U bent hier: Vlaanderen > Onderwijs > Beleid > Beleidsbrief 2005-2006

Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2005-2006

Goed voor de sterken, sterk voor de zwakken - Een beleid gesteund op een ambitieus realisme

 

Om af te drukken: Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2005-2006 (pdf, 376kB, 70p)

1. Inleiding

1.1 Realisaties van het eerste jaar van de legislatuur 

Een beleidsbrief is een gelegenheid om de balans op te maken van het onderwijsbeleid gedurende het voorbije werkjaar en vooruit te kijken naar het volgende werkjaar. Het vorige jaar was het eerste jaar van de legislatuur. De belangrijkste realisatie was dan ook, en daar werd ook intensief aan gewerkt, de opmaak van de Beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004-2009. Na een eerste discussienota, gepubliceerd in oktober 2004, werd net voor het einde van 2004 de beleidsnota gepubliceerd. Het is een uitvoerig document geworden dat, gebaseerd op het Regeerakkoord en tot stand gekomen na een ruime consultatie en een breed debat, de lijnen vastlegde voor het onderwijsbeleid voor deze legislatuur. Dit document vormt nog steeds het richtinggevend kader en wordt geleidelijk met concreet beleid ingevuld. 

De belangrijkste beleidsrealisaties gedurende het eerste werkjaar kunnen als volgt kort samengevat worden. 

BASISONDERWIJS 

Stimuleren scholengemeenschappen. Het basisbedrag wordt vanaf het schooljaar (2005-2006) opgetrokken, zodat elke scholengemeenschap sowieso 63 punten haalt. Daarmee heeft elke scholengemeenschap per definitie één voltijds ondersteunend personeelslid met diploma hoger secundair. Bovendien zal de ondersteuning nog meer dan vroeger toenemen met de omvang van de school. Momenteel krijgt elke scholengemeenschap die meer dan 900 'gewogen' leerlingen telt 21 punten, per begonnen groep van 450 bijkomende 'gewogen' leerlingen worden er 11 punten bijkomend voorzien. In totaal wordt voor deze verhoging van de stimulus 9,7 mio € voorzien. De scholengemeenschappen kunnen ook vrijer bepalen wat ze met de punten doen: nemen ze mensen aan met een diploma hoger secundair (63 punten) voor de ondersteuning, of zoeken ze hogeropgeleiden (120 of 126 punten) voor een middenkader. Naargelang de keuze die de scholen op dit vlak maken, zorgt de stimulus voor 200 tot 400 extra jobs. 

Korte vervangingen. Momenteel zijn vervangingen, of het nu gaat over ziekte, nascholing of een andere reden van afwezigheid, pas mogelijk als de voorziene afwezigheid langer is dan 10 dagen. Dat zorgt voor extra belasting voor de andere leerkrachten en voor de betrokkene die achteraf de achterstand moet inhalen. Bovendien zet het een rem op bijvoorbeeld nascholing. Vanaf het schooljaar 2005-2006 wordt het in alle basisscholen mogelijk om sneller te vervangen. De manier waarop wordt door de scholengemeenschappen zelf bepaald: ze kunnen bv. bepaalde types personeel sneller vervangen dan andere. De vervangingen zorgen in elk geval voor extra tewerkstelling. Dit systeem wordt ook ingevoerd in het secundair onderwijs, maar geleidelijker.

Gelijke onderwijskansen. Uit nieuwe registratiegegevens is gebleken dat heel wat meer leerlingen in aanmerking komen voor de GOK-ondersteuning. Bij de begrotingscontrole 2005 zijn hiervoor extra middelen voorzien. Het gaat voor basis- en secundair samen om 1,567 miljoen € in 2005 en 6,268 miljoen vanaf 2006. Hiermee kunnen vanaf het nieuwe schooljaar 140 extra voltijdse leerkrachten aan de slag in het basisonderwijs. In het secundair stemt de toename overeen met 50 voltijdse eenheden. 

Hervorming van het inschrijvingsrecht. Eén van de meest opvallende hervormingen, mogelijk gemaakt na parlementair initiatief, is wellicht de hervorming van het inschrijvingsrecht in het leerplichtonderwijs. In breed overleg werd het inschrijvingsrecht bijgestuurd, zodat de inschrijvingen voor het schooljaar 2006-2007 volgens de nieuwe principes kunnen gebeuren. Ruw geschetst voorziet de nieuwe regeling dat alle scholen die dat wensen bij de inschrijving voorrang kunnen geven aan zogenaamde "GOK-leerlingen" (o.a. kinderen waarvan het gezin leeft van een vervangingsinkomen en kinderen van wie de thuistaal niet het Nederlands is). Ze kunnen daarvoor een aparte inschrijvingsperiode afbakenen na de inschrijvingsperiode voor broertjes en zusjes. Scholen met veel kansarme leerlingen (namelijk 10% meer dan het aandeel in de buurt) kunnen dan weer voorrang geven aan kansrijke kinderen. Dat gebeurt op een analoge manier. Met deze regeling wil ik scholen zelf de mogelijkheid geven om te werken aan een meer diverse samenstelling van hun leerlingenpopulatie. Dit beantwoordt aan een aantal kritische bedenkingen die ik in januari ter gelegenheid van een lezing over het gelijke-kansen-beleid geformuleerd heb. Deze aanpak spoort ook met mijn voornemen om het beleidsvoerend vermogen van scholen te versterken. 

Leerkrachten lichamelijke opvoeding. In het basisonderwijs ligt niet vast hoeveel uur per week de kinderen lichamelijke opvoeding moeten krijgen. De meeste scholen voorzien twee uur. Deze uren worden soms door een leerkracht lichamelijke opvoeding gegeven, maar vaak geeft de juf of de meester zelf de les. Bovenop de andere lessen dus. Om de werkdruk te verminderen wordt dit schooljaar 8 miljoen € uitgetrokken voor aanvullende lestijden lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs. Deze uren stemmen overeen met 245 voltijdse ambten. 

Aanvullende lestijden in de Rand. In de basisscholen in de Vlaamse Rand rond Brussel en in taalgrensgemeenten volgen ook heel wat Franstalige kinderen les. Een aantal van deze scholen krijgen hiervoor momenteel samen 13 tijdelijke leerkrachten, die voor extra begeleiding kunnen zorgen. Dit aantal werd bij de start van het lopende schooljaar uitgebreid tot 20. Alle Nederlandstalige scholen uit de betrokken gemeenten komen vanaf dit schooljaar in aanmerking voor deze aanvullende lestijden. Bovendien worden de banen structureel in plaats van tijdelijk zodat vaste benoeming hierin mogelijk is. Het is uitdrukkelijk mijn bedoeling om dit ondersteuningsbeleid uit te breiden tot de brede Rand rond Brussel. 

SECUNDAIR ONDERWIJS 

Programmaties. We zijn bewust veel selectiever geweest bij nieuwe programmaties dan tijdens voorgaande jaren het geval was, omdat we een grondig debat voorbereiden over het studieaanbod. Van de 114 aanvragen voor nieuwe richtingen hebben we er maar 37 positief beoordeeld: 1 op 3 dus. 

Vernieuwing door proeftuinen. Ons onderwijs moet constant vernieuwen: om mee te zijn met de nieuwste ontwikkelingen, maar ook om een antwoord te bieden op, bijvoorbeeld, het watervaleffect. Ik wil deze onderwijsvernieuwingen niet plotsklaps in heel Vlaanderen doorvoeren. Ze worden eerst uitgetest via proeftuinen: dat zijn projecten in één of enkele scholen. Op 1 september 2005 starten 25 nieuwe proeftuinen. Om dit mogelijk te maken is een proeftuinendecreet geschreven en is een uitgebreide oproep en selectie van projecten uitgevoerd. De strakke timing was een bewuste keuze, omdat ik het mogelijk wil maken om nog voor het einde van de legislatuur conclusies te trekken - na proeftuinen die drie jaar kunnen lopen - en de waardevolle zaken te veralgemenen. De proeftuinen zijn niet exclusief gericht op secundair, maar het zwaartepunt ligt wel in dit niveau. Ook 16 projecten van Accent op talent worden een proeftuin. De gezamenlijke kost van de nieuwe projecten bedraagt 215.000 €. 

Stageplaatsen. Het is mijn doelstelling méér en betere stageplaatsen tot stand te brengen. Op korte termijn moest een knelpunt uit de weg geruimd worden. Een leerling, student of cursist die stage loopt in een onderneming of instelling, moet meestal een arbeidsgeneeskundig onderzoek ondergaan. De kostprijs van dit onderzoek ontmoedigt potentiële werkgevers en de scholen om stages te organiseren. Ik voorzie daarom een financiële tussenkomst ten voordele van werkgevers en scholen die stageplaatsen aanbieden. Intussen is ook een stagedatabank ontwikkeld. Via deze stagedatabank kunnen werkgevers stageplaatsen aanbieden en kunnen scholen op zoek naar stageplaatsen. 

Regionale Technologische Centra. In elke Vlaamse provincie is nu een Regionaal Technologisch Centrum (RTC) actief of opgericht en binnenkort actief (Vlaams-Brabant). In de RTC's werken verschillende spelers in het opleidingsveld - scholen, bedrijven, VDAB, Syntra, VOKA, UNIZO - samen om bijvoorbeeld hoogtechnologische en dus dure machines in bedrijven te laten gebruiken door scholen. De RTC's werken via projecten die school en bedrijf beter op elkaar afstemmen. Elke Vlaamse TSO- en BSO-school kan bij het RTC aankloppen met vragen naar ondersteuning. Naast hun basisfinanciering kunnen de RTC's vanaf september 2005 ook projectfinanciering aanvragen voor kortlopende initiatieven (maximaal 12 maanden). De subsidie bedraagt maximaal 50 000 €. Ze wordt pas toegekend als de samenwerkende partners een zelfde bedrag inbrengen. 

Investering nijverheidsinfrastructuur. Inzake het technisch en beroepsonderwijs zal in 2006 tien miljoen € geïnvesteerd worden in de uitrusting van de scholen voor technologie en industriële technieken. Het gaat om basisuitrusting, niet om de toegang tot gesofistikeerde, hypermoderne apparatuur. Concreet zou men voor iedere leerling die les volgt in de studiegebieden Mechanica, Elektriciteit, Hout, Bouw, Auto, Koeling & Warmte en Grafische technieken de werkingsmiddelen van de scholen kunnen verhogen. Op die manier wil ik de aantrekkelijkheid van het geboden onderwijs verhogen én investeren in moderne basistechnologie. De scholen doen een gezamenlijk voorstel per net en per provincie om complementariteit en specialisatie in de hand te werken. Ik stel daarbij voor dat een technische commissie de gezamenlijke voorstellen onderzoekt, opdat er ook over netten en provincies heen doelmatig en niet-overlappend wordt geïnvesteerd.

Onderwijs aan huis. Leerlingen die binnen een 10 km van de school wonen en minstens 3 weken ziek zijn, zullen vanaf het schooljaar 2005 - 2006 4 uur per week thuis les krijgen. De enige voorwaarde is dat ze er medisch geschikt voor zijn en dat de ouders de school er om vragen. De school krijgt voor het onderwijs aan huis een aantal wekelijkse uren-leraar. De overheid vergoedt ook de vervoerskosten van de leraar(s). De klassenraad bepaalt per individueel geval welke vakken de school thuis zal geven. In het basisonderwijs bestaat deze maatregel al. Daar maken jaarlijks 125 à 150 zieke kinderen gebruik van thuisonderwijs. Voor het secundair onderwijs schatten we dat 720 kinderen per jaar hierop een beroep zullen doen. De maatregel kost bijna 1 miljoen €. 

Tolkuren voor gebarentaal. Sinds het schooljaar 1997/1998 financiert het departement onderwijs doventolkondersteuning voor leerlingen van het secundair en het hoger onderwijs die lessen volgen in het gewoon onderwijs. Door een stijging van het aantal aanvragers is het aantal tolkuren per leerling teruggelopen tot 5,5 uur per week. Ik heb 50.000 € uitgetrokken voor 1500 extra tolkuren, zodat het totale aanbod voortaan 9.300 uur bedraagt. Dat brengt het gemiddeld aantal tolkuren op 6,5 per week. 

Besparingen, rationalisatie en vereenvoudiging. Bij haar aantreden werd de Vlaamse Regering geconfronteerd met moeilijke begrotingsbesprekingen. We moeten een aantal inspanningen doen om in de tweede helft van deze regeerperiode de maatschappelijke uitdagingen van de toekomst aan te kunnen - en de belangrijkste daarvan is : kwalitatief onderwijs en opleiding voor iedereen. Er komt in het secundair onderwijs enerzijds een vermindering van het ondersteunend personeel met 5 % en anderzijds een "bevriezing" van het aantal uren/leraar op het niveau van het schooljaar 2004-2005, ondanks een lichte stijging van het aantal leerlingen per 1 februari 2005. Die bevriezing moeten we wel nuanceren. We leggen het aantal uren/leraar secundair onderwijs vast op Vlaams niveau, maar niet in de individuele school. Dit betekent dat scholen die leerlingen winnen, meer uren/leraar kunnen hebben. Bij een gelijk of kleiner aantal leerlingen, zullen scholen een kleiner pakket uren/leraar hebben. Deze maatregelen passen we niet toe op het DBSO en het BUSO. De bevriezing van het globale aantal uren/leraar op het niveau 2004-2005 kan een prikkel zijn om na te denken over het pedagogisch aanbod in het secundair onderwijs. De geringe bezetting van veel studierichtingen is budgettair, maar ook kwalitatief problematisch. In dat opzicht ben ik ook bij het beoordelen van nieuwe programmeringen zeer streng geweest. Voor het ondersteunend personeel is deze besparing niet doorgevoerd voor de scholen die extra ondersteuning krijgen omwille van hun gelijke onderwijskansenproblematiek. Het gaat om 449 van de 920 secundaire scholen. 

Vermindering planlast. Bovendien wordt getracht de scholen te verlossen van een aantal administratieve lasten. De eerste stappen zijn:

  • de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking wordt voortaan in eerste instantie binnen de scholengroep of -gemeenschap geregeld. Als er geen geschikte lesuren gevonden worden, kan de leerkracht ingezet worden om de werkdruk van collega's te verlichten. Hierdoor worden 18.000 formulieren per jaar afgeschaft. 
  • vanaf nu beslist de school zelf of het schoolverlet van leerlingen van het secundair onderwijs geregulariseerd kan worden. Tot nog toe kreeg het onderwijsdepartement hiervoor jaarlijks 1.200 aanvragen. 

HOGER ONDERWIJS 

De implementatie van de bama-structuur. In het academiejaar 2004-2005 zijn de allereerste opleidingen in de nieuwe structuur vlot van start gegaan. Na de bachelors volgen in 2007-2008 de eerste masterjaren. 

Discussie over de studieduur. Bij de invoering van de bachelor/master-structuur is ook de discussie over de studieduur weer naar boven gekomen. Ik blijf erbij dat de kwaliteit van ons hoger onderwijs nog altijd op de eerste plaats komt: als een Vlaamse studente zich na 4 jaar studie perfect met haar buitenlandse collega's kan meten, waarom zouden we haar dan per se een jaar langer laten studeren? Toch is het behoud van de huidige studieduur voor mij geen dogma: als er heel goede redenen zijn om er toch een jaar bij te doen, wil ik dat gerust in overweging nemen. Zoals bij de meeste opleidingen in de exacte en de biomedische wetenschappen, die onder een reeks strikte voorwaarden groen licht kunnen krijgen om masters van 2 jaar in te richten. Die voorwaarden, die uitdrukking vinden in de 'capaciteitstoets' die momenteel wordt opgesteld, moeten ook bijdragen tot doelmatigheid in het aanbod. 

De academisering in de hogescholen. Met de bama-omvorming is ervoor gekozen om van de hogeschoolopleidingen van twee cycli volwaardige academische bachelors en masters te maken, net als de universitaire opleidingen. Maar daarvoor moeten ze ook waterdichte garanties kunnen bieden dat ze een evenwaardig niveau als die universitaire opleidingen halen. Omdat we in 2007-2008 al willen meten of de hogescholen met die academisering op de goede weg zijn, hebben we eind 2004 een speciale Werkgroep Academisering opgericht. Deze werkgroep heeft een rapport klaar dat voor elk van de betrokken studiegebieden duidelijk beschrijft wat academisering precies moet inhouden en hoe we de evoluties in kaart kunnen brengen. De implicaties van dit rapport zullen hun uitwerking vinden in een besluit dat de criteria en indicatoren van de academisering, en dus ook van de gelpande voortgangstoets, zal vastleggen. 

De academisering in het hoger kunstonderwijs. De audiovisuele, beeldende, muziek- en podiumkunsten hebben net dezelfde academiseringsopdracht als hun collega's uit de hogeschoolopleidingen van twee cycli. Maar in het hoger kunstonderwijs is de opdracht nog net iets moeilijker: in de kunsten bestaat er nauwelijks of geen traditie van wetenschappelijk onderzoek aan de universiteit. In het licht van die bijzondere situatie hebben we begin 2005 een Werkgroep Academisering Hoger Kunstonderwijs opgericht. 

Accreditatie. Op 1 februari 2005 is de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) officieel in werking getreden. Die organisatie geeft als het ware een kwaliteitslabel aan opleidingen. We hebben sindsdien de nodige stappen gezet die de NVAO toelaten om onder andere procedures uit te werken voor de accreditatie van bestaande opleidingen en het toetsen van nieuw in te richten opleidingen. 

Sociale dimensie Europees op de kaart. De bama-hervorming kadert in de uitvoering van de zogenaamde Bolognaverklaring, waarbij inmiddels 45 Europese landen zich hebben aangesloten. Bij de ministeriële conferentie die in mei in het Noorse Bergen plaatsvond, heeft de Vlaamse delegatie de lat nog wat hoger gelegd: tegen de volgende conferentie, in 2007, zullen de 45 ook afgerekend worden op het sociale en democratische karakter van hun hoger onderwijs. 

Nieuwe financiering van het hoger onderwijs. In de lente van 2005 is een Werkgroep Financiering opgericht, die voorstellen voor een nieuw financieringssysteem zal uitwerken voor het hoger onderwijs. Tegen midden 2006 moeten die voorstellen in een decreet gegoten zijn, zodat het systeem op 1 januari 2007 in werking kan treden. Ik maak me sterk dat we in de tussenperiode de ergste noden bij de ondergefinancierde hogescholen kunnen lenigen door een "financiële injectie" in hun werkingsuitkeringen. 

Gelijke kansen en diversiteit. In het hoger onderwijs is een nieuwe golf van democratisering nodig: jongeren met een handicap, allochtone jongeren… stromen zelden binnen en halen nog moeilijker de eindmeet van het hoger onderwijs. Op 31 mei tekenden alle actoren uit het hoger onderwijs een engagementsverklaring ter bevordering van de diversiteit (man/vrouw, allochtone studenten, studenten met een functiebeperking, enz.). Iedere betrokkene zal acties ondernemen om op dit vlak het verschil te maken. Het nieuwe financieringssysteem moet instellingen die werk maken van gelijke kansen ook extra ondersteunen. 

Meer studiebeurzen buitenlandse studenten. Vanaf volgend academiejaar zullen vier extra groepen buitenlandse studenten aanspraak kunnen maken op een Vlaamse studiebeurs. De Vlaamse Regering schikt zich op die manier naar Europese wetgeving en rechtspraak. De verwachting is dat het aantal beursstudenten in het hoger onderwijs zo zal stijgen met 330 tot ongeveer 36.500 personen. Dat is 24% van het totaal aantal studenten. De uitbreiding brengt een jaarlijkse kost van ongeveer 500.000 € met zich mee, die opgevangen kan worden met de bestaande enveloppe voor studietoelagen.

 

1.2 De projecten voor het komende werkjaar 

In het komende werkjaar zal een reeks plannen en projecten, waaraan gedurende het eerste jaar werd gewerkt, hun fase van concretisatie bereiken. Ik denk onder meer aan: het decreet lerarenopleiding, het decreet financiering hoger onderwijs, de uitwerking van de kwalificatiestructuur, de inhaaloperatie scholenbouw, de talrijke initiatieven op de brug tussen onderwijs en arbeidsmarkt en op het snijvlak van onderwijs, vorming en opleiding; de éénmalige injectie hogescholen, enz. Een aantal minder baanbrekende, maar daarom niet minder belangrijke decreten die eveneens op stapel staan, zijn: het 'mini-decreet' en het basisdecreet hoger onderwijs, decreten over de Hogere Zeevaartschool en het hoger kunstonderwijs, het decreet leerlingenvervoer, de wijziging van het decreet VCOS, enz. Aan andere belangrijke projecten zal intensief verder worden gewerkt: het decreet volwassenenonderwijs, het decreet tertiair onderwijs, de voorbereidingen rond het nieuwe financieringssysteem leerplichtonderwijs en de kosteloosheid basisonderwijs, bijvoorbeeld. In het komende jaar zal ook een nieuw verzamelonderwijsdecreet XVI het licht zien. Tenslotte staan voor dit werkjaar de besprekingen met de vakorganisaties en de inrichtende machten die moeten leiden tot een nieuwe CAO voor het onderwijs en voor het hoger onderwijs, op de agenda. Deze CAO zal tevens de gelegenheid bieden om een aantal projecten inzake loopbaanbeleid gestalte te geven. 

In deze beleidsbrief worden, aan de hand van de structuur die ook in de beleidsnota werd gevolgd, de ontwikkelingen en stand van zaken geschetst voor de verschillende beleidslijnen.

 

2. Vier speerpunten voor gelijke onderwijskansen

2.1 Een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt 

2.1.1 Een integrerende structuur op het snijvlak van onderwijs, vorming en werk 

Vanuit de bevoegdheden werk, onderwijs en vorming wil ik de structurele basis versterken voor het ontwikkelen van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid. Dat beleid is gericht op: 

  • het stimuleren van levenslang en levensbreed leren; 
  • het versterken van de aansluiting tussen enerzijds onderwijs, opleiding en vorming en anderzijds de arbeidsmarkt. 

Het geïntegreerde beleid krijgt vorm via een integrerende structuur die conform de principes van Beter Bestuurlijk Beleid op drie onderscheiden niveaus wordt uitgewerkt. 

BELEIDSBEPALING: HET MINISTERIEEL COMITÉ ONDERWIJS, VORMING EN WERK 

Voor de beleidsbepaling besliste de regering op 25 februari 2005 het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk op te richten. Dit comité bestaat uit de minister van Werk, Onderwijs en Vorming en de minister van Cultuur. De rol van het comité beperkt zich tot de coördinatie van de beslissingen die beide bevoegdheidsdomeinen omvatten. De beide ministers en hun respectieve departementen behouden hun bevoegdheden. 

BELEIDSVOORBEREIDING EN -PLANNING: DE INTERDEPARTEMENTALE STUURGROEP O,V &W 

Voor de beleidsvoorbereiding en -planning vormen het departement Onderwijs, de administratie Werkgelegenheid en de administratie Cultuur een interdepartementale stuurgroep Onderwijs, Vorming en Werk (OV&W). Het betreft een tussenstructuur of interface tussen de verticaal georganiseerde departementen en administraties. De organisatie en bevoegdheden van de betrokken departementen veranderen niet, maar voor de aangelegenheden op het snijvlak van onderwijs, vorming en werk worden de beleidsvoorbereiding en -planning interdepartementaal overlegd, aangestuurd, uitgewerkt en opgevolgd. 

BELEIDSUITVOERENDE ENTITEITEN 

Een geïntegreerd beleid vereist ook een sterke coördinatie, afstemming en samenwerking bij de beleidsuitvoering. Het ministerieel comité kan daarvoor - op advies van de stuurgroep OV&W- beleidsuitvoerende entiteiten oprichten. De opportuniteit daarvan wordt vastgesteld op basis van de beleidsopties en de doelstellingen die daarbij moeten worden verwezenlijkt. 

Voor de afstemming in de volwasseneneducatie bouwen we alvast één uitvoerende entiteit uit. Het betreft de vzw Dienst Informatie, Vorming en Afstemming (DIVA) waarin alle publieke opleidingsverstrekkers voor volwassenen vertegenwoordigd zijn. Het ministerieel comité sluit met DIVA een samenwerkingsovereenkomst waarin haar opdrachten worden vastgelegd. 

2.1.2 Prioriteiten in de beleidsvoorbereiding 

CERTIFICEREN EN KWALIFICEREN 

Traditioneel worden kwalificaties verworven via formele systemen van onderwijs en vorming. Meer en meer vindt het principe ingang om competenties van mensen te erkennen en hen een kwalificatiebewijs af te leveren, ongeacht de wijze waarop die competenties werden verworven. Dit betekent uiteraard niet dat diploma's hun waarde verliezen. We creëren enkel extra mogelijkheden om wat mensen hebben geleerd te herkennen, te beoordelen en te erkennen. 

  • Tertiair onderwijs 

De complexiteit van de wereld van beroepen en functies, de levenslange vraag naar bijkomende kwalificaties - ook meteen na een basisopleiding -, de structuurhervormingen die de hogescholen recent hebben verwerkt, de accreditatie van opleidingen zullen ertoe leiden dat er een nood ontstaat aan een 'tussenniveau van kwalificaties' dat zich situeert op het brede veld tussen het secundair onderwijs en het hoger onderwijs. Het gaat om zeer diverse aanbieders en opleidingen, sterk verschillend van duur, niet noodzakelijk voltijds, die zowel overdag als na de kantooruren worden georganiseerd. Vandaag realiseren diverse instanties al opleidingen die daar thuishoren. Maar er is nood aan een ordening, er moet een samenhangend en toekomstgericht kader worden ontwikkeld. Het gaat om postsecundair onderwijs maar eigenlijk ook om meer dan dat: we willen in opleidingen voorzien die tegemoet komen aan kwalificatievragen die vallen binnen de kloof tussen het diploma secundair onderwijs en de professionele bachelor. Idealiter leidt de attestering (creditsysteem) die aan deze opleidingen is gekoppeld tot een opstap naar een bachelorniveau, verder in de loopbaan van de betrokken leerders. 

Omdat het om een erg complexe thematiek en doelgroep gaat, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde van opleidingen, wens ik het komende jaar te gebruiken om lijnen te trekken, om klaar te zien in dit brede en nog niet-transparante gebied. Tegen 30 juni 2006 wil ik een conceptnota klaar hebben en bespreken met de partners van secundair, hoger en volwassenenonderwijs. Mogelijk betrek ik ook al vertegenwoordigers van sociale partners bij de gesprekken. Decretale initiatieven volgen dan het daaropvolgende jaar. 

  • Arbeidsmarktkansen verbeteren 

Om mensen die geen formele kwalificaties hebben maar wel de nodige competenties om een bepaald beroep met succes uit te oefenen niet langer in de kou te laten staan, hebben we een systeem ontwikkeld om hen onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde beroepen een titel van beroepsbekwaamheid uit te reiken. Dat is een bewijs van beroepsbekwaamheid dat door de overheid erkend is. Dit versterkt de positie van deze mensen op de arbeidsmarkt. 

Een gelijkaardig probleem doet zich voor bij de getuigschriften van het deeltijds kunstonderwijs. Die hebben vandaag geen civiel effect. Mensen met een DKO-getuigschrift kunnen zich niet vestigen als zelfstandige, noch deelnemen aan selectieproeven. Voor opleidingen zoals fotokunst, toegepaste grafiek en architectuurtekenen levert dit problemen op. Daarom zullen we nagaan welke getuigschriften in aanmerking komen voor een arbeidsmarktgerichte kwalificatie. 

  • EVC en EVK in het hoger onderwijs 

In het hoger onderwijs treedt vanaf dit academiejaar het flexibiliseringsdecreet ten volle in werking. Hogescholen en universiteiten bieden flexibele trajecten aan. Ze kunnen voortaan ook rekening houden met eerder verworven competenties (EVC) en eerder verworven kwalificaties (EVK) bij het aantrekken van studenten en het vaststellen van hun opleidingsprogramma's. Om daarbij alvast enige eenvormigheid in de sector van het hoger onderwijs zelf in te bouwen, moeten de instellingen van eenzelfde associatie hun EVC/EVK-beleid op elkaar afstemmen overeenkomstig de kadervoorwaarden die op het niveau van de associatie worden vastgelegd. 

  • Kwalificatiestructuur 

Bij de erkenning van verworven competenties staat één vraag centraal: in welke mate hebben mensen via niet-formeel leren competenties opgebouwd die overeenstemmen met een bepaalde kwalificatie (een diploma, een attest, een certificaat ...)? Om die moeilijke beoordeling te ondersteunen, maken we werk van een kwalificatiestructuur. Dat is een allesomvattend en gestandaardiseerd raamwerk, waarin alle kwalificaties een plaats vinden. 

Ook door de nadruk op levenslang leren groeit de behoefte aan een duidelijk overzicht van de wijze waarop de verschillende kwalificaties zich tot elkaar verhouden. Mensen willen namelijk weten welke leertrajecten ze nog moeten afleggen om vanuit hun huidige kwalificatie een bijkomende kwalificatie te verwerven. De kwalificatiestructuur kan verduidelijken welke verwachtingen mensen mogen hebben van de bewijzen die bij het bereiken van leerresultaten worden uitgereikt. Ze maakt ook de uitwisselbaarheid van verschillende kwalificaties duidelijk. Vooral de sociaal zwakkeren die doorgaans weinig kwalificaties bezitten, hebben nood aan een heldere kwalificatiestructuur. 

Dit jaar zal een generieke kwalificatiestructuur gerealiseerd worden, die decretaal verankerd zal worden. Alle soorten kwalificaties die worden aangeboden door organisaties die door de overheid erkend zijn en aan bepaalde kwaliteitsvoorwaarden voldoen krijgen daarin een plaats, bijvoorbeeld diploma secundair onderwijs, diploma van master, VDAB-certificaten, gecertificeerde Syntra-opleidingen, titels van beroepsbekwaamheid. Dit gebeurt enerzijds door ze op een bepaald niveau te situeren aan de hand van descriptoren die de vooropgestelde beheersing van de ermee verbonden leerresultaten weergeven, en anderzijds door er credits aan te verbinden of een gestandaardiseerde maat die de gemiddelde inspanning weergeeft die nodig is om de leerresultaten te bereiken. Om de generieke kwalificatiestructuur uit te werken, zal ik uitgebreid overleggen met het onderwijsveld, de betrokken opleidingverstrekkers en adviesraden. Ik zoek ook maximaal afstemming met het European Qualification Framework (EQF) dat de Europese commissie eind 2006 wil afronden. Dit najaar zal - op vraag van de Europese Commissie - trouwens een consultatie over het EQF in Vlaanderen worden georganiseerd. We hopen dat die consultatie ook inspirerend zal zijn voor mijn eigen werkzaamheden. 

Intussen zal ik ook onderzoeken hoe vanuit de generieke kwalificatiestructuur een specifieke kwalificatiestructuur kan opgebouwd worden. Een specifieke kwalificatiestructuur bevat de classificatie van de specifieke beroepsgerichte en curriculumgerichte kwalificaties en van de ermee verbonden leerresultaten, volgens niveau en aantal credits. We zullen meer bepaald nagaan welke instantie(s) de specifieke kwalificatiestructuur het best uitwerken en hoe we ze bindend kunnen maken en tegelijk vlot kunnen laten aanpassen. 

EEN KWALITEITSVOL WERKPLEKLEREN GARANDEREN 

  • Kritieke succesfactoren van werkplekleren 

Zowel voor leerplichtigen als voor volwassenen bestaat er een hele waaier van stelsels voor leren op de werkplek, bijvoorbeeld in het kader van de deeltijdse leerplicht, leerlingen- en leerkrachtenstages, VDAB-stages, individuele beroepsopleidingen (IBO (1)) , instapopleidingen (2), WEP-plus (3). Werkplekleren heeft een vaste plaats verworven in het onderwijs- en vormingslandschap. Naast de pedagogisch-didactische troeven (directe link theorie/praktijk, directe relevantie van het geleerde …), biedt deze vorm van leren een alternatief voor het schoolse leren en een kans om opleidingstrajecten te ontwikkelen die meteen ervaring met de werksituatie en daarmee verbonden attitudes opleveren. Er zijn trouwens niet alleen voordelen voor de lerende. Ook de werkgever heeft er baat bij. Werkplekleren biedt rekruteringsmogelijkheden, valorisatie van kennis- en ervaringspotentieel van eigen (onder meer oudere) werknemers, bevordering van leerfaciliteiten op de werkplek ten gunste van alle werknemers. Toch wordt werkplekleren onvoldoende benut. 

Om het potentieel van de werkplek als leercontext te maximaliseren, is het nodig kwaliteitsgaranties in de stelsels van werkplekleren in te bouwen. Hiervoor zal een algemeen kader worden ontwikkeld. Dit moet mij ook de mogelijkheid bieden om na te gaan hoe we werkplekleren eventueel kunnen certificeren om trajecten van leren en werken meer expliciet aan EVC-procedures te koppelen. Dan kan men iemand die zich aandient voor een titel van beroepsbekwaamheid en nog niet alle competenties daarvoor bezit, aanraden die competenties bij te werken via een opleiding, via werkplekleren of via een combinatie van beide. Ik wil ook nagaan hoe werkplekleren kan ontwikkeld worden tot een krachtig instrument om mensen die het onderwijs ongekwalificeerd verlaten, een opstap tot kwalificatie te bieden. 

 

  • Centra voor leren en werken 

In het leerplichtonderwijs zal ik dit werkjaar concrete stappen zetten om de Centra voor Leren en Werken uit te bouwen. Die centra worden samenwerkingsplatformen en 'ontmoetingsplaatsen' tussen de deeltijdse leersystemen. Ze zullen ervoor zorgen dat ook de werkcomponent kwaliteitsvol wordt ingevuld en dat voor elke jongere een voltijds engagement wordt verzekerd, ongeacht het systeem waarin hij terechtkomt. Ik probeer de bestaande deeltijdse leersystemen naar elkaar te laten toegroeien en de positieve kenmerken van leertijd, erkende vorming en deeltijds onderwijs te bewaren. 

Ik beoog met deze hervorming resoluut de overgang van een deeltijdse leerplicht naar een voltijds engagement, waar mogelijk met werk, waar dat niet onmiddellijk kan met voortrajecten en brugprojecten. Als jongeren nog niet arbeidsrijp zijn of zich in een multi-probleemsituatie bevinden, heeft een werkervaring geen zin en zal er gezorgd moeten worden voor een voortraject of brugproject. 

In het Vlaams Werkgelegenheidsakkoord 2005-2006 wordt naar 1.000 bijkomende werkervaringsplaatsen gestreefd. Hiertoe is het engagement cruciaal van alle partners, zowel in de privé-sector, de zorgsector, de diensten, de Vlaamse, provinciale en lokale overheden als de sociale economie. 

  • De Vlaamse overheid zal haar voorbeeldrol terzake opnemen en legde in samenspraak met de provinciale en lokale overheden in juli 2005 een actieplan voor meer werkervarings- en stageplaatsen in de schooljaren 2005-2006 en 2006-2007 aan de Vlaamse Regering voor. Van de extra werkervaringsplaatsen worden er 20 door de Vlaamse en 80 door de provinciale en lokale overheden georganiseerd;
  • Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk bijkomende werkervaringsplaatsen die de sectoren kunnen aanbieden, in de sectorconvenants op te nemen. 

Ter versterking van de brug- en voortrajecten werd met middelen van het Vlaams Werkgelegenheidsakkoord en ESF een oproep gelanceerd. 

Om het voltijdse engagement in de toekomst verder te verstevigen, zal nagegaan worden hoe werkgevers staan tegenover de verschillende systemen van afwisselend leren en werken. Het Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering (VIONA) houdt daarover momenteel een bevraging. Die moet mij een inzicht geven in de kosten en baten voor werkgevers die een jongere aannemen in een systeem van leren en werken. 

  • De leerlingenstages stimuleren 

De kosten van het arbeidsgeneeskundig onderzoek vormen niet langer een hinderpaal om leerlingen stage te laten lopen. Vanaf dit schooljaar kunnen leerling-stagiairs zich - met hun stage-overeenkomst en de risico-analyse van de werkpost - aanbieden bij een externe dienst voor preventie en bescherming die zal oordelen of het arbeidsgeneeskundig onderzoek al dan niet nodig is. Indien nodig zal die dienst dat onderzoek ook uitvoeren. De kosten daarvoor worden doorgerekend aan het Fonds voor Beroepsziekten dat hiervoor 5 miljoen € vanwege de federale overheid ter beschikking heeft. 

Ook vanaf dit schooljaar kunnen Vlaamse scholen met procedurele en technische vragen over het arbeidsgeneeskundig onderzoek en de welzijnswetgeving terecht bij een informatiepunt (vzw Coprant) dat hen binnen 48 uur een antwoord zal geven. Op het departement Onderwijs komt er ook een informatiepunt voor onderwijsorganisatorische vragen rond stages. 

SAMENWERKING TUSSEN DIVERSE ACTOREN STIMULEREN 

  • Meer dynamiek in een breder levenslang leren 

De deelname aan levenslang en levensbreed leren ligt in Vlaanderen nog fel beneden het streefcijfer dat in Europees verband werd afgesproken. Als we het percentage deelnemers volgens onderwijsniveau bekijken, dan valt de schrijnende ondervertegenwoordiging van laaggeschoolden op. Ook de lage participatie van ouderen en allochtonen springt in het oog. We staan dus voor de opdracht meer dynamiek te brengen in de opleidingen voor volwassenen en om het leren aantrekkelijk en relevant te maken voor alle volwassenen, ook voor hen die daar nu nog niet veel boodschap aan hebben. We moeten ons bezinnen over de rol van de overheid in dit proces. Tot op heden concentreerde die zich hoofdzakelijk op de financiering van een publiek opleidingsaanbod. Vandaag is er meer nodig. De overheid moet ook impulsen geven voor een levenslang leren dat sterker gericht is op een breder en ruimer publiek. 

Tegen eind 2006 bereid ik dan ook een discussienota voor over de wijze waarop de overheid het opleidingslandschap voor volwassenen in Vlaanderen vorm wil geven. De opkomst van de kennismaatschappij en de bestrijding van de sociale dualisering eisen immers duidelijke prioriteiten en een doelgerichter inzet van de overheidsmiddelen. Vragen die aan bod zullen komen zijn onder meer: 

  • Is er synergie mogelijk tussen de overheid, de beroepssectoren en de private sector op het vlak van levenslang leren?
  • Welke verantwoordelijkheid (financieren, inrichten, regisseren) moeten welke actoren opnemen voor welke segmenten van de opleidingen voor volwassenen? Hoe kunnen we de transparantie daarvan verbeteren? 
  • Hoe moeten de publieke opleidingsverstrekkers zich plaatsen in het geheel van de opleidingen? 
  • In welke soorten van opleiding en vorming moet de overheid investeren? Hoe kan ze in een behoeftedekkend aanbod voorzien? 
  • Welke vorm moet die investering aannemen? Wat zijn de sterkten en zwakten van aanbodsturing versus vraagsturing?
  • Welke instrumenten kan de overheid aanreiken om levenslang leren voor volwassenen te stimuleren en te vergemakkelijken? 
  • Voor welke opleiding en vorming moet de overheid in kwaliteitsborging voorzien? Welke vorm kan die aannemen? Hoe kan die worden opgevolgd? 

 

  • Afstemming tussen de publieke verstrekkers van opleidingen aan volwassenen 

Tot nu toe richten de plannen tot afstemming tussen de publieke verstrekkers van opleidingen aan volwassenen zich hoofdzakelijk op het delen van infrastructuur, het gezamenlijk ontwikkelen en stimuleren van e-learning, software en elektronische leerplatforms, het onderling afstemmen van leertrajecten en didactische methoden. Die inspanningen om kostendelend te werken zullen dankzij de samenwerking tussen de betrokken actoren in DIVA een structureler karakter krijgen. Om het geheel van die opleidingen dynamischer te maken, dringt er zich echter een andere afstemmingsdiscussie op. Voor de positionering van de publieke opleidingsverstrekkers in het geheel van het levenslang leren moeten we ook nadenken over hun onderlinge taakverdeling, de doelstellingen die ze moeten realiseren en de manier waarop we de financiering daarop afstemmen. 

  • Plan Geletterdheid 

Ondanks alle inspanningen voor de democratisering van het onderwijs en de uitbreiding van het opleidingsaanbod beschikt 15 à 18% van de Vlaamse bevolking over onvoldoende basiscompetenties inzake taal, rekenen en computervaardigheden om zich adequaat te handhaven in de moderne samenleving. Deze problematiek zal gecoördineerd aangepakt worden via de uitvoering van het Strategisch Plan Geletterdheid. In de uitwerking van het geïntegreerde onderwijs- en vormingsbeleid zal er bijzondere aandacht naar laaggeletterden gaan. Daarnaast komen er specifieke acties: de verhoging van het aantal opleidingstrajecten in de basiseducatie, een gerichte toeleiding naar de basiseducatie op basis van screeningsinstrumenten, uitbouw van duale trajecten en geletterdheidtraining in opleidingen op de werkvloer, partnerships met de sociale partners en inzet van instrumenten als sectorconvenants en diversiteitsplannen voor engagementen rond deze problematiek. Het is van primordiaal belang dat verschillende actoren samenwerken: basiseducatie, VDAB, Syntra, het volwassenenonderwijs, welzijnsorganisaties, lokale besturen. Een ambtelijke stuurgroep zal deze netwerking ondersteunen. 

  • Samenwerking onderwijs-beroepswereld versterken 

De Regionale Technologische Centra worden verder ontwikkeld tot platformen waar voornamelijk BSO- en TSO-scholen, Syntra's, VDAB en het bedrijfsleven afspraken maken voor het gebruik van hoogtechnologische infrastructuur, apparatuur en uitrusting, stagebeleid en nascholingsinitiatieven enz. Met uitzondering van de regio Brugge heeft heel Vlaanderen nu een RTC-werking. De fusie tussen de twee bestaande West-Vlaamse RTC's, die gepland is voor januari 2008, wordt nu al actief voorbereid. 

Naast de uitvoering van de businessplannen zullen de RTC's oproepen lanceren voor projecten met een looptijd van maximaal 1 jaar. In alle werkingsgebieden start in 2005 al een eerste reeks projecten. Begin 2006 zal een tweede oproep voor projecten volgen. 

  • Nijverheidsonderwijs herpositioneren 

Om kwaliteitsvol onderwijs te kunnen verzekeren, hebben technische scholen nood aan adequate apparatuur. Er kan daarbij een onderscheid worden gemaakt tussen basisinfrastructuur en de meer hoogtechnologische apparatuur. De eerste soort moet in elke school aanwezig zijn, de laatste kan ter beschikking worden gesteld van de scholen via de RTC's. 

Om de nood aan basisinfrastructuur te lenigen, wordt in de loop van dit schooljaar geïnvesteerd in de machineparken van technische scholen met de studiegebieden mechanica-elektricteit, hout, bouw, auto, grafische technieken en koeling en warmte. Alle technische scholen krijgen de mogelijkheid te investeren in een van hun studiegebieden. Ze zullen dit doen in overleg met de andere technische scholen van dezelfde onderwijszone. Het gaat hierbij om een operatie van meer dan 10 miljoen € of 200 € per leerling in deze studierichtingen. 

  • Sectorconvenants 

Het werkgelegenheidsakkoord vormde de basis voor een inhoudelijke aanpassing van het globale model van convenant, dat de leidraad vormt voor de specifieke convenants met elke sector. Het modelconvenant bevat voortaan twee hoofdlijnen, 'bruggen tussen leren en werk' en 'bruggen naar werk: opleidings- en competentiebeleid'. Het thema 'diversiteit en evenredige arbeidsdeelname' loopt als een rode draad door de twee andere pijlers. Daarnaast kunnen de sectoren engagementen opnemen die passen in modules als mobiliteit, stress, gezin en arbeid. 

De betrokkenheid van onderwijs bij de evaluatie en de onderhandeling van de sectorconvenants werd versterkt. Met de diverse sectoren worden afspraken gemaakt over onder andere werkervaringsplaatsen, samenwerking in de RTC's, stages. 

De sterkere inbedding van onderwijsafspraken in de sectorconvenants is een eerste stap in de richting van de integratie van de onderwijsconvenants in de sectorconvenants. 

2.1.3 Beleidsuitvoerende taken 

De Dienst Informatie, Vorming en Afstemming (DIVA) staat in voor de uitvoering van bepaalde aspecten van het beleid op het snijvlak van onderwijs, vorming en werk. De partners zorgen voor de nodige afstemming in de beleidsuitvoering en bij het implementeren van nieuwe beleidslijnen. 

UITVOEREN VAN HET STIMULERINGSBELEID LEVENSLANG EN LEVENSBREED LEREN 

  • Wordwatjewil-vormingsdatabank 

DIVA zal de databank Wordwatjewil optimaliseren en nagaan hoe ze gericht kan worden ingezet in processen van competentie-ontwikkeling. 

  • Stagedatabank 

Transparantie versterkt het stageaanbod. Daarom zal een website worden gemaakt die alle informatie over stages bundelt in een stagedatabank. De stagedatabank is een elektronisch platform dat de match mogelijk maakt tussen werkgevers die een stageplaats aanbieden en scholen, vormingsinstellingen, leerlingen en werkzoekenden die een stageplaats zoeken. De stagedatabank zal operationeel zijn in het eerste kwartaal van 2006. 

  • Europass 

Sinds 2000 stond de VDAB als Europees contactpunt in voor het uitreiken van de Europass. Op 15 december 2004 keurde het Europese Parlement het voorstel goed voor de nieuwe Europass van de Europese Commissie samen met de amendementen. Terwijl de (oude) Europass een uniform Europees document was dat alle vormen van werkplekleren (bedrijfsstages) in het buitenland zichtbaar maakte, is de nieuwe Europass een individueel portfolio dat bestaat uit 5 documenten: 

  • Europees CV, dat nu Europass CV zal heten;
  • Europass taalportfolio: de portfoliohouder bepaalt zijn eigen talenkennis via zelfinschatting;
  • Europass Mobiliteit: dit is de opvolger van de vroegere Europass, die de werk- en leerervaring zichtbaar maakte die mensen in een ander land van de Europese Unie verworven. In de huidige Europass Mobiliteit worden ook ervaringen opgenomen in Erasmus, Leonardo Da Vinci, Socrates, Comenius, Grundtvig, Europees Vrijwilligerswerk; 
  • Europass diplomasupplement: een bijlage bij het diploma - enkel voor hoger onderwijs; 
  • Europass certificaatsupplement: een bijlage bij het certificaat - enkel voor beroepsgerichte onderwijs en beroepsopleiding. 

Begin 2006 zal het National Europass Centre (NEC) Vlaanderen operationeel zijn in DIVA. Begin 2006 moet het NEC het databeheer voor Europass CV en taalportfolio, diploma- en certificaatsupplement coördineren en de Europass-Mobiliteit uitreiken. 

  • Sensibiliseren 

Het L-symbool zal worden gebruikt om alle nieuwe maatregelen in het geïntegreerde onderwijs- en vormingsbeleid te promoten.

AFSTEMMEN TUSSEN DE BETROKKEN PARTNERS 

Tot eind februari 2006 zal DIVA leer- en vormingsbehoeften verder detecteren en ze toetsen aan het aanbod. Daarvoor wordt het EDUBELL-instrument toegepast in 10 regio's verspreid over heel Vlaanderen. Eind februari 2006 wordt hierover een rapport opgeleverd. Dat zal de basis vormen voor een grondige evaluatie van die actie en voor beslissingen over het toekomstige beleid. De afstemming met en in de regio's blijft een aandachtspunt voor DIVA.

2.2 Een nieuw financieringssysteem voor het onderwijs 

2.2.1 Financiering van het leerplichtonderwijs 

EEN NIEUW FINANCIERINGSSYSTEEM 

Tijdens het schooljaar 2005-2006 zullen de fundamenten worden gelegd van het nieuwe financieringsmechanisme in het leerplichtonderwijs dat op 1 september 2008 zal ingaan. Duidelijk is dat het systeem vernieuwend moet zijn én voor de werking én voor de omkadering en tegelijkertijd een duurzame oplossing moet bieden voor de problematiek van de vrije keuze. 

In de eerste plaats moet de reikwijdte van het nieuwe mechanisme omschreven worden. Het gewoon basis- en secundair onderwijs worden er zeker door gevat. De integratie van het buitengewoon onderwijs en van de systemen van deeltijds leren en werken vergt grondig onderzoek. 

Ook voor de internaten zal een nieuw financieringsmechanisme worden opgesteld waarbij het behoren tot een bepaald net niet langer een indicator is. We zoeken een oplossing voor de complexe problematiek van de integratie van de gesubsidieerde internaten buitengewoon onderwijs in het beleidsdomein onderwijs en vorming. 

Om een werkbaar systeem van gedifferentieerde financiering op basis van leerlingen- en schoolkenmerken uit te werken, zullen we relevante kenmerken en daaraan verbonden indicatoren moeten identificeren. Die indicatoren moeten zowel wetenschappelijk als politiek worden gevalideerd. De GOK-indicatoren, eventuele taaltoetsen op cruciale momenten in de loopbaan van de leerlingen en buitenlandse voorbeelden zullen zeker richtinggevend zijn bij de vragen die voorliggen. Welke zijn de relevante schoolgebonden indicatoren? Moeten we hier een onderscheid maken tussen basis- en secundair onderwijs? Dient de ligging van een school (zoals in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in de rand- en taalgrensgemeenten) een schoolgebonden indicator te zijn? Hoe gaan we om met de huidige types buitengewoon onderwijs als we het buitengewoon onderwijs integreren in het nieuwe mechanisme? 

Identificatie en validatie van de indicatoren zijn nodig om beleidsrelevante simulaties te maken. We weten dat de databanken van het departement Onderwijs niet beschikken over voldoende relevante leerlingengegevens daarvoor. Andere databanken als de kruispuntdatabank en het rijksregister kunnen deze leemtes eventueel opvullen en zo de planlast voor scholen vermijden. Dit zal wellicht niet volstaan. Nieuwe enquêtes bij scholen zijn onvermijdelijk, willen we beschikken over voldoende relevante gegevens voor de simulaties. 

Ik wil voor het einde van het schooljaar een discussienota publiceren over de reikwijdte van het nieuwe mechanisme, relevante leerling- en schoolgebonden indicatoren en de invulling van de vrije keuze. 

KOSTELOOS BASISONDERWIJS EN KOSTENBEHEERSING IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS REALISEREN 

In 2007 zullen het vijfde en zesde jaar van het basisonderwijs volledig kosteloos worden voor wat op school direct te maken heeft met het bereiken van de eindtermen. Voor alles wat daar bovenop komt, kunnen scholen, na overleg in de schoolraad, een beperkte bijdrage van de ouders vragen. In de daaropvolgende jaren wordt die kosteloosheid geleidelijk veralgemeend tot in het kleuteronderwijs. Het volgende werkjaar zullen we dan ook alles in het werk stellen om dat grondig voor te bereiden in overleg met alle betrokkenen (schoolbesturen, directieverenigingen, ouderverenigingen, organisaties waar armen het woord nemen). We zullen daarbij ook gebruik maken van wetenschappelijk onderzoek naar de bijdragen die scholen van de ouders vragen. Via het screenen van de bijdragelijsten zullen de onderzoekers een onderscheid maken tussen kosten die echt nodig zijn om de eindtermen te behalen en kosten die bijdragen tot de verlevendiging van de eindtermen. 

Voor de kostenbeheersing in het secundair onderwijs wordt de invoering van een mechanisme dat de kosten voor ouders plafonneert, in het vooruitzicht gesteld. Op basis van de kosten die scholen momenteel aan de ouders aanrekenen, zal - eventueel per studierichting - een maximumbijdrage worden vastgesteld. Oplossingen worden gezocht om de onkosten voor alle ouders zo laag mogelijk te houden door bijvoorbeeld samen materiaal aan te kopen en kortingen te bedingen. Daarnaast zullen goede praktijkvoorbeelden van scholen worden verspreid, die kwaliteitsvol onderwijs aanbieden zonder de ouders excessief op kosten te jagen. 

Secundaire scholen en centra voor deeltijds onderwijs die een opleiding aanbieden die voorbereidt op een knelpuntberoep (slagerij, brood en banket, vrachtwagenchauffeur, logistiek of thuis- en bejaardenzorg), krijgen een premie van maximaal 250 € per leerling op basis van de leerlingentelling van 1 oktober 2005. De scholen zullen dit bedrag in mindering brengen van de schoolkosten die jaarlijks worden aangerekend aan de betrokken leerlingen of hun ouders. 

STUDIETOELAGEN VEREENVOUDIGEN 

Als een eerste stap naar een automatische toekenning van de studietoelage wordt de behandeling van de aanvragen voor studietoelagen in het secundair onderwijs sterk geautomatiseerd. Dit zal de administratieve lasten voor de aanvrager aanzienlijk verminderen en de drempel voor het indienen van een aanvraag verlagen. Bovendien zullen de aanvragen sneller en kwaliteitsvoller worden afgehandeld en zullen de rechthebbenden hun studietoelage in het begin van het schooljaar kunnen ontvangen. Voor het secundair onderwijs wordt tegen september 2006 een nieuw verwerkingsprogramma ingevoerd dat overeenstemt met het huidige voor het hoger onderwijs. Het gebruik van het rijksregisternummer en de verbinding met administratieve gegevens van externe databanken zal het opvragen van heel wat gegevens bij de aanvragers overbodig maken. Bijkomend voordeel is dat de gezinsbenadering wordt uitgebreid waardoor tegelijk voor alle kinderen van het gezin een aanvraag kan worden ingediend, ongeacht hun studieniveau. 

In samenwerking met CorVe, het e-governmentteam van de Vlaamse Gemeenschap, wordt een digitaal aanvraagformulier uitgewerkt. Naast de mogelijkheid de aanvraag on line in te dienen, zal de aanvrager zelf de status van zijn dossier kunnen volgen en kunnen berekenen of hij in aanmerking komt voor een studietoelage of studiefinanciering. 

INTERNATEN 

De zorgverbreding in de internaten is de afgelopen jaren meer uitgebreid en divers geworden. In het nieuwe financieringssysteem zal de financiering van de internaten moeten worden herbekeken in functie van de nieuwe noden. 

Binnen de scholengemeenschappen zal worden nagegaan of een internaat verbonden moet blijven aan een bepaalde school of als autonome instelling binnen het samenwerkingsverband een plaats kan krijgen. 

2.2.2 Financiering van het hoger onderwijs 

Om het nieuwe financieringsmechanisme vanaf het kalenderjaar 2007 in werking te laten treden, moeten het concept én het decretale kader in de loop van dit academiejaar volledig gerealiseerd zijn. 

CONCEPT EN WERKWIJZE 

De nota die bij de start van dit academiejaar gepubliceerd werd, vormt de aanzet voor brede reflectie en consultatie in het najaar van 2005. Tegelijk zal ik de nodige maatregelen nemen om de principes uit deze nota te vertalen in een ontwerp van decreet, zodat de hele procedure voor de opmaak van nieuwe regelgeving tegen het einde van het academiejaar kan afgerond worden. Dat laat de overheid én de instellingen net voldoende tijd om bij de opmaak van de begroting 2007 rekening te houden met het nieuwe systeem. 

Hoewel de gedetailleerde nota uiteraard nog openstaat voor aanpassingen en verbeteringen, kunnen we er toch al grote krachtlijnen voor het nieuwe systeem uit distilleren. Er komt één gemeenschappelijk financieringssysteem voor hogescholen en universiteiten. Dat is niet alleen om praktische redenen wenselijk. Ook de symbolische waarde van die eenmaking is belangrijk, omdat ze de eenheid van het hoger onderwijs uitdrukt. Mede om die reden moet het financieringsmechanisme relatief eenvoudig blijven en transparant zijn. Dat kunnen we bijvoorbeeld realiseren door in het variabele deel van de financiering de onderwijsgerelateerde en de onderzoeksgerelateerde componenten duidelijk van elkaar te scheiden. 

Ik stap af van de financiering met een 'gesloten enveloppe'. In het decreet wil ik de garantie bieden dat de totale financiering kan evolueren in functie van stijgende of dalende financieringspunten. Die evolutie moet echter geleidelijk zijn, niet alleen omwille van budgettaire redenen aan de kant van de overheid, maar ook om stabiliteit en dus planmatig financieel beheer voor de instellingen te bevorderen. Dat kan door een halfopen 'kliksysteem', waarbij de totale financiering aangepast wordt bij het overschrijden van een bepaalde boven- of ondergrens. 

Het financieringsdecreet vormt een onmisbare schakel in het hervormingsproces van het hoger onderwijs. De nieuwe opleidingsstructuren, de accreditatie, de academisering, de flexibilisering van studietrajecten, enz. vereisen allemaal een ingreep in het financieringsmechanisme, dat maximaal op de noodwendigheden van de lopende hervormingen moet kunnen inspelen. Tegelijk biedt het nieuwe systeem een krachtig beleidsinstrument om zo nodig bijkomende sturing te geven aan het hoger onderwijs. 

DOELMATIGHEID IN HET AANBOD 

Doelmatigheid in het hogeronderwijsaanbod door rationalisatie is een van de doelstellingen waartoe het nieuwe financieringssysteem als beleidsinstrument kan bijdragen. Op dat vlak zijn de uitdagingen duidelijk. Ongebreidelde groei en versnippering van het aanbod vormen een van de grote structurele zwaktes van ons bestel. Voor aankomende studenten is de transparantie vandaag vaak totaal zoek. 

Het financieringsdecreet zal alvast stimulansen tot rationalisatie bevatten. Bijvoorbeeld het belonen van samenwerking over de instellingen heen, een tegemoetkoming in de afbouwkosten van een opleiding die stopgezet wordt, en het financieel ontmoedigen van opleidingen die in verhouding tot hun totale studentenaantal te vaak aangeboden worden. 

HET RENDEMENT VAN STUDIETRAJECTEN 

Doelmatigheid kan ook worden begrepen in termen van rendement van studietrajecten. Het Vlaamse hoger onderwijs doet het op dit vlak niet slecht. Onze studenten leggen - zeker in vergelijking met de ons omringende landen - op relatief vlotte wijze hun studietraject af. We moeten er echter voor zorgen dat we - onder andere door de invoering van de flexibilisering - die troef niet kwijtspelen. Het is niet alleen voor de studenten en hun ouders van belang te weten dat zij in een behoorlijke tijd een bepaald traject kunnen afwerken en een diploma behalen. Ook voor de samenleving is dat belangrijk. We hebben die jonge, gekwalificeerde, actieve mensen op de arbeidsmarkt nodig en nodeloos uitstel is nefast voor iedereen. Studievertraging moet dus worden vermeden. 

Het nieuwe financieringssysteem zal een mechanisme bevatten om studievertraging tegen te gaan. Instellingen zullen beloond worden voor de resultaten die ze behalen door outputindicatoren in de financiering mee te nemen, zoals het aantal verworven studiepunten en diploma's, in plaats van enkel met het aantal ingeschreven studenten rekening te houden. 

GELIJKE KANSEN 

Naast die nadruk op output en rendement, moet de aandacht van de instellingen gericht blijven op het nastreven van zowel gelijke kansen als kwaliteit. Doelmatigheid, kwaliteit en gelijke kansen moeten dus aan elkaar gekoppeld zijn. Ook kansarme studenten wensen de best mogelijke kwaliteit. Zij moeten het immers uitsluitend van hun prestatie in het hoger onderwijs hebben en niet van hun sociaal of cultureel kapitaal. 

Daarom kies ik voor een gelijkekansenbeleid in hogescholen en aan universiteiten dat in het onderwijsproces geïntegreerd is en de opleidingen zelf voor de verantwoordelijkheid stelt om een gepaste ondersteuning en begeleiding te ontwikkelen. Flexibele maar goed begeleide trajecten kunnen een zeer goed instrument zijn om ervoor te zorgen dat elk talent met zo min mogelijk kans op mislukking op de juiste plaats terechtkomt. Dat geldt trouwens niet alleen voor studenten die het door hun sociale of etnische achtergrond niet onder de markt hebben. Ook bij andere kansengroepen, zoals studenten met een handicap of functiebeperking, merken we dat heel wat talent onnodig verloren gaat. Ook voor die studenten kan een aangepast traject met de nodige begeleiding tot betere resultaten leiden dan we tot op heden boeken. 

Tegelijk moet het gelijkekansenbeleid ook de student in zijn studiegedrag voor zijn of haar volle verantwoordelijkheid plaatsen om de nodige inspanningen te leveren. Daarom moeten we werk maken van het ontwikkelen van een positieve prestatiemoraal die kansarme jongeren kan helpen de culturele barrières te doorbreken die hen beletten hun onderwijstrajecten succesvol uit te bouwen. 

Gelijke kansen zijn de essentie van ons onderwijsbeleid. Dat geldt evengoed voor het hoger onderwijs, waar de focus van democratisering en gelijke kansen vandaag misschien al te zeer op materiële voorzieningen ligt, met eerder traditionele instrumenten als de sociale toelagen voor de studentenvoorzieningen en de studiefinanciering. Ik geloof namelijk in een gelijkekansenbeleid in hogescholen en universiteiten dat ook in het onderwijsproces zelf geïntegreerd is. Dat beleid moet bij de opleidingen de verantwoordelijkheid leggen om voor de studenten de gepaste ondersteuning en begeleiding te ontwikkelen, en ook de student voor zijn of haar volle verantwoordelijkheid plaatsen om de nodige inspanningen te leveren. 

Financiering kan ook op dat vlak tot een sterk beleidsinstrument uitgroeien. In het nieuwe systeem zal ik daarom stimulansen inbouwen voor hogescholen en universiteiten die bijzondere inspanningen leveren voor gelijke kansen. Dat kan via incentive funding in de vorm van een aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten in het geheel van de financiering waarover de overheid met de hogescholen en de universiteiten onderhandelt. De idee is om driejaarlijks doelstellingen te formuleren en daarvoor een bepaald bedrag af te zonderen. Dit wordt dan verdeeld op contractuele basis volgens objectieve indicatoren, die de prestaties en resultaten meten van elke instelling. Voor gelijke kansen zou een voorbeeld van doelstelling kunnen zijn de mate waarin de hogeschool of universiteit erin slaagt om studenten van allochtone oorsprong succesvol door bepaalde opleidingstrajecten te leiden en te diplomeren. 

We moeten uiteraard vermijden dat het gelijkekansenbeleid in het hoger onderwijs een excuus zou worden voor lage kwaliteitsstandaarden en geringe prestaties. Jongeren uit kansarme milieus als slachtoffer beschouwen en daarmee eventuele lage prestaties goedpraten, of - erger nog - van hen een lagere kwaliteit aanvaarden, zou niet alleen de waarde van diploma's in het algemeen ondergraven. Het zou ook zorgen voor een sluipende interne dualisering van het onderwijs die uiteindelijk ten nadele zal zijn van de succesvolle studenten uit kansengroepen. 

KWALITEIT IN HET ONDERWIJS- EN ONDERZOEKSAANBOD 

Accreditatie vormt het sluitstuk van de externe kwaliteitszorg van universiteiten en hogescholen. Door in de toekomst enkel nog geaccrediteerde opleidingen te financieren, garanderen we een basiskwaliteit. Het is onmogelijk en wellicht ook niet wenselijk om objectief verdere kwaliteitsverschillen tussen opleidingen vast te stellen waaraan we ook financieringsverschillen kunnen koppelen. 

Voor de onderzoekscomponent ligt dit anders. Bij de universiteiten zullen we net als in de tweede geldstroom via het Bijzonder Onderzoeksfonds kwaliteitsindicatoren in de financiering meenemen voor het onderzoeksgerelateerde variabele deel van de financiering. Voor de hogescholen, en dan meer bepaald de vroegere tweecycli-opleidingen die momenteel in een proces van academisering zitten, is dit nog te vroeg. Daar zullen we ons voorlopig moeten beperken tot het opbouwen van een onderzoeksbasis en een onderzoekscultuur via de academiseringsmiddelen. Maar na het voltooien van het academiseringstraject moet ook het onderzoeksgerelateerde deel voor die vroegere tweecycliopleidingen worden gefinancierd volgens exact dezelfde indicatoren als de universitaire opleidingen. 

FINANCIËLE INJECTIE VOOR DE HOGESCHOLEN 

Het oude financieringssysteem is niet alleen op zijn grenzen gestoten door de hervormingen in het hoger onderwijs. De gesloten enveloppe voor de hogescholen houdt ook niet de minste rekening met de forse stijging van het aantal studenten in de hogescholen de laatste jaren. Zeker voor de hogescholen moet niet alleen het systeem worden aangepast, maar ook het financieringsniveau zelf. 

Wat dat laatste betreft, is zowel in het regeerakkoord als in de beleidsnota een zogenaamde 'eenmalige financiële injectie' in het vooruitzicht gesteld. De politieke besprekingen over de meerjarenbegroting hebben een en ander geconcretiseerd: in 2006 komt er 12,5 miljoen € bij, in 2007 komt daar nog eens 12,5 miljoen € bovenop. Het financieringsniveau van de hogescholen wordt dus op twee jaar tijd met 25 miljoen € opgetrokken. Voor alle duidelijkheid: het woord 'eenmalig' is hier enigszins misleidend. Die financiële injectie wordt niet slechts voor één jaar toegekend, het gaat wel degelijk om een structurele verhoging van het budget. 

Over de precieze verdeling van deze bijkomende middelen werd overleg gepleegd met de instellingen en de vakorganisaties, die dit tot onderdeel van de CAO I voor het hoger onderwijs hebben gemaakt. In ieder geval zal een deel van dit budget gebruikt worden om de hogescholen tegemoet te komen die sinds de bevriezing van de middelen een sterke stijging van hun studentenaantallen hebben gekend en dus relatief het zwaarst getroffen worden. 

De eenmalige financiële injectie blijft echter gekoppeld aan een duidelijk en bindend akkoord in de sector over de programmering en de problematiek van de afstudeerrichtingen in het bijzonder. 

STUDENTENVOORZIENINGEN HERBEKIJKEN 

Tijdens het afgelopen jaar is de decretaal voorgeschreven beheersovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en elk van de universitaire diensten voor studentenvoorzieningen (Stuvo's) dan wel hogeschool-vzw's voor sociale voorzieningen (Sovo's) grondig voorbereid. De verschillende Stuvo's en Sovo's hebben van de afdeling Studietoelagen en hun regeringscommissaris de nodige toelichting en begeleiding gekregen voor de opmaak van de beheersovereenkomst en het beleidsplan. Tegen 15 november 2005 zullen die beheersovereenkomsten worden ondertekend, zodat alle betrokkenen er vanaf 1 januari 2006 mee aan de slag kunnen. Na de inwerkingtreding van de beheersovereenkomsten wordt een overlegplatform opgericht, dat de uitvoering van het decreet van 30 april 2004 en de beoogde effecten ervan zal volgen. Dat platform heeft ook een signaalfunctie voor de noden inzake wetenschappelijk onderzoek en bijsturingen van het beleid. In de loop van 2006 zijn twee vergaderingen van dit platform gepland. 

Daarnaast zal ik dit academiejaar een aanzet geven om de sociale voorzieningen meer toegankelijk te maken op regionale basis. Dat betekent niet dat we de sociale voorzieningen daarom noodzakelijkerwijs op een andere manier moeten structureren, maar wel dat we de associaties ertoe zullen brengen om met elkaar op regionale schaal rond de tafel te gaan zitten. Zij moeten studenten hetzelfde niveau van sociale dienstverlening kunnen garanderen, ook over de instellingen heen. Dat is trouwens ook de geest van het regeerakkoord, waar gesteld werd: 'Studenten van verschillende associaties kunnen op eenzelfde manier van elkaars sociale voorzieningen gebruikmaken via een systeem van compensatie tussen de associaties.' Een dergelijke samenwerking kan via een soort 'regionale raden voor sociaal beleid', geclusterd rond de grote centra voor hoger onderwijs van Vlaanderen. Dat is overigens volledig naar de geest van het decreet van 2004. 

Ten slotte zal ik tegen het einde van dit academiejaar, bij de opmaak van de begroting 2007, de nodige voorbereidingen treffen om al een eerste stap te zetten in de richting van de gelijkschakeling van de sociale toelage per student voor de universiteiten en de hogescholen. Tijdens de politieke besprekingen over de meerjarenbegroting heb ik immers een akkoord bereikt om die kloof - ongeveer 10 miljoen € in het nadeel van de hogescholen - tegen het einde van de regeerperiode te dichten. Het gaat hier immers om een niet te verantwoorden verschil, om niet te zeggen discriminatie. 

2.2.3 Financiering van het volwassenenonderwijs 

Ook het volwassenenonderwijs krijgt een nieuw financieringssysteem. Dat zal bestaan uit een basisfinanciering voor elk centrum met daar bovenop een financiering in functie van een op de regionale behoeften afgestemd opleidingsplan en een kwaliteitsvolle didactische uitbouw. Hiervoor zal een convenant afgesloten worden met de op te richten regionale consortia. Voor de bekostiging van dit nieuwe systeem wordt een beheersbaar groeipad voorzien. 

De centra voor basiseducatie krijgen een gelijkaardig financieringssysteem. Het globale huidige budget zal worden gedifferentieerd in leraarsuren, omkadering en werkingsmiddelen. Voor de uitvoering van het Plan Geletterdheid krijgen de centra voor basiseducatie in 2006 een bijkomende budgetverhoging van 5%.

2.3 Beleidsvoerend vermogen van scholen versterken 

Hoe kunnen scholen zelf hun beleid en hun praktijk inrichten zodat ze hoge kwaliteit bieden aan alle leerlingen? Dat resultaat kan maar bereikt worden als er een productief samenspel bestaat tussen beleidsvoerend vermogen, beleidskracht van scholen en centrale sturing. De overheid moet kunnen fundamentele beleidskeuzes en heldere doelstellingen en ambities formuleren, maar scholen moeten de noodzakelijke beleidskracht hebben om de voorwaarden te creëren om die doelen te realiseren in dialoog met het pedagogisch project. Beleidskracht is een positieve invulling van het begrip autonomie: hoe slagen we er samen in om het onderwijsleerproces en het samenleven van leerlingen op school te verbeteren, met het oog op gelijke kansen én hoge kwaliteit? En ten tweede: welke zijn de (rand)voorwaarden waaraan we moeten werken om die doelen dichterbij te brengen? Dat brengt ons bij de output en hoe je die kan meten, wat je daaruit leert en hoe je bijstuurt. 

2.3.1 Verdere professionalisering van de schoolleiding 

In de beleidsnota werd reeds bijzondere aandacht geschonken aan de rol van de schoolleiding, de directie, in het bestuur en het beleid in onderwijs. Een professionele schoolleiding is een noodzakelijke voorwaarde om tot scholen te komen met een hoge beleidskracht, een groot beleidsvoerend vermogen. 

De maatregelen die noodzakelijk zijn om de rol van de schoolleiding beter te waarderen zijn, ten eerste, een betere bezoldiging, ten tweede, de invoering van een mandaatsysteem, en, ten derde, meer mogelijkheden voor verdere professionalisering. In het kader van de CAO-onderhandelingen zal de overheid het dossier van de verloning van directies van basisscholen als een element van kwaliteitsbeleid in het basisonderwijs op tafel leggen en daartoe voorstellen doen, al dan niet gedifferentieerd naar verschillen in taakbelasting. Dit zal gekoppeld worden aan een mandaatsysteem. Momenteel worden beleidsvarianten van deze maatregelen onderzocht. 

Deze en andere maatregelen ter versterking van de schoolleiding kan niet zonder initiatieven op het vlak van de verdere professionalisering van directies. We willen een wetenschappelijk onderbouwde maar realiteitsbetrokken nascholing, die bijvoorbeeld uitgaat van 'waar gebeurde' cases met gedegen wetenschappelijke duiding, eerder dan louter de vorm aan te nemen van theoretische uiteenzettingen en vrijblijvende gespreksgroepen. De nascholing heeft in de allereerste plaats betrekking op de groep coördinerend directeurs/algemeen directeurs en kan o.m. gaan over: 

  • algemene strategische en operationele beleidsvoering 
  • alle relevante aspecten van de lerende organisatie 
  • personeelsbeleid (met het oog op functiebeschrijving en -evaluatie in de eerste plaats, maar ook rond mentorschap, nascholingsbeleid)
  • netwerking 
  • financieel beleid (m.i.v. begrotingsbeleid). 

Nascholingsinitiatieven ten behoeve van jonge directies zijn ook belangrijk en zullen zich iets meer richten op de onderwijskundige aspecten, met name op al wat in meer of mindere mate betrekking heeft op de leraar-leerlingrelatie, op het onderwijsproces. 

2.3.2 Verdere groei naar échte scholengemeenschappen 

De in 2005 doorgevoerde bijsturingen in verband met de scholengemeenschappen laten scholen meer dan vroeger toe hun deskundigheid samen te leggen. Zo kunnen ze hun beleidsvoerend vermogen versterken. Deze maatregelen moeten geconsolideerd en waar mogelijk uitgebreid worden. Ik zal nagaan hoe de scholen de mogelijkheden gebruiken die de nieuwe regelgeving voor de vorming van scholengemeenschappen creëerde (o.a. stijging stimulus in het basisonderwijs, creatie middenkader, beloning grotere scholengemeenschappen …). De overheid moet in haar optreden tegenover de relatief autonome scholen altijd twee doelstellingen vooropstellen: streven naar een verhoogde professionaliteit van het schoolteam en naar een verrijking van de leerervaringen bij leerlingen. 

Vanaf 1 september 2005 kunnen ook scholen van het buitengewoon secundair onderwijs van een scholengemeenschap deel uitmaken. De berekening, de toekenning en de verdeling van de betrokken overheidsmiddelen gebeuren dan op het niveau van de scholen-ge-meen-schap. Dit levert veel voordelen op, zoals een meer effectief en efficiënt gebruik van de beschikbare middelen, een transparanter studieaanbod, een optimalisering van de studiekeuze en de leerlingen-oriëntering. Toch zullen scholen uit het buitengewoon onderwijs hun lidmaatschap pas aantrekkelijk vinden als zij aanspraak kunnen maken op alle personeelsgebonden voordelen die de scholengemeenschappen bieden. De personeelsregelgevingen van het buitengewoon en het gewoon secundair onderwijs zullen daarom -vooral wat het ondersteunend personeel betreft- beter op elkaar moeten worden afgestemd. Ook naar terminologie dringt er zich een gelijkschake-ling op tussen buitengewoon en gewoon secundair onderwijs. 

Omwille van geografische, onderwijskundige of andere oorzaken zijn er nog altijd scholen die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap. Die scholen hebben een relatief minder voor-delige omkadering qua personeel (plage-uren) dan scho-len die in een samenwerkingsverband zijn gestapt. Om ook in die scholen kwaliteitsvol onderwijs voor alle leerlingen te garanderen, zal van-af het schooljaar 2006-2007 via een inhaalbeweging een bonus op het jaarlijkse organieke uren-pakket worden toegekend (naar rata van 1 %). 

Voor het ondersteunend personeel dringt zich over de onderwijsniveaus en -sectoren heen niet alleen een terminologische afstemming op, maar ook een gelijkschakeling van de taakstelling en het administratief en geldelijk statuut. Ik wil ervoor zorgen dat de ambten van ICT-coördinator, opvoeder en zorgcoördinator - ook zonder geldelijk verlies - kunnen worden uitgeoefend door leden van het onderwijzend personeel. 

2.3.3 Meer autonomie voor gemeenschapsinstellingen in het hoger onderwijs 

Het statuut van de Hogere Zeevaartschool (HZS), waarvan de overheid nog altijd de inrichtende macht is, maakt haar momenteel tot een buitenbeentje in het hogeronderwijslandschap. In de loop van dit academiejaar zal ik onderzoeken hoe de HZS een nieuwe bestuurs- en beheersstructuur kan krijgen, zodat ze nauwer kan aansluiten bij de andere instellingen voor hoger onderwijs. Tegelijk moet die nieuwe structuur haar ook de nodige ruimte geven om minstens even slagkrachtig te blijven in de bijzondere niche waarbinnen zij opereert en om haar (internationale) troeven nog beter uit te spelen. Dat kan door een sui-generis constructie uit te tekenen. 

Aangezien de HZS in ons land de enige speler in haar branche is en bijgevolg ook een relatief belangrijke onderwijsfunctie vervult voor studenten uit het zuiden van het land, zal ik tegelijk met het uittekenen van de nieuwe bestuurs- en beheersstructuur over een samenwerkingsakkoord onderhandelen met de Franse Gemeenschap. 

2.3.4 De regelgeving vereenvoudigen en planlast vermijden

VEREENVOUDIGING VAN DE REGELGEVING

Na de reeds significante vermindering van het aantal formulieren dat naar scholen wordt gestuurd tijdens het vorige werkjaar, zal in het komende schooljaar verder gestreefd worden naar administratieve vereenvoudiging door schrapping van overtollige formulieren. Ook het effect daarvan voor scholen, personeel en ouders wordt gemeten. Het departement Onderwijs zal in het voorjaar 2006 een precieze berekening maken van de winst die de vereenvoudiging realiseert in tijd en in geld. 

Verder zullen alternatieven worden bekeken voor omstandige regelgeving, zoals tijdelijke projecten en convenants. 

PLANLAST 

In 2005 en 2006 worden de gesprekken met de netten voortgezet opdat gegevens die beschikbaar zijn in de databanken niet meer opnieuw zouden worden opgevraagd. Wanneer federale overheden (o.a. veiligheid en welzijn) en gewestelijke overheden (o.a. milieu) verplichtingen opleggen aan scholen - verplichtingen die vaak ook voortkomen uit zinvolle maatschappelijke vragen -, is het aangewezen dat een gesprek met het departement onderwijs gevoerd wordt. In dit gesprek kan blijken of de gehanteerde methodes doeltreffend zijn, aangepast aan de realiteit van de scholen en of ze niet gedifferentieerd volgens doelgroep moeten toegepast worden. In uitvoering van de CAO VII werd een werkgroep Planlast geïnstalleerd die nagaat welke maatregelen - ook lokaal - kunnen worden getroffen om de planlast te verminderen. Belangrijk is dat de directieteams een manier vinden om administratieve taken te verdelen, juist toe te wijzen, te beperken en af te weren. 

2.3.5 Participatie 

Vanaf 2006 zal een instrument aangeboden dat de participatie op schoolniveau in kaart brengt. De participatiebarometer biedt directies en leerkrachten die dat wensen een basis voor zelfevaluatie van de aard en de kwaliteit van de participatie op hun school. De overheid kan daarmee de maatschappelijke effecten van het participatiebeleid inschatten en deze informatie ook gebruiken in de geplande evaluatie van het participatiebeleid. 

De vier onderwijsnetten organiseren fora waarop directies, leerkrachten en leerlingen uit basis- of secundaire scholen hun expertise kunnen uitwisselen om te werken aan een goede verstandhouding tussen alle schoolactoren. We stelden hen daarvoor een gedetacheerde leerkracht ter beschikking (cfr. Jeugdbeleidsplan). 

Verder keurde de Vlaamse Regering op 16 september 2005 het besluit goed dat de vernieuwde samenstelling van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) juridisch onderbouwt. We legden daarmee ook de procedure vast voor de rechtstreekse verkiezingen van de directeurs en voor de coöptatie van deskundigen. Zo voeren we het deel van het participatiedecreet dat betrekking heeft op de VLOR gedeeltelijk uit. Voor de omvorming van de VLOR tot strategische adviesraad richt ik mij op de timing die in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid wordt vooropgesteld. 

De financiering van de koepels van ouderverenigingen zal vanaf 1 januari 2006 worden geregeld met een beheersovereenkomst die voor drie jaar tussen de Vlaamse Regering en de betrokken verenigingen gesloten wordt. Die overeenkomst zal zowel de thema's en activiteiten als de concrete doelstellingen bevatten waarrond de koepel van ouderverenigingen moet werken. Uiteraard zal daarbij een evenwicht worden gezocht tussen de accenten die een koepel vanuit zijn eigenheid wenst te leggen en de thema's die de overheid prioritair vindt. 

2.3.6 Verantwoording en verstrekken van beleidsrelevante informatie 

ECONOMISCHE BOEKHOUDING 

Vanaf 1 januari 2006 start de nieuwe wetgeving op de vzw's. Dit betekent dat de scholen die voldoen aan de vooropgestelde criteria een dubbele boekhouding moeten voeren. Die wetgeving laat echter ook andere reglementeringen toe. De Vlaamse overheid heeft ervoor geopteerd de scholen te laten kiezen voor de bepalingen in de vzw-wetgeving of voor de bepalingen van hun koepel. Daarnaast werd de wijze waarop de overheid haar financiële controle zal uitoefenen vastgelegd in een uitvoeringsbesluit. 

De vrije hogescholen kiezen ervoor om in het komende jaar voorlopig nog het systeem te hanteren dat hen via het hogescholendecreet is opgelegd. In overleg met de andere hogescholen, de administratie en de regeringscommissarissen werken zij momenteel een model uit dat door alle hogescholen gehanteerd kan worden en zowel aan de decretale vereisten als aan de vzw-wetgeving voldoet. Dat nieuwe model zal per 1 januari 2007 worden ingevoerd. 

SCHOLEN EEN INFORMATIERIJKE OMGEVING AANBIEDEN

Scholen zijn vragende partij voor meer feedback over hun leerlingenresultaten. Meer bepaald willen ze valide en betrouwbare toetsen die op grote schaal genormeerd zijn en waarmee ze zichzelf kunnen positioneren. 

Ik wil daaraan graag tegemoet komen door onder meer het systeem van periodieke peilingen verder uit te bouwen. Daarvoor is een ambitieuze planning klaar tot in 2018. Daarin neem ik een rijke variatie aan toetsen op voor verschillende leergebieden en vakoverschrijdende eindtermen. Een beperking van de peilingen tot bijvoorbeeld wiskunde en Nederlands zou kunnen leiden tot een verwaarlozing van andere eindtermen en kan bijgevolg de rijkdom van het leren aantasten. 

Tot nu toe geven de peilingen weer in welke mate de scholen erin slagen bij hun leerlingen de eindtermen te realiseren. Ze verstrekken gegevens op landelijk niveau die een relevante bijdrage leveren voor de evaluatie van onze Vlaamse eindtermen. Het is nooit de bedoeling geweest om de peilingen te laten uitgroeien tot centrale examens. Van andere landen leren we dat centrale examens een negatief effect hebben op de professionaliteit van leerkrachten en - volgens vele experts - zelfs de elementaire onderwijskwaliteit aantasten. Om de kwaliteit van ons onderwijssysteem als geheel te bewaken, hebben we geen nood aan centrale examens. Een goed uitgevoerde peiling bij een toevallige steekproef van scholen volstaat. 

Niet alleen de overheid, maar ook de scholen en andere onderwijsactoren hebben baat bij meer verfijnde analyses van de prestaties van de leerlingen. Daarom zal ik in de toekomst zowel school- als leerlingenkenmerken aan de resultaten van de peilingen koppelen. Zo kunnen we analyseren waaraan de vastgestelde verschillen in leerlingenprestaties te wijten zijn. We kunnen nagaan of de achtergrond of de sekse van de leerlingen of de taal die ze thuis spreken er iets toe doen. We kunnen ook kijken of leerlingen in kleine scholen anders presteren dan in grote scholen en of er bijvoorbeeld een invloed uitgaat van de schoolcultuur of de samenwerking van het leerkrachtenteam. Als we kenmerken van scholen en leerprocessen die leiden tot betere leerresultaten kunnen identificeren, dan kunnen de peilingen de scholen helpen om aan verbetering te werken. 

Ik wil de peilingen in de toekomst gebruiken om de scholen leerkansen te bieden. De interpretatie van de resultaten kan een belangrijk element vormen in het proces van zelfevaluatie door de scholen. Op dit ogenblik wordt de mogelijkheid onderzocht om te werken met grotere steekproeven en meer gegevens. Dan kunnen de onderzoekers hun analyses verder uitdiepen, leerlingenprestaties koppelen aan leerlingen- en schoolkenmerken en bepaalde fenomenen verklaren. Dan kunnen we scholen - ook die welke niet in de steekproef zitten - confronteren met verklaringsmodellen die duidelijk maken hoe leerlingen in scholen met vergelijkbare kenmerken en vergelijkbare leerlingenpopulaties presteren. Het is organisatorisch en financieel onhaalbaar om in alle scholen peilingen te organiseren. Als de terugkoppeling van de gegevens gebeurt aan de hand van een verklarend verhaal, dan zijn de resultaten ook relevant voor scholen die niet in de steekproef zitten. De confrontatie met toetsresultaten moet scholen doen reflecteren. De peilingen en de terugkoppeling die scholen daarover krijgen mag hun aandacht echter niet verengen tot wat de toetsen meten. Peilingen en toetsen zijn pas zinvol in een integraal systeem van kwaliteitszorg. 

2.3.7 Scholen in hun kwaliteit ondersteunen 

BEGELEIDINGSDIENSTEN EN ONDERSTEUNING 

Tegen het einde van dit schooljaar wil ik op basis van de nieuwe beleidsopties en de ondersteuningsbehoeften van scholen de kerntaken van de pedagogische begeleidingsdiensten (PBD's) beter profileren. We doen dit in samenwerking met de PBD's, andere ondersteuningsinitiatieven, de nascholingsorganisaties en de lerarenopleiding. Het is immers mijn bedoeling de scholen gerichter en effectiever te ondersteunen door al deze ondersteunende organisaties beter op elkaar af te stemmen. Het is niet de bedoeling om hiervoor in 2006 tot een nieuw decreet te komen, wel om de decreten Inspectie en Pedagogische Begeleiding en Nascholing te actualiseren. 

Verder komt er een nieuw Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs dat uit drie delen zal bestaan: een ondersteuningscentrum voor de basiseducatie, een ondersteuningscentrum voor de centra volwassenenonderwijs dat zijn basis vindt in een samenwerking tussen de pedagogische begeleidingsdiensten en een kenniscentrum voor afstandsleren. Dit ondersteuningscentrum zal instaan voor de kwaliteitsbevordering, de curriculumontwikkeling, de begeleiding van centra op systeemniveau en het nascholingsaanbod. In tegenstelling tot het huidige Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB) zal het toekomstige ondersteuningscentrum mee bestuurd worden door de opleidingsverstrekkers en eerder vraag- dan aanbodgestuurd werken. 

KWALITEIT BEWAKEN 

Naar aanleiding van 'Beter bestuurlijk beleid' - de hervorming in de Vlaamse administratie - zal de onderwijsinspectie verzelfstandigd worden in de vorm van een autonome entiteit die rechtstreeks afhangt van de minister van Onderwijs. Om die verzelfstandiging mogelijk te maken, zal ik dit werkjaar de opdrachten, de structuur en de rechtspositie van de onderwijsinspectie verduidelijken en decretaal laten verankeren. De afstemming tussen de inspectie en de pedagogische begeleiding zal worden verbeterd. 

De uitvoering van de taken, personeelsformatie en financiering zullen worden vastgelegd in een beleidsovereenkomst tussen de onderwijsinspectie en de overheid. Het instrument van de schooldoorlichtingen zal meer worden gebaseerd op een risicoanalyse die rekening houdt met de data die centraal in het departement Onderwijs beschikbaar zijn en de zelfevaluatie van de instellingen. 

Voor de CLB-sector zal in de eerste helft van 2006 de proefvisitatie georganiseerd door de sector verder worden doorgevoerd. Op basis van die ervaringen zal ik het systeem van de visitaties in het schooljaar 2006-2007 structureel maken. De personeelsformatie en de werking van de onderwijsinspectie zullen in functie daarvan worden aangepast. 

Het voorbije academiejaar is het Accreditatieverdrag tussen Vlaanderen en Nederland officieel in werking getreden. Daarmee is ook de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) officieel opgericht. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de bekrachtiging van de begeleidende maatregelen (reglementen, kaders) die nodig zijn om een goede werking van de NVAO te garanderen. Aan de vooravond van de eerste accreditatierondes en toetsen nieuwe opleiding is ook gebleken dat de reglementering over accreditatie hier en daar nog wat finetuning behoeft. Aanvullende en wijzigende maatregelen zijn opgenomen in een ontwerp van decreet, dat nog voor de jaarwisseling bij het Vlaams Parlement zal worden ingediend.

2.4 Loopbanen van leraren 

2.4.1 Lerarenopleiding en professionalisering 

HET NIEUWE DECREET OP DE LERARENOPLEIDING 

Zeer binnenkort zal het ontwerp van decreet betreffende de lerarenopleiding aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd. De uitgangspunten en doelstellingen van de hervorming werden reeds in de conceptnota verduidelijkt en aan het brede veld voorgelegd. Het decreet wil de verantwoordelijkheid en betrokkenheid van het afnemend veld, de scholen, voor de vorming en opleiding van de nieuwe generaties leraren vergroten. Het wil de lerarenopleiding ook uitbreiden en verdiepen, en zo de professionaliteit van de leraar versterken, hetgeen de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep zou moeten verhogen. De praktijkcomponent van de lerarenopleiding zal worden versterkt. Tenslotte zal de samenwerking tussen de verschillende lerarenopleidingen worden aangemoedigd. Er komt voor de specifieke lerarenopleidingen immers één diploma en een gemeenschappelijke structuur, terwijl toch de verschillende aanbodsverstrekkers vanuit hun eigen meerwaarde en complementariteit behouden blijven. Samenwerking is dan noodzakelijk om versnippering en zinloze concurrentie te vermijden. 

De geïntegreerde lerarenopleidingen, die als professioneel gerichte bacheloropleidingen door de hogescholen worden aangeboden, zullen door de reductie van drie naar twee vakken de kans krijgen tot inhoudelijke verdieping, maar met flexibele mogelijkheden voor studenten om zich ook te bekwamen in een derde of zelfs vierde vak. Op die manier komt ook ruimte vrij in het curriculum voor aandacht voor zorg, specifieke leerbehoeften, gelijke kansen, diversiteit, enz. 

De specifieke lerarenopleidingen worden zowel aan universiteiten, hogescholen als centra voor volwassenenonderwijs naar eenzelfde volume gebracht, met een duidelijk sterkere praktijkcomponent. Aan hogescholen en universiteiten kunnen ze ingebouwd of aansluitend worden aangeboden, maar samenwerking met een centrum voor volwassenenonderwijs is noodzakelijk. 

MENTOREN 

Leraren-in-opleiding, stagiairs en startende leraren zullen beter begeleid worden. Mentoren in de scholen hebben daarin een sleutelrol. Tijdens het schooljaar 2005-2006 krijgen scholengemeenschappen uit het secundair onderwijs bijkomende uren-leerkracht om mentoren in te zetten voor de aanvangsbegeleiding (begeleiding van beginnende leerkrachten). De volgende schooljaren zullen bijkomende middelen worden toegekend om mentoren ook in te zetten voor de leraren-in-opleiding die stage lopen of in een opleidingsbaan werken. Daarnaast zullen ook de andere onderwijsniveaus de nodige omkadering voor mentoren krijgen. 

OPLEIDINGSBANEN 

Zij-stromers in de lerarenopleiding zullen voor een periode van één jaar in een opleidingsbaan kunnen stappen. Kandidaten moeten daarvoor solliciteren op basis van het bekwaamheidsbewijs dat ze zullen behalen wanneer ze afstuderen. De tewerkstelling door de school gebeurt in gewone uren-leerkracht. 

De opleidingsbaan bestaat uit 500 contacturen. Als de tewerkstelling van de leerkracht-in-opleiding minder uren beslaat, dan moeten die met gewone stage-uren worden aangevuld. De leerkracht-in-opleiding in een ingroeibaan zal - net zoals de stagiairs - ondersteuning en begeleiding krijgen van een mentor en een opleidingsverantwoordelijke van het opleidingsinstituut. Verder zullen er ook terugkeermomenten naar het opleidingsinstituut worden georganiseerd. 

Een opleidingsbaanovereenkomst wordt gesloten tussen de leerkracht-in-opleiding, de school of scholen waarin hij of zij werkt en het opleidingsinstituut dat de betrokkene vrij kan kiezen. De leerkracht-in-opleiding wordt betaald voor de contractueel bepaalde opdracht volgens het barema voor een 'ander' bekwaamheidsbewijs. 

Op het einde van de opleidingsbaan vindt een assessment plaats door een gemengde commissie waarin de betrokken scholen/scholen en het opleidingsinstituut vertegenwoordigd zijn. Bij een positief resultaat leidt dit - in combinatie met het certificaat van het theoretisch deel - tot het diploma van leerkracht. 

ZIJ-INSTROMERS 

Om het leerkrachtenberoep aantrekkelijker te maken voor mensen die al een andere professionele ervaring opbouwden, is een versoepeling van het beleid nodig op verschillende vlakken. 

Kandidaat-leerkrachten die zich inschrijven aan een instelling van het hoger onderwijs of voor een GBP-opleiding in het volwassenenonderwijs kunnen vrijstellingen genieten op basis van eerder verworven competenties. Relevante competenties en ervaring moeten worden erkend om zij-instromers degelijke, maar verkorte opleidingstrajecten te bieden. 

Om het onderwijs echt aantrekkelijk te maken voor zij-instromers zijn ook aanpassingen aan de anciënniteitsregeling nodig. Daarom zal ik in het kader van de besprekingen over de lerarenloopbaan in het kader van de CAO onderzoeken hoe competenties - ongeacht waar die verworven zijn - ook op geldelijk vlak gewaardeerd kunnen worden. 

2.4.2 Permanente professionalisering 

Om de professionalisering van de leerkrachten ook na de start van de lerarenloopbaan te stimuleren, zal ik diverse initiatieven nemen. 

NASCHOLING 

Door een gericht nascholingsbeleid te ontwikkelen, kunnen scholen tegelijk werken aan de professionalisering van hun leerkrachtenteam en de kwaliteit van hun onderwijs continu verbeteren. Bij wijze van proeftuin wordt nagegaan hoe door vervangingen nascholing kan gestimuleerd worden. Als de vakbonden en schoolbesturen het erover eens zijn, kunnen alle basisscholen en een beperkt aantal scholengemeenschappen van het secundair onderwijs zorgen voor de vervanging van leerkrachten die nascholing volgen. Vooraleer die maatregel te veralgemenen, zullen we de effecten ervan evalueren. 

BEDRIJFSSTAGES 

Een proeftuin in scholengemeenschappen van het secundair onderwijs moet uitwijzen of vervangingen haalbaar en zinvol zijn voor leerkrachten technische en praktische vakken en voor technisch adviseurs en coördinatoren die op bedrijfsstage gaan, of ze die bedrijfsstages stimuleren. Ook die proeftuin zal grondig worden gevolgd en geëvalueerd met het oog op eventuele bijsturing en/of uitbreiding naar andere personeelsleden en/of andere onderwijsniveaus. 

Detacheringen zullen ook in de toekomst worden gebruikt om leerkrachten de kans te geven ervaring op te doen in andere werk- en leeromgevingen. Zo dragen ze niet alleen bij tot de permanente professionalisering van leerkrachten, maar ook tot de aantrekkelijkheid van het leerkrachtenberoep. 

2.4.3 Evenredige arbeidsmarktparticipatie 

Om de vertegenwoordiging van de kansengroepen bij het onderwijspersoneel te verbeteren, zullen proefprojecten ondersteund worden. Onderwijsinstellingen die al een diversiteitsbeleid voeren, kunnen - op basis van hun actieplan - bijkomende ondersteuning vragen om dat beleid te versterken en hun ervaring naar andere scholen te verspreiden. 

Omdat lerarenopleidingen een sleutelpositie innemen in het diversifiëren van het leerkrachtenkorps, organiseren we in het kader van de Week van de Diversiteit het project Diversiteit en/in de lerarenopleiding. 

Op termijn moet het personeelsbeleid van alle onderwijsinstellingen de diversiteitstoets kunnen doorstaan. 

2.4.4 Loopbaanontwikkeling en taakdifferentiatie 

TAAKDIFFERENTIATIE 

Differentiatie in didactische en pedagogische taken kan schoolintern, zonder dat daarvoor nieuwe functies gecreëerd moeten worden, bijvoorbeeld vakkenintegratie, begeleid zelfstandig leren, coaching. Sommige scholen maken zeer creatief gebruik van de mogelijkheden tot taakdifferentiatie die de huidige regelgeving hen biedt. Via de verspreiding van die goede praktijkvoorbeelden willen we andere scholen daarin op weg helpen. Tegelijkertijd gaan we na hoe we de regelgeving kunnen aanpassen om taakdifferentiatie verder te stimuleren. 

Taakdifferentiatie kan ook de school en zelfs de onderwijsniveaus overstijgen, bijvoorbeeld vakverantwoordelijke, graadcoördinator, stagebegeleider, mentor van jonge leerkrachten, zorgverantwoordelijke, veiligheidsverantwoordelijke, ICT-coördinator. Leerkrachten moeten - zonder verlies van geldelijke en administratieve rechten - de expertise die ze opbouwden ten dienste kunnen stellen van collega's in hun eigen school, maar ook van collega's in andere scholen en andere onderwijsniveaus. Leerkrachten Frans of technologische opvoeding uit het secundair onderwijs zouden hun collega's uit het basisonderwijs in deze vakken kunnen vervangen. Onderwijzers zouden de specifieke didactische methodes uit het basisonderwijs in het secundair onderwijs kunnen introduceren. Eventueel zouden leerkrachten uit het leerplichtonderwijs een opdracht in de lerarenopleiding kunnen krijgen. 

VERVANGINGEN 

Vorig jaar beslisten we de vervangingspool te hervormen en vanaf het schooljaar 2005-2006 toe te spitsen op knelpuntvakken en knelpuntregio's. Na overleg met schoolbesturen en vakbonden werd de vervangingspool echter volledig afgeschaft. De vrijgekomen middelen worden ingezet om werkgelegenheid voor jonge leerkrachten te creëren. Zo wordt in uitvoering van CAO VII het systeem van korte vervangingen versneld ingevoerd. Daarmee wil ik de werkdruk van de leerkrachten verminderen en het comfort van de leerlingen verhogen. Bovendien krijgen scholengemeenschappen of groepen van scholen de mogelijkheid om die korte vervangingen soepel volgens hun eigen noden en prioriteiten te gebruiken. 

In uitvoering van diezelfde CAO wordt een project uitgewerkt om informatie over vraag naar en aanbod van leerkrachten samen te brengen. De leerkrachtendatabank die de VDAB in samenwerking met het departement Onderwijs ontwikkelde, biedt leerkrachten ruimte om hun cv te plaatsen en schooldirecties hun vacatures. De vacatures worden automatisch gemaild naar alle kandidaten die in aanmerking komen. 

LOOPBAANONTWIKKELING 

In het kader van de CAO-besprekingen zul ik met de onderwijsverstrekkers (de werkgevers) en de onderwijsvakbonden (de werknemers) gesprekken aangaan over de loopbaanontwikkeling van het onderwijspersoneel. 

Taak- en functiedifferentiatie zijn instrumenten die ertoe kunnen bijdragen onder meer oudere leerkrachten te stimuleren langer een actieve functie in het onderwijs op te nemen. Hetzelfde geldt voor detacheringen. Ik zal zorgen voor mogelijkheden tot detachering voor oudere leerkrachten die het lesgeven niet langer uitdagend vinden. 

2.4.5 Moderniseren van het personeelsbeleid en een vernieuwde rechtspositie 

De regelgeving moet de scholen en scholengemeenschappen maar ook de leerkrachten ruimte geven om een dynamisch personeels- en loopbaanbeleid uit te tekenen. Dit veronderstelt een vernieuwde rechtspositieregeling waarin deregulering en lokale verantwoordelijkheid centraal staan en de rechtsbescherming van de personeelsleden verzekerd blijft. Lokale samenwerkingsverbanden zoals scholengemeenschappen en scholengroepen moeten een draagvlak bieden om een personeelsbeleid te ontwikkelen dat het opnemen van meer verantwoordelijkheid op het lokale niveau stimuleert. We willen ook de betrokkenheid van het middenveld bij het beleid in de toekomst verhogen. Het ruime middenveld krijgt niet alleen een stem bij de voorbereiding van de beslissingen, maar zal ook zijn verantwoordelijkheid moeten opnemen in de uitvoering daarvan. 

De inzetbaarheid en de evaluatie van leerkrachten zijn twee aspecten van personeelsbeleid waarvoor we het lokale niveau meer verantwoordelijkheid willen geven. 

INZETBAARHEID 

De inzetbaarheid wordt nu overwegend centraal bepaald. Formele diploma's bepalen de toegang tot het onderwijs en de onderwijsbevoegdheid, de opbouw van voorrangsrechten en de inzetbaarheid van vastbenoemde leerkrachten in ambten, vakken en plaats van tewerkstelling. Recente ontwikkelingen leiden er echter toe dat de band tussen diploma's en de te onderwijzen vakken in de toekomst minder eenduidig zal zijn. Ik zal dus een nieuw criterium moeten zoeken om de onderwijsbevoegdheid en de inzetbaarheid van leerkrachten te bepalen. 

Een eerste versoepeling gaat al dit schooljaar in. De reaffectatie en wedertewerkstelling wordt tot het niveau van de scholengemeenschappen beperkt. Die maatregel zal grondig geëvalueerd worden en er zal onderzocht worden of verdere versoepelingen binnen hetzelfde budgettaire kader mogelijk zijn. 

Vanaf volgend schooljaar zal ik de scholengemeenschappen van het secundair onderwijs met scholen die tot hetzelfde schoolbestuur behoren laten werken alsof ze slechts één school vormen, maar zonder de nadelige gevolgen die daarmee op het vlak van omkadering kunnen verbonden zijn. Tegelijkertijd zullen die scholen meer verantwoordelijkheid krijgen bij het aanwenden van de middelen. Na overleg in de medezeggenschapsraad zullen zij kunnen beslissen waaraan zij hun werkingsmiddelen besteden. Zij zullen ook de punten en lesuren die aan de scholengemeenschap worden toegekend, vrij kunnen aanwenden. Personeelsleden werkzaam in een scholengemeenschap die door één schoolbestuur wordt geleid, worden vanaf volgend schooljaar toegewezen aan dat schoolbestuur en niet langer aan de afzonderlijke scholen. 

De scholengemeenschappen van het basisonderwijs bestaan nog niet lang genoeg om die maatregelen ook daarop toe te passen. 

Als we taak- en functiedifferentiatie willen aanmoedigen dan is het niet langer houdbaar de taakomschrijving van een leerkracht gelijk te stellen met uren les geven. Ik stel ook vast dat leerkrachten in de praktijk meer taken uitvoeren dan louter les geven. Bovendien blijkt uit ervaringen in het buitenland dat een verschuiving van les- naar schoolopdracht kan bijdragen tot een hogere maatschappelijke waardering van leerkrachten. Werken met een schoolopdracht veronderstelt echter een gedifferentieerd personeelsbeleid, waarin de directie de specifieke competenties van de leerkrachten aan bod laat komen. 

FUNCTIEBESCHRIJVINGEN EN EVALUATIE 

Het uittekenen van een dynamisch personeels- en loopbaanbeleid veronderstelt een aangepaste rechtspositieregeling met de nodige basisinstrumenten. Op dit ogenblik bevat de regelgeving al een algemeen kader om functiebeschrijvingen mogelijk te maken. In het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs zijn functiebeschrijvingen waarin wederzijdse verwachtingen worden verduidelijkt, verplicht. Om een beleid van loopbaanontwikkeling te kunnen voeren, is er ook een evaluatiesysteem nodig. Daarom zal tegen het schooljaar 2006-2007 de evaluatie deel uitmaken van de rechtspositieregeling voor de personeelsleden van het secundair en het volwassenenonderwijs. Dit betekent dat ik ook een college van beroep zal oprichten, dat op Vlaams niveau zal functioneren. 

In het basisonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs zullen de functiebeschrijvingen met ingang van het schooljaar 2006-2007 en de statutaire evaluatie met ingang van het schooljaar 2008-2009 worden ingevoerd.

 

3 Het onderwijsbeleid verbreden en verdiepen 

3.1 Onderwijsvernieuwing 

Om onderwijsvernieuwingen van onderuit te stimuleren, is gekozen voor de methode van proeftuinen. 

Naar aanleiding van een oproep waarin thema's en criteria voor proeftuinen werden geformuleerd, konden scholen van het leerplichtonderwijs voorstellen indienen. Uit die voorstellen werden 25 proeftuinen gekozen. Vanaf 1 september 2005 kunnen de betrokken scholen gedurende drie jaar een proefproject uitvoeren. Meerdere scholen participeren aan eenzelfde project. De projecten hebben betrekking op thema's als talentontwikkeling, de overgang tussen basis- en secundair onderwijs, de versterking van het beleidsvoerend vermogen van scholen, de aansluiting tussen school en werk en meer aandacht voor technologie vanaf de basisschool. Naast die nieuwe projecten worden de projecten van Accent op Talent, die door de Koning Boudewijnstichting werden gestart, verder uitgediept en in het proeftuinenconcept geïntegreerd. Centraal in het proeftuinenconcept staat dat scholen op basis van vrijwilligheid deelnemen en dat er in een sterke begeleiding van het project wordt voorzien. Het proeftuindecreet dat in het najaar in het Vlaams Parlement zal worden besproken, geeft de projecten de juridische basis om plaatselijk van bestaande regels af te wijken, zonder te raken aan de fundamentele rechten van het personeel en de leerlingen. 

We spelen met de proeftuinen dus in op lokale initiatieven, maar streven tegelijk naar beleidscoherentie. Daarom ook hebben we thema's aangegeven in de projectoproep. De projecten betreffen verscheiden maar aansluitende thema's, waarvoor doelstellingen werden geformuleerd. We spraken af dat we de doelstellingen rond onderwijsvernieuwing op korte termijn zullen expliciteren. De doelstellingen moeten immers dezelfde zijn in een reeks onderwijsvernieuwingsprojecten, als we later na evaluatie daarvan beleidsmaatregelen willen nemen. We moeten kunnen nagaan wie welke doelstelling beter realiseert en waarom. Pas als we daarop zicht krijgen, kunnen we algemene maatregelen treffen in de wetenschap dat we de juiste beslissingen nemen. 

3.2 Zorgen voor de talentontwikkeling van alle jongeren 

3.2.1 Een zorgzame school voor elk kind en elke jongere 

HET VERHOGEN VAN DE DEELNAME AAN ONDERWIJS VAN ALLE KLEUTERS

In het najaar van 2005 zal een nota aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd met een aantal initiatieven om de participatie aan het kleuteronderwijs te verhogen en geleidelijk te veralgemenen. 

Om ouders ertoe te bewegen hun kind in het kleuteronderwijs in te schrijven en hen het belang van regelmatig schoolbezoek te doen inzien, zal een sensibilisatiecampagne worden opgezet. Zowel voor ouders die hun kind inschreven, als voor ouders die dat nog niet deden, zullen informatieve folders op het belang van het kleuteronderwijs wijzen. Die folders zullen worden verspreid via de scholen, de verenigingen voor kansarmen, migrantenorganisaties, huisartsen, gemeenten, CLB. Ook andere kanalen zoals de website van het departement Onderwijs, Klasse voor Ouders en Gids voor ouders zullen worden ingezet. Door middel van deze en andere participatieverhogende maatregelen moet het pad geëffend worden naar een veralgemeende deelname aan het kleuteronderwijs. 

NAAR EEN ACTIEF TOELATINGSBELEID 

Nog voor het zomerreces voerde het Vlaams Parlement een aantal wijzigingen door in het inschrijvingsrecht. Scholen kunnen hun leerlingen niet meer doorverwijzen, maar ze krijgen wel bijkomende mogelijkheden om leerlingen te weigeren. Zo kunnen leerlingen van het secundair onderwijs die tijdens het schooljaar definitief worden uitgesloten geweigerd worden door een andere school, evenwel na overleg en goedkeuring in het lokaal overlegplatform. Verder kan een school voor gewoon onderwijs een leerling weigeren die naar het buitengewoon onderwijs georiënteerd werd, als ze vindt dat haar draagkracht onvoldoende is om aan de onderwijsnoden van die leerling te beantwoorden. De voorrang voor broers en zussen blijft behouden. Nieuw is dat scholen nu ook een inschrijvingsperiode mogen inlassen om voorrang te geven aan kansarme kinderen (GOK-leerlingen). Voorrang geven aan niet-GOK-kinderen mag ook, maar enkel in scholen met 10 procent meer GOK-leerlingen dan het regiogemiddelde. Die bijsturingen geven scholen bij hun inschrijvingsbeleid de positieve vrijheid om een sociale mix te maken. 

Tegen 9 januari 2006 - de datum waarop de inschrijvingen voor het schooljaar 2006-2007 kunnen starten - zullen de procedures in functie van die wijzigingen aangepast zijn. 

Tijdens de voorbereiding van de wijzigingen aan het inschrijvingsrecht werd afgesproken om de toelatingsvoorwaarden in het vierde en vijfde jaar van het secundair onderwijs te bekijken. De problematiek van de irrationele studiekeuze moet in een ruim kader bekeken worden, waarbij toelatingsvoorwaarden, de oriëntering en attestering van leerlingen, maar ook de organisatie van opleidingen aan bod moeten komen. Diverse maatregelen moeten worden onderzocht om irrationele studiekeuze te verminderen. Een intensievere studiekeuzebegeleiding kan een bijdrage tot de oplossing leveren. Ik wil echter ook verder gaan. De toelatingsklassenraad zal mijns inziens een meer bepalende rol moeten spelen om irrationele studiekeuzes te beperken. Ik overweeg ook om in specifieke studierichtingen zoals muziek en ballet toelatingsproeven reglementair mogelijk te maken. Overgangs- en toelatingsvoorwaarden zullen in een breder kader en samen met de oriëntering en attestering in het secundair onderwijs worden bekeken. In ieder geval zal het besluit op de organisatie van het secundair onderwijs worden aangepast om die toelatingsvoorwaarden vanaf 1 september 2006 te laten ingaan. 

ELKE SCHOOL IS EEN GOK-SCHOOL 

Er is een dwingende eis van de samenleving om de sociale kloof te dichten die nu door het onderwijssysteem loopt. Wetenschappers betwijfelen echter of de overheidssturing bij de invoering van het GOK-beleid de meest aangewezen weg is om leerkrachten en scholen te ondersteunen in een lokaal gelijke-onderwijskansenbeleid. Veel scholen zouden het opgelegde tijdskader en de verplichte activiteiten als een beknotting van hun autonomie en zelfs als een bedreiging van hun beleidsvoerend vermogen ervaren. We zullen scholen dan ook enige tijd geven om van binnenuit hun processen te optimaliseren. Maar de kwaliteit van processen kan enkel verbeteren wanneer men bereid is om ook naar de prestaties van leerlingen te kijken en daarmee naar mogelijke knelpunten. Het valt overigens op dat heel wat scholen meer duidelijkheid wensen over wat de overheid van hen verwacht. Ze zijn niet tegen richtlijnen en controle, maar verlangen vooral meer transparantie over doelstellingen, criteria en standaarden. 

Ons beleid moet gelijke kansen op hoge kwaliteit garanderen. Voor de sterke leerlingen slagen we daar al zeer goed in, voor de anderen minder. Dit betekent dat ons beleid goed moet blijven voor de sterken en sterker moet worden voor de zwakken. In de uitdrukking 'sterk voor de zwakken' verwijst 'sterk' naar 'structuur'. Ongeacht of het gaat over sociale politiek, onderwijs, of veiligheid heeft wie zwak staat meestal nood aan structuur; wie sterk staat, zorgt zelf wel voor structuur. 

Elke school moet uitgroeien tot een GOK-school die gelijke kansen en onderwijskwaliteit combineert. Om dat te stimuleren, neem ik het initiatief om begin volgend jaar interactief met de scholen te communiceren over de implementatie van een beleid voor gelijke kansen. Ik zal meer duidelijkheid verschaffen over wat van hen wordt verwacht op het vlak van de leerprocessen en op het vlak van de output (leerresultaten). We werken aan een informatierijke omgeving over leerlingenprestaties. Daarnaast werkt een team van deskundigen momenteel kwaliteitsindicatoren uit die we de scholen kunnen aanreiken. Scholen moeten ook beter weten op welke ondersteuning (begeleiding, nascholing, steunpunten) ze een beroep kunnen doen om gelijke kansen te realiseren. Daarom zal ik gesprekken starten met de ruime groep van schoolondersteuners om na te gaan hoe zij hun werkzaamheden in de toekomst beter op de behoeften van scholen kunnen afstemmen. We moeten ook nieuwe paden durven bewandelen. Als er in een school weinig beleidsvoerend vermogen wordt vastgesteld, kan worden overwogen om tot een verplichte begeleiding door de begeleidingsdiensten over te gaan. Dit vereist ook een nauwe samenwerking met de inspectie en de gegevens die zij via hun doorlichtingen verzamelt. We moeten durven de vraag stellen of we kunnen evolueren van loutere beoordeling naar aanmoediging van verbetertrajecten. 

3.2.2 Een krachtig talenbeleid ontwikkelen 

ONDERWIJS VOOR ANDERSTALIGE NIEUWKOMERS 

Het onthaalonderwijs in het basisonderwijs biedt anderstalige nieuwkomers momenteel gedurende één volledig schooljaar een taalbad aan en een sociale integratie in de leerlingengroep. Alle geledingen van het onderwijsveld wijzen erop dat dit niet volstaat. Bovendien is het een aberratie dat kinderen met de Belgische of Nederlandse nationaliteit die geen of te weinig Nederlands kennen voor dit soort onderwijs niet in aanmerking komen. 

In het secundair onderwijs is er een vrij groot verloop van de leerkrachten die instaan voor het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers. Om de opgebouwde expertise in de toekomst te kunnen behouden zal ik de licentiaten volgens hun diploma betalen en de uren die ze in het onthaalonderwijs presteren gelijkstellen met een opdracht in de tweede graad. 

Het onderwijs voor minderjarige anderstalige nieuwkomers moet enerzijds voldoende krachtig zijn om te komen tot een voldoende sterke beheersing van de Nederlandse taal maar moet er anderzijds op gericht zijn de leerlingen die participeren aan dat onthaalonderwijs zo min mogelijk categorieel te benaderen met het oog op een maximale integratie van deze leerlingen in het onderwijs. Vanuit deze visie onderzoeken we welke de meest optimale weg is om deze twee doelstellingen met elkaar te verzoenen. 

Op basis van de getrokken conclusies zullen we het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers uitbreiden (zowel wat de afbakening van de doelgroep betreft, als met betrekking tot de periode gedurende dewelke men in aanmerking komt voor onthaalonderwijs). 

NEDERLANDS LEREN 

De beheersing van het Nederlands is cruciaal voor het welslagen van de leerlingen in het onderwijs. Zowel autochtone als allochtone leerlingen die thuis geen Standaardnederlands praten, riskeren schoolachterstand op te lopen. Uit internationaal vergelijkend onderzoek is bovendien gebleken dat de prestatiekloof tussen wie thuis de instructietaal spreken en wie dat niet doen nergens in de OESO zo groot als in Vlaanderen. Daarom overweeg ik taaltoetsen in te voeren, die zullen worden afgenomen bij de overgang tussen twee onderwijsniveaus. Het is de bedoeling na te gaan of een leerling het Standaardnederlands voldoende beheerst om een bepaald onderwijsniveau te beginnen. 

Ik wil onderzoeken of een veralgemeende invoering van taaltoetsen realiseerbaar is. Het advies van experts zal ingewonnen worden om een antwoord te vinden op een aantal vragen, bijvoorbeeld hoe de taaltoetsen zinvol kunnen aansluiten op de huidige diagnostische of schoolrijpheidstesten en op de organisatie van peilingen naar de realisatie van de eindtermen. Een vraag is ook of taaltoetsen het best afgenomen worden bij het einde of bij de start van een onderwijsniveau. Hierover komt ook consultatie en overleg. We kunnen verder via proeftuinen proberen meer duidelijkheid te krijgen over mogelijke keuzes. Het moet alvast duidelijk zijn dat Nederlands leren niet kan worden verengd tot een voorbereiding op de taaltoetsen. 

Voor de overheid zijn enkel de resultaten van de taaltoetsen op macroniveau relevant. Ik wens dan ook geen terugkoppeling van de resultaten van de individuele scholen naar de overheid. Overigens is het evenmin als bij de peilingen de bedoeling de taaltoetsen te laten uitgroeien tot een systeem van centrale examens. De taaltoetsen moeten in de eerste plaats voor de scholen relevant zijn. Zij moeten weten of hun leerlingen het Nederlands goed machtig zijn en zichzelf ook verplichten terzake goede resultaten te boeken. Daarom moet in een terugkoppeling van de resultaten naar de afzonderlijke scholen worden voorzien. Scholen moeten de mogelijkheid krijgen te zien hoe ze het doen in vergelijking met gelijkaardige scholen, bijvoorbeeld scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie. Net als de peilingen zijn de taaltoetsen bedoeld om scholen een spiegel voor te houden waarmee ze hun prestaties kunnen evalueren en nagaan of ze hun beleid al dan niet dienen bij te sturen. Taaltoetsen moeten instrumenten worden voor diagnose en bijsturing. 

Ook de hogescholen en universiteiten zullen een beleid rond intensieve taalcursussen, remediëring en begeleiding moeten ontwikkelen om de taaldrempel voor studenten met een andere thuistaal weg te nemen. Initiatieven in die zin zal ik (ook) in 2006 financieel ondersteunen. Vanaf 2007 kan dit element meespelen in de structurele financiering van de hogescholen en de universiteiten, via het gedeelte dat op contractuele basis als aanmoedigingsfinanciering wordt verstrekt. 

VREEMDETALENONDERWIJS 

Talenkennis is een economische troef die we blijvend moeten uitspelen. Het bevorderen van meertaligheid speelt in op de uitdagingen van de kennismaatschappij. Vlaanderen scoort reeds hoog en heeft een uitstekende reputatie in taalonderricht. Dit mag echter niet leiden tot zelfgenoegzaamheid. De geleverde inspanningen moeten daarom op peil worden gehouden, versterkt en uitgebreid. Daarover is een grondige bezinning en overleg met het veld nodig. 

Recente maatschappelijke ontwikkelingen vergroten de nood aan een goede talenkennis. De Europese Unie vertaalde die nood in de resolutie die naast de moedertaal de kennis van twee of meer andere talen vooropstelt. Ze dringt er ook op aan zo vroeg mogelijk met het leren van vreemde talen te starten. Ik wil in Vlaanderen dan ook verder investeren in een kwalitatief vreemdetalenonderwijs en er zo voor zorgen dat de talenkennis van de bevolking op een hoog peil blijft. Ons talenbeleid moet ook gelijke kansen op hoge kwaliteit nastreven. 

Frans is in het basisonderwijs voortaan een verplicht leergebied. Ik wil immers op relatief korte termijn dat Vlaamse leerlingen bij het verlaten van het basisonderwijs de eindtermen Frans bereiken. Om de evolutie in het basisonderwijs van nabij te volgen, zal ik de verantwoordelijken van de opleidingsinstituten en de pedagogische begeleidingsdiensten nog dit schooljaar uitnodigen om verslag uit te brengen over de genomen initiatieven, de geboekte resultaten en eventuele nieuwe voorstellen. Er bestaat momenteel verwarring rond de doelstellingen van taalsensibilisatie en initiatie Frans. Daarom zullen we die met voorbeelden verduidelijken. Indien nodig zal ik voorstellen dat de bepalingen van het decreet basisonderwijs rond taalsensibilisatie en taalinitiatie in vreemde talen worden herschreven. 

Vanaf volgend schooljaar stromen in het secundair onderwijs leerlingen in die twee jaar verplicht Frans hebben gevolgd en de eindtermen hebben bereikt. Alle scholen zullen bijgevolg moeten werken aan een doorlopende leerlijn om de kloof tussen basis- en secundair onderwijs te dichten. Nog vóór de zomervakantie plan ik twee gespreksronden met ondersteuners (pedagogisch begeleiders, nascholers, leerplanmakers ...) en onmiddellijk betrokkenen. Ik wil nagaan of er aanpassingen aan leerplannen en methodieken nodig zijn en welke behoefte er terzake bestaat aan nascholing en vakoverleg. 

Ik zal de eindtermen Frans van het basisonderwijs en de eindtermen Frans, Engels en Duits van het secundair onderwijs (ASO, KSO en TSO) koppelen aan de niveaus (4), van het Europese Referentiekader voor Talen. De eindtermen moeten concreet en operationeel worden. Voor sommige doelgroepen beogen ze terecht louter communicatieve vaardigheden; voor andere doelgroepen stellen ze inzicht in taal- en tekststructuren voorop, evenals cultuuraspecten van het betrokken taalgebied. 

Ik zal experts vragen welke positie moet ingenomen worden over de vraag in welke mate taalonderwijs ook 'hogere' doelen moet stellen. Ik zal ook het gebruik van het Europees Taalportfolio stimuleren. Dat is een instrument waarmee alle ervaringen en vorderingen met het leren van talen geregistreerd kunnen worden. Niet alleen kan erin worden aangegeven welke talen men kent, maar ook hoe goed men die talen kent. Dat gebeurt door per vaardigheid vast te stellen op welk niveau van het Europees Referentiekader de leerling zit. Het portfolio bevat een subjectief en een objectief deel. Het objectieve bevat de verzameling van officiële documenten die aantonen wat de lerende kan. 

Op dit ogenblik komt het vreemdetalenonderwijs nog te weinig aan bod in het BSO. Een vorm van praktische meertaligheid is nochtans een noodzaak voor wie na het secundair onderwijs meteen naar de arbeidsmarkt trekt. Ik zal daarom een breed debat starten over de mogelijkheden om de Europese ambitie, een aanbod van moedertaal en twee vreemde talen, te vertalen naar alle leerlingen in alle onderwijsvormen. 

Ik heb totnogtoe eerder terughoudend gereageerd op pleidooien voor immersieprojecten, waarbij leerlingen een vreemde taal verwerven door onderdompeling in die taal, omdat de context in Vlaanderen verschillend is van degene die in andere landen tot succesvolle immersieprojecten leiden. Ik wil echter wel op een bedachtzame wijze deze problematiek blijven verkennen. Uitgaande van de idee dat we de kansen voor alle leerlingen willen vergroten, zal ik aan onderwijsdeskundigen meer informatie vragen over de wenselijkheid en haalbaarheid van immersieprojecten in de Vlaamse context,. Ik betrek deskundigen vanuit de universiteiten, volgen lopende experimenten van nabij op (o.m. in de vrije ruimte van een lessentabel) en gaan na of de wijze waarop de Frans- en Duitstalige Gemeenschappen dit organiseren toepasbaar is op de Vlaamse Gemeenschap en er voor een meerwaarde zouden zorgen. 

Wanneer anderstalige leerlingen in het Nederlandstalig onderwijs terechtkomen, is Nederlands voor hen een vreemde taal. Naast de invoering van taaltoetsen, zal ik onderzoeken welke maatregelen anderstalige leerlingen (in hun specifieke taalsituatie) meer Nederlandse taalvaardigheid kunnen bijbrengen. Als we niet enkel lippendienst willen bewijzen aan diversiteit, dan moeten we durven nadenken over een talenbeleid dat uitgaat van respect voor de noden van anderstalige leerlingen. 

Tegen de achtergrond van het Europese talenbeleid en op basis van advies van en overleg met deskundigen en het onderwijsveld, zal ik tegen september 2006 een nota voorbereiden over het toekomstige talenbeleid in Vlaanderen. Die nota zal het kader vormen voor het talenbeleid van scholen en voor de keuzes van begeleidingsinstanties en opleiders van leraren. Voor alle burgers van het land en de ouders in het bijzonder willen we het taalonderwijs van hun kinderen duiden opdat ze de keuzes, de aanpak en de evaluatie ervan beter begrijpen. 

Intussen zal ik met de collega's uit de Franstalige en Duitstalige gemeenschap informatie uitwisselen, onze instrumenten beter op elkaar afstemmen en lerarenuitwisselingen mogelijk maken. 

3.2.3 In een onderwijscontinuüm voorzien 

In het onderwijscontinuüm wil ik een keten van mogelijkheden creëren gaande van het gewoon tot het buitengewoon onderwijs en alles wat daartussen ligt, zoals GON-ondersteuning. Alle schakels van de keten moet stevig aan elkaar gekoppeld zijn en in een vlotte samenwerking de leerkansen en de integratie van alle leerlingen maximaliseren. Het onderwijscontinuüm betekent dus geen keuze voor of inclusief of buitengewoon onderwijs. Het is een en-en-verhaal

De gespecialiseerde opvang in het buitengewoon onderwijs moet blijven, maar er moet ook meer plaats komen voor kinderen met beperkingen in het gewoon onderwijs met de nodige ondersteuning. Ik wil onderzoeken hoe ver de draagkracht van gewone scholen kan worden ontwikkeld om kinderen met een beperking goed op te vangen en te begeleiden. Meer bepaald zal ik nagaan hoe de ondersteunende diensten zoals de pedagogische begeleiding en de Centra voor Leerlingenbegeleiding hierin een tweedelijnsrol kunnen opnemen. Ook ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs zoals dat vandaag in de context van het GON gebeurt, kan een belangrijke hefboom vormen. 

Er zijn vroeger al grote verschillen vastgesteld tussen de verwijspraktijken van CLB's, die vaak te maken hebben met het sociaal milieu waaruit een kind komt. Vaak geeft een zwak sociaal milieu bij kinderen met een leerachterstand de doorslag voor zo een verwijzing. Ook taalproblemen kunnen zwaar doorwegen. Daardoor is er hier een belangrijke overlapping met de doelgroep van het gelijke-onderwijskansenbeleid, de GOK-leerlingen. Ik denk niet dat dit doelbewust gebeurt, maar wellicht zijn er niet-cultuurneutrale aspecten in instrumenten en praktijken die zorgen voor een niet-sociaal-neutrale doorverwijzing. Om dit te vermijden, zal ik er werk van maken om de oriëntering naar het buitengewoon onderwijs objectiever te laten verlopen. 

Voor het einde van dit schooljaar zullen de ideeën rond het onderwijscontinuüm worden vertaald in concrete beleidsacties. Momenteel bereidt een werkgroep van het departement Onderwijs in samenwerking met het secretariaat van de Vlaamse Onderwijsraad een conceptnota voor over een sociaal en werkbaar onderwijscontinuüm. Daarbij wordt bekeken hoe we bepaalde van de huidige types in clusters zouden kunnen samenbrengen. Met die inhoudelijke clusters zouden de scholen voor buitengewoon onderwijs hun deuren iets breder kunnen openzetten, niet om méér kinderen op te nemen, maar om doelgerichter en functioneler te kunnen werken. Een tweede reden om te zoeken naar werkbare clusters is dat problemen die we de jongste jaren in het onderwijs vaststelden, niet meteen een oplossing krijgen met de huidige types. Autistische kinderen bijvoorbeeld kunnen niet worden ondergebracht in een van de bestaande types. Aan de hand van de clusters wil ik ten slotte ook nagaan of we op een efficiëntere manier de bestaande middelen kunnen aanwenden. Vanaf november 2005 zal elk thema uit de conceptnota voor advies worden voorgelegd aan de VLOR. Die werkzaamheden zullen afgerond zijn tegen april volgend jaar. Omdat ik niet onvoldoende gefundeerd beslissingen wil nemen, wacht ik die werkzaamheden af om keuzes te maken. 

Sinds 1 september 2005 loopt er een tijdelijk project voor leerlingen uit het buitengewoon secundair onderwijs. Maximaal 10 leerlingen van opleidingsvorm 3 kunnen na hun opleiding logistiek assistent in ziekenhuizen en zorginstellingen de een bijkomende opleiding volgen in de derde graad BSO van het gewoon voltijds secundair onderwijs. Die leerlingen krijgen daarbij extra ondersteuning vanuit hun vroegere school. Dit project wil de doorstroming bevorderen van leerlingen uit het BuSO naar het gewoon secundair onderwijs en nadien naar de zorgsector, door hen via extra ondersteuning de kans te geven een diploma van het gewoon secundair onderwijs te behalen. 

3.2.4 Een succesvolle schoolloopbaan voor alle leerlingen 

ZORGEN VOOR EEN GOEDE STUDIEKEUZE

Sinds 1 september 2002 loopt het SOHO-project in de secundaire scholen van de verruimde onderwijszone Mechelen. Dit project wil de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs optimaliseren via de versterking van de keuzebekwaamheid van de leerlingen. Daarom worden samen met het CLB, de pedagogische begeleidingsdiensten en de ouders studie- en beroepskeuzetrajecten en -begeleiding op maat van de leerlingen uitgewerkt. 

Nu het laatste werkjaar van het SOHO-project ingaat, zal ik de resultaten ervan in de proefzone consolideren. Tegelijk zal ik samen met het onderwijsveld naar mogelijkheden zoeken om de studiekeuzebegeleiding in het onderwijs te versterken Richtinggevend daarbij is dat de begeleiding van de overgang van secundair naar hoger onderwijs dient bekeken te worden vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid van beide onderwijsniveaus voor de loopbaan van de jongeren. Nieuwe instrumenten zoals het Europees taalportfolio en de Europass dienen dringend in de studiekeuzebegeleiding te worden geïntegreerd. 

AANPAKKEN VAN SPIJBELEN EN ANTI-SOCIAAL GEDRAG 

Op basis van een evaluatie van het spijbelbeleid werden de knelpunten ervan in kaart gebracht en acties geformuleerd, die tot een effectievere aanpak van spijbelen en anti-sociaal gedrag moeten leiden. De evaluatie en de geplande acties worden in november in het parlement voorgesteld. Uit het debat dat ter zake zal worden gevoerd, moet blijken op welke plaatsen de algemene aanpak volstaat en welke doelgroepen een specifieke aanpak vragen. Het is de bedoeling om nog in 2005: 

  • de efficiëntie van de leerplichtcontrole te verhogen; 
  • overleg te starten met diverse belangrijke partners voor scholen en CLB's: huisartsen, justitie, welzijn, politie; 
  • een sensibilisatiecampagne op te zetten. 

Sinds 2000 proberen we vanuit de beleidsdomeinen onderwijs en welzijn via het steunen van projecten na te gaan of de organisatie van een time-out de schooluitval van jongeren kan tegengaan. Time-out biedt de mogelijkheid aan leerlingen die een grondig verstoorde relatie hebben met de school om hun leertijd voor een afgebakende periode buiten de school door te brengen. Op basis van onder meer de resultaten van een wetenschappelijke evaluatie van time-out als werkvorm in het onderwijs en de doorlichting van de projecten door de onderwijsinspectie, zal ik nagaan of en hoe die werkvorm structureel verankerd kan worden. Om de onverantwoorde toepassing van time-out te vermijden, moeten school en CLB zich samen met de betrokken leerlingen engageren om een veranderingsproces op gang te brengen. 

Uit een wetenschappelijke evaluatie is intussen gebleken dat het herstelgericht overleg een positieve bijdrage kan leveren tot het voorkomen en bestrijden van anti-sociaal gedrag op school. Daarom zal ik vanaf 1 september 2006 voor de organisatie daarvan middelen vrijmaken. Om de introductie van deze nieuwe werkvorm voor te bereiden, wordt een actieplan voorbereid dat met het onderwijsveld zal worden besproken. 

Dit jaar nog start ik verder een overleg met Welzijn om na te gaan hoe de samenwerking met de bijzondere jeugdzorg kan tegemoet komen aan de zorg- en onderwijsbehoeften van jongeren in residentiële voorzieningen, zowel tijdens hun verblijf daar als bij hun terugkeer naar school. 

Vanuit onderwijs steun ik het initiatief van collega Vervotte om te werken aan een decreet opvoedingsondersteuning.Ik zal dit schooljaar ook de partners in kaart brengen die bij de opvoedingsondersteuning betrokken moeten worden en de rol van elke partner uitklaren. 

3.2.5 Een zorgbeleid in het hoger onderwijs 

Ik zal via de financiering van het hoger onderwijs de hogescholen en universiteiten aanmoedigen om bepaalde doelstellingen inzake gelijke kansen te realiseren, bijvoorbeeld om studenten van allochtone oorsprong of studenten met een handicap of functiebeperking succesvol door bepaalde opleidingstrajecten te leiden. Wat die laatste kansengroep betreft, zal ik ook het komende jaar de werking van het Vlaams Expertisecentrum Handicap en Hoger Onderwijs (VEHHO) ondersteunen. We kijken daarnaast met bijzondere aandacht uit naar de finalisering van het advies "Handicap en Studie" dat binnen de koepels VVS, VLIR en VLHORA en in samenwerking met het VEHHO wordt voorbereid. 

Verder zal ik de tweede fase van de ondertekening van de 'Engagementsverklaring Diversiteit' van nabij volgen. Na de ondertekening door de koepels eind vorig academiejaar, is het nu aan elke individuele instelling om zich binnen het jaar achter de verklaring te scharen en de engagementen om te zetten in concrete maatregelen. Als overheid willen we alvast het goede voorbeeld geven door in het nieuwe financieringssysteem de instellingen te compenseren voor de lagere studiegelden die zij van beursstudenten ontvangen. 

3.2.6 Een zorgcontinuüm voor de leerlingenbegeleiding 

EEN DUIDELIJKER ROL VOOR DE CENTRA VOOR LEERLINGENBEGELEIDING (CLB'S) 

Tijdens het schooljaar 2005-2006 zal ik het CLB-profiel tot op het operationele niveau uitklaren (wat doet elk CLB i.v.m. elk thema?) en de kerntaken duidelijk afbakenen. Dit zal gebeuren in overleg met de CLB-sector en de gebruikers. 

ROL VAN DE LOKALE OVERHEDEN 

Op basis van objectieve indicatoren als de ernst van de spijbelproblematiek en de schoolse vertraging opteerde ik ervoor om in 2006 het lokale onderwijsbeleid prioritair te versterken in Antwerpen, Gent, Genk en Mechelen. Deze steden kunnen, rekening houdend met hun grootte, financiële middelen verwerven voor projecten die de brede school stimuleren, een platform leerplicht- en hoger onderwijs creëren om de doorstroming van kansarme leerlingen te bevorderen, netoverschrijdende samenwerking realiseren in het volwassenenonderwijs enz. 

Intussen start het overleg met de onderwijsnetten en de 13 centrumsteden. Het is mijn bedoeling met al die betrokkenen een overlegplatform voor het stedelijk onderwijsbeleid op te starten. Ik wil de centrumsteden immers een grotere verantwoordelijkheid (regiefunctie) geven in de regeling van het het lokaal onderwijsbeleid en de samenwerking van de verschillende partners die daarbij betrokken zijn. Dit betekent dat ik de regelgeving inzake sociale voordelen op die regiefunctie zal afstemmen. 

3.3 Eindtermen en ontwikkelingsdoelen herzien 

3.3.1 Vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen (BaO en SO) evalueren 

Ik zal de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen voor het basisonderwijs en de eerste graad secundair onderwijs evalueren. Aan de hand daarvan zal ik nagaan of een herdefiniëring en een mogelijke vermindering ervan zich opdringt. Op basis van een bijgestuurd voorstel zal breed overleg plaatsvinden. 

Om de herziening van de vakoverschrijdende eindtermen voor te bereiden, zal ik een onderzoek starten naar hun maatschappelijk belang, hun onderwijskundige relevantie en hun haalbaarheid. Tussentijdse evaluatiegegevens zullen een basis leveren om het debat terzake te beginnen. 

3.3.2 De procedure voor de specifieke eindtermen (SO en VO) herzien

Het uitwerken van de procedures voor het opstellen en het bekrachtigen van de kwalificatiestructuur zal meer duidelijkheid verschaffen over de richting die de herziening van de procedure voor de specifieke eindtermen zal uitgaan. In de kwalificatiestructuur zal immers worden verduidelijkt welke leerresultaten (eindtermen/standaarden) met een bepaalde kwalificatie verbonden zijn. 

Het afgelopen jaar was een jaar van studie. We leerden dat de door de SERV te ontwikkelen standaarden in de eerste plaats zijn bedoeld voor assessment, en niet zozeer om er opleidingen op te baseren. Toch krijgen we, als straks de eerste standaarden worden geleverd (bakker, kapper), duidelijkheid over de mate waarin de bepalingen ervan inhoudelijk aansluiten op het concept van beroepsgerichte specifieke eindtermen. Ik wens de aansluiting tussen standaarden en specifieke eindtermen hoog te houden. Het komt erop aan om met een soepele procedure en voldoende snel in verscheidene sectoren vast te stellen welke leerresultaten met een bepaalde sectorgebonden kwalificatie verbonden zijn. Die zullen dan worden gebruikt als referentie door alle publieke opleidersverstrekkers. 

Als onderwijsopleidingen andere dan beroepsgerichte doelen (binnen een economische sector) beogen, zal ik nagaan of en hoe ook daarvoor een beperkte set van helder geformuleerde leerresultaten als referentie voor alle onderwijsverstrekkers naar voren kan worden geschoven. Er zal daarvoor in een eenvoudige procedure worden voorzien. 

In sommige gevallen zullen onderwijsopleidingen én beroepsgericht zijn én ook andere doelen realiseren. Opleiders zullen dan moeten verduidelijken welke beroepsgerichte kwalificaties worden beoogd en welke andere leerresultaten worden bereikt. 

Binnen het jaar wil ik én conceptuele duidelijkheid brengen én de eerste 'producten' afleveren. 

3.4 Burgerschap stimuleren

3.4.1 Vorming tot burgerzin 

Met het oog op de concrete invulling (en eventueel evaluatie) van de eindtermen 'opvoeden tot burgerzin' zal ik rekening houden met de beleidsaanbevelingen die dit najaar in het kader van het Europees Jaar Burgerschap door Onderwijs en Vorming zullen worden geformuleerd, bijvoorbeeld tijdens studiedagen en bij de bekendmaking van goede praktijkvoorbeelden. 

De verspreiding van goede praktijkvoorbeelden staat ook centraal in de nieuwe editie van de Week van de Diversiteit. In het najaar van 2005 gaan zes werkgroepen met lerarenopleiders en middenveldorganisaties aan de slag rond het stimuleren en ontwikkelen van diversiteitscompetenties in de lerarenopleiding. We zullen de resultaten van deze sessies in het voorjaar van 2006 aan een ruimer publiek bekendmaken. 

Deze twee initiatieven kunnen leerkrachten en lerarenopleiders meer houvast bieden om diversiteit en burgerzin te integreren in de klas en op school. Op het vlak van vredeseducatie zorg ik voor een extra ondersteuning van leerkrachten met de publicatie van een praktijkboek voor vredeseducatie. Dat bundelt praktische informatie en concrete ervaringen en biedt uiteenlopende mogelijkheden om met kinderen en jongeren te werken aan vrede. 

Ook het bevorderen van een participatiecultuur op school blijft een belangrijk onderdeel van het beleid rond burgerschapsvorming. 

Om het leerrecht van leerlingen beter te garanderen, voerden we recent een wijziging door van de regelgeving over het studie-, orde- en tuchtreglement dat scholen in hun schoolreglement moeten opnemen. Nu wordt er in de mogelijkheid voorzien om de uitsluiting van een leerling tot het einde van het schooljaar uit te stellen. De uitgesloten leerling blijft in ieder geval ingeschreven in de school en kan er de lessen volgen tot hij of zij in een andere school is ingeschreven. 

Om de rechten en plichten van de leerlingen verder te verduidelijken, bereid ik dit werkjaar ook veranderingen voor op het vlak van: 

  • oriënteringen en overgangen studievoortgang; 
  • evaluaties en betwistingen van evaluaties, tucht en uitsluiting; 
  • schoolreglement; 
  • veiligheid en gezondheid. 

3.4.2 Islamleerkrachten 

De opleiding tot islamleraar in de Erasmushogeschool Brussel (EHB) boekt goede resultaten (instroom, doorstroom, kwaliteit, enz.) en ze komt duidelijk tegemoet aan een reële nood op het veld. Op basis van de ervaringen van de EHB en rekening houdend met de toenemende vraag naar islamleerkrachten zal ik in het komende academiejaar nagaan of een gelijkaardige opleiding ook aan andere Vlaamse hogescholen moet worden aangeboden, zonder evenwel tot proliferatie aan te zetten. 

3.4.3 Opleiding van imams 

De Koning Boudewijnstichting (KBS) heeft op het einde van het vorige academiejaar een ronde-tafelconferentie georganiseerd over de opleiding van imams. Daar is, o.a. samen met vertegenwoordigers van de verschillende overheden van dit land én van de nieuwe Raad en de Executieve, een uitstekende analyse gemaakt van de huidige situatie inzake de opleiding van bedienaars van erediensten en zijn de nodige afspraken gemaakt over de vragen die een antwoord moeten krijgen wil er in ons land een volwaardige opleiding voor imams worden uitgebouwd. 

In het komende academiejaar zal de KBS haar rol van intermediair verder opnemen. Van dit uitstekende platform kunnen wij gebruik maken om samen met de Executieve en de hoger-onderwijsinstellingen stap voor stap een breed gedragen en maatschappelijk zinvolle opleiding uit te tekenen. De hogescholen en universiteiten moeten worden aangespoord om aan deze belangrijke maatschappelijke nood op relatief korte termijn een goed antwoord te geven. 

3.4.4 Erkenning van buitenlandse diploma's 

Het regeerakkoord stelt dat we in deze regeerperiode werk zullen maken van een snellere erkenning en gelijkwaardigheidverklaring van buitenlandse diploma's. Een aantal pijnpunten in de huidige aanpak zijn ons in het voorbije academiejaar duidelijk geworden. Vooral hooggeschoolde mensen met een diploma van buiten de Europese Unie vallen daarbij nog te veel uit de boot. Een aantal zaken zijn met relatief eenvoudige ingrepen te verhelpen: informatieverspreiding, vorming van medewerkers bij bepaalde overheidsdiensten en organisaties uit het middenveld, het stroomlijnen van het verkennend gesprek, enz.

Ongetwijfeld zullen zich echter ook meer structurele ingrepen aandienen om de procedure enerzijds snel en billijk te laten verlopen, en anderzijds toch voldoende garanties inzake kwaliteit te behouden. Samen met minister Marino Keulen, vanuit zijn bevoegdheid voor het beleidsdomein Inburgering, zal ik de procedure in het komende academiejaar onder de loep nemen en nagaan waar we die kunnen verbeteren. 

3.5 Verbreding van de vorming 

3.5.1 Betere ICT-vaardigheden 

Door de recente kennisontwikkelingen maken ICT-competenties deel uit van het pakket basisvaardigheden dat het onderwijs moet bijbrengen. Daarom zal ik meer duidelijkheid verschaffen over de eindtermen die het onderwijs op dit vlak moet bereiken. Een werkgroep van deskundigen zal een voorstel uitwerken over de ICT-eindtermen die relevant en haalbaar zijn voor alle leerlingen op het einde van het basisonderwijs en de eerste graad secundair onderwijs. 

Onder meer in het kader van het Strategisch Plan Geletterdheid heeft de basiseducatie een belangrijke opdracht in het bijbrengen van elementaire ICT-vaardigheden bij lager geschoolde volwassenen. Met het huidige modulaire opleidingsprofiel ICT in de basiseducatie kan men die doelstellingen niet realiseren. Daarom zal ik werk maken van een nieuw opleidingsprofiel, gebaseerd op de ICT-eindtermen van het basisonderwijs en eerste graad secundair onderwijs. 

Gedurende deze regeerperiode krijgt het softwarebeleid een sterke impuls, enerzijds via het ondersteunen van een lokale educatieve portaalsite, Klascement, anderzijds via de introductie en integratie van vrije en openbronsoftware en openleermiddelen in het onderwijs. Ik vraag dat ook de onderwijsnetten nauwer bij deze beweging aansluiten. 

3.5.2 Op naar de 'brede school' 

Vanuit de beleidsdomeinen onderwijs, sport, cultuur, jeugd en welzijn zal dit schooljaar - in samenwerking met het Steunpunt GOK - gewerkt worden aan een gezamenlijke visie op de 'brede school'. In het voorjaar plan ik een rondetafelconferentie waarop de geïntegreerde visie op de 'brede school' ter discussie zal voorgelegd worden aan alle betrokkenen. In september 2006 zal de eerste lichting proeftuinen brede school van start gaan. 

Verder zal ik de hindernissen die scholen ondervinden wanneer ze hun infrastructuur wensen open te stellen aan o.m. jeugd- en cultuurverenigingen of sportclubs proberen uit de weg te ruimen. 

3.5.3 Onderwijs en sport 

Om de schoolsport van alle onderwijsniveaus beter op elkaar af te stemmen, plan ik tegen het einde van dit schooljaar de oprichting van een Vlaams Centrum voor Onderwijsgebonden Sport (VLACOS), dat de schoolgebonden sportbeoefening van kleuter tot student moet verbeteren. De Stichting Vlaamse Schoolsport en de Vlaamse Studentensport Federatie zullen in dat centrum worden opgenomen. We moeten er immers voor zorgen dat de schoolsport de krachten bundelt en vooral de jongeren bereikt die niet sporten in clubverband. Er komen ook maatregelen die de jongerensport zullen stimuleren en dus de fysieke conditie van de Vlaamse jeugd zullen verbeteren. 

3.5.4 Topsport en onderwijs 

Topsportonderwijs is erg belastend voor school en leerling. Er moeten sportieve topprestaties geleverd worden en het niet-sportgebonden onderwijs móet van hoge kwaliteit zijn. Het is schoolorganisatorisch een uitdaging om de voorwaarden te scheppen opdat beide voorwaarden kunnen worden vervuld. 

Rond topsport bestaat een convenant. Vooral de ondertekenaars van de sportwereld dringen sinds jaren aan op een beperking van het aantal topsportscholen. Ook onderwijskundig en pedagogisch is een bundeling van de expertise wenselijk. Maar ook praktische aspecten spelen mee: o.m. de beschikbare sportinfrastructuur, de bereikbaarheid voor leerlingen. Daarom besloten de Vlaamse Minister voor Sport en ikzelf in onderling overleg tot een beperkte reductie van acht naar zes scholen, een in iedere provincie en een in de brede rand rond Brussel. 

Het komende jaar wil ik werken aan de kwaliteit van het onderwijs in algemene zin en van het sportonderwijs in het bijzonder. Het gaat o.m. over 

  • een kwaliteitsvol onderwijsaanbod van vakken en studierichtingen waarmee we de leerlingen wapenen voor het leven binnen, na of zonder de topsport, 
  • een aanbod op maat: basisvorming en pakketten in functie van de individuele noden van de jonge topsporter, 
  • een zeer degelijke studiebegeleiding van de leerlingen (het zal bij topsporters ook gaan om zelfstandig en zelfgestuurd leren, of om e-learning), 
  • de continuïteit in de opdrachten van de leraren, enz. 
  • de wijze waarop we in de 3de graad van het basisonderwijs en de 1ste graad SO voorbereiden op topsportonderwijs. 

3.5.5 Gezonde scholen 

Naast het stimuleren van schoolsport en bewegingsopvoeding, zal ik in samenwerking met het beleidsdomein welzijn acties opzetten die schoolgaande jongeren aanzetten tot een gezonde levensstijl. Voor de uitwerking en de toepassing van het actieplan "Op uw gezondheid!" wordt een protocol met de VLOR gesloten. Vanaf dit schooljaar zal een gezondheidscoördinator worden aangesteld, die tegen eind 2005 een strategisch plan gezondheidsbevordering zal ontwikkelen. Met dit plan kunnen de scholen aan de slag, om aan de hand van de noden en behoeften van hun leerlingen, een gezondheidsbeleid op maat te ontwikkelen. Tegen 1 september 2007 wil ik dat elke school in staat is om haar leerlingen een omgeving aan te bieden die een gezonde levensstijl stimuleert. Dat betekent ook dat er in de scholen niet meer wordt gerookt en er geen ongezonde dranken of snoep meer aangeboden worden aan de leerlingen. De commissie Gezondheidsbevordering van de VLOR gaat opnieuw van start en zal samen met de overheid de uitwerking van het strategisch plan door de gezondheidscoördinator aansturen. 

Begin 2006 zal het strategisch plan gezondheidsbevordering aan de scholen worden bekendgemaakt zodat ze het voor het einde van het schooljaar kunnen invoeren. 

3.5.6 Onderwijs en cultuur 

Dit schooljaar zal ik een nieuw protocol opstellen over de samenwerking onderwijs en cultuur. De samenwerking tussen beide beleidsdomeinen resulteerde al in een betere afstemming van studiedagen, projecten en gezamenlijk onderzoek. Zo is in 2005 onderzoek van start gegaan naar erfgoededucatie, e-cultuur en de financieringsmogelijkheden voor projecten op het raakvlak tussen onderwijs en cultuur. Dit laatste onderzoek zal een basis zijn om in de eerste helft van 2006 de geldende regelgeving te wijzigen. 

Na de goedkeuring door het Vlaams Parlement van het Decreet betreffende tijdelijke projecten in het onderwijs, zal ik niveauspecifieke uitvoeringsbesluiten voorleggen aan de Vlaamse Regering. Experimenten in het deeltijds kunstonderwijs (DKO) zullen daardoor naar analogie van de andere onderwijsniveaus ook 'tijdelijke projecten' worden.

Verder onderzoek ik de mogelijkheid om ook in het deeltijds kunstonderwijs scholengemeenschappen op te richten. Ik wil echter niet alleen de onderlinge samenwerking tussen DKO-instellingen stimuleren, maar ook de samenwerking met andere actoren. Daarom zal ik de regelgeving aanpassen die dat bemoeilijkt. Dan kunnen initiatieven zoals de tijdelijke projecten kunstinitiatie - die bestaan uit een samenwerking tussen leerplichtonderwijs, het culturele veld, de buurt en het DKO - uitgroeien tot duurzame samenwerkingsverbanden. 

3.6 Schoolinfrastructuur en rationeel energiegebruik in scholen 

3.6.1 Naar een krachtige inhaalbeweging voor scholenbouw 

Vlaanderen heeft de voorbije decennia te weinig geïnvesteerd in onderwijsinfrastructuur. Aan het begin van dit schooljaar kan de globale investeringsnood op het niveau van de subsidies geraamd worden op ca. 1,4 miljard €. 

Er dringt zich dan ook een substantiële inhaalbeweging op in de modernisering van de schoolinfrastructuur in Vlaanderen. Dit is ook een terechte vraag van het Vlaams Parlement (5). Het schoolpatrimonium is immers erg verouderd(6). Het gevolg hiervan is dat er naast de vandaag gekende historische investeringsnood, de jaarlijkse subsidiebehoefte ook jaar na jaar toeneemt. De hoge leeftijd van het patrimonium en de algehele slechte staat ervan zorgen ervoor dat deze toename de eerste decennia wellicht niet substantieel zal afnemen. 

Om hieraan te verhelpen wenst de Vlaamse Regering een grootschalige inhaalbeweging via reguliere en alternatieve financiering op te zetten. 

Daarom werden in de meerjarenbegroting de infrastructuurkredieten voor schoolgebouwen substantieel opgetrokken. Vanaf 2006 worden volgende bijkomende beleidskredieten voor scholenbouw voorzien: 

In miljoen € 2006  2007  2008  2009
Bijkomende beleidskredieten schoolgebouwen  50  50  75  75

Deze nieuwe bijkomende middelen zullen op verschillende manieren gebruikt worden: 

  • Er zal een grootschalige operatie alternatieve financiering worden opgezet om de bestaande investeringsnoden voor een groot deel weg te werken. Hiervoor wordt gedacht aan een globaal investeringsproject van 1 miljard €. 
    Bovendien zal via deze weg ook een bijkomend specifiek investeringsprogramma voor rationeel energiegebruik in schoolgebouwen worden opgezet. 

    Het conceptueel kader voor de alternatieve financiering werd reeds uitgewerkt: er zal, binnen de wetgeving overheidsopdrachten, een vennootschap worden geselecteerd die zich financiert en, via aanbestedingen, instaat voor de bouw/renovatie en onderhoud van schoolgebouwen. De inrichtende machten geven een zakelijk recht aan de vennootschap. De vennootschap ontvangt van de instelling voor wie ze bouwt of renoveert én onderhoudt een prestatiegebonden beschikbaarheidsvergoeding gedurende bijvoorbeeld 30 jaar. Deze vergoeding valt, a rato van de vigerende subsidiepercentages, deels ten laste van de instelling en deels ten laste van de Vlaamse overheid. Na het aflopen van het zakelijk recht gaat de infrastructuur van rechtswege over naar de instellingen. Deze constructie werd afgetoetst met het Instituut van de Nationale Rekeningen (INR) en is schuldneutraal t.a.v. de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid zal een minderheidsaandeel nemen in de vennootschap. 

    Bovenstaand concept wordt momenteel verder geconcretiseerd en zal spoedig aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd. 
  • Naast de alternatieve financiering worden de reguliere begrotingskredieten reeds vanaf 2006 met 50 miljoen € opgetrokken om aan de vele acute noden en projecten (bijvoorbeeld kleinere renovaties, aankoop van bestaande gebouwen, geschiktmakingswerken) te voldoen. 

3.6.2 Rationeel energiegebruik in scholen 

Aandacht voor rationeel energiegebruik (REG) in scholen is nodig omdat : (1) energiezuinige scholen minder werkingsmiddelen moeten besteden aan energie, waardoor meer middelen overblijven voor andere, nuttigere doeleinden, (2) de overheid een voorbeeldfunctie heeft bij de realisatie van de Kyoto-doelstellingen en bij de vermindering van de energieafhankelijkheid t.a.v. het buitenland, en (3) het veel gemakkelijker en overtuigender is om leerlingen de inhoud en het belang van het concept duurzame ontwikkeling aan te leren, als de ideeën achter duurzame ontwikkeling door de school zelf worden toegepast. 

In 1998 werd binnen de Vlaamse Instelling voor Rationeel Energiegebruik (VIREG) de taakgroep 'schoolgebouwen' opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de administraties energie en onderwijs, ARGO, DIGO, VITO en een aantal hogescholen en universiteiten. In oktober 1998 leverde deze taakgroep het rapport 'Naar een strategisch plan voor REG-investeringen in schoolgebouwen' af. In dit rapport wordt aandacht besteed aan de barrières voor REG-investeringen in scholen en aan mogelijke acties om REG in scholen te bevorderen. Aan dit rapport werd tot nog toe weinig of geen gevolg gegeven. 

Voor een degelijk REG-beleid in scholen is een evenwichtige mix van investeringen en organisatorische maatregelen noodzakelijk. Het is namelijk frustrerend om in de winter plichtsbewust ramen en deuren te sluiten, als er verwarmd wordt met een oude energiegulzige stookinstallatie. Tegelijkertijd heeft het weinig zin om te investeren in een energiezuinige verwarmingsinstallatie als er niet op toegezien wordt dat klaslokalen alleen verwarmd worden wanneer ze effectief worden gebruikt. 

Daarom zullen een aantal organisatorische maatregelen genomen worden die de basis vormen voor een duurzaam energiebeleid in de toekomst. Om een draagvlak te creëren voor rationeel energiegebruik in scholen, moet in de eerste plaats gekozen worden voor maatregelen die relatief weinig geld kosten, maar die op korte termijn belangrijke besparingen kunnen opleveren, zoals het opstarten van een energieboekhouding en het uitvoeren van een meetcampagne m.b.t. de verwarming. Voor de uitvoering van een degelijk REG-beleid in scholen en om de continuïteit van REG-maatregelen te garanderen, is het bovendien belangrijk dat binnen elke school/scholengemeenschap een energiecoördinator wordt aangeduid. Een dergelijke energiecoördinator coördineert de REG-acties op school en koppelt terug naar de schooldirectie en naar de gebouwverantwoordelijken. 

Daarnaast zullen de nodige financiële middelen vrijgemaakt worden voor de financiering van concrete REG-investeringen in scholen. De vennootschap die zal opgericht worden voor het wegwerken van de achterstand inzake de bouw en renovatie van scholen, zal een belangrijk gedeelte van het totale voorziene budget besteden aan de financiering van REG-investeringen. Ook voor de financiering van REG-investeringen die buiten de inhaaloperatie vallen, zullen de nodige financiële middelen beschikbaar zijn. De bedoeling is dat REG-maatregelen die zich op relatief korte tijd terugverdienen via de gerealiseerde energiebesparing, ook effectief uitgevoerd worden. 

3.7 Basismobiliteit en het STOP-principe 

3.7.1 Leerlingenvervoer basisonderwijs

De task force STOP (leden van de kabinetten en administraties onderwijs en mobiliteit en van De Lijn, gemeenten en provincies) bereidde een ontwerp voor om met netoverstijgend leerlingenvervoer in gemeenten te starten, rekening houdend met de vrije keuze van de ouders en met het STOP-principe (7). Om een goed beeld te krijgen van de situatie werd een enquête georganiseerd. De onderwijsnetten werden regelmatig van die werkzaamheden op de hoogte gebracht en maken intussen deel uit van de task force STOP. 

Op basis van dat voorstel wil ik vanaf 1 januari 2006 in samenwerking met gemeenten proefprojecten starten van netoverstijgend leerlingenvervoer. Daarvoor zal het Overlegorgaan Onderwijs - Gemeente (OOG) worden geïnstalleerd. Daar zullen de schepen van Mobiliteit, de schepen van Onderwijs, de directies van de scholen basisonderwijs, een verkeersdeskundige van de politiezone en/of een mobiliteitsambtenaar en een vertegenwoordiging van De Lijn de nodige afspraken maken. Het project wordt gestart voor drie jaar. Regelmatige, tussentijdse evaluaties zullen het concept zonodig bijsturen. 

3.7.2 Leerlingenvervoer secundair onderwijs De Lijn werkt aan de verdere uitbreiding van het net van openbaar vervoer in functie van attractiepolen. Daarbij zijn ook de scholen voor secundair onderwijs. Het is de bedoeling het aanbod van openbaar vervoer uit te tekenen op basis van gegevens over leerlingenstromen. Uiteraard zal daarbij ook rekening worden gehouden met de vrije keuze. 

3.7.3 Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs 

Om de lange ritten in het leerlingenvervoer van het buitengewoon onderwijs te vermijden, zal mijns inziens de vrije keuze in het buitengewoon onderwijs herbekeken moeten worden. Men kan zich afvragen of de vrije keuze niet zou kunnen beperkt worden tot het vrij en officieel onderwijs, zoals nu al het geval is in het gewoon basisonderwijs. Zo kunnen de ophaalgebieden binnen het buitengewoon onderwijs verkleinen, waardoor de tijdsduur van de ritten afneemt. 

Bij wijze van oefening breng ik momenteel in de proefregio Oost-Brabant de huidige situatie in kaart. In een tweede fase zal ik nagaan hoe het leerlingenvervoer er zal uitzien als de vrije keuze van ouders en leerlingen wordt beperkt tot vrij en officieel onderwijs. Tegelijkertijd onderzoek ik of en hoe de provincies een coördinerende rol in het leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs kunnen opnemen. Deze aangelegenheid is gevoelig en ik zal dan ook met veel overleg tewerk gaan. 

Ik maak verder werk van een betere bezoldiging, betere arbeidsvoorwaarden en opleiding en vorming op maat voor de busbegeleiders zoals afgesproken in CAO VII. 

3.8 Brussel, de Vlaamse Rand en taalgrensgemeenten 

3.8.1 Brussel 

In de begroting 2006 werd in middelen voorzien om uitvoering te geven aan de resolutie van het Vlaams Parlement van 23 november 2003 en het Brussel-decreet van 7 mei 2005. Bij de besteding ervan zal de nadruk liggen op het ontwikkelen van studierichtingen beroeps- en technisch onderwijs die zicht geven op tewerkstelling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en op diverse ondersteuningsprojecten. In samenwerking met de begeleidingsdiensten, zal ik de bestaande ondersteuningsinitiatieven stroomlijnen en onderling integreren. Ik zal speciale aandacht besteden aan de projecten Voorrangsbeleid Brussel en OETC (Werkgroep Immigratie). Ook deze initiatieven zullen in de integratie van de ondersteuningsprojecten worden meegenomen. 

Ik stem mijn beleid af met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en versterk zo de impact van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. 

De werking van de ondersteuningsstructuur secundair onderwijs die we in 2005 - samen met de Vlaamse Gemeenschapscommissie hebben opgezet - is afgestemd op de werking van de reguliere begeleidingsdiensten, het Nascholingscentrum VGC en het project Voorrangsbeleid Brussel (basisonderwijs). 

Alle initiatieven dienen specifieke aandacht te besteden aan de verantwoordelijkheid van de ouders die hun kinderen toevertrouwen aan het Nederlandstalig onderwijs. Ik zal ook proberen afspraken te maken met de Franse Gemeenschap over onder meer de tweetaligheid van de leerlingen, de controle op de leerplicht en de opvang van jongeren die slechts onregelmatig of helemaal geen onderwijs volgen. 

3.8.2 Vlaamse Rand en taalgrensgemeenten 

In uitvoering van het regeerakkoord en de verklaring van de minister-president van 18 mei 2005 zal ik het Nederlandstalig onderwijs in de Vlaamse Rand versterken, vooral wat het Nederlands taalvaardigheidsonderwijs betreft . Tot nu toe kregen de Nederlandstalige basisscholen van de faciliteitengemeenten binnen de rand (Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem) en de taalgrensgemeenten op projectbasis middelen voor aanvullende lestijden. Vanaf 1 september 2005 worden die middelen structureel toegekend. Vanaf 1 januari 2006 zullen ook de basisscholen uit 13 bijkomende gemeenten van de brede Rand rond Brussel (Asse, Beersel, Dilbeek, Grimbergen, Hoeilaart, Machelen, Meise, Merchtem, Overijse, Sint-Pieters-Leeuw, Tervuren, Vilvoorde en Zaventem) ook op bijkomende uren kunnen rekenen. De leerlingenpopulatie is in die gemeenten immers steeds meer anderstalig zodat dezelfde noden aan taalvaardigheidsonderwijs zich stellen. Hiermede is uitvoering gegeven aan het engagement van de Vlaamse Regering - op 18 mei 2005 verwoord door de minister-president - om de bijkomende omkadering in de Rand structureel te maken.

Ook een ander engagement van de Vlaamse Regering zal worden uitgevoerd .In samenwerking met de provincie Vlaams Brabant en de pedagogische begeleidingsdiensten start ik in het schooljaar 2006-2007 voor de Nederlandstalige scholen met een krachtig ondersteunings- en begeleidingsproject inzake het taalvaardigheidsonderwijs Nederlands. Hierbij maak ik gebruik van de expertise en de materialen ontwikkeld door het project Voorrangsbeleid Brussel en het Centrum NT2 van de KULeuven. Het project moet in ieder geval een onthaalbeleid voor anderstalige ouders uitbouwen. Anderstalige ouders die kiezen voor Nederlandstalig onderwijs voor hun kinderen dienen ervan te worden overtuigd dat dit tot problemen aanleiding geeft als het gebruik van het Nederlands louter tot de schoolcontext beperkt blijft. Vanaf 2006 zal vzw De Rand de opdracht krijgen een taalpromotiebeleid te voeren in de Vlaamse Rand. Meer bepaald dient het aanbod Nederlands voor anderstaligen gepromoot te worden bij de Franstalige en anderstalige inwoners van de Vlaamse Rand, naar analogie met de taalpromotiepijler in het Huis van het Nederlands Brussel. 

In 2006 starten in Vilvoorde twee netoverschrijdende 'proeftuin-projecten', een in het basisonderwijs gericht op samenlevingsopbouw in de deelgemeente met het grootste aantal GOK-leerlingen en een in het secundair onderwijs, gericht op het vergroten van de taalvaardigheid Nederlands bij de leerlingen, de expertise van de leerkrachten en de betrokkenheid van ook de anderstalige ouders. 

Voor zover de betrokken schoolbesturen, in de eerste plaats de zes gemeentebesturen, de Vlaamse onderwijsinspectie toelaten, zullen ook aan de Franstalige basisscholen in de zes faciliteitsgemeenten in de Rand uren zorgbeleid toegekend worden. 

Wat betreft de verhouding tussen de vereisten van de onderwijstaalwet en de bestuurstaalwet zal ik de te verwachten arresten van het Arbitragehof en de Raad van State naar aanleiding van beslissingen van de provinciegouverneur en de minister bevoegd voor binnenlands beleid uitvoeren. In afwachting richt ik me op de beslissingen van de toezichthoudende overheid. 

De Vlaamse regering is van oordeel dat de pedagogische inspectie in het Franstalig onderwijs in de Vlaamse faciliteitengemeenten tot de Vlaamse bevoegdheid behoort en zal daartoe de nodige initiatieven nemen. 

Tegen eind 2005 zal een inventaris worden opgemaakt van de verplichtingen van zowel de Vlaamse Gemeenschap als de Franse Gemeenschap inzake het door hen in te richten onderwijs in de faciliteitengemeenten om na te gaan of beide aan hun verplichtingen voldoen. 

De wederzijdse financiële verplichtingen van de Gemeenschappen zullen in dit kader worden geëvalueerd. 

3.9 Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 

De concrete invulling van het nieuwe kader voor het hoger onderwijs is een gigantische opdracht voor alle betrokken partijen in een korte tijd: omvorming van de opleidingen van de oude naar de nieuwe structuur, de accreditatie, de academisering, de flexibilisering, enz. 

De rol van de overheid hierbij is nog niet uitgespeeld. De veelheid en de snelle opvolging van decreten heeft geleid tot een onoverzichtelijk geheel van regelgeving die bovendien niet meer altijd up-to-date, volledig en correct is. In sommige gevallen geven de decreten zelfs expliciet aan dat verder regelgevend optreden nodig is. 

Een grondige coördinatie-oefening in een nieuw globaal decreet voor het hoger onderwijs is dus een uitgelezen kans om - met het volle respect voor de doorgevoerde hervormingen - wijzigingen door te voeren die minstens de samenhang, de transparantie én een correcte toepassing van de bestaande regelgeving bevorderen. 

Vorig academiejaar zijn de voorbereidingen voor die grote oefening gestart met een werktekst van de administratie en reacties daarop van het veld. Daarbij kwamen twee uiteenlopende noden aan het licht: de nood aan verduidelijking in specifieke bijkomende regelgeving en de nood aan een grondige revisie. 

Daarom zal ik niet meteen een globaal decreet voor het hoger onderwijs uitvaardigen. Op basis van de reacties op de werktekst van de administratie en van bijkomende contacten met het veld werd een opsomming van maatregelen gemaakt die als absoluut noodzakelijk voor een ordentelijk verloop van het academiejaar 2005-2006 worden beschouwd. Die maatregelen vormen het voorwerp van een 'decreet tot dringende vervollediging van de maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen', dat ik bij het begin van het academiejaar bij de Vlaamse Regering heb ingeleid. De meer uitgebreide oefening gaat intussen voort en moet later dit jaar uitmonden in het in het regeerakkoord en in de beleidsnota bedoelde globale decreet voor het hoger onderwijs. 

3.9.1 De studieduur van masters 

Naar aanleiding van de omvorming van de bestaande opleidingen naar de bachelor-masterstructuur had de Vlaamse Regering het voorbije academiejaar nog heikele knopen door te hakken. Zo was er de aanhoudende vraag van de opleidingen uit de studiegebieden wetenschappen en biomedische wetenschappen om de studieomvang van de masterfase te verlengen van 60 naar 120 studiepunten, of van één jaar voltijdse studie naar twee jaar. 

De Vlaamse Regering heeft daarmee inmiddels voor de meeste van die opleidingen principieel ingestemd. 'Principieel' betekent hier dat die uitbreiding nog niet absoluut verworven is. De faculteiten en departementen zullen overtuigend moeten kunnen aantonen dat zij wel degelijk over de nodige capaciteit beschikken om ook na een eventuele uitbreiding naar 120 studiepunten hoogstaand onderwijs aan te bieden. Op basis van die capaciteitsplannen neem ik tegen het einde van het academiejaar een definitieve beslissing over de uitbreiding van de studieomvang voor de betrokken opleidingen. Ik zal daar ook voorwaarden aan koppelen, zoals het 'indalen' van bestaande master-na-masteropleidingen, het aanbieden van een gedeelte van de lerarenopleiding of doctoraatsopleiding als optie binnen de 120 studiepunten, enz. 

Ik ben er mij van bewust dat de vraag naar uitbreiding van de studieomvang ook vanuit andere opleidingen nog regelmatig zal worden gesteld. Op korte termijn zie ik geen redenen om op die vraag positief te antwoorden. Het is echter best mogelijk dat internationale evoluties of zelfs verplichtingen mij weinig keuze laten om op termijn toch een uitbreiding te overwegen. Ik zal daartoe nauwgezet die internationale evoluties volgen en daarbij de ervaringen uit de omvorming van de opleidingen in de wetenschappen en de biomedische wetenschappen (capaciteitsplan, gekoppelde voorwaarden, enz.) in het achterhoofd houden. Tegelijk kunnen die ervaringen een aanzet bieden om de bestaande vijfjarige opleidingen om te bouwen naar het model van de toekomstige opleidingen in de wetenschappen en de biomedische wetenschappen. 

3.9.2 Academisering van de hogeschoolopleidingen van twee cycli 

Bij de invoering van de bachelor-masterstructuur is ervoor gekozen om de hogeschoolopleidingen van twee cycli ook om te vormen naar academische bachelor- en masteropleidingen. Kenmerkend voor deze opleidingen is de verwevenheid van onderwijs en onderzoek. Vele hogeschoolopleidingen hebben daartoe echter meestal het personeel, de infrastructuur en de traditie niet. Om die verwevenheid op korte termijn toch mogelijk te maken, is een inhaalbeweging gestart waarbij de hogescholen het nodige onderzoekspotentieel opbouwen in samenwerking met de associatie en hun zusteruniversiteit en daarin financieel gesteund door de overheid. 

De realiteit van academiseringsproces blijkt echter complex. Eind 2004 is daarom een werkgroep opgericht die de academiseringsproblematiek duidelijk in kaart moest brengen. Die werkgroep heeft haar advies vlak voor de zomervakantie afgerond. Daarin wordt de stelling verdedigd dat de academisering van de opleidingen van twee cycli niet mag leiden tot het verval van de bestaande diversiteit in het Vlaamse hoger onderwijs. De professionele component moet een essentieel onderdeel blijven van de geacademiseerde hogeschoolopleidingen. De arbeidsmarkt stelt immers in vele gevallen een differentiatie van het opleidingsaanbod in het hoger onderwijs sterk op prijs. Als zou blijken dat bepaalde opleidingen toch een gelijklopende finaliteit hebben en tot een identieke beroepsuitoefening leiden, kunnen we niet uitsluiten dat bepaalde opleidingen aan hogescholen en universiteiten op lange termijn het best samengevoegd worden. 

De operationalisering van academisering moet in eerste instantie tot uiting komen in aanpassingen van het curriculum. Het gaat om de vereisten voor de masterproef, de introductie van onderzoeksmethodologie als curriculumonderdeel en het in contact brengen van de studenten met een onderzoeksomgeving en onderzoeksinfrastructuur. Om dit alles waar te maken en te dragen moet ook het onderwijzend personeel 'geacademiseerd' zijn. Academisering van een opleiding kan slechts succesvol zijn als het onderwijs in belangrijke mate verzorgd wordt door onderzoekers die een actieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van hun vakgebied. 

Om dit academiseringsproces te laten slagen moet dus het onderwijzend personeel de juiste signalen krijgen. Het is aan de leiding van de instelling om deze signalen te geven. Dat legt een grote verantwoordelijkheid bij de instellingsbesturen. Zij mogen niet toegeven aan de druk - die er ongetwijfeld zal komen - om de academisering van de hoge plaats op de prioriteitenlijst te halen. 

De associaties spelen in dit alles ook een cruciale rol. Zij kunnen het academiseringsproces faciliteren door de samenwerking tussen de hogescholen en de universiteit te bevorderen, door synergieën tot stand te brengen en ook en vooral door de coherentie in het proces te bewaken. De samenwerking in de associatie moet garanderen dat de onderzoeksmiddelen niet nodeloos versnipperd worden. Er zijn dus onvermijdelijk moeilijke keuzes nodig over het creëren van zwaartepunten en het al dan niet handhaven van bepaalde disciplines bij sommige leden van de associatie. De associaties hebben ook de sleutel in handen om tot een personeelsbeleid te komen waarbij de universiteiten mee verantwoordelijk zijn voor nieuwe aanstellingen en voor de loopbaanontwikkeling van het personeel in de hogescholen. 

3.9.3 Hoger kunstonderwijs 

Er is in dit hele verhaal wel een heel bijzondere problematiek voor één bepaald domein, namelijk het hoger kunstonderwijs. Voor de academisering van het hoger kunstonderwijs heb ik een afzonderlijke werkgroep opgericht, die binnen afzienbare tijd een advies zal uitbrengen. Ik zal zo nodig structurele maatregelen nemen die de eisen van het academiseringsproces kunnen verzoenen met de eigenheid van het hoger kunstonderwijs en de specifieke noden en verwachtingen van de studenten en van het werkveld. 

Ik neem me ook voor om de hogere en excellente kunstinstituten waarmee de overheid beheersovereenkomsten heeft gesloten nauwer bij het hoger onderwijs te betrekken - opnieuw zonder dat deze instituten daarom hun eigenheid moeten prijsgeven. Het gaat om het Hoger Instituut voor Schone Kunsten (HISK), Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.), Orpheusinstituut, Operastudio, Posthogeschool voor Podiumkunsten (POPOK). De verlenging van de beheersovereenkomsten begin 2006 biedt daar een uitstekende gelegenheid toe. 

3.10 Onderwijs en vorming voor volwassenen 

3.10.1 Een nieuw decreet voor het volwassenenonderwijs 

Op basis van de conceptnota en de besprekingen in het onderwijsveld bereid ik een ontwerp van decreet voor het volwassenenonderwijs voor. De bedoeling is dat het volwassenenonderwijs zich hiermee een duidelijkere plaats kan verwerven in het onderwijslandschap en het slagvaardiger wordt om de participatie aan levenslang leren in Vlaanderen te verhogen. Daarom zal in de missie voor het toekomstige volwassenenonderwijs meer aandacht uitgaan naar een specifieke doelgroepenwerking, een individuele trajectbegeleiding en een gericht intakebeleid. 

Het nieuwe decreet voorziet in de oprichting van 14 regionale consortia van centra voor volwassenenonderwijs en centra voor basiseducatie. Die consortia vormen platformen, waarbinnen de programmering van het aanbod voor volwassenen in de regio zal worden afgestemd en ook andere vormen van netoverschrijdende samenwerking mogelijk zijn. Het decreet omvat verder het nieuwe financieringsmechanisme voor het volwassenenonderwijs. Onderwijskundig wordt gekozen voor de modulaire opleidingsstructuur en wordt het onderscheid tussen TSO en BSO verlaten. Er wordt de mogelijkheid geschapen om openleercentra in te richten en aan individuele cursistenbegeleiding te doen. Het decreet zal ook enkele wijzigingen in de personeelsreglementering doorvoeren, zoals de invoering van een centrumopdracht en het vereenvoudigen van het systeem van bekwaamheidsbewijzen. Ten slotte wordt in het decreet ook de oprichting van een Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs bepaald. 

3.10.2 Herpositionering van het begeleid individueel studeren (BIS) 

Het afstandsonderwijs in Vlaanderen is weinig succesvol terwijl het de overheid veel geld kost. Bovendien is het inrichten van afstandsonderwijs eigenlijk niet langer een kerntaak van de overheid. Daarom zal ik het begeleid individueel studeren (BIS) hervormen tot een privaatrechtelijke organisatie waarmee de overheid een beheersovereenkomst zal sluiten. Die organisatie zal het afstandsonderwijs in Vlaanderen moeten promoten en uitbreiden tegen een beperktere kostprijs. Hiervoor zal worden onderzocht in welke mate er samengewerkt kan worden met privépartners en bepaalde taken van BIS uitbesteed kunnen worden. Op vlak van e-learning zal BIS nauwer samenwerken met de VDAB. 

3.10.3 Nederlands als tweede taal 

De laatste jaren werden anderstaligen sterk aangemoedigd om een cursus Nederlands tweede taal (NT2) te volgen. Omdat het opleidingsaanbod daarop niet voorzien was, leidde dit tot lange wachtlijsten. In het afgelopen jaar zette ik sterk in op het verkorten daarvan. In eerste instantie werd de wachtlijst in Antwerpen aangepakt die tot vorig jaar 50% van de totale Vlaamse wachtlijst uitmaakte. Het toekennen van extra middelen voor opleidingen Nederlands tweede taal en het stimuleren van samenwerking tussen centra voor basiseducatie en centra voor volwassenenonderwijs konden de wachtlijst in Antwerpen in één jaar met 75% inkorten. Dit jaar zal ik deze inspanningen uitbreiden naar andere steden met grote wachtlijsten zoals Brussel, Gent en Mechelen. 

Na overleg met alle NT2-aanbodsverstrekkers en de Huizen van het Nederlands zullen we in het voorjaar van 2006 het afsprakenkader NT2 evalueren en bijstellen. 

4 Uitvoering gegeven aan moties van het Vlaams Parlement 

Er werden gedurende het voorbije jaar 2 moties aangenomen door het Vlaams Parlement met betrekking tot onderwijs: 

  • Stuk 121 (2004-2005) - Nr. 1: Met redenen omklede motie van de heer Jos De Meyer, mevrouw Monica Van Kerrebroeck en de heren Luc Martens, Gilbert Van Baelen, Kris Van Dijck en Ludo Sannen tot besluit van de op 9 november 2004 door de heer Jos De Meyer in commissie gehouden interpellatie over middelen voor schoolinfrastructuur; 
  • Stuk 156 (2004-2005) - Nr. 2: Met redenen omklede motie van de heren Robert Voorhamme, Luc Martens, Gilbert Van Baelen en Kris Van Dijck over Beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004-2009. 

4.1 Middelen voor schoolinfrastructuur 

Wat, ten eerste, de problematiek betreft van de leningen van het Nationaal Waarborgfonds: de dossiers in moeilijkheden aan Vlaamse kant blijven op 5 staan: 

  • vzw Benoth Jerusalem, Antwerpen: totaal bedrag tot op vandaag: 520.289,22 euro waarvan nog niets terugbetaald 
  • vzw Baïs Rachel, Antwerpen: totaal bedrag tot op vandaag: 489.255,22 euro waarvan reeds 112.199,21 euro terugbetaald 
  • vzw Sint-Andreas, Oostende: totaal bedrag tot op vandaag: 1.765.141,16 euro waarvan reeds 121.937,51 euro terugbetaald · 
  • vzw Hibernia, Antwerpen: totaal bedrag tot op vandaag: 275.000 euro waarvan nog niets terugbetaald
  • vzw Schoolcomité St-Denijs, Houwaart: totaal bedrag tot op vandaag: 17.334,59 euro waarvan nog niets terugbetaald. 

De mogelijkheden van een herschikking van de schulden onder garantie van het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen binnen een bijkomende budgettaire enveloppe van 5 miljoen euro worden verder onderzocht 

Het is, ten tweede, mijn uitdrukkelijke bedoeling om de financiële ruimte voor schoolinfrastructuur in gevoelige mate te verhogen, zowel via de bestaande kanalen voor financiering en subsidiëring van schoolgebouwen, als via alternatieve financiering. De Vlaamse Regering heeft reeds substantieel gevolg gegeven aan voormelde motie van aanbeveling door in de meerjarenbegroting een substantiële verhoging van de beleidruimte te voorzien voor schoolinfrastructuur. 

Vanaf 2006 worden namelijk volgende bijkomende beleidskredieten voor scholenbouw voorzien: 

In miljoen euro 2006  2007  2008  2009
Bijkomende beleidskredieten schoolgebouwen  50  50  75  75

Wat de BTW-verlaging voor schoolgebouwen betreft zal een concreet initiatief naar de federale overheid toe worden ondernomen. 

Er zal een grootschalige operatie alternatieve financiering worden opgezet om de bestaande investeringsnoden voor een groot deel weg te werken. Hiervoor wordt gedacht aan een globaal investeringsproject van 1 miljard euro. 

Dit betekent dat de vandaag gekende wachtlijst (op het niveau van de subsidies) zou worden gehalveerd via deze inhaaloperatie. Het conceptueel kader voor de alternatieve financiering werd reeds uitgewerkt, wordt nu geconcretiseerd en zal spoedig aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd. 

4.2 Beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004-2009 

In de voorliggende beleidsbrief is aangetoond dat in het voor het volgende werkjaar geplande onderwijsbeleid terdege rekening is gehouden met de vragen die het Vlaams Parlement in haar motie ter gelegenheid van de bespreking van de beleidsnota heeft gesteld. 

Ik wijs in het bijzonder op het volgende: 

  • Ad 1°: ik heb in mijn beleid, en ook in de vele toespraken waarin ik dit beleid heb toegelicht, precies de klemtoon gelegd op het onlosmakelijke verband tussen gelijke kansen en kwaliteit. 
  • Ad 2°: ik pleit zeer expliciet voor een nieuwe democratiseringsgolf in het onderwijs, gericht op het kansen geven aan alle talenten in onze samenleving. 
  • Ad 3°: ik verwijs naar de relevante passages uit deze beleidsbrief. 
  • Ad 4°: mijn beleidsmethode biedt in ruime mate plaats voor overleg en consultatie van alle betrokkenen in alle fasen van het beleidsproces. Mijn medewerkers en ikzelf plegen geregeld overleg met betrokkenen in de diverse dossiers. Aan belangrijke hervormingen en decreten gaat meestal een conceptnota vooraf, waarop alle actoren kunnen reageren. Deze reacties worden meegenomen in de verdere beleidsontwikkeling van een dossier.
  • Ad 5°: ten aanzien van de opgesomde maar ook andere beleidsdossiers is gedurende het afgelopen jaar ruimschoots overleg gepleegd.
  • Ad 6°: de verwezenlijkingen van het eerste werkjaar, opgesomd in de inleiding bij deze beleidsbrief, tonen afdoende aan dat het basisonderwijs in het centrum van de beleidsaandacht blijft staan. Ook in het komende werkjaar zal ruim aandacht aan de noden van het basisonderwijs worden geschonken. De relatieve ondervertegenwoordiging van het basisonderwijs in de beleidsnota heeft te maken met de afwezigheid van grote structuurhervormingen in dit onderwijsniveau, maar is geen maatstaf voor het belang dat het basisonderwijs inneemt in het gevoerde en geplande beleid.
  • Ad 7°: de uitvoering van de éénmalige financiële injectie staat op stapel en in de meerjarenbegroting is een engagement genomen voor het optrekken van de sociale voorzieningen aan de hogescholen.
  • Ad 8°: ik verwijs naar de relevante passages in deze beleidsbrief. · 
  • Ad 9°: ik verwijs ook hier naar de relevante passages in deze beleidsbrief en naar het antwoord op de eerste motie. Ik heb de gelegenheid gehad bij verschillende interpellaties en vragen op uitleg op de problematiek van de schoolgebouwen in te gaan en mijn engagement ten aanzien van dit dossier te onderlijnen.

Frank VANDENBROUCKE 
 
Vlaams minister van Onderwijs, Vorming en Werk 
 
Oktober 2005

Voetnoten

  1. De Individuele Beroepsopleiding (IBO) is bedoeld voor jobs waar ondernemers geen geschikte kandidaten voor vinden. De ondernemer kan via dat systeem zelf een werkzoekende op maat van zijn of haar bedrijf opleiden. (terug naar de tekst)
  2. Een instapopleiding is een bedrijfsgerichte afwerking van een beroepsopleiding of studie. De opleiding duurt 2 maanden en moet starten binnen de 4 maanden na het einde van de beroepsopleiding of studie. Om in aanmerking te komen voor een instapopleiding moet men uitkeringsgerechtigd volledig werkloos, leefloongerechtigd of door de RVA erkend zijn in het kader van het jongerenactiva opleidingsplan. (terug naar de tekst
  3. Een tewerkstelling in een Wep-plus-project moet voor de aangeworven medewerkers een brug vormen tussen een periode van werkloosheid en een nieuwe periode van tewerkstelling in het gewone bedrijfsleven. Dit door hen voldoende bagage te geven om (opnieuw) de stap naar het gewone bedrijfsleven te zetten. In een wepplusproject krijgen werklozen de kans om gedurende een periode van maximum 12 maanden (in bepaalde gevallen verlengbaar tot maximum 18 maanden) een werkervaring op te doen waarna zij kunnen doorstromen naar het normaal economisch circuit. (terug naar de tekst)
  4. In het volwassenenonderwijs zijn dat richtgraden. (terug naar de tekst)
  5. Het Vlaams Parlement heeft op 10 november 2004 een met redenen omklede motie goedgekeurd over de middelen voor schoolinfrastructuur. Stuk 121 (2004-2005) - Nr. 1.  (terug naar de tekst)
  6. Zo blijkt uit Digo-onderzoek van het einde van de jaren '90: 
    • een verouderd schoolpatrimonium: 13% van de gebouwen werden opgetrokken voor 1920; 15 % tussen 1920 en 1939, 17 % tussen 1940 en 1959, 32 % tussen 1960 en 1979 en 23 % na 1980; 
    • 1 op 5 vestigingsplaatsen gebruikt noodconstructies, zoals containerklassen. (terug naar de tekst)
  7. Eerst Stappen, dan Trappen, dan Openbaar vervoer (collectief leerlingenvervoer) en op de laatste plaats met Personenwagens naar school. (terug naar de tekst)

naar boven