandacht richten op het uitwerken van een visie en doelstellingen voor de komende ICT-integratie.

Het opstellen van een stand van zaken geeft vaak ook inspiratie voor het verdere proces. Als u bijvoorbeeld een algemene schets geeft van de huidige vaardigheden van het lerarenkorps op het vlak van ICT, dan is het evident dat in de fase waarin de visie en de doelstellingen worden uitgewerkt, aandacht aan dat punt wordt besteed. Hetzelfde geldt voor de algemene omschrijving van de aard en omvang van de huidige ICT-integratie.

 

Wie moet die stand van zaken opmaken?

De projectleider zal in deze fase het meeste werk doen. Een paar anderen kunnen eraan meewerken, maar altijd onder leiding van de projectleider. Het voltallige lerarenkorps moet alleen meewerken aan onderzoeken en dergelijke, maar niet aan de eigenlijke opstelling van het stand-van-zakenrapport.

 

Tot wie moet het stand-van-zakenrapport gericht zijn?

De doelgroep van het stand-van-zakenrapport is het voltallige lerarenkorps. De gegeven beschrijving moet worden gebruikt als een gemeenschappelijk beeld en referentiekader voor het komende strategische werk waarbij alle leerkrachten worden betrokken.

Dat betekent onder meer dat lange technische beschrijvingen van de momenteel beschikbare computerapparatuur niet nodig zijn; een kort overzicht van de belangrijkste elementen kan volstaan. Een volledige opsomming van de apparatuur kan wel als bijlage bij het rapport worden opgenomen.

Bij het redigeren van het rapport moet de projectleider altijd voor ogen houden welke punten in de beschrijving van de bestaande situatie benadrukt moeten worden om de leerkrachten zo goed mogelijk voor te bereiden op het definiëren van de visies en doelstellingen met betrekking tot de toekomstige ICT-integratie.

 

Hoe lang moet het rapport zijn?

Een stand-van-zakenrapport mag niet langer zijn dan 15 of 20 pagina’s. Als het langer is, zullen de leerkrachten het wellicht toch niet lezen.

Dat betekent dat de projectleider constant zijn prioriteiten moet leggen en uit zijn onderzoek en bij het inzamelen van gegevens de meest interessante informatie moet zien te halen. De projectleider zal veel méér informatie vergaren dan hij in het rapport kan opnemen. De rest van de informatie kan worden voorgesteld in een bijlage bij de eigenlijke beschrijving.

Wanneer bijvoorbeeld een onderzoek wordt gedaan, mogen alleen de belangrijkste en interessantste resultaten van dat onderzoek in het eigenlijke rapport worden opgenomen. De volledige resultaten kunnen wel in een aparte bijlage worden weergegeven.

 

Hoe moet het stand-van-zakenrapport eruitzien?

Hieronder een voorbeeld van de inhoudstafel van een volledige beschrijving van de stand van zaken.

Stand-van-zakenrapport

  1. Inleiding
  2. Onderwerp
  3. Situatie op pedagogisch vlak
  4. Financiële situatie
  5. Technische situatie
  6. ICT-competentie van de leerkrachten
  7. ICT-competentie van de leerlingen
  8. Besluit over de interne stand van zaken
  9. Politieke kader
  10. Administratieve kader
  11. Ontvangende partijen
  12. Initiatieven van "concurrerende" instellingen
  13. Algemeen besluit

Appendix A: Onderzoek naar de ICT-vaardigheden van de leerkrachten

Appendix B: Onderzoek over de huidige ICT-integratie

Appendix C: Huidige pedagogische doelstellingen

Appendix D: Situatie op technisch vlak, schets van de ICT-organisatie

Appendix E: Bijkomende opleiding in ICT in academiejaar 1996-97

 

 

INTERNE STAND VAN ZAKEN

Ga terug naar de index

Onderstaande tabel bevat een volledig overzicht van alle punten die in het interne stand-van-zakenrapport kunnen worden behandeld. Bij elk onderwerp horen de tools, de resultaten van de tien voortrekkers (zie Engelse versie van de toolbox op de Deense Poseidon-website) naarmate het project vordert, en de inspiratie die andere instellingen kunnen geven. Als u een onderwerp aanklikt, krijgt u ook een korte beschrijving van de doelstellingen, rollen / middelen, voorafgaande voorwaarden voor de taak, en de reeds bereikte resultaten voor dat specifieke onderwerp.

Wat de algemene interne stand van zaken betreft, kunt u hier meer te weten komen over de doelstellingen, rollen / middelen, voorafgaande voorwaarden voor die fase en resultaten.

 

 

Tools

Resultaten

Inspiratie

Onderwijs Overzicht van de bestaande pedagogische doelstellingen en plannen in de instelling

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  Proef- en ontwikkelingsprojecten over ICT-integratie in de instelling

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  In kaart brengen van de huidige ICT-integratie in de instelling

Vragenlijst

Voortrekkers

Anderen

Middelen Bestaande strategieën en actieplannen over ICT-integratie in de instelling

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  ICT organisatie. Wie is verantwoordelijk voor wat – met inbegrip van de verschillende ICT-forums?

Vragenlijst

Voortrekkers

Anderen

  ICT-competentie van het onderwijzend personeel

Vragenlijst

Voortrekkers

Anderen

  Stand van zaken in aanvullende opleidingen voor het onderwijzend personeel

Checklist en vragenlijst

Voortrekkers

Anderen

  ICT –competentie van leerlingen/stagiairs/studenten

Vragenlijst

Voortrekkers

Anderen

Technolo-gie en financiën Overzicht van de ICT-uitrusting in de instelling

Checklist en bijkomende formulieren

Voor- trekkers

Anderen

  Financiën op ICT-gebied en misschien toekomstige ICT-budgetten

Checklist

Voortrekkers

Anderen

 

EXTERNE STAND VAN ZAKEN

Ga terug naar index

Onderstaande tabel bevat een volledig overzicht van alle punten die in het interne stand-van-zakenrapport kunnen worden behandeld. Bij elk onderwerp horen de tools, de resultaten van de tien voortrekkers naarmate het project vordert, en de inspiratie die andere instellingen kunnen geven.

 

 

Tools

Resultaten

Inspiratie

Politieke omgeving: lokale overheid/ provincie/staat Overzicht van de politieke vereisten en wensen inzake ICT-integratie

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  Wetgeving, circulaires, instructies, enz.

Checklist

Voortrekkers

Anderen

Administra-tieve omgeving: lokale overheid/provincie/staat De administratieve context

Checklist

Voortrekkers

Anderen

Andere onderwijsinstellingen: Ontvangende instelling

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  Bijdragende instellingen

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  Gelijksoortige instellingen

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  "Concurrenten" bij de andere instellingen

Checklist

Voortrekkers

Anderen

Werkgevers: Samenwerking met toekomstige werkgevers

Checklist

Voortrekkers

Anderen

Anderen: Externe activiteiten van belang voor het integratiewerk

Checklist

Voortrekkers

Anderen

  Externe middelen

Checklist

Voortrekkers

Anderen

 

 

maand 5-8

OVER DE VISIEFASE

Ga terug naar de index

Doel van de visiefase

Nieuwe rol en verantwoordelijkheden voor de projectleider

Nu is het moment

Tijd voor het management om zich te laten zien

Maak van in het begin duidelijk hoe het proces moet worden geïmplementeerd

Bepaal van in het begin de verantwoordelijkheden en maak dat kenbaar

De leerkrachten moeten worden voorbereid

Vraag de gebruikers om advies

 

Doel van de visiefase

In deze fase van "visie" en "doelstellingen" moet de nadruk liggen op de toekomstige ontwikkelingen op het vlak van ICT-integratie. Hier moeten alle dromen, ideeën en wensen over de komende ICT-integratie naar voren worden gebracht.

In de voorgaande fase lag de nadruk op het verleden. Het opmaken van een stand van zaken diende om een gezamenlijk beeld te krijgen van de huidige situatie op het vlak van ICT-integratie in de onderwijsinstelling. Het meeste werk gebeurde door de projectleider. Nu is het tijd om in de toekomst te kijken, en het hele onderwijskorps moet actief aan die fase meewerken, ideeën en visies aanreiken voor de ICT-integratie in de toekomst.

In het tweede deel van deze fase moeten die visies worden verwerkt en moeten zij concreet worden, met name als doelstellingen die kunnen worden gerealiseerd. Uitgaande van de visies moet een reeks doelstellingen worden omschreven die de instelling op het vlak van ICT-integratie de komende jaren richting zal geven. En, wat nog belangrijker is: die doelstellingen moeten meetbaar zijn. Dat betekent dat u van tevoren moet bepalen aan welke voorwaarden moet worden voldaan om te kunnen stellen dat een doel al dan niet werd bereikt.


De visiefase bestaat uit twee delen:

  1. Een eigenlijke visiefase waarin alle leerkrachten ideeën en visies naar voren brengen
  2. Een doelfase waarin het management en de projectleider de eigenlijke doelen formuleren.

In de volgende fase – het actieplan – moet u bepalen welke activiteiten u zult opstarten zodat de instelling de vooropgestelde doelen ook daadwerkelijk kan verwezenlijken.

 

Nieuwe rol en verantwoordelijkheden voor de projectleider

De projectleider speelt in de visiefase een andere rol dan in de voorgaande fase toen de stand van zaken werd opgemaakt. In die fase was hij verantwoordelijk voor de huidige inhoud; nu moet hij veel meer al zijn vaardigheden aanwenden om het proces voor zijn collega’s te organiseren en te plannen. De concrete inhoud is nu niet meer de verantwoordelijkheid van de projectmanager, maar veel meer die van het hele lerarenkorps en bestuur van de instelling. De projectleider moet alleen het proces plannen, en voor een zo goed mogelijk basis zorgen, onder meer door een goed stand-van-zakenrapport, zodat het hele onderwijskorps een visie kan ontwikkelen en beslissingen kan nemen betreffende de komende integratie van ICT in de onderwijsinstelling.

 

Nu is het moment

De leerkrachten moeten beseffen dat het nu het moment is om invloed uit te oefenen op wat er zal gebeuren en om ideeën en voorstellen op tafel te leggen over welke richting de instelling de komende jaren moet inslaan op het vlak van ICT. Zij krijgen allemaal de kans om daarin hun zeg te hebben, maar er wordt van elke leerkracht een actieve en constructieve inspanning gevraagd.

Het is de directeur van de instelling – en niet de projectleider – die dit aan het lerarenkorps moet uitleggen. De directie moet nu naar voren treden en het management steunen door te benadrukken hoe belangrijk de visiefase die nu ingaat, voor de toekomst is.

 

Tijd voor het management om zich te laten zien

Ook het management heeft in deze fase een wezenlijke rol te vervullen. Daar het verantwoordelijk is voor het onderwijsbeleid van de instelling, moet het duidelijk definiëren welke zijn algemene ambities en doelstellingen zijn, die bijgevolg ook deze van de instelling zijn. Als dat niet gebeurt, kan het onderwijzend personeel het gevoel krijgen in een manoeuvre betrokken te worden waarbij het management in verband met ICT een geheime agenda heeft waar het onderwijzend personeel al van in het begin buiten wordt gehouden.

Het is dus het management dat de agenda moet bepalen en het hele schema voor de komende IT-integratie moet uitleggen.

 

Maak van in het begin duidelijk hoe het proces moet worden geïmplementeerd

Het plannen van het proces is voor de projectleider de grootste uitdaging. Hoe moet bijvoorbeeld het onderwijzend korps bij het proces worden betrokken, rekening houdend met de financiële en praktische omstandigheden? Moet iedereen een dag bijwonen waarop ieder zijn visie geeft, of moeten er werkgroepen worden gevormd? En hoe kunnen de leerkrachten het best worden voorbereid om hun visie op de toekomstige ICT-integratie te geven?

Als we de interactie tussen management en werknemers bekijken, kan het proces in wezen op twee manieren worden aangepakt. Ofwel volgens de "top down"-aanpak, van boven naar onderen toe, ofwel in een "bottom up"-aanpak, van de basis naar boven toe. In het eerste geval beslist het management over de algemene visie en doelstellingen waarover het onderwijzend personeel dan kan delibereren. In het tweede geval brengen de leerkrachten het proces op gang door hun visie naar voren te brengen. Het management moet die ideeën dan opvangen en verder verwerken.

 

Bepaal van in het begin de verantwoordelijkheden en bevoegdheden en maak dat openbaar

Om zo’n omvattend proces waarbij het hele lerarenkorps betrokken is, te kunnen beheersen, moet van te voren worden bepaald wie verantwoordelijk en bevoegd is voor wat. Welke verantwoordelijkheid en bevoegdheid berusten bij de projectleider? Welke bij het onderwijzend personeel? Welke bij de directie?

Het is erg belangrijk dat de spreiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden van in het begin van deze fase aan het onderwijzend personeel wordt meegedeeld. De leerkrachten moeten weten onder welke voorwaarden zij aan deze visiefase deelnemen. Als dat niet gebeurt, ontstaat er snel frustratie en ontevredenheid onder de deelnemers aan het proces, omdat het proces niet wordt geïmplementeerd zoals zij hadden verwacht.

 

De toolbox bevat een aantal suggesties over hoe die spreiding van verantwoordelijkheden kan worden voorbereid.

 

De leerkrachten moeten worden voorbereid

Ideeën en een visie over de toekomstige ICT-integratie komen niet zomaar vanzelf. Daarvoor is een grondige kennis van de nieuwe mogelijkheden en vooruitzichten op het vlak van ICT vereist. Men moet een basisinzicht hebben in de nieuwe didactische mogelijkheden die de technologie biedt en in de belangrijkste veranderingen die een efficiënt gebruik van ICT tot gevolg kan hebben.

"Om te kunnen antwoorden op de vraag wat ik wil – wat mijn visie is – moet ik eerst weten welke de mogelijkheden zijn."

De projectleider heeft dus de belangrijke taak om voor een zo goed mogelijk kennisplatform te zorgen zodat het onderwijzend personeel zijn ideeën en visie kan formuleren. Hij moet de leerkrachten daar zo goed mogelijk bij helpen.

De toolbox bevat een aantal ideeën en suggesties voor activiteiten die de leerkrachten méér kennis over het potentieel van ICT kunnen bijbrengen.

"De toekomst is niet iets dat er zomaar aankomt – wij moeten zelf aan die toekomst bouwen."

Meer informatie vindt u onder het hoofdstuk weerstand tegen verandering onder het punt projectopbouw waarin een aantal reactiepatronen op verandering worden beschreven, en onder het hoofdstuk IT bezorgt iedereen een schuldgevoel, onder datzelfde punt.

 

Vraag de gebruikers om advies

In verband met de visiefase moet u er altijd aan denken de gebruikers – dus in de eerste plaats de leerlingen / stagiairs / studenten die dagelijks naar de onderwijsinstelling komen, maar ook de onderwijsinstellingen en de werkgevers bij wie ze later terechtkomen – bij de zaak te betrekken.

Ook de diverse organen die in de instelling actief zijn, zoals het bestuur en de leerlingenraad, moeten bij de zaak worden betrokken.

De toolbox geeft in dat verband een aantal suggesties.

 

VERLOOP VAN DE VISIEFASE

Ga terug naar de index

Overgang vanuit de stand-van-zakenfase

Kennis-input voor de leerkrachten

Voorbereiding van de visie

Definitie van de doelstellingen

 

In het verloop van de visiefase kan men meestal vier delen onderscheiden:

  1. Overgang vanuit de stand-van-zakenfase
  2. Kennis-input voor de leerkrachten
  3. Voorbereiding van de visie
  4. Definitie van de doeleinden

 

1. Overgang vanuit de stand-van-zakenfase

Vóór we goed en wel met de visiefase van start gaan, moet het hele onderwijskorps op de hoogte worden gebracht van de resultaten van de vorige fase, het opmaken van de stand van zaken. Dat kan gebeuren op een vergadering waar alle leerkrachten aanwezig zijn, bijvoorbeeld op een studiedag over onderwijs.

Hier wordt nu dieper ingegaan op de overgang van de vorige fase naar de nieuwe visiefase.

Niet alle resultaten moeten in detail worden onderzocht, maar een aantal kernpunten moet toch worden voorgesteld. Die presentatie kan makkelijk gebeuren door het schoolhoofd en de projectleider samen, waarbij het schoolhoofd de algemene resultaten naar voren brengt en de projectleider dieper ingaat op specifieke en meer gedetailleerde punten. Zo’n voorstelling duurt 60 tot 90 minuten, met inbegrip van de tijd voor het stellen van vragen en de bespreking.

Bij het plannen van die presentatie moet het hoofddoel van de beschrijving van de stand van zaken goed voor ogen worden gehouden: een gemeenschappelijk inzicht en beeld doen ontstaan van de huidige situatie inzake ICT-integratie in de instelling en van de structuren en voorwaarden die nu op die integratie van toepassing zijn.

De presentatie is bijzonder belangrijk om zo’n gemeenschappelijk inzicht te doen ontstaan. De projectleider en het schoolhoofd moeten maken dat de leerkrachten allemaal hetzelfde beeld hebben van hoe de situatie er inzake ICT vandaag uitziet. Het gaat dus niet om individuele details – die mogelijkerwijs tot onenigheid kunnen leiden – maar het is beter als iedereen het met de grote lijnen eens is.

Als de leerkrachten het met het geschetste beeld niet eens zijn, moeten de projectleider en het schoolhoofd nagaan wat daarvan de oorzaak is en eventueel de beschrijving van de stand van zaken aanpassen. Zij moeten ook nagaan wat er gedaan moet worden om de instemming van alle leerkrachten te krijgen.

De procedure voor de presentatie kan er als volgt uitzien:

  • Eén week voor de presentatie ontvangen alle leerkrachten een voorlopige beschrijving van het project
  • Op de eigenlijke presentatie worden de algemene aspecten van de beschrijving onderzocht, gevolgd door een sessie vragen en antwoorden over die beschrijving.
  • Het kan nodig zijn om de beschrijving op basis van de presentatie aan te passen; het aangepaste rapport moet dan aan de leerkrachten en aan de andere partijen (bestuur, lokale overheid, provincie, enz.) worden bezorgd.

 

Sterke en zwakke punten

Zo’n overzichtspresentatie kan ook leiden tot een bredere discussie over de sterke en zwakke punten die uit de beschrijving naar voren zijn gekomen. Wat zijn de sterke punten van de instelling die in de komende ICT-integratiefase bewust kunnen worden benut? En welke zijn de zwakke punten van de instelling die moeten worden verbeterd en waar men hard moet aan werken om te voorkomen dat ze het verdere werk hinderen?

Het is daarom een goed idee om na de presentatie in groepjes te discussiëren. Uitgaande van de beschrijving van de stand van zaken, van hetgeen de groep in het rapport heeft gelezen en van wat de groep verder over de huidige situatie in de instelling denkt, kunt u een lijst opstellen van de belangrijkste sterke en zwakke punten van de instelling. Het rapporteren moet volgens onderstaand model gebeuren, en de punten moeten duidelijk, in grote letters, worden genoteerd:

 

Sterke punten

Zwakke punten

Wij hebben sterk gemotiveerde collega’s

Wij hebben waardevolle ervaring uit vorige ICT-projecten

Wij hebben weinig aanvullende opleiding ivm ICT aan te bieden

 

Voorzie 30 tot 45 minuten voor die oefening. Elke groep moet dan zijn conclusies naar voren brengen. Per groep zal er een tiental sterke en zwakke punten worden opgesomd. De rapportering over elke groepsdiscussie moet kort zijn.

Als laatste punt op de agenda van die bijeenkomst zou men de aanwezigen de volgende vraag kunnen stellen:

"Wat is voor ons als instelling de grootste opportuniteit om op het vlak van ICT-integratie vooruitgang te boeken?"

De antwoorden moeten schriftelijk (maar niet anoniem) aan de voorzitter van de vergadering worden bezorgd en dan samengebundeld en gevoegd bij de samenvatting van de vergadering, samen met de resultaten van de groepdiscussies (de opsommingen die in grote letters werden genoteerd).

Een andere aanpak is dat het schoolhoofd (misschien samen met de voorzitter van de raad van bestuur) zelf zijn beoordeling van de sterke en zwakke punten van de school geeft. Dat zou dan het vertrekpunt kunnen zijn voor een debat waaraan het hele lerarenkorps deelneemt.

De samenvatting van die sterke / zwakke punten van de instelling moet op de "visiedag" als essentiële input voor het visieproces worden gebruikt.

Wanneer wordt begonnen met een definitie van de sterke en zwakke punten van de instelling, raakt u ook stilaan in het volgende deel van de visiefase.

 

2.   Kennis-input voor het lerarenkorps

Ideeën en een visie over hoe de ICT-integratie er in de toekomst moet uitzien, komen niet vanzelf. Daarvoor is een grondig inzicht in de nieuwe mogelijkheden en vooruitzichten van ICT vereist. U moet een basisinzicht hebben in de nieuwe didactische mogelijkheden die de technologie biedt, evenals in de belangrijkste veranderingen die een efficiënte ICT-integratie met zich mee kan brengen.

"Om te kunnen antwoorden op de vraag wat ik wil – wat mijn visie is – moet ik eerst weten welke de mogelijkheden zijn."

Voor de leerkrachten tot een visie kunnen komen, moet de projectleider zorgen dat zij over een zo goed mogelijk kennisplatform beschikken van waaruit zij kunnen vertrekken om ideeën en visies te formuleren. Hij moet de leerkrachten zo goed mogelijk bij die taak helpen.

De toolbox bevat een aantal ideeën en suggesties voor activiteiten die de kennis over het potentieel van ICT kunnen vergroten.

 

3. Voorbereiding van de visie

Wanneer de leerkrachten inspiratie en inzicht verworven hebben in de nieuwe didactische mogelijkheden van de informatietechnologie kan het eigenlijke opbouwen van een visie van start gaan.

Dit proces kan over het algemeen op twee manieren worden geïmplementeerd:

  • Het proces kan centraal starten en lokaal worden voortgezet. Eerst wordt een gezamenlijke meeting gehouden – een visiedag – en het werk wordt dan in kleinere eenheden voortgezet, bijvoorbeeld in verschillende afdelingsraden of groepen.
  • Het proces kan ook lokaal worden opgestart en centraal worden voortgezet. Er wordt dan eerst in kleinere groepen gewerkt, bijvoorbeeld in groepen per afdeling, of in eenheden volgens klasniveau of andere criteria, waarbij de deelnemers samen een aantal visies formuleren die dan als basis zullen dienen voor het uiteindelijke werkproces dat in een forum met alle deelnemers samen zal plaatsvinden.

Vóór men met dat visiewerk kan beginnen, moet men het samen eens raken over het niveau waarop dat werk moet gebeuren. Wilt u een echt Utopia bedenken, met losse ideeën, invallen en dromen? Of moet die visie concreet en onmiddellijk haalbaar zijn? Wij raden aan om daarin de gulden middenweg te kiezen.

Een goed hanteerbare definitie van een visie luidt als volgt:

"Een visie is iets dat nog buiten bereik maar reeds in zicht is."

De toolbox bevat een aantal methoden en modellen om die visie voor te bereiden.

 

4. Definitie van de doelstellingen

In de vierde en laatste fase moeten de visies worden geformuleerd in de vorm van concrete doelstellingen. De visies fungeren als achtergrond en leveren inspiratie op om de algemene doelstellingen voor de instelling te kunnen formuleren.

Visies kunnen vaak nogal wazig zijn, maar de doelstellingen moeten kunnen worden gebruikt als referentiepunten voor de ICT-integratie gedurende de komende jaren. En het belangrijkste is wel dat de doelstellingen meetbaar moeten zijn. Dat betekent dat u van tevoren moet vastleggen hoe kan worden nagegaan of een doelstelling al dan niet werd bereikt.

De tool box bevat modellen en voorbeelden van hoe zo’n doelstellingen kunnen worden geformuleerd en gebruikt.

 

HET VISIEPROCES

Ga terug naar de index

Wie en hoeveel?

Voorbereiding op het visieproces

Een visiedag houden

Nagaan welke successen de instelling reeds heeft geboekt bij het integreren van ICT in het onderwijs

Nagaan welke houdingen achterwege moeten blijven

Analyse van de belanghebbende partijen

Bepaling van de toekomstige houding tegenover ICT in het onderwijs

Testen van de toekomstige houding tegenover ICT in het onderwijs

Toekomstige workshop

 


Wie en hoeveel?

Wie moet deelnemen aan het visieproces? In principe zouden alle geïnteresseerde partijen van enige betekenis, die rechtstreeks bij de actieplannen voor de integratie van ICT zullen worden betrokken, aan het formuleren van een visie moeten deelnemen. Dat betekent dus in de eerste plaats de werknemers van de instelling (leerkrachten en technisch en administratief personeel).

Natuurlijk is er een limiet aan het aantal mensen dat tegelijk aan het visieproces kan deelnemen. Uit ervaring blijkt dat 50 het absolute maximum is. Wanneer die limiet wordt overschreden – of als u er te dicht bij bent – dan moet u heel zorgvuldig overwegen of het niet beter zou zijn het visieproces op een natuurlijke manier op te delen in sessies per departement.


Voorbereiding op het visieproces

Grondige voorbereiding van het visieproces is erg belangrijk. Eerst zijn er de praktische punten (agenda, taken, logistiek, materiaal, maaltijden, enz.). Maar ook de "mentale" voorbereiding van de deelnemers voor de taak die hun te wachten staat, is van belang. De deelnemers moeten op het volgende zijn voorbereid:

  • Waarom die visiedag wordt gehouden
  • Waarom het voor de individuele deelnemers belangrijk is eraan deel te nemen
  • De deelnemers moeten gewoon worden aan het idee dat het "aantrekkelijk" is om aan je eigen toekomst mee te bouwen
  • De deelnemers moeten van tevoren hebben nagedacht over de richting die ze het liefst zouden inslaan.

De voorbereiding kan voor een stuk gebeuren tijdens de meeting waarop de resultaten van de stand-van-zakenfase worden voorgesteld. Een andere manier is een brief te versturen waarin het visieproces grondig wordt beschreven. Beide doen, is eveneens vaak een goed idee.


Een visiedag houden

Een visiedag kan maar succesvol zijn als hij door een procesadviseur wordt geleid (dat kan heel goed de projectmanager zijn).

De visiedag moet beginnen met een algemene inleiding over het werk dat moet worden gedaan. De deelnemers moeten duidelijk het gevoel hebben dat het aantrekkelijk is om zelf aan de toekomst mee te bouwen.

De visiedag moet sterk vanuit de deelnemers zelf worden gestuurd. In de loop van de dag moet vooral in groepen worden gewerkt, gevolgd door een discussie waarin alle deelnemers worden betrokken.

De opdrachten voor die dag zijn:

  • Nagaan welke successen de instelling reeds heeft geboekt bij het integreren van ICT in het onderwijs
  • Nagaan welke houdingen achterwege moeten blijven
  • Analyse van de betrokken partijen (definitie van de succescriteria voor die partijen)
  • Bepalen van de toekomstige houding tegenover ICT in het onderwijs
  • Testen van de toekomstige houding tegenover ICT in het onderwijs


Nagaan welke successen de instelling reeds heeft geboekt bij het integreren van ICT in het onderwijs

Op basis van de beschrijving van de stand van zaken moet u kunnen nagaan welke projecten rond ICT-integratie in de school met succes werden geïmplementeerd. Elk project moet kort worden beschreven, en voor elk project moet het succescriterium worden aangeduid. De vraag luidt in wezen als volgt: waarom was het project in kwestie een succes?


Nagaan welke houdingen achterwege moeten blijven

Nagaan welke houdingen we in de toekomst niet meer mogen aannemen (bv. houdingen / benaderingswijzen die vroeger wel zin hadden, maar die in de toekomst niet meer geschikt zijn).


Analyse van de belanghebbende partijen

Doel van deze analyse van de betrokken partijen is na te gaan welke succescriteria zij hanteren. Wij hebben reeds vroeger met die partijen contact gehad, met name bij het opmaken van de stand van zaken (zowel interne als externe).

Groepstaak: wanneer het Pre-ENIS project achter de rug zal zijn, zal het zo’n groot succes zijn dat er een "banket" zal worden gehouden waarop alle betrokken partijen zullen worden uitgenodigd. Alle partijen zijn stuk voor stuk zo opgetogen over de uitkomst van het Pre-ENIS project dat zij op het banket een korte speech willen houden… In die speech zullen zij uitleggen waarom Pre-ENIS voor hen een succes is, dus wat hun succescriteria zijn (moet in de speech worden opgenomen). Die partijen zijn bijvoorbeeld: leraars, leerlingen, meewerkende instellingen, ontvangende instellingen, handel en industrie, de lokale gemeenschap, het politieke bestuur van de instelling, de minister van Onderwijs, de burgemeester). De groep krijgt de opdracht die speech te schrijven.


Bepaling van de toekomstige houding tegenover ICT in het onderwijs

Het bepalen van de toekomstige waarden en houdingen: op basis van de houdingen die tot succes hebben geleid, de nieuwe houdingen en de succescriteria van de belanghebbende partijen, moeten er drie tot vijf houdingen (manieren om zaken aan te pakken) worden gekozen. Die houdingen zullen in de toekomst kenmerkend zijn voor de school.


Testen van de toekomstige houding tegenover ICT in het onderwijs

Er moet een oefening worden gehouden, waarbij elke groep meedoet met een rollenspel waarin situaties uit het dagelijkse leven worden opgevoerd en de gekozen waarden worden toegepast. Daarop volgt een open discussie over de leefbaarheid van die waarden. Het zou fantastisch zijn als men het in die discussie eens zou kunnen geraken over de manier waarop de zaken moeten gebeuren…

Toekomst-workshop

De manier van werken die hierboven wordt geschetst, is sterk procesgestuurd en heel erg gebaseerd op het bepalen van de houdingen in het komende ICT-proces. Een andere aanpak is dat de visiedag meer als een toekomstforum wordt gehouden waarbij de nadruk sterker ligt op de problemen en op de oplossingen voor die problemen.

Bovenstaand model voor het visieproces wordt voortdurend bijgestuurd


maand 9-12

OVER DE ACTIEPLANFASE

Ga terug naar de index

Doel van de actieplanfase

Wie moet het actieplan voorbereiden

Waarmee moet rekening worden gehouden

Bepaal individuele actieterreinen – en boek succes

Doel van de actieplanfase

In deze fase wordt bepaald wat zal worden gedaan om zeker te zijn dat de doelstellingen worden bereikt. Dat betekent dat er taken moeten worden gedefinieerd, deadlines bepaald, mensen worden aangesteld voor bepaalde opdrachten, en de nodige middelen moeten worden toegewezen.

In tegenstelling met de visiefase waarbij het hele onderwijzend korps was betrokken, zijn het nu voornamelijk de projectleider en de directie van de instelling die deze fase zullen uitvoeren.

 

Wie moet het actieplan voorbereiden

Het is de projectleider die in deze fase, samen met het hoofd van de instelling, de activiteiten ten uitvoer brengt. Het hoofd van de instelling is voornamelijk verantwoordelijk voor het pedagogische en financiële beheer van de instelling en dus ook voor het actieplan inzake ICT. In de praktijk is het de projectleider die op een aantal gebieden optreedt, maar altijd onder de verantwoordelijkheid en het beheer van het hoofd van de instelling. Deze kan verkiezen om verschillende werkgroepen en departementsraden enz. te consulteren en bij de zaak te betrekken. Wij bevelen echter ten zeerste aan dat de verantwoordelijkheid, en dus de beslissingsbevoegdheid, ondubbelzinnig bij het hoofd van de instelling zouden blijven.

 

Wat moet er in overweging worden genomen?

In deze fase moet men tegelijk visionair én realistisch zijn. Die evenwichtsoefening is nodig om de visies en doelstellingen die in de eerdere fase werden gedefinieerd, nu ook praktisch te implementeren. Er is niets slopender voor de motivatie dan in een lang proces betrokken te zijn en dan tot de vaststelling te komen dat het eigenlijk nergens toe leidt.

 

Bepaal individuele actieterreinen – en boek succes

U moet een paar individuele actieterreinen kiezen en er voorrang aan geven, namelijk deze waar de kans het grootst is dat u in een vrij korte tijdsperiode een en ander bereikt. In het jargon van projectmanagement heeft men het over zichtbaar succes genereren. Het is in ieder geval erg belangrijk de inspanningen niet te ontkrachten door de middelen over té veel terreinen te versnipperen. Integendeel, u moet een paar aparte gebieden kiezen die centraal zijn, waar het onderwijzend personeel goed zicht op heeft en die in het komende integratiewerk echt het verschil kunnen maken. Maar het vergt moed om te kiezen en dus ook om gebieden aan te kant te schuiven die voor sommige collega’s wél belangrijk en relevant kunnen zijn. Bij dit bepalen van de voorrang speelt de projectleider een centrale rol: hij is het die het gepalaver stopzet en de nodige beslissingen neemt, ook al zijn ze niet altijd even populair.

Voor de toolbox zullen een aantal suggesties worden geformuleerd over hoe men een concreet actieplan opstelt.

 

HET OMGEKEERDE ACTIEPLAN

Ga terug naar de index

Algemene principes voor actieplannen

Hoe een actieplan opstellen


Algemene principes voor actieplannen

Als we het over een omgekeerd actieplan hebben, dan bedoelen we dat figuurlijk. Bij het opstellen van een actieplan gaan we vaak als volgt tewerk: we bepalen wat we eerst doen, en dan wat er daarna komt; we vertrekken dus vanuit de huidige situatie. Het nadeel is dat er teveel nadruk ligt op de eerste activiteiten. De plannen kunnen naar het einde toe wat verglijden, en het is niet uitgesloten dat 80% van het werk in de laatste 20% van de tijd wordt gedaan.

Een omgekeerd actieplan is nog geen waarborg dat dit niet zal gebeuren. Maar uit ervaring blijkt dat de kans op een goed resultaat groter is wanneer met het omgekeerde model wordt gewerkt.

Het principe is vrij eenvoudig. We leggen het vertrekpunt daar waar we willen geraken, niet in de huidige situatie, en we plannen achteruit.

Resultaten

                    Actie

                                Planning

                                                    Tijd

We moeten het project in zekere zin plannen zoals een hordeloper dat doet. Hij heeft een doel - de afstand in een bepaalde tijd afleggen - en plant in functie daarvan in welke tijd hij de tussenliggende doelen moet bereiken.

 

Hoe een actieplan opstellen

In principe moet voor elke doelstelling één actieplan worden opgesteld .

Het einddoel is het vertrekpunt voor elk project. Wat moet worden bereikt en binnen welke tijd, weten we uit de doelstelling. De tijdsperiode tussen nu en het punt waarop het einddoel bereikt moet zijn, wordt opgedeeld in twee, drie of vier mijlpalen (tussentijdse doelen). Elke mijlpaal (vergeet niet te beginnen met de mijlpaal die het dichtst bij het doel ligt en dan weg van het vertrekpunt af te werken) moet als volgt worden omschreven:

  • Wat werd er gerealiseerd vóór het doel werd bereikt? Beschrijf de situatie die moet worden bereikt voor u kunt zeggen dat het tussentijdse doel werd gehaald.
  • Welke activiteiten werden op gang gebracht vóór het tussentijdse doel werd bereikt?
  • Wie is verantwoordelijk voor de activiteiten?
  • Welke middelen zijn er nodig?