3. Het onderwijsbeleid verbreden en verdiepen
Naast de vier prioritaire instrumenten die in het vorige hoofdstuk
werden voorgesteld, bevat ons onderwijsbeleid nog heel wat andere thema's.
We willen proeftuinen ontwikkelen voor onderwijsvernieuwing, en daaruit in
een latere fase conclusies trekken. We zullen ook specifieke initiatieven
nemen voor talentontwikkeling van alle jongeren, onder meer door het
gelijke-onderwijskansendecreet op een aantal punten bij te sturen, verder
te bouwen op de respectieve verantwoordelijkheid van scholen en Centra
voor Leerlingenbegeleiding voor het zorgbeleid en meer te gaan samenwerken
met andere beleidsdomeinen als welzijn en gezondheid. Verder zullen we
één kwalificatiestructuur opstellen waarin alle opleidingen van de
publieke verstrekkers een plaats vinden. We zullen ook de eindtermen en
ontwikkelingsdoelen aan een herziening onderwerpen en misschien
verminderen, en burgerschap, talenonderwijs, wetenschap, technologie en
ICT-vaardigheden stimuleren. Daarnaast stimuleren we het concept van de
'brede school', waar naast kennis ook creativiteit, sociale vaardigheden,
praktijkgerichte ervaringen, sport, cultuur ... hun plaats hebben. We
hebben specifiek oog voor cultuur op school en in het deeltijds
kunstonderwijs. Verder zullen we initiatieven nemen om de infrastructuur
en uitrusting van scholen te verbeteren en zoeken we gepaste maatregelen
om het probleem van het leerlingenvervoer op te lossen. We besteden ook
specifieke aandacht aan het Vlaams onderwijs in Brussel en de rand en in
de taalgrensgemeenten. Last but not least stellen we in dit
hoofdstuk onze plannen voor inzake hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
3.1 Onderwijsvernieuwing van onderuit
Een commissie van de Koning Boudewijnstichting (KBS) lanceerde onder
het motto 'Accent op talent' in twee fasen een felle oproep tot
onderwijsvernieuwing. Die commissie, bestaande uit sleutelfiguren uit het
onderwijs en de sociaal-economische wereld, was vertrokken vanuit de
ambitie om een nieuw elan te geven aan technische en technologische
beroepen en opleidingen. Ze eindigde met een alomvattende oproep tot
vernieuwing van het onderwijs, met onder meer het aanpassen van
structuren, meer klemtoon op leren leren en begeleid zelfstandig leren,
meer aantrekkelijke technische en technologische vorming voor iedereen,
een betere keuzebegeleiding, en meer autonomie voor scholen. Daarnaast
benadrukte de commissie de interactie tussen de school en haar sociale en
economische omgeving en de invoering in het onderwijs van sterke
bestuurskracht en de instrumenten van modern beleid, onder meer op het
vlak van personeelsinzet. Die ideeën werden samengevat onder de slogan
'anders leren, anders kiezen, anders sturen'. Daarnaast pleit de commissie
voor 'accent op elk talent': alle talenten van leerlingen moeten in het
onderwijs gewaardeerd en ontwikkeld worden. Veel voorstellen van de
commissie zijn opgenomen in het regeerakkoord en hebben mee een stempel
gedrukt op diverse thema's van ons beleid. Ze sluiten aan bij de
maatschappelijke uitdagingen die in het begin van deze beleidsnota werden
geschetst..
De motivatie om te leren hangt nauw samen met de mate waarin leerlingen
leren zinvol en boeiend vinden. Het onderwijs kan vaak beter op dat punt.
Daarom willen we op zoek gaan naar manieren om de betrokkenheid van
jongeren vanaf het basisonderwijs bij het leren te verhogen, hun diverse
talenten aan te spreken en hen meer succeservaringen te bezorgen. In het
SO kunnen wellicht stappen worden gezet om de beschotten tussen de
onderwijsvormen ASO, TSO, BSO en KSO af te zwakken, zodat iedereen de
leerweg vindt die het best aan zijn of haar talenten beantwoordt. Op
termijn kunnen ook flexibele leertrajecten in het leerplichtonderwijs en
meer ruimte tot vakoverstijgend werken voor het lerarenteam daarop
wellicht beter inspelen.
We moeten ons overigens wel hoeden voor al te eenvoudige antwoorden op
erg complexe problemen. Het watervaldenken ('ASO beter dan TSO, TSO beter
dan BSO') zit niet alleen in onderwijsstructuren, maar in de organisatie
van de maatschappij en in de hoofden van de mensen: de ouders
bijvoorbeeld, maar ook de onderwijsmensen. Ook daarmee moeten we rekening
houden.
In een zestiental projecten, waarbij ongeveer zestig zogenaamde
voortrekkersscholen betrokken zijn, wordt sinds het schooljaar 2003-2004
geëxperimenteerd met het centrale gedachtegoed van Accent op Talent:
anders leren, anders kiezen, anders (be)sturen (27). Dit past perfect in
onze beleidsmethode van proeftuinen (zie
1.3.1). We willen deze experimenten dan ook voortzetten via onze
proeftuinen en daaruit lessen trekken. Binnen een afgebakend taakgebied,
begrensde experimenteertijd en enige regelluwheid willen we leren:
- hoe basis- en secundaire scholen met méér vrije ruimte in het
lessenrooster samen talenten van leerlingen kunnen ontdekken en
ontwikkelen,
- hoe scholen samen met bedrijven en de andere opleiders technisch en
beroepssecundair onderwijs op een moderne manier gestalte kunnen
geven,
- welke resultaten de flexibilisering van leertrajecten en de afbouw
van de beschotten in het SO opleveren;
- waar scholen hefbomen kunnen vinden om in te grijpen in het
traditionele keuzegedrag van leerlingen en ouders.
Een experimenteerdecreet (zie 1.3.1)
zal scholen die dat wensen tot 2007 de ruimte geven om als proeftuin te
fungeren. Daarnaast loopt sinds het eind van de jaren '90 in een paar
tientallen scholen BSO- en BuSO-scholen en centra DO een experiment voor
modularisering van het onderwijsaanbod. We zullen de resultaten van de
proeftuinen en experimenten evalueren en daarbij aansluitend de nodige
beslissingen nemen.
3.2 Zorgen voor de talentontwikkeling van alle
jongeren
De meeste Vlaamse scholen zijn voortdurend in de weer om de
mogelijkheden van leerlingen verder te ontplooien. Voor heel wat
leerlingen slagen ze daarin. Bij andere leerlingen is dat moeilijker.
Ondanks de inspanningen van de afgelopen jaren voor leerlingen met
leerrisico's, stellen we nog altijd vast dat niet alle kinderen en
jongeren in het onderwijs dezelfde kansen hebben. Jongeren die leven in
verschillende sociale, economische en culturele situaties starten met
ongelijke kansen in het onderwijs, en dat leidt tot ongelijke uitkomsten.
Vaak bovenop, maar ook los van situaties van sociale achterstelling,
zorgen fysieke en psychische kenmerken van leerlingen voor moeilijkheden
en uitdagingen in het onderwijsleerproces.
Kinderen die met ongelijke kansen in het onderwijs starten, moeten met
gelijke kansen naar het volwassen leven toe uitstromen. Dit streven naar
gelijke uitkomsten vormt trouwens de rode draad doorheen de vier
speerpuntacties die we hierboven hebben besproken. We moeten durven
toegeven dat echte gelijke kansen voor iedereen een ideaal is dat nog
veraf ligt.
We moeten ons ernstige vragen durven stellen. Hoe komt het dat bepaalde
groepen zoveel scholingsachterstand oplopen? Waarom stromen ze moeilijk
door naar de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs? Hoe komt het dat de
kloof tussen hoger- en lageropgeleiden scherper wordt?
De talenten van alle jongeren ontwikkelen en omzetten in competenties,
waarmee ze in hun persoonlijke en maatschappelijke leven aan de slag
kunnen, vergt een meersporenbeleid: evenwichtig samengestelde scholen;
aandacht en respect voor de diversiteit van de leerlingen; aanpakken van
specifieke onderwijsbehoeften, leerproblemen en scholingsachterstand,
inclusief taalachterstand; stimuleren van de leermotivatie van de
leerlingen; acties tegen spijbelen en anti-sociaal gedrag, en een goede
ondersteuning van scholen. Dat meersporenbeleid vergt overleg tussen
verschillende beleidsdomeinen en over de verschillende beleidsniveaus
heen. Het veronderstelt ook dat scholen netwerken met hun omgeving
uitbouwen om hun draagkracht te versterken.
3.2.1 Een zorgzame school voor elk kind en elke
jongere
Elke school heeft als opdracht een leer- en leefomgeving te creëren
waarin alle leerlingen welkom zijn en maximale ontwikkelings- en
leerkansen krijgen. Leerlingen die, omwille van sociale, fysieke of
psychische kenmerken, specifieke onderwijsbehoeften hebben vormen hierbij
een belangrijke uitdaging. We streven ernaar maximale doorstromingskansen
voor leerlingen in het gewoon onderwijs te bieden. Toch zijn er bepaalde
noden waarop het gewoon onderwijs (soms tijdelijk) niet kan ingaan of
waarvoor ouders een aangepaste setting verkiezen. Daarom zorgen we voor
een onderwijscontinuüm waarin we via een gedifferentieerd aanbod een
passend antwoord op diverse onderwijsbehoeften trachten te bieden.
HET VERHOGEN VAN DE DEELNAME AAN ONDERWIJS VAN ALLE KLEUTERS
Vrij recente cijfers over de sociale ongelijkheid in het
kleuteronderwijs tonen aan dat vooral kinderen van niet-actieve ouders
wegblijven van school en daardoor een achterstand oplopen. Het cijferboek
Sociale
ongelijkheid in het Vlaamse onderwijs wijst erop dat gemiddeld 16,4%
van de 2,5- en 3-jarige kleuters nog niet naar de kleuterschool gaat. Dit
zijn vooral kleuters van laaggeschoolde ouders, van inactieve ouders, van
ouders die nooit hebben gewerkt en kleuters met een vreemde nationaliteit.
Bij de 4-jarige kleuters bedraagt de niet-participatie slechts 1%.
Kleuters die niet naar de kleuterschool gaan vanaf het begin van het
kleuteronderwijs en hierdoor een achterstand oplopen, hebben deze
achterstand bij het einde van de kleuterschool niet ingehaald.
Participatie van kleuters vanaf 2,5 jaar is cruciaal voor hun kansen in
het basisonderwijs en nadien. We willen de deelname van de kleuters aan
het onderwijs dan ook zo goed mogelijk stimuleren en ondersteunen,
bijvoorbeeld door samenwerking met instanties die ouders kunnen aanzetten
om hun kinderen naar school te brengen. We denken dan in de eerste plaats
aan Kind & Gezin, maar ook aan buurtinitiatieven of
onderwijsopbouwwerk.
Een ander element dat ons daarbij van dienst kan zijn, is de verlaging
van de aanvangsleeftijd van de leerplicht. De bevoegdheid om de leerplicht
te verlagen ligt bij de federale overheid. Als geïsoleerde maatregel
biedt de verlaging van de leerplicht echter onvoldoende garanties om de
leerachterstand bij kinderen van allochtone herkomst, uit eenoudergezinnen
en van laaggeschoolde ouders te voorkomen. We pleiten dan ook voor een
geïntegreerde aanpak, die een vroegtijdige effectieve deelname aan de
meest ontwikkelingsbedreigde kinderen in het kleuteronderwijs ondersteunt
en bevordert.
Als de leerplicht vervroegd wordt, zal
men een passend antwoord moeten bieden op deze achterliggende factoren:
culturele en taalbarrières zullen moeten geslecht worden,
sociaal-emotionele problemen en ontwikkelingsachterstanden zullen
daadwerkelijk moeten opgevangen worden. Kortom, selectieve maatregelen
ten voordele van kansengroepen zullen de leerplichtvervroeging moeten
begeleiden, of beter: voorafgaan. Zoniet dreigen de betrokken kinderen
nog méér achtergesteld te geraken." (Ides Nicaise)
De verlaging van de leerplicht tot vijf jaar heeft overigens
vérstrekkende gevolgen voor vijfjarigen in een specifieke situatie, zoals
kinderen van foorreizigers, schipperskinderen, sommige kinderen uit het
buitengewoon onderwijs die zodra ze leerplichtig worden op internaat moeten
gaan. Dit doet vragen rijzen: moet bijvoorbeeld de regelgeving voor controle
op de aanwezigheid volledig op deze vijfjarigen van toepassing worden
gemaakt? Er zijn ook vragen van andere aard. Moet het vak levensbeschouwing
al voor vijfjarigen worden ingevoerd? Mits zorgvuldig voorbereid en met het
nodige flankerend beleid, kan de verlaging van de leerplichtleeftijd een
goede maatregel zijn. We willen de nodige tijd nemen om deze maatregel goed
voor te bereiden.
NAAR EEN ACTIEF TOELATINGSBELEID VAN GOK
Alle vroegere initiatieven om gelijke kansen voor leerlingen te
bevorderen, zoals onderwijsvoorrangsbeleid voor migrantenkinderen,
zorgverbreding voor kansarme en leerbedreigde kinderen en
non-discriminatiebeleid, werden ruim twee jaar geleden ingepast in het
gelijke-onderwijskansendecreet (GOK-decreet), dat uit twee delen bestaat.
Vooreerst bepalingen over het inschrijvingsrecht: leerlingen mogen zich in
principe inschrijven in de school van hun keuze. De school kan hen alleen in
welomschreven gevallen weigeren of doorverwijzen. Deze maatregel wil de
diversiteit in scholen bevorderen. Verbonden aan het inschrijvingsrecht zijn
de lokale overlegplatforms, de LOP's, en de commissie inzake
leerlingenrechten. Het tweede deel is het ondersteuningsaanbod dat in de
plaats komt van de projecten onderwijsvoorrangsbeleid en
zorgverbredingsbeleid.
Over het inschrijvingsrecht zoals geformuleerd in het GOK-decreet, is al
heel wat inkt gevloeid. De leerling bezit nu een eerder 'absoluut' of toch
'versterkt' inschrijvingsrecht. Tussentijdse evaluaties en ervaringen in het
veld wezen al op knelpunten, waardoor de vooropgezette diversiteit van de
schoolbevolking niet altijd wordt gerealiseerd. Daarom willen we nagaan hoe
we de diversiteit van de schoolbevolking kunnen stimuleren en welke
instrumenten we de scholen daarvoor kunnen aanreiken.
Zo kunnen scholen leerlingen doorverwijzen als hun draagkracht
overschreden is. Uit een beperkt aantal doorverwijzingsdossiers die in
bemiddelingscellen van de lokale overlegplatforms en op de Commissie inzake
Leerlingenrechten ter sprake kwamen, is gebleken dat het nodig is het begrip
'draagkracht' verder te operationaliseren, opdat het niet als automatisch
verwijzingsmotief zou gelden. Dit kan door duidelijker aan te geven welke
elementen meespelen bij het afwegen van draagkracht en draaglast en aan
welke vormvereisten het overleg en de besluitvorming hierover moeten
beantwoorden. Er zal bij die afweging rekening gehouden worden met alle
relevante elementen, van de school én van de ouders en de leerling. Zonder
dat het aanleiding mag geven tot malafide weigerings- of
doorverwijzingspraktijken, moeten we bijvoorbeeld onderzoeken of het
beschikken over een inschrijvingsverslag voor buitengewoon onderwijs een
noodzakelijke voorwaarde moet blijven. Het komt erop aan een evenwicht te
vinden tussen de rechtmatige verwachtingen van ouders dat hun kind kan leren
en zich ontwikkelen in de context van een gewone school, en de reële
draagkracht van die school.
Een tweede aandachtspunt betreft de doelmatigheid van het criterium
'thuistaal niet Nederlands' als basis voor een doorverwijzing. In het
basisonderwijs zouden ouders worden aangespoord om bij de inschrijving te
verklaren dat ze thuis Nederlands spreken om een doorverwijzing te
vermijden. In het secundair onderwijs worden leerlingen met een
getuigschrift basisonderwijs automatisch beschouwd als leerlingen die thuis
Nederlands spreken. Toch blijken deze leerlingen nog grote problemen te
hebben met de schoolse instructietaal. Dit zorgt voor concentratie van deze
leerlingen, zeker in grote steden, zonder een mogelijkheid voor de scholen
om hen door te verwijzen. Dit mechanisme lijkt ervoor te zorgen dat op
sommige plaatsen de sterke concentratie van allochtonen nog toeneemt in
plaats van afneemt. We gaan na of het criterium 'kennis van het Nederlands'
niet moet geobjectiveerd worden via een taaltoets. Door een hiaat in de
regelgeving richt het mechanisme voor de doorverwijzing op grond van de
thuistaal zich eenzijdig op 'thuistaal niet-Nederlands'. Daarom zullen we de
mogelijkheid creëren om ook leerlingen met thuistaal Nederlands door te
verwijzen, wanneer in een school of vestigingsplaats een
oververtegenwoordiging van Nederlandstalige kinderen dreigt te ontstaan in
vergelijking met het relatieve aandeel in de lokale omgeving.
Over de administratieve procedures die bij de inschrijving worden
gebruikt (bijvoorbeeld het gebruik van het inschrijvingsregister) moet meer
duidelijkheid komen voor scholen en ouders.
We willen ook onderzoeken hoe kinderen uit de buurt, naar analogie van
broers en zussen, voorrang kunnen krijgen bij de inschrijving. Dit vereist
een sluitende en operationele definitie van het begrip 'buurt' en afstemming
op andere geldende voorrangsregelingen. Een mogelijkheid is uit te gaan van
een beschrijving van de schoolbuurt op basis van statistische sectoren
(indeling van een grondgebied op basis van de morfologische en/of
sociaal-economische structuur). Een andere mogelijke piste is scholen toe te
laten een eigen procedure uit te werken die door de overheid moet worden
goedgekeurd.
Een belangrijk criterium is dan dat de procedures niet leiden tot het
weigeren van kansarme leerlingen. Bijzondere inspanningen voor deze
doelgroep moeten aantoonbaar zijn. Een belangrijk aandachtspunt blijft hoe
we scholen instrumenten kunnen geven die hen (nog) beter in staat stellen
actief kansarme leerlingen te rekruteren om zo tot een meer evenwichtige
samenstelling te komen. Vooral in steden met veel leerlingen die thuis geen
Nederlands spreken, is deze problematiek vaak acuut. Verdere concentratie
van problemen in bepaalde scholen is een evolutie die haaks staat op de
doelstellingen van het onderwijsbeleid. De lokale overlegplatforms moeten
een forum zijn waar afspraken hierover worden gemaakt.
We zullen gegevens verzamelen over de effecten van de toepassing van het
inschrijvingsrecht in de Vlaamse Gemeenschap. Dan kunnen we met het veld het
debat voeren over mogelijke verbeteringen. Het in kaart brengen en oplossen
van de knelpunten is een doelstelling op korte termijn. We willen dat doen
vóór de start van het schooljaar 2006-2007.
Het toezicht op de correcte toepassing van de regelgeving en de impact
van de procedures van rechtsbescherming, met inbegrip van de werking, het
statuut en de besluitvorming van de Commissie inzake Leerlingenrechten,
zullen verder worden geëvalueerd.
LOKALE OVERLEGPLATFORMS
Naar aanleiding van het GOK-decreet, is in elke staf of regio een Lokaal
Overlegplatform opgericht, kortweg LOP. Daar kunnen directies van alle
lokale scholen afspraken maken over inschrijving van leerlingen, samen met
vertegenwoordigers van alle betrokken groepen, zoals ouders,
migrantenverenigingen ... We merken dat op vele plaatsen een dynamiek
ontstaat, waardoor die overlegplatforms evolueren van een decretaal gebonden
uitvoeringsorgaan naar een echte lokale overlegstructuur. Dit geeft
belangrijke kansen voor betere regionale samenwerking en wederzijds begrip
en zorgt ervoor dat het beleid ook ingebed geraakt tot op het lokale niveau.
Daarom zullen we verder mensen en middelen blijven investeren in dit
overleg, dat autonoom moet kunnen werken vanuit een duidelijk
afsprakenkader. Gaandeweg zal dan ook duidelijker worden welke bijsturingen
aan het concept of aan specifieke lokale overlegplatforms wenselijk zijn. We
zullen ook moeten nagaan hoe de lokale overlegplatforms zich verhouden tot
andere beheers- en organisatiestructuren in het onderwijs, zoals
bijvoorbeeld de scholengemeenschappen (zie
2.3.2).
SCHOLEN MET KANSARME LEERLINGEN ONDERSTEUNEN
Scholen dragen de verantwoordelijkheid om een zorgbeleid voor al hun
leerlingen uit te bouwen. Zij worden hierbij ondersteund door een netwerk
van externe diensten (zie verder). Omdat de draagkracht van gewone scholen
niet altijd volstaat om gelijke kansen voor alle leerlingen te waarborgen,
zijn bijkomende maatregelen nodig zoals de bijkomende omkadering, bepaald
door het gelijke-onderwijskansendecreet. We zijn niet van plan dat
ondersteuningsbeleid op de korte termijn te veranderen. Vanaf 1 september
2005 zullen scholen met kansarme leerlingen dan ook voor een tweede periode
van drie schooljaren op bijkomende ondersteuning kunnen rekenen. De
indicatoren die we daarvoor tot dusver gebruikten, blijken immers goede
voorspellers van de problemen van sociale achterstelling waarmee scholen te
kampen hebben. We zullen intussen wel een evaluatie maken van de relevantie
en de efficiëntie van de puntengewichten die aan de verschillende
indicatoren werden toegekend.
Over de ondersteuning van de centra voor het deeltijds beroepssecundair
onderwijs en van de scholen van het buitengewoon onderwijs zullen we op
korte termijn keuzes maken. Deze centra tellen heel wat kansarme leerlingen,
maar genieten al van een vrij gunstige omkadering. De vraag is dan ook of er
nog bijkomende middelen nodig zijn. Voor het buitengewoon onderwijs wordt de
ondersteuning nog altijd gebaseerd op de criteria van het voormalige
onderwijsvoorrangsbeleid, maar de toestand in die scholen is inmiddels sterk
gewijzigd. Daarom zullen we nagaan of de indicatoren van het GOK-beleid
relevanter zijn.
Op termijn willen we een nieuw financieringssysteem voor het
leerplichtonderwijs ontwikkelen, waarin de GOK-ondersteuning en andere
vormen van extra financiering worden opgenomen (zie
2.2.1). Het nieuwe financieringssysteem zal gebaseerd zijn op school- en
leerlingenkenmerken. Een aangepaste omkadering en voldoende werkingsmiddelen
moeten ertoe bijdragen dat alle leerlingen in de best mogelijke
omstandigheden kunnen leren en zich ontwikkelen. Zo willen we maximaal
rekening houden met onderwijsbehoeften van leerlingen en elementen van hun
leeromgeving die extra financiële inspanningen vragen om de onderwijsdoelen
te halen.
We zullen dan ook nagaan welke kenmerken van leerlingen daarvoor relevant
zijn. We weten echter nu al dat we niet alle kenmerken van leerlingen, die
wijzen op leerrisico's en specifieke onderwijsbehoeften, in aanmerking
kunnen nemen. Het financieringssysteem zal worden gebaseerd op een relevante
selectie van kenmerken van leerlingen, die verband houden met de
sociaal-economische en culturele differentiatie tussen de leerlingen. In het
bredere debat over dat financieringssysteem zal ook worden onderzocht of het
opportuun is het huidige verschil te behouden tussen de GOK-indicatoren voor
het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs enerzijds,
en die voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs
anderzijds.
Met de integratie van de GOK-ondersteuning in de reguliere financiering,
stappen we over naar een meer onvoorwaardelijke financiering. Dit spoort met
ons voornemen om scholen meer beleidsruimte te geven. Het vereist tegelijk
wel een andere wijze van evalueren, die meer gericht is op de resultaten van
het gelijkekansenbeleid dat de scholen voeren. Bij de doorlichtingen van
scholen gaat de aandacht nu al uit naar de mate waarin scholen een gepast
beleid van zorg en ondersteuning voor hun leerlingen ontwikkelen. De
evaluatie van het gelijkekansenbeleid van de scholen zal in de toekomst deel
uitmaken van de reguliere schooldoorlichtingen. We willen zelfs nog een stap
verder gaan en nagaan welke kwaliteitsindicatoren voor resultaten van dat
beleid ontwikkeld kunnen worden. We denken onder meer aan indicatoren voor
maatschappelijke effecten, bijvoorbeeld de doorstroming naar de arbeidsmarkt
of het hoger onderwijs. Het doel van deze benadering is scholen te
confronteren met hun maatschappelijke effectiviteit (zie
ook 2.3.8).
NEDERLANDS LEREN
De behoefte om zo snel mogelijk Nederlands te leren, stelt zich in de
eerste plaats bij de anderstalige nieuwkomers. Er is een budgettaire en
organisatorische inspanning nodig om in een behoeftedekkend aanbod
Nederlands als tweede taal (NT2) te voorzien in de inburgeringtrajecten voor
de volwassen nieuwkomers. De ministers bevoegd voor inburgering en voor
onderwijs zullen overleggen om hiervoor oplossingen te vinden (zie
4.1.6).
Voor het onthaalonderwijs voor minderjarige anderstalige nieuwkomers in
basis- en secundair onderwijs zullen we onderzoeken of een uitbreiding van
de doelgroep met sommige kinderen die de Belgische nationaliteit hebben
(door gezinshereniging, adoptie,…) wenselijk is. We zullen ook onderzoeken
hoe leerlingen die het onthaalonderwijs volgden, bij hun integratie in de
reguliere klas verder ondersteund kunnen worden om het rendement van dat
onthaalonderwijs te optimaliseren. Regelmatig blijkt immers dat de kennis
van het Nederlands van een aantal leerlingen na één jaar onthaalonderwijs
nog onvoldoende is om een regulier onderwijstraject vlot te kunnen
volgen.
Snel Nederlands leren, is echter niet alleen een behoefte bij
nieuwkomers. Ook heel wat kinderen en jongeren die in Vlaanderen geboren
zijn, maar van wie de thuistaal niet het Nederlands is, starten hun
schoolloopbaan zonder enige kennis van de instructietaal. Ook voor deze
groep moeten we extra inspanningen doen. Via proeftuinen zullen we
methodieken laten ontwikkelen die effectiever leerachterstand kunnen
vermijden. We overwegen de afname van taaltoetsen op de scharniermomenten
(overgang kleuter-lager en lager-secundair) om verdere acties in het
taalonderwijs voor deze jongeren te sturen en de effectiviteit ervan te
controleren.
IN EEN ONDERWIJSCONTINUÜM VOORZIEN
Het gewone onderwijs kan - zelfs met een goed uitgebouwd zorgbeleid -
niet tegemoet komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van sommige
leerlingen. We willen die leerlingen en hun ouders de mogelijkheid geven een
gepast aanbod te vinden door in een onderwijscontinuüm te voorzien.
Kinderen met specifieke onderwijsbehoeften kunnen terecht in een gewone
school (inclusief onderwijs). Als dit niet mogelijk is, kan een school voor
buitengewoon onderwijs tijdelijk of blijvend een oplossing bieden. Ook
tussenvormen zoals geïntegreerd onderwijs of ondersteuning vanuit een
samenwerking gewoon en buitengewoon onderwijs, bieden een meer gericht
aanbod voor kinderen met specifieke onderwijsnoden. Om het
onderwijscontinuüm te optimaliseren, zullen we door wetenschappelijk
onderzoek de grenzen van de draagkracht van gewone scholen laten evalueren.
Bijzondere interesse zal daarbij uitgaan naar het effect van het gelijke
kansen- en het zorgbeleid op de draagkracht van gewone scholen.
De maatregelen rond het geïntegreerd onderwijs en de projecten rond
inclusief onderwijs (ION), autisme, de begeleidings- en verwijzingspraktijk
van de CLB's zullen worden voortgezet, gevolgd en waar mogelijk versterkt.
We zullen ook nieuwe projecten onder de vorm van proeftuinen initiëren,
bijvoorbeeld inzake samenwerking gewoon en buitengewoon onderwijs, vormen
van alternatieve financiering of flexibilisering van leertrajecten voor
leerlingen met specifieke noden. Belangrijk is ook dat we de expertise en
ervaringen inzake de realisatie en ondersteuning van inclusief onderwijs
inventariseren en bundelen.
Zo kan waardevolle informatie ter beschikking gesteld worden van meer
ouders, scholen en leraars. Ten slotte zullen we de expertise van de leraars
versterken in het omgaan met diversiteit in de klas. We zullen ook nagaan
hoe we bijkomend kunnen investeren in de opleiding van het huidige
personeelskader van het buitengewoon onderwijs om de ondersteunende taak
voor het gewoon onderwijs professioneel te kunnen opnemen. Zo krijgen de
diverse onderwijsvormen (gewoon onderwijs, buitengewoon onderwijs,
geïntegreerd onderwijs ....) hun volle mogelijkheden om in goede interactie
de kansen van leerlingen te maximaliseren.
We zullen de nodige tijd nemen om het onderwijscontinuüm verder uit te
bouwen. Uiteraard zullen we daarbij ook voor de nodige afstemming zorgen op
andere beleidsdomeinen die betrokken zijn bij de zorg aan leerlingen met
specifieke noden, zoals welzijn en sociale zekerheid (RIZIV).
3.2.2 Een succesvolle schoolloopbaan voor alle
leerlingen
ZORGEN VOOR EEN GOEDE STUDIEKEUZE
Een foutieve studiekeuze is voor vele jongeren vaak de start van een rits
problemen. Voor kwetsbare jongeren, zoals bijvoorbeeld allochtonen, is een
foute studiekeuze vaak de aanleiding tot een spiraal van ongelijke kansen.
Daarom versterken we een systeem van continue studiekeuzebegeleiding met
aandacht voor de competenties en de interesses van leerlingen. Het accent
moet daarbij onder meer liggen op het aanscherpen van keuzebekwaamheid,
sociale vaardigheden en verantwoordelijkheidsgevoel van de jongeren.
De secundaire scholen van de verruimde onderwijszone Mechelen werken in
het SOHO-project, dat de overgang naar het hoger onderwijs wil
optimaliseren, intens aan de keuzebekwaamheid van de leerlingen. Samen met
het CLB, de pedagogische begeleidingsdiensten en de ouders ontwikkelen ze
studie- en beroepskeuzetrajecten en -begeleiding op maat van de leerlingen.
We zullen dit project evalueren en nagaan hoe we de resultaten ervan verder
kunnen verspreiden.
Een versterkte studiekeuzebegeleiding - waarin de scholengemeenschappen
een belangrijker rol opnemen - en een betere samenwerking met en afstemming
op de sector van het deeltijds leren (zie
2.1.3), zullen ertoe leiden dat meer leerlingen hun schoolloopbaan met
succes beëindigen.
Het decreet op de evenredige arbeidsmarktparticipatie geeft het onderwijs
een duidelijke taak in het doorbreken van de onevenwichtige verdeling van
bepaalde maatschappelijke groepen op de arbeidsmarkt. Onderwijs speelt een
belangrijke rol bij de beroepskeuze van jongeren en van volwassenen en
bepaalt zo ook de arbeidsmarktkansen van mensen. Als intermediaire
organisatie met een sterke impact op de studie- en beroepskeuze van
jongeren, krijgt het onderwijs met inbegrip van de Centra voor
Leerlingenbegeleiding - die naast de scholen een tweede lijnsrol spelen bij
de studiekeuzevoorlichting - een tweevoudige opdracht. Het moet de talenten
van jongeren maximaal ontplooien en mogelijke hinderpalen wegwerken die een
evenredige arbeidsmarktparticipatie in de weg staan. Bij de acties om een
meer evenredige arbeidsmarktparticipatie te realiseren, zullen bijgevolg ook
trajecten worden opgenomen om de keuzebekwaamheid van jongeren te
verbeteren.
Vanuit onze bekommernis om de doorstroming van kansengroepen in het
onderwijs en naar de arbeidsmarkt te bevorderen, zullen we niet aanvaarden
dat bepaalde leerlingen (of hun ouders) omwille van hun geloof of
levensbeschouwing deelname weigeren aan lessen als biologie, geschiedenis,
lichamelijke opvoeding, zwemmen ... die rechtstreeks raken aan de eindtermen
en ontwikkelingsdoelen. De inspectie zal erop toezien dat scholen voor alle
leerlingen de eindtermen en ontwikkelingsdoelen bereiken of nastreven.
AANPAKKEN VAN SPIJBELEN EN ANTI-SOCIAAL GEDRAG
Leerlingen kunnen - gewettigd of ongewettigd - afwezig zijn omwille van
uiteenlopende redenen: schoolmoeheid of schoolfobie, medische redenen,
persoonlijke of sociale problemen of omdat de ouders het belang van
regelmatig schoolbezoek niet inzien. Het is dus uiterst belangrijk bij de
begeleiding van jongeren die langdurig en/of veelvuldig afwezig zijn,
rekening te houden met de volledige context en zo 'symptoombestrijding' te
vermijden. Om het leerrecht van de jongeren te waarborgen, zullen we een
integraal beleid uitwerken voor schoolmoeheid, absoluut schoolverzuim,
spijbelen en probleemgedrag. Samen met de maatregelen die worden ontwikkeld
om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren (hoofdstuk
2), zal dat beleid op termijn moeten zorgen voor een vermindering van
het aantal leerlingen dat het onderwijs ongekwalificeerd verlaat.
Voor 30 juni 2005 zullen we het huidige beleid voor spijbelen evalueren.
We bekijken meer precies de effectiviteit van de diverse verbetertrajecten
die op verschillende beleidsniveaus werden uitgebouwd. Op lokaal vlak werden
op verschillende plaatsen projecten opgezet om de leerplichtproblematiek aan
te pakken. Dergelijke initiatieven moeten er blijven. De rol van lokale
besturen als regisseur in het tegengaan van spijbelen mag niet worden
onderschat. Wel dringt zich een discussie op over taken,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden van elk van de betrokken partijen,
over de gewenste resultaten en de middelen die daarvoor moeten worden
ingezet. Als centrale overheid zullen we zorgen voor een gecoördineerde
visie, voor het faciliteren van de uitwerking ervan en het stimuleren van de
lokale verantwoordelijkheid. We zullen ook een overzicht bijhouden van alle
initiatieven terzake, om de resultaten ervan te integreren in het centrale
beleid. Bij die evaluatie zullen we ook aandacht besteden aan de resultaten
van het wetenschappelijk onderzoek naar de time-outprojecten en het
herstelgericht groepsoverleg in het secundair onderwijs.
Time-out biedt de mogelijkheid aan leerlingen die een grondig
verstoorde relatie hebben met de school, om hun leertijd voor een
afgebakende periode buiten de school door te brengen. Er worden
verschillende methodieken gebruikt om de relatie tussen school en leerling
te herstellen. Het is de bedoeling dat de leerlingen na de time-out terug
keren naar hun school en klasgroep. Momenteel krijgen vier time-outprojecten
in Vlaanderen een financiële ondersteuning van de departementen Welzijn en
Onderwijs. Vooraleer enige beslissing over een meer structurele verankering
van die methodieken te nemen, willen we de efficiëntie en de effectiviteit
van die vier projecten bekijken en de gebruikte methodieken situeren in het
geheel van de time-outwerkingen in Vlaanderen.
De scholen kunnen orde- en tuchtmaatregelen nemen voor leerlingen die
probleemgedrag stellen. Omdat die opties niet altijd bevredigend zijn of
effect hebben, werden de mogelijkheden van herstelrechtelijk denken in de
onderwijscontext getoetst. We leren daaruit dat herstelgericht groepsoverleg
bijzonder nuttige toepassingen kan hebben in het onderwijs, onder bepaalde
voorwaarden. Scholen moeten vertrouwd raken met het herstelrechtelijk
denken, moderatoren dienen opgeleid, de methodiek moet verder aangepast
worden voor de onderwijscontext.
De aanpak die op herstelrecht is gebaseerd, richt zich in de eerste
plaats op het herstellen van de schade en het leed die door het gedrag zijn
veroorzaakt.
Herstelgericht overleg
Het herstelgericht overleg (hergo) is een maatregel waarbij - na
een ernstig incident - een aantal betrokken partijen worden samengebracht om
tot een constructieve, herstelgerichte oplossing te komen. Onder de
deelnemers bevinden zich een of meer slachtoffers met hun achterban:
familie, vrienden, collega's ... Daarnaast nemen ook de dader(s) deel aan
het hergo, met hun achterban. Het hele proces wordt geleid, aan de hand van
een vast script, door een of twee neutrale moderatoren. Voorafgaand aan het
overleg voeren de moderatoren enkele voorbereidingsgesprekken met de
verschillende deelnemers afzonderlijk. Na een korte inleiding start het
hergo met een ronde waarin elke deelnemer en zijn achterban kunnen vertellen
wat er is gebeurd en wat de gevolgen ervan zijn. In een volgende ronde wordt
dan de discussie gestart over het opstellen van een herstelplan. Ook in deze
ronde wordt verzekerd dat iedereen aan het woord komt en mee kan beslissen.
Ten slotte volgt een informeel moment waarbij alle deelnemers rustig kunnen
napraten en het herstelplan door iedere deelnemer wordt ondertekend. Het hele proces zoals hierboven beschreven, speelt zich af in de zogenaamde
'binnencirkel' van alle partijen die deelnemen aan het hergo. Daarnaast
wordt echter ook ruimte voorzien voor een 'buitencirkel'. De mensen die
daarin plaatsnemen zijn louter toeschouwer en zullen op geen enkel moment
deelnemen aan het overleg. Deze buitencirkel heeft als voornaamste functie
de band met de bredere gemeenschap te vormen. Wanneer een ernstig incident
in de school plaatsvond, heeft dit vaak gevolgen die veel verder reiken dan
de rechtstreeks betrokkenen: ouders van andere leerlingen zijn ongerust,
leerkrachten voelen zich onveilig, leerlingen zijn geagiteerd. Het is dus
niet aangewezen om na een dergelijk incident een hergo achter gesloten
deuren te houden. Daarom wordt in de buitencirkel vaak een vertegenwoordiger
van de klassen-, ouder- of leerlingenraad uitgenodigd. Ook de directie kan
een plaats hebben in de buitencirkel (als zij al niet deelneemt in de
binnencirkel).
We zullen bekijken of het aangewezen is aan de hand van een proeftuin de
haalbaarheid en de effectiviteit van het hergo in de preventie en
bestrijding van anti-sociaal gedrag op school verder na te gaan.
We bekijken ook hoe andere partners de scholen en de Centra voor
Leerlingenbegeleiding (CLB) het best kunnen ondersteunen in de
leerplichtbegeleiding. Via de netwerken die vanaf 2005 van start gaan in de
Integrale Jeugdhulp, zal het CLB wellicht diensten van de welzijnssector op
een betere manier kunnen inschakelen. Voor diensten als justitie en politie
moet het netwerk nog worden uitgebouwd. Uit reacties naar aanleiding van
concrete spijbeldossiers of lokaal opgezette projecten blijkt dat heel wat
lokale vertegenwoordigers van politie en justitie bereid zijn tot
samenwerking. Ook hier willen we komen tot een gedeelde visie over taken en
verantwoordelijkheden.
Bij trajecten die tot doel hebben absoluut schoolverzuim, spijbelgedrag
en ander anti-sociaal gedrag aan te pakken, is medewerking van jongeren,
maar vooral van ouders nodig. Met de minister van Welzijn en Gezin zullen we
naar mogelijkheden zoeken om gezinnen die kampen met opvoedingsvragen de
nodige ondersteuning te bieden. De overheid en de scholen moeten samen
inspanningen doen om ouders te wijzen op hun verantwoordelijkheid voor de
leerplicht van hun kinderen en om duidelijk te maken welke afwezigheden
gewettigd zijn en welke niet. Een effectief spijbelbeleid moet in elk geval
de problemen aanpakken van in het basisonderwijs. Ook aan ouders van
kleuters moet al het belang van een regelmatig schoolbezoek duidelijk worden
gemaakt, als basis voor een succesvolle schoolloopbaan. Bij ongewettigde
afwezigheden moeten de ouders worden aangezet vrijwillig mee te werken aan
een oplossing. Ouders die hun verantwoordelijkheid terzake niet willen of
kunnen opnemen, zullen desnoods verplicht de nodige begeleiding krijgen. In
Integrale Jeugdhulp wordt de mogelijkheid uitgewerkt om deze hulp, als ze
maatschappelijk nodig wordt geacht, via een gerechtelijke maatregel op te
leggen. We zullen tijdens het intersectorale overleg hierover onderstrepen
dat het nodig is in te grijpen wanneer het leerrecht van jongeren wordt
geschaad. Als die gedwongen hulp nog niet helpt, dan zullen de ouders op de
een of andere manier worden gesanctioneerd. Een efficiënte aanpak van het
schoolverzuim vereist dat we goede afspraken maken met de Bijzondere
Jeugdzorg en met justitie.
3.2.3 Een zorgbeleid in het hoger onderwijs
De stijging van de participatie aan hoger onderwijs was gedurende de
laatste decennia indrukwekkend en ze zal wellicht nog doorgaan. Die
participatie is echter lang niet gelijk verdeeld. Niet iedereen heeft
evenveel kans om in het hoger onderwijs terecht te komen, op die plaats waar
hij of zij de beste mogelijkheden krijgt om zijn of haar talenten te
ontwikkelen.
In het verleden heeft Vlaanderen getracht de toegankelijkheid van het
hoger onderwijs te verbeteren door een systeem van open toegang, van
geografische spreiding ook. Dit beleid van democratisering van de toegang
tot hoger onderwijs heeft in zekere mate gefaald en is aan bijsturing en
aanvulling toe.
Er zijn immers nog grote ongelijkheden. Vooreerst op sociaal vlak. Voor
veel jongeren uit kansarme bevolkingsgroepen is de drempel naar de
hogeschool en zeker naar de universiteit nog altijd te hoog. Ik verwacht van
de instellingen dat ze de mogelijkheden van het bachelor-mastersysteem om
het watervaleffect in het hoger onderwijs te bestrijden, ook ten volle
benutten. Zo kunnen ze studenten goed begeleiden en oriënteren naar de
trajecten die hen passen en ervoor zorgen dat ze credits mee kunnen nemen
naar die trajecten. Gelijke kansen worden ook nog steeds gedwarsboomd door
genderverschillen. Vrouwelijke academici krijgen minder kansen om door te
stromen in het personeelskader van universiteiten dan hun mannelijke
collega's. En geografische ongelijkheid speelt ook nog een grote rol, al
zullen we dat niet oplossen door nog meer geografische spreiding van ons
academisch potentieel.
Meer mensen met een functiebeperking of chronische ziekte moeten aan het
hoger onderwijs kunnen deelnemen. We zullen met de instellingen afspraken
maken over de doelstellingen die ze op dat punt moeten bereiken en over de
wijze waarop de voortgang zal worden gevolgd. In elk geval zal de
begeleiding en ondersteuning van die studenten verbeterd moeten worden. De
in Vlaanderen aanwezige kennis en expertise zullen worden gebundeld in een
koepelstructuur, die een aanspreekpunt en ontmoetingsplaats zal vormen voor
iedereen die in de instellingen met begeleiding en ondersteuning van deze
studenten begaan is. We zullen nagaan in hoeverre de kosten daarvan kunnen
worden gedragen met de toelagen voor studentenvoorzieningen.
Het hoger onderwijs zal ook meer inspanningen moeten doen om de instroom
en de doorstroming van studenten van allochtone herkomst te verbeteren.
Wanneer we er als samenleving niet in slagen om bij de allochtone
bevolkingsgroepen ook een goed geschoolde elite te vormen, dan zal het met
de integratie en het burgerschap van deze groepen zeker niet lukken. We
zullen het wetenschappelijk onderzoek naar factoren in studiekeuze en
studiesucces bij allochtonen aangrijpen om een concreet actieplan uit te
werken. De Vlaamse Onderwijsraad heeft principes van non-discriminatie
uitgewerkt. We willen de universiteiten en hogescholen oproepen om die samen
met andere partners actief te onderschrijven en in hun instellingsbeleid te
implementeren. Met de nieuwe financieringsregeling zullen we op basis van
outputindicatoren nagaan welke inspanningen de instellingen leveren voor
kansengroepen.
In naam van gelijke kansen de mediocriteit verdedigen en jongeren
opzadelen met kwalificaties en diploma's van bedenkelijk allooi, zou
ongeveer de zwaarste fout zijn die je in het hogeronderwijsbeleid kunt
maken. We moeten gelijke kansen bieden om sluimerende talenten van jongeren
wakker te maken - van àlle jongeren -, om al hun bekwaamheden te ontplooien
en hen de kans te geven ook de top te halen als ze dat kunnen en willen.
Dààr draait het om.
De maatschappelijke mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de
onvoltooide democratisering van het Vlaamse hoger onderwijs, zijn taai. Veel
taaier dan iemand ooit had verwacht. We kunnen die niet alleen wegwerken met
studietoelagen, goede sociale voorzieningen en lage inschrijvingsgelden, hoe
belangrijk die ook zijn. We zullen ook moeten werken aan de
sociaal-culturele drempels, aan de sociaal bepaalde verwachtingspatronen die
maken dat bepaalde bevolkingsgroepen het 'reiken naar de top' nog altijd als
iets vreemds ervaren. Het bama-verhaal biedt daar, zoals gezegd, nieuwe
kansen en het flexibiliseringsdecreet ook. Laat ons daar ten volle werk van
maken en ervoor zorgen dat ieder snel in een traject zit dat optimaal
aansluit bij zijn of haar begaafdheid, los van zijn of haar sociale
herkomst.
3.2.4 Een zorgcontinuüm voor de leerlingenbegeleiding
Een succesvolle begeleiding van schoolloopbanen en de tijdige aanpak van
leerbedreiging en leerproblemen vereist een totaalaanpak, waarbij de
samenwerking binnen onderwijs en tussen onderwijs en andere instanties in
een zorgcontinuüm zal worden uitgebouwd. Binnen onderwijs dragen de school
en het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) een gedeelde
verantwoordelijkheid voor het zorgbeleid. Beide hebben in dit kader een
specifieke rol en opdracht. Hoewel de titel van het decreet van 1 december
1998 enkel naar het CLB verwijst, wordt precies in dat decreet de
verantwoordelijkheid van de school voor de eerstelijnszorg vastgelegd en
worden heel wat opdrachten voor het schoolteam aangegeven. Het is in de
eerste plaats de school die een visie op zorgverbreding en
zorgverantwoordelijkheid moet ontwikkelen. Het installeren van een
zorgcontinuüm moet vertrekken vanuit de school, maar in nauwe samenwerking
met het welzijnsveld in de buurt.
EEN ZORGCONTINUÜM DAT VERTREKT VANUIT DE SCHOLEN
Bij het uitbouwen van een zorgbeleid neemt het schoolteam een belangrijke
verantwoordelijkheid op. Het decreet voor het basisonderwijs moedigt scholen
aan om zoveel mogelijk leerlingen schoolintern te begeleiden. Ook in het
secundair onderwijs krijgt de leerlingenbegeleiding (28) duidelijker vorm.
In het basisonderwijs werken sinds 1 september 2003 zorgcoördinatoren in
het afzonderlijke ambt van beleidsmedewerker. In het secundair onderwijs
zijn opvoeders tewerkgesteld binnen de categorie van het ondersteunend
personeel. We willen dit versoepelen en het schoolbestuur de keuze laten of
en in welke mate ze de zorgverantwoordelijkheid willen opdragen aan een
specifieke categorie personeelsleden of aan het onderwijzend personeel. We
zullen de functies van zorgverantwoordelijke basis- en secundair onderwijs
harmoniseren, onder meer voor bekwaamheidsbewijzen en prestatiestelsel. Om
scholen in staat te stellen hun verantwoordelijkheid voor het zorgbeleid ten
volle op te nemen, dienen we hun beleidsvoerend vermogen verder te
versterken. We zullen scholen in het opnemen van zorgverantwoordelijkheid
ondersteunen door het ontwikkelen en ter beschikking stellen van materialen
te stimuleren.
Het project Leerzorg
Het project Leerzorg werd ingediend in antwoord op de oproep tot
voorstellen voor netoverschrijdende en multidisciplinaire projecten in het
CLB-decreet. Het wil de deskundigheid vergroten van leerkrachten,
CLB-medewerkers, zorgbegeleiders, leerlingbegeleiders, pedagogisch
begeleiders, leerlingen en ouders.
Ten eerste stelt het project werkinstrumenten ter beschikking die de
leerkracht ondersteunen bij interne klasdifferentiatie en aanpak van
leerlingen met een bijzondere hulpvraag. Bovendien biedt het de leerkracht
didactische werkvormen waarmee alle leerlingen in de les worden betrokken,
met bijzondere aandacht voor hun verschillende beginsituaties en
mogelijkheden. Het bezorgt de leerkracht ook achtergrondinformatie die de
bijzondere zorgvraag van leerbedreigde leerlingen concretiseert. Verder
biedt dit project de CLB-medewerker, zorgbegeleider, leerlingbegeleider of
pedagogisch begeleider een werkinstrument om de leerkracht te ondersteunen
bij interne klasdifferentiatie en aanpak van leerlingen met specifieke
leerbehoeften. Het project stimuleert ook de leerling om de bijzondere
hulpvraag beter te omschrijven en meer verantwoordelijkheid te nemen voor de
eigen vorderingen in het leerproces. Ten slotte biedt het ook ondersteuning
aan de ouders die hulp zoeken bij de begeleiding van huiswerk en
lessen.
Concreet werd een werkmap Leerzorg ontwikkeld met ondersteunende tips en
werkvormen voor de begeleiding van leerlingen met een zorgvraag in basis- en
secundair onderwijs. De map, die bestaat uit een 100-tal werkfiches en een
video, werd verspreid in alle Vlaamse basis- en secundaire scholen. Alle
materialen kunnen ook verkregen worden via een website. Bovendien worden de
gebruikers van de werkmap aangemoedigd om via deze website aanvullingen en
nieuwe fiches ter beschikking te stellen van anderen. Zo wordt er een
uitwisseling van materialen en ervaringen op gang gebracht.
Materiaal dat in tijdelijke projecten wordt ontwikkeld zal voor iedere
geïnteresseerde makkelijk beschikbaar zijn, bijvoorbeeld het project
leerzorg, het project over optimalisering van het begeleidingstraject en de
verwijspraktijk voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, het
project autisme, het project handelingsgerichte diagnostiek, het project
zorgondersteuning. Ook de CLB's hebben in dit kader een belangrijke
schoolondersteunende opdracht. We zullen het tijdelijke project
zorgondersteuning dat tot 2006 loopt, evalueren en nagaan in hoeverre
scholen ondersteund werden bij het uitwerken van een lokaal
zorgbeleid.
EEN DUIDELIJKERE ROL VOOR DE CENTRA VOOR LEERLINGENBEGELEIDING
De CLB's hebben ten aanzien van de scholen een subsidiaire werking. Zij
zijn als externe, schoolgerelateerde organisaties, de eerste ondersteuners
van de scholen bij het ontwikkelen en uitvoeren van een zorgbeleid. Het is
moeilijk om centraal te bepalen welke taken door de scholen en welke door de
CLB's moeten worden opgenomen. We zullen daarom de ruimte geven om in te
spelen op verschillende lokale noden en behoeften en rekenen erop dat het
beleidsplan, het beleidscontract en de jaarlijkse afsprakennota's tussen
school en CLB de wederzijdse verwachtingen en verantwoordelijkheden
duidelijk aflijnen. Toch willen we dit lokale proces ondersteunen door een
beleidskader te ontwikkelen, waarin de rol van iedere actor (school -
leerlingen - ouders - CLB - pedagogische begeleiding - externen ...) wordt
verduidelijkt en de specifieke positie van en onderlinge relatie wordt
uitgeklaard tussen interne en externe begeleiding. In tegenstelling tot de
CLB-medewerkers die gebonden zijn door het beroepsgeheim, hebben
(vertrouwens)leerkrachten enkel een discretieplicht. Dit heeft niet alleen
consequenties voor de verhouding tussen de vertrouwensleerkracht en de
leerlingen, maar ook voor de verhouding tussen de vertrouwensleerkracht en
de CLB-medewerker.
We zullen verder investeren in de profilering van en communicatie over de
CLB's om te voorkomen dat scholen, leerlingen, ouders en externen
onrealistische verwachtingen koesteren. Bovendien zal samenwerking over de
netten heen worden aangemoedigd, zowel op lokaal als op centraal niveau. Het
opzetten van gezamenlijke projecten en het aansturen van wetenschappelijk
onderzoek kunnen hierin gesitueerd worden.
Het CLB-decreet voorziet om de zes jaar in een evaluerende rapportering
aan het Vlaams Parlement. Daarnaast zal binnenkort het systeem van
visitaties in de CLB's worden geoperationaliseerd. We zullen de verhoudingen
tussen inspectie en visitaties definiëren in een duidelijk legaal kader om
een optimale efficiëntie van de visitaties en de kwaliteitsverbetering in
de werking van de centra te garanderen. De inspectie blijft verantwoordelijk
voor de controle op de financierings- en erkenningsvoorwaarden, maar zal
haar werkzaamheden afstemmen op het waarderingskader dat voor de visitaties
ontwikkeld zal worden. De resultaten van de doorlichtingen van de
afzonderlijke centra zullen in het zesjaarlijkse rapport worden verwerkt.
Vragen over de verhouding tussen het verzekerd aanbod, door de overheid
opgelegde taken (leerplichtbegeleiding, vaccinatiecampagnes, rol bij de
verhoogde kinderbijslag) en de vraaggestuurde werking anderzijds zullen
daarbij zeker aan bod komen.
Sinds de inwerkingtreding van het decreet op de Centra voor
Leerlingenbegeleiding zijn er heel wat taken die de centra in de toekomst
zullen behouden, zoals de integratie van het vroegere medisch schooltoezicht
en de daaruit voortvloeiende multidisciplinaire werking, de deontologische
code, het beroepsgeheim. De ontwikkeling van kwaliteitsnormen en -handboeken
en van aanwijsbare netwerken zijn een belangrijke evolutie. Een
gestandaardiseerd en geïnformatiseerd registratiesysteem is nog volop in
ontwikkeling. Daardoor zullen gegevens vlotter kunnen doorstromen, en zal de
werking van het CLB transparanter worden en een belangrijke bron van
beleidsinformatie zijn. Omdat dit elementen zijn waardoor de CLB's zich
kunnen onderscheiden van andere partners, zullen ze bewaakt en uitgediept
worden.
Bij dit alles is de onafhankelijke positie van de CLB's essentieel. Ze
moeten altijd het belang van de leerling vooropstellen. De methodologische
onafhankelijkheid en expertise garanderen dat ouders de kans hebben om, los
van de school, zelf naar een CLB te stappen met hun vragen. Het geeft aan de
CLB's de mogelijkheid om bij problemen kritisch de hele context van de
jongeren in kaart te brengen, inclusief het schoolsysteem.
DE SAMENWERKING MET WELZIJN, GEZONDHEID EN ANDERE BELEIDSDOMEINEN
De uitbouw van een zorgcontinuüm in de school vereist nauwe samenwerking
met het welzijnsveld rond de school. Wanneer immers blijkt dat een leerling
professionele hulp nodig heeft, is samenwerking nodig met de welzijnssector
via het CLB. De CLB's als organisaties die in een onderwijscontext werken,
dienen te beschikken over een 'aanwijsbaar netwerk' van diensten uit het
welzijnsveld en de gezondheidsvoorzieningen. Het is de specifieke meerwaarde
van het CLB om als onderwijsgerelateerde instantie de verbinding te leggen
tussen de schoolcontext en het hulpverleningsaanbod in de gespecialiseerde
welzijns- en gezondheidsvoorzieningen.
De CLB's zijn dan ook een belangrijke partner bij de ontwikkeling van een
integrale jeugdhulp. Als resultaat van een beleidsvoorbereidend project
hebben de zes sectoren (29)
die op Vlaams niveau instaan voor de jeugdhulp, het engagement aangegaan om
beter samen te werken. Als we het aanbod uit de zes sectoren op elkaar willen
afstemmen, dan moeten we ook de regelgeving uit de betrokken sectoren op elkaar
afstemmen (leeftijdsgrenzen, inzagerecht, ...). Het signaleren van problemen
door scholen en het gepast hiermee omgaan zal een belangrijk gespreksonderwerp
zijn in het onderwijs én in het intersectorale overleg. We zullen de scholen
dus dienen te ondersteunen én te versterken in hun rol in het voortraject van
Integrale Jeugdhulp.
De relevante partners waarmee scholen een zorgcontinuüm kunnen uitbouwen
zijn ruimer dan de zes sectoren in Integrale Jeugdhulp. In de
leerplichtbegeleiding, preventie binnen onderwijs, gelijke onderwijskansen
is ook een intense samenwerking aangewezen met politie, justitie, OCMW,
huisartsen, logopedisten, revalidatiecentra, integratiediensten,
verenigingen waar armen het woord nemen, organisaties van etnisch-culturele
minderheden ...
Er is ook meer systematisch overleg nodig tussen welzijn en onderwijs in
dossiers als het onderwijs in de gemeenschapsinstellingen en de afstemming
tussen de onderwijs- en zorgbehoeften van jongeren in andere residentiële
voorzieningen voor jongeren (bijvoorbeeld de kinderpsychiatrie, OOOC's (30)
) en van de internaten en semi-internaten. Ook de optimalisering van gezins-
en opvoedingsondersteuning zal gezamenlijk moeten worden aangepakt (31). Het
uitbouwen van een zorgcontinuüm veronderstelt inderdaad dat scholen
initiatieven nemen om de kloof tussen school en kansarme ouders en de buurt
te overbruggen en ouders te ondersteunen in de opvoeding van hun kinderen.
Hoewel dit een belangrijke opgave is voor het onderwijs, hangt de kans op
welslagen ervan af van de mate waarin ook andere beleidsdomeinen daaraan een
bijdrage leveren. We zullen nagaan hoe diverse initiatieven, zoals een
bredeschoolwerking (zie 3.7) en de inschakeling van ervaringsdeskundigen, de
ouders en de buurt en bepaalde kansengroepen meer bij de school kunnen
betrekken.
Specifiek voor het onderwijsopbouwwerk willen we tijdens deze legislatuur
mee werk maken van een structurele erkenning en financiering. Al vele jaren
immers nemen onderwijsopbouwwerkers initiatieven om gelijke onderwijskansen
en -rechten te helpen realiseren voor kinderen en jongeren die
geconfronteerd worden met achterstand en achterstelling op het vlak van
onderwijs: via aangepaste initiatieven en de structurele inbedding hiervan,
via een collectieve aanpak waarbij de participatie van ouders en hun
kinderen aan het onderwijs centraal staat.
De optie van het Vlaamse armoedebeleid om personen die in armoede leven
bij het overheidsbeleid te betrekken, concretiseerde zich in de opleiding
van ervaringsdeskundigen in armoede en sociale uitsluiting en hun
inschakeling in de armoedebestrijding.
'Jaren van armoedebestrijding maken duidelijk dat er nog altijd een diepe
kloof, een 'missing link' bestaat tussen enerzijds het beleid en werkers uit
alle voorzieningen waar armen mee geconfronteerd worden en anderzijds de
armen zelf. De belangrijkste elementen hierin zijn het fundamentele verschil
in positie tussen enerzijds de arme, die verplicht wordt constant in armoede
te leven en anderzijds de organisaties en beleidsactoren die deze realiteit
niet kennen. De beleidsmakers en -uitvoerders behoren meestal tot de
middenklasse. Ze zijn niet vertrouwd met de harde realiteit van het leven in
armoede in al haar facetten en vooral met de gevoelens van schaamte en
vernedering die gepaard gaan met de ervaring van de arme om voortdurend hulp
te moeten vragen. Ze bevinden zich in de maatschappelijke positie om hun
eigen oplossingen door te drukken voor problemen van de armen. Hierdoor
verliezen armen de greep over hun eigen leven en over de maatschappelijke
besluitvorming, ondanks tal van interventies en beleidsmaatregelen. Het gaat
dus niet alleen om een kenniskloof, vaardigheidskloof, gevoelskloof en
krachtenkloof tussen beide werelden, maar het gaat in eerste instantie om
een structurele participatiekloof.' (Uit: vzw De Link, Opleiding en
tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in armoede en sociale uitsluiting
(onuitgegeven tekst).
Binnen onderwijs zullen vier ervaringsdeskundigen worden aangesteld om de
kloof tussen scholen en armen te overbruggen. Aan de hand van hun ervaringen
in scholen en CLB's, willen we een zicht krijgen op de mogelijkheden. De
ervaringen hiermee zijn immers nog relatief nieuw. Vorig jaar pas studeerden
de eerste ervaringsdeskundigen af. Daarnaast willen we bekijken welke kansen
de opleiding tot ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting kan
openen op verdere opleiding of ruimere werkmogelijkheden.
ROL VAN DE LOKALE OVERHEDEN
De beleidsoptie om lokale overheden en besturen een duidelijke
verantwoordelijkheid te geven in het uittekenen en coördineren van een
lokaal sociaal beleid, houdt ook mogelijkheden in voor onderwijs. Ze kunnen
een bijzondere rol opnemen in het stimuleren en organiseren van samenwerking
tussen diensten, voorzieningen en instellingen, het organiseren van
ontmoetingen tussen verschillende partners, het stimuleren van een
gemeenschappelijke visie op de aanpak van spijbelen, enzovoort.
Lokale besturen nemen vaak het initiatief om plaatselijk opgestarte
projecten te ondersteunen of te stimuleren. Initiatieven op lokaal niveau
kunnen worden ondersteund door belangrijke partners te mobiliseren,
engagementen te verkrijgen en samenwerkingsverbanden op centraal niveau op
te zetten.
3.3 Kwalificeren, modulariseren en flexibiliseren
De vereniging van de bevoegdheden onderwijs en werk beoogt een
samenhangend beleid voor alle beroepsgerichte opleidingen in onderwijs, bij
de publieke opleidingverstrekkers en bij sectorinitiatieven, evenals een
geïntegreerde aanpak van erkenning van elders verworven competenties. Er is
daarom een kader nodig voor arbeidsmarktgerichte kwalificaties die de
toegang tot de beroepen regelen, en voor curriculumgerichte kwalificaties,
die ervoor zorgen dat mensen kunnen instromen in een bepaald
onderwijsniveau.
We kunnen niet om de vraag heen welk recht verbonden is aan het bezit van
een bepaald diploma of getuigschrift, m.a.w. welk civiel effect we
daaraan koppelen.
Nemen we als voorbeeld de beroepsopleidingen. Die in het onderwijs
onderscheiden zich doorgaans van beroepsopleidingen buiten het onderwijs,
doordat ze ook andere dan beroepsgerichte vormingsdoelen in zich dragen,
bijvoorbeeld het bereiken van een bepaald niveau van algemene vorming, de
brede ontplooiing van ieders talenten, attitude- en waardenvorming,
inpassing in de samenleving, enzovoort. Beroepsopleidingen buiten het
onderwijs beogen zulke doelen in veel mindere mate.
Toch heeft het veld van beroepsgerichte opleidingen, binnen en buiten
onderwijs, nood aan een gemeenschappelijk kader. We vinden dat ze allebei
hetzelfde effect mogen hebben voor toegang tot beroepen, als ze allebei de
standaarden realiseren die worden vooropgesteld in de beroepsprofielen die
door de SERV en de sectoren momenteel worden ontwikkeld.
Die beroepsprofielen sommen de competenties op die nodig zijn in bepaald
beroep. Wat wordt daarmee precies bedoeld? Een competentie is
"de reële en individuele capaciteit van mensen om kennis, vaardigheden
en attitudes toe te passen in concrete dagelijkse en veranderende situaties,
zowel op het werk als in het persoonlijke en maatschappelijke leven"
(Herpelinck, 2004). Kwalificaties geven een formele vorm en erkenning
aan competenties.
3.3.1 Een eenduidige en transparante
kwalificatiestructuur
Om de competenties die mensen verwerven, maximaal te valoriseren, zullen
we een eenduidige en transparante kwalificatiestructuur uitwerken. Een kwalificatiestructuur
is een grofmazig omvattend raamwerk waarin alle soorten kwalificaties,
inclusief diploma's, certificeringen en erkenningen van competenties, kunnen
worden geplaatst. Wie een kwalificatie verwerft of nastreeft, weet dan
perfect waar zijn kwalificaties zich situeren of welke er nog
ontbreken.
In die kwalificatiestructuur is er zowel plaats voor arbeidsmarktgerichte
kwalificaties die de toegang tot de arbeidsmarkt faciliteren, als voor curriculumgerichte
kwalificaties, die ervoor zorgen dat mensen kunnen instromen in een bepaald
onderwijsniveau. Het raamwerk moet dus ruimte bieden aan de twee functies
van kwalificaties: een (internationaal erkende) ordening van gehelen van
competenties voor beroepen en functies in een economische sector, en een
onderwijsmatige niveaubepaling op basis van complexiteit en/of
diepgang.
Het zichtbaar maken en erkennen van kwalificaties, verworven in
verschillende contexten, zal de doorstroming door onderwijs en vorming en de
toegang tot de arbeidsmarkt verbeteren.
Het onderwijs kan er in dit kader niet langer aan voorbijgaan dat sommige
mensen al competenties hebben verworven, voor ze een opleiding starten. Voor
het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs wordt voor erkenning van
verworven competenties (EVC) een regeling uitgewerkt. Of dat ook nodig is
voor het leerplichtonderwijs, moeten we verder onderzoeken. De competenties
voor beroepen zullen worden erkend in een nieuwe laagdrempelige
dienstverlening voor EVC, die in Vlaanderen zal worden opgezet.
Cruciaal is de uitwerking van een systeem van kwaliteitszorg inzake EVC.
De wijze waarop de evaluatie en de validatie van de competenties zullen
gebeuren, is een belangrijk criterium. Even belangrijk is de beslissing over
de organisaties die daarvoor kunnen instaan en hun accreditatie. 3.3.2 Bekrachtiging
Onderwijs- en niet-onderwijsopleidingen die zijn gebaseerd op dezelfde
beroepsprofielen en standaarden, zullen leiden tot dezelfde certificering.
De strikte beschotten tussen onderwijs en andere formele
vormingsverstrekkers in het erkennen van competenties zullen daardoor worden
weggewerkt.
Certificeren passen we toe als het civiel effect van beroepsopleidingen
en/of het erkennen van (beroepsgerichte) competenties. Een certificaat
vatten we op als een schriftelijke verklaring dat iemand een
beroepsopleiding met gunstig gevolg heeft doorlopen.
Diplomeren heeft louter betrekking op de onderwijscontext en is sterk
verbonden aan het bereiken van een bepaald niveau, waaraan bijvoorbeeld ook
eindtermen gekoppeld zijn. Het diploma secundair onderwijs kan de toegang
tot een beroep omvatten als de onderwijsopleiding alle standaarden omvat die
zijn afgeleid van het betrokken beroepsprofiel. Maar het wijst onmiskenbaar
ook op het bereiken van een bepaald niveau van algemene vorming en
persoonlijkheidsontwikkeling, na het met gunstig gevolg afleggen van een
examen. Hierdoor krijgt men toegang tot het hoger onderwijs.
Certificaten kunnen het diploma niet vervangen. Een verzameling van
competenties die worden uitgedrukt in standaarden kunnen leiden tot het
behalen van een certificaat of zelfs een deelcertificaat. Een diploma kan
worden behaald indien aspecten van algemene vorming én van
beroepsgerichte/doorstromingsgerichte vorming verworven zijn (mits ze
eindtermen en standaarden/specifieke eindtermen bevatten), m.a.w. in het
geheel van de verworven competenties.
3.3.3 Modulair onderwijs
In modulaire opleidingssystemen wordt een module - van welke aard
ook - bekroond met een deelcertificaat, een opleiding met een
certificaat.
In modulaire opleidingen behaal je het diploma als je certificaten
kan voorleggen van een aantal modules (met standaarden voor beroepsgerichte
modules en eindtermen voor algemeen vormende modules).
Modularisering biedt perspectieven. Ook wie geen diploma haalt, kan toch
met een aantal (deel)certificaten naar de arbeidsmarkt, als het
(deel)certificaat alle competenties van een standaard omvat.
Er wordt sinds 1998 met modularisering geëxperimenteerd in het BSO,
DBSO, BuSO. Het decreet van 1999 maakte modulair onderwijs verplicht voor
het volwassenenonderwijs. Op basis van de evaluatie van het experiment in
het secundair onderwijs en van de ervaringen in het volwassenenonderwijs,
stellen we drie knelpunten vast:
- Qua besluitvorming moet de procedure vanaf het opstellen van modulaire
schema's over advisering door de Vlaamse Onderwijsraad (voor het
volwassenenonderwijs) tot de uitvoering in de scholen veel sneller
kunnen.
- De traagheid die ons vandaag parten speelt, heeft deels te maken met
de inhoudelijke gedetailleerdheid van wat wordt voorgelegd. Voor
beroepsgerichte opleidingen zal men meer moeten verwijzen naar de door
de SERV uitgewerkte standaarden. De gedetailleerde inhoudelijke
invulling van andere opleidingen moet men meer overlaten aan de
onderwijsverstrekkers zelf.
- Organisatorisch worden scholen en centra geconfronteerd met
onderbroken leertrajecten van leerlingen en cursisten. In het experiment
is de koppeling aan lineaire structureringselementen, zoals het
schooljaar, hinderlijk. Modulaire trajecten moeten voldoende flexibel
zijn, maar enige stroomlijning is nodig. Modularisering vergt ook een
extra-investering in monitoring en trajectbegeleiding.
Evaluatie van het experiment moet al vroeg in de regeerperiode
uitsluitsel geven of, waar en hoe toepassing mogelijk is:
- Het experiment kan pas in een organieke regeling worden omgezet als de
voordelen van modularisering sterk naar voren treden, rekening houdend
met de meerkost, de effectiviteit voor leerlingen, de taakspanning van
de leerkrachten, het maatschappelijke rendement en de administratieve
last voor scholen.
- In het volwassenenonderwijs gelden dezelfde voorwaarden: daar zijn we
er vandaag nog niet in geslaagd de nieuwe modulaire structuur op ruime
schaal in te voeren. Ook daar zal dus een grondige evaluatie volgen, en
eventuele bijsturingen.
- In dezelfde filosofie zal ook werk gemaakt worden van een evaluatie
van de modularisering in de basiseducatie, met eventuele specifieke
aanpassingen aan de noden van het doelpubliek.
- Waar modularisering ingevoerd wordt, zullen het organisatorisch kader
en de structurerende elementen moeten worden gestroomlijnd.
Het raamwerk, de kaders worden van bovenuit vastgelegd. De concrete
vormgeving van de opleidingen is een bevoegdheid van de
opleidingsverstrekkers.
3.3.4 Flexibele trajecten in het hoger onderwijs
Met de uitvoering van het flexibiliseringdecreet worden flexibele
leertrajecten mogelijk in alle instellingen voor hoger onderwijs. De
instellingen zullen de inhoud en opbouw van hun opleidingsprogramma's
aanpassen. Bij die flexibilisering is ook een wettelijk kader uitgewerkt
voor de herkenning en erkenning van elders verworven competenties (EVC) en
eerder verworven kwalificaties (EVK). De verdere uitwerking daarvan moet
sporen met het uitbouwen van een kwalificatiestructuur. Het
bekwaamheidsonderzoek moet worden geconcretiseerd en we zullen ook nadenken
over leerbewijzen voor onafgemaakte leertrajecten en certificering van
opleidingsonderdelen. Er zal over gewaakt worden dat alle systemen voor
erkenning van verworven competenties voldoende samenhangen in verschillende
sectoren (hoger onderwijs, volwassenenonderwijs, andere
opleidingsverstrekkers, Europass …). Indien nodig, zal de inwerkingtreding
van de EVK/EVC-regeling in het flexibiliseringdecreet met een jaar worden
uitgesteld of zal worden mogelijk gemaakt dat de associaties terzake op een
verschillend moment starten.
3.4 Eindtermen en ontwikkelingsdoelen herzien
De overheid legt eindtermen en ontwikkelingsdoelen op. Dit zijn
minimumdoelen die alle scholen, ongeacht hun instroom, met al hun leerlingen
moeten realiseren of nastreven. Zo willen we een vergelijkbare
minimumkwaliteit in alle scholen en voor alle leerlingen waarborgen. We gaan
ervan uit dat scholen alle kinderen en jongeren gelijke kansen geven om hun
talenten te ontwikkelen. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen steunen op een
maatschappelijke consensus over het minimum aan competenties dat alle
leerlingen moeten verwerven om in het onderwijs door te stromen, succesvol
af te studeren en werk te vinden. Bovenop dat minimum moeten de scholen
uiteraard ruimte krijgen om hun eigen missie en visie te realiseren, en
moeten de leerkrachten ruimte krijgen voor de ontwikkeling van hun
professionaliteit.
Het Arbitragehof stelde uitdrukkelijk dat de eindtermen door de overheid
vastgelegde minimumnormen zijn, zoals bedoeld in het Internationaal verdrag
inzake economische sociale en culturele rechten. We zullen de eindtermen en
de ontwikkelingsdoelen evalueren volgens hun bijdrage tot de kwaliteit van
het onderwijs en de levenskansen van mensen. Aan de hand daarvan zullen we
nagaan of een herdefiniëring en mogelijke vermindering ervan zich opdringt.
De eindtermen voor het basisonderwijs en van de eerste graad SO evalueren we
vanaf 1 januari 2005. Na de evaluatie zal de overheid een bijgestuurd
voorstel doen waarover opnieuw breed overleg plaatsvindt. De nieuwe
eindtermen en ontwikkelingsdoelen moeten ten laatste op 1 september 2007
worden ingevoerd.
3.4.1 Vakgebonden en vakoverschrijdende eindtermen
(BaO en SO)
We gaan na of de eindtermen op het vlak van concept en uitwerking
sporen over de niveaus heen (basis- en secundair onderwijs,
volwassenenonderwijs). Ook zullen we nagaan hoe we grotere eenheid kunnen
brengen in de mate van detaillering, de competentiegerichte uitschrijving
ervan, enzovoort. Dit kan leiden tot een in ieder geval beperkter geheel van
realiseerbare, concretere eindtermen.
We bieden dit pakket van minimumnormen waarover maatschappelijke
consensus bestaat in één pakket - losser van de vakken van de basisvorming
- aan de leerplanmakers en schoolteams aan. We zijn van mening dat verbanden
tussen vakken aan belang moeten winnen. De formulering van de eindtermen op
een hoger en breder niveau doet niets af aan de uitvoering ervan in de
vakken. Het is aan hen om er op een pedagogisch-didactische verantwoorde
wijze een onderwijsaanbod mee uit te bouwen. Voor de leraren in de klas zelf
hoeft er niets te wijzigen, behalve dat er wat meer ruimte komt voor eigen
inbreng of voor een gezamenlijke aanpak. Voorwaarde is wel dat er op een
afgeslankt pakket eindtermen ook 'slankere' leerplannen volgen.
Met de jaren is de diversiteit van de vakoverschrijdende eindtermen
toegenomen. Dit wijst erop dat er vanuit de maatschappij steeds meer een
beroep wordt gedaan op het onderwijs om jongeren competenties in zeer
uiteenlopende domeinen bij te brengen. Toch kan het onderwijs niet op alle
maatschappelijke en educatieve vragen ingaan. Daarom zullen we de
vakoverschrijdende eindtermen evalueren. Via een bevraging van verschillende
groepen zullen we het maatschappelijk belang, de onderwijskundige relevantie
en de haalbaarheid van vakoverschrijdende thema's en hun uitwerking in
eindtermen nagaan. De evaluatie zal als basis dienen voor het herwerken van
de vakoverschrijdende eindtermen. We willen ervoor zorgen dat het onderwijs
zijn verantwoordelijkheid opneemt in het realiseren van de doelstellingen
die zowel vanuit maatschappelijk als onderwijskundig standpunt prioritair
beoordeeld worden. Anderzijds hoeven niet alle maatschappelijke claims
meteen in onderwijs een algemeen-geldende vertaling vinden.
3.4.2 Specifieke eindtermen (SO en VO)
In ieder geval zal de procedure voor het bepalen van de specifieke
eindtermen worden herzien. Die procedure is zo complex dat de
ontwikkeling van de eindtermen momenteel te traag vordert en in de toekomst
soepele aanpassingen aan wijzigende omgevingsfactoren hypothekeert. Het gaat
hier dus wel degelijk om een aanpassing van de in het Themadecreet
afgesproken procedures (32).
Voor de beroepsgerichte vormingselementen is een andere procedure nodig
dan voor de vormingsgerichte vormingselementen.
BEROEPSGERICHTE VORMINGSELEMENTEN
Fase 1: opstellen van kwaliteitsstandaarden voor beroepen
De Sociaal-economische Raad voor Vlaanderen maakt in opdracht van of in
samenwerking met sectoren standaarden, die de kwaliteitsstandaard
uitmaken om de Titel van Beroepsbekwaamheid te kunnen afleveren of om er
onderwijsopleidingen mee op te bouwen. Voor beroepsgerichte
onderwijsopleidingen hanteren we voortaan deze standaarden, zoals ook de
andere opleiders zullen doen. We zijn van mening dat er geen
onderwijskundige meerwaarde steekt in een oefening die standaarden omzet in
voor onderwijs geschikte specifieke eindtermen. De specifieke eindtermen
voor beroepsgerichte opleidingen in onderwijs en de standaarden die worden
beschreven voor de Titels van Beroepsbekwaamheid, die kunnen worden
verworven bij het doorlopen van een EVC-procedure, vallen dus voortaan samen
(33).
Fase 2: koppelen van kwaliteitsstandaarden aan opleidingen
De onderwijs- en opleidingspartners bepalen welke standaarden worden
nagestreefd in welke opleidingen. De opleiders (onderwijsverstrekkers maar
ook andere) geven zelf vorm aan hun opleidingen (34). Uiteraard kan
onderwijs ervoor kiezen breed vormend te werk te gaan, eerder dan smalle
beroepsopleidingen te maken. Ook de onderwijsopleidingen moeten de
standaarden omvatten, willen ze meteen toegang geven tot de arbeidsmarkt.
Zij moeten dus duidelijk maken waar die opleidingen passen in de
kwalificatiestructuur. Dit alles gebeurt in overleg tussen overheid en
opleidingsverstrekkers.
Tussenfase: wederzijdse alarmbelprocedure
Tussen de eerste en de tweede fase moet er wederzijds een marginale
toetsing plaatsvinden, die zo nodig een alarmbelprocedure voor overleg in
gang zet. In die tussenfase nemen de opleidingsverstrekkers kennis van
ontwikkelde standaarden en bekijken de sociale partners de wijze waarop de
opleidingsverstrekkers de standaarden integreren in hun opleidingen. Deze
marginale toetsing gebeurt in respect voor ieders bevoegdheden en leidt
slechts tot inhoudelijk overleg als een van beide partners rechtmatig meent
niet aan het werk te kunnen gaan met de afgeleverde 'producten'.
De marginale toetsing van de standaarden kan zich in de VLOR afspelen,
waar beide 'velden' aanwezig zijn, en moet zich beperken tot een
redelijkheidstoets.
DOORSTROMINGSGERICHTE VORMINGSELEMENTEN
Moeilijker wordt het voor onderwijsopleidingen die naast louter
beroepsgerichte standaarden, andere vormings- of doorstromingsgerichte
elementen bevatten. Dat is vooral zo voor het huidige ASO, TSO en KSO. Hier
blijven we bij specifieke eindtermen, al pogen we ook hier de
procedure te vereenvoudigen. We onderzoeken of er een piste kan worden
ontwikkeld - vergelijkbaar aan de standaarden - door in overleg met
VLIR en VLHORA startkwalificaties voor het hoger onderwijs te laten
ontstaan.
3.4.3 Het legaliteitsbeginsel
De Grondwet hecht grote waarde aan het begrip 'vrijheid van onderwijs',
in die mate zelfs dat alle essentiële zaken over onderwijs door de
decreetgever zelf moeten worden geregeld en niet zomaar kunnen worden
gedelegeerd. Nochtans, naarmate de overheid onderwijsactiviteit financiert,
respectievelijk subsidieert, kan ze eisen formuleren. Vrijheid van onderwijs
en verregaande en regelgeving kunnen zo op gespannen voet komen te staan met
elkaar.
Het legaliteitsbeginsel, de zorg van de wetgever dat de essentiële
aspecten van het onderwijs met een decreet moeten worden geregeld en niet
kunnen worden gedelegeerd aan de Vlaamse Regering, speelt niet langer bij de
standaarden, omdat het referentiepunt voor de minimale kwaliteit buiten het
onderwijsveld tot stand komt. Het themadecreet zal daaraan dus worden
aangepast, weliswaar rekening houdend met de bekommernissen van de sociale
partners, verenigd in de SERV, die er zeker van willen zijn dat ook
onderwijsopleidingen de standaarden effectief meenemen.
Standaarden (voor
alle opleiders, ook buiten onderwijs) en specifieke eindtermen (voor
onderwijs) komen bij wijze van convenant tot stand en worden bekrachtigd
door een Besluit van de Vlaamse Regering.
We gaan na of we decretale
vastlegging ook kunnen vermijden voor de op doorstroming gerichte specifieke
eindtermen, bijvoorbeeld doordat de kwaliteitsreferentie - zoals hierboven
aangegeven - bij VLIR en VLHORA en dus buiten het leerplichtonderwijs wordt
gelegd.
In ieder geval moet de ruimte voor de onderwijs- en
opleidingsverstrekkers worden vergroot, precies omdat we inzake
beleidsruimte meer gewicht aan de school en de scholengemeenschap willen
geven: standaarden en specifieke eindtermen moeten in hoeveelheid en
realisatietijd die ruimte laten.
We aanvaarden niet dat bepaalde leerlingen
(of hun ouders) deelname aan bepaalde lessen (biologie, geschiedenis,
lichamelijke opvoeding …) die rechtstreeks raken aan de eindtermen en
ontwikkelingsdoelen weigeren wegens hun geloof of levensbeschouwelijke
overtuiging.
3.4.4 Het talenonderwijs
De Europese staatshoofden en
regeringsleiders hebben in maart 2002 in Barcelona de noodzaak erkend om het
onderwijzen en leren van vreemde talen te verbeteren. Meer bepaald vroegen
zij de onderwijsministers maatregelen te nemen om onderwijs mogelijk te
maken van ten minste twee vreemde talen vanaf zeer jonge leeftijd. Door
vroeg contact met andere talen leert men niet alleen vlotter de juiste
uitspraak, maar staat men ook meer open voor taal, taaldiversiteit en andere
culturen. Het Vlaams Parlement keurde in april 2004 een wijziging van het
decreet Basisonderwijs goed die aan de Europese oproep tegemoet komt, en aan
de vraag van Vlaamse ouders om in het onderwijs vroeger met vreemde talen te
starten. Deze decreetwijziging maakt vanaf 1 september 2004 in Vlaanderen
het onderwijs Frans verplicht vanaf het vijfde jaar van het gewoon lager
onderwijs en laat initiatie in een of meer vreemde talen toe vanaf het
gewoon kleuteronderwijs. Frans krijgt hierbij voorrang.
Tijdens deze
regeerperiode zullen we bijkomende stappen zetten om het
vreemdetalenonderwijs in Vlaanderen meer samenhang en transparantie te
geven. Er moet ten eerste zowel voor de lerende als voor de werkgever
duidelijk gemaakt worden welke niveaus van taalcompetenties bereikt worden
in het secundair onderwijs en in het volwassenenonderwijs. Hiervoor zullen
we het Europese Referentiekader voor Talen gebruiken dat zes
competentieniveaus bevat, van beginnerniveau tot het niveau vergelijkbaar
met een moedertaalspreker. Het koppelen van de bestaande eindtermen voor
vreemdetalenonderwijs aan het Europese referentiekader zal, zowel in
Vlaanderen als in internationaal verband, de aansluiting in het
opleidingenaanbod, de aansluiting op de arbeidsmarkt én de transparantie
van de talencompetentie verhogen. Dit sluit aan bij de uitbouw van een
transparante kwalificatiestructuur in Vlaanderen.
Nu het taalportfolio op
Europees niveau belangrijker geworden is in het kader van de nieuwe Europass
(35), zal de Vlaamse overheid het gebruik van dit instrument activeren.
3.5 Burgerschap stimuleren
3.5.1 Vorming tot burgerzin
De laatste jaren is
de wereld waarin wij leven, meer divers en daardoor ook complexer en
moeilijker geworden, zo schreven we in de omgevingsanalyse (zie
1.1). We
leven dagelijks samen met mensen van verschillende herkomst, met
uiteenlopende tradities en waarden. Voor veel mensen, jong en oud, zijn de
tradities, overtuigingen of gewoonten van anderen niet alleen 'anders', maar
ook ontoegankelijk of onbegrijpelijk. De angstgevoelens die daaruit
voortvloeien, vormen een voedingsbodem voor ondemocratische reacties.
Enerzijds is de culturele diversiteit een rijkdom, anderzijds doet ze het
debat oplaaien over eigenheid, identiteit en cultuur, 'wij' en 'zij' en over
het omgaan met verschillen.
Ook voor het onderwijs is die diversiteit een
uitdaging. Met instrumenten zoals een actief toelatingsbeleid (zie
3.2) en
een beleid voor de evenredige vertegenwoordiging van kansengroepen in het
onderwijspersoneel (zie 2.4.3) willen we de diversiteit in de
onderwijsinstellingen stimuleren. Door inzicht in andere leef- en denkwijzen
wordt respectvol omgaan met anderen mogelijk. Precies daarom willen we de
vorming van burgerschap stimuleren. Via vakoverschrijdende eindtermen van
burgerschap willen we jongeren vaardigheden bijbrengen om verschillen tussen
mensen te waarderen, respectvol om te gaan met mensen uit andere culturen en
met andere denkwijzen en als actieve en kritische burgers de democratie en
de solidariteit in de maatschappij mee vorm te geven. Het behoort immers tot
de missie van het onderwijs te zorgen voor de democratische basis van onze
maatschappij en de sociale samenhang te versterken. Waar mogelijk zullen we
de scholen ondersteunen in het werken rond de eindtermen burgerschap, want
de school is de enige instelling die alle mensen gedurende een deel van hun
leven bereikt.
Een publicatie over vredeseducatie voor het basisonderwijs van de Canon
Cultuurcel van het Departement Onderwijs zal aandacht besteden aan de
eindtermen, aan visieontwikkeling en didactische werkvormen, en goede
praktijkvoorbeelden en praktische informatie bevatten. Scholen die
vernieuwende projecten opzetten rond bijvoorbeeld verdraagzaamheid,
antiracisme, kinderrechten kunnen in het kader van de Dynamo² projecten
rond 'democratische school' een beroep doen op financiële ondersteuning.
Burgerschapsvorming kan echter niet beperkt blijven tot het curriculum. Het
curriculum en projecten alleen kunnen de waardevorming niet fundamenteel
beïnvloeden. Het schoolklimaat, de participatiecultuur, en de degelijkheid
en de netheid van de schoolgebouwen moeten de waarden en normen die in de
lessen worden aangemoedigd, ondersteunen. Zo kunnen leerlingen de burgerzin
die in de lesinhouden vervat is, in de schoolgemeenschap toepassen. Om
jongeren te vormen tot kritische, constructieve en actieve burgers, moeten
burgerschap en democratische vaardigheden in de school zelf in praktijk
worden gebracht. Dat kan bijvoorbeeld door leerlingen te betrekken bij het
vaststellen van regels en het regelen van conflicten, zoals bijvoorbeeld in
het herstelgericht overleg (zie 3.2.2). We zullen de
invoering van het leerlingenstatuut, dat een onderwijsgebonden
concretisering van het Kinderrechtenverdrag zal zijn, kaderen in een
perspectief van burgerschap op school. Dat betekent dat we de rechten en
plichten van de jongeren zullen definiëren in relatie tot de rechten en
plichten van de andere schoolactoren. Het leerlingenstatuut zal de
leerlingen aanmoedigen om hun school mee uit te bouwen tot een
leefgemeenschap. Het leerlingenstatuut mag het gezag van de leerkrachten
niet ondermijnen en evenmin leiden tot juridisering. Het zal voldoende
ruimte laten voor de uitwerking en invulling per school of
scholengemeenschap. Speciale aandacht zal hierbij gaan naar de taakbelasting
en het welbevinden van leerlingen.
Uiteraard spelen leerkrachten een belangrijke rol in het stimuleren van
burgerschap bij de leerlingen. Ze hebben een voorbeeldfunctie, niet alleen
tijdens de lessen, maar in alle aspecten van het schoolleven. Het zijn in de
eerste plaats zij die abstracte ideeën zoals burgerschap en diversiteit in
de les- en schoolpraktijk moeten vertalen.
De kracht van je stem
De educatieve dienst van het Vlaams Parlement organiseert jaarlijks een
leerkrachtendag, waarop lesmateriaal bekend wordt gemaakt aan het
onderwijsveld. Het educatief materiaal 'de kracht van je stem' dat in
opdracht van de overheid door de VLOR rond de thema's mensenrechten en
kinderrechten, democratie en rechtstaat, verkiezingen en partijen, overheden
en instellingen werd ontwikkeld, wordt aangewend bij bezoeken van scholen
aan het Vlaams Parlement.
We zullen tijdens deze regeerperiode het initiatief van De Week van de
Diversiteit voortzetten, maar de klemtoon ervan op de leerkrachten leggen.
We zullen een oproep doen naar leerkrachten in opleiding, lerarenopleiders,
nascholings- en zelforganisaties om omgaan met diversiteit expliciet in de
opleiding van leerkrachten en de stages te betrekken. We zullen de goede
praktijkvoorbeelden die zo tot stand komen, bekendmaken en de mogelijkheid
bieden ervaring uit te wisselen. Bestaande expertise wordt gebundeld, wat
een verspreiding en verankering van de kennis terzake in het onderwijs
bevordert.
Partnerschappen met bijvoorbeeld jeugdraden of met jongerenverenigingen,
kunnen een belangrijke bijdrage leveren tot het uitwisselen van ervaringen
en goede praktijkvoorbeelden rond burgerschapseducatie. De contacten met de
medeleerlingen en de gedeelde ervaringen zijn cruciaal om de
gemeenschapsvorming en de waardering ervan te bevorderen.
Het Europese Jaar van het Burgerschap door Onderwijs (2005) zal een eerste
aanzet geven tot het creëren van netwerken en het identificeren en
verspreiden van goede praktijkvoorbeelden en materiaalondersteuning. Dit
Europese Jaar, een initiatief van de Raad van Europa, is een ontwikkeljaar.
Bestaande en nieuwe instrumenten en initiatieven ter ondersteuning van
burgerschapseducatie zullen worden bekendgemaakt en verspreid. Ze kunnen dan
door de betrokkenen worden uitgetest en geëvalueerd. Ook hier zal
bijzondere aandacht uitgaan naar de ontwikkeling van competenties op vlak
van burgerschapseducatie in de lerarenopleiding. Zo beschikken de
betrokkenen over voldoende instrumenten om na 2005 burgerschapseducatie ten
volle te realiseren in de lerarenopleiding en in de klas.
3.5.2 Islamleerkrachten
De opleiding tot islamleraar in de Erasmushogeschool is totnogtoe uniek
in de Vlaamse Gemeenschap. Het studentenaantal was aanvankelijk laag, maar
groeit gestadig. Dit academiejaar volgen 65 studenten de opleidingseenheid
islamitische godsdienst. Die opleiding heeft dus succes. We vinden het
belangrijk het seculiere karakter ervan te waarborgen: inbedding in de
reguliere lerarenopleiding en combinatie van onderwijsbevoegdheid
islamleerkracht met andere vakken. Daarom zullen we de opleiding van
leerkrachten islamitische godsdienst in de reguliere lerarenopleidingen in
de Vlaamse Gemeenschap inbedden. Een werkgroep, waarin de moslimexecutieve,
de bestaande organisatoren en het onderwijsveld betrokken worden, zal
hierover een visie en stappenplan uitwerken. Uiteraard zal daarbij worden
vertrokken van de ervaring die de Erasmushogeschool inmiddels heeft
opgedaan. Via de aanstelling van een coördinator werd immers ook gewerkt
aan het verhogen van de instroom en de doorstromingskansen van studenten en
aan de interculturalisering van de lerarenopleiding.
3.5.3 Opleiding van imams
De opleiding van de imams als bedienaar van de islamitische eredienst,
moeten we situeren in het regelgevende kader van erkende godsdiensten in ons
land. In dat kader willen we concrete stappen zetten om een volwaardige
opleiding voor imams in Vlaanderen uit te bouwen (36).
Uiteraard zijn het de (erkende) instanties zelf die de vereisten bepalen
voor het onderwijs dat hun bedienaars moeten gevolgd hebben. De
verantwoordelijken voor de moslimeredienst in België zijn zich bewust van
de problematiek die voortvloeit uit de aanwezigheid van imams afkomstig uit
het buitenland. Zij bevelen zowel taalkundige, maatschappelijke (kennis van
België en zijn instellingen) als ethisch-theologische vorming aan. De
Executieve is vragende partij voor de oprichting van een faculteit
Islamitische Theologie. In het overleg met de moslimgemeenschappen dat moet
worden opgestart, willen we nagaan hoe we een academische bachelor- en
masteropleiding in de islamitische godsdienstwetenschappen/theologie kunnen
uitbouwen. We zullen daarbij streven naar samenwerking met bestaande Vlaamse
academische centra. Een mogelijke piste is dat we stimulansen geven of
afspraken maken waardoor imams in Vlaanderen hun vorming als bedienaar van
de godsdienst zouden moeten volgen aan centra waar een wetenschappelijke
studie van de islam en zo mogelijk een vergelijkende studie van
wereldgodsdiensten aangeboden wordt (37).
Er bestaat momenteel evenwel geen functieomschrijving die aangeeft welk
soort kennis (theologisch, sociaal-wetenschappelijk, historisch-cultureel)
nodig is voor de uitoefening van de functie van imam.
De erkenning van de huidige Executieve van de Moslims als officiële
gesprekspartner van de overheid liep af. In afwachting van de aanstelling
van een nieuwe instantie, handelt de huidige executieve enkel de lopende
zaken af. Zodra er een nieuw orgaan zal erkend zijn, zullen samen met de
Vlaamse minister bevoegd voor binnenlandse aangelegenheden de gesprekken
over het islamonderwijs opnieuw worden opgestart.
3.6 Wetenschappen, technologie en
ICT-vaardigheden
3.6.1 Meer diploma's in wetenschap en technologie
Het is een van de door de EU uitgezette indicatoren, op weg naar de
Lissabondoelstellingen: er moeten meer diploma's worden uitgereikt in
wetenschappen en technologie. In het hoger onderwijs kan je ermee uitpakken
technologie te studeren. Dan kijkt men naar je op. In het secundair
onderwijs is dat echt niet zo. Technische en technologische vakken en
richtingen worden veeleer als minder beschouwd dan de andere.
Als Vlaanderen zijn welvaart en welzijn wil bestendigen, dan zullen
wetenschap en technologie in de toekomst een meer centrale plaats moeten
hebben in de maatschappij en in het on-derwijs. Technologie moet deel
uitmaken van de algemene vorming van alle jon-ge-ren, omdat een minimum aan
technologische kennis en vaardigheden nodig is om te kunnen functioneren in
de maatschappij van morgen. Daarom moeten leerlingen al van in het
basis-on-derwijs op een aantrekkelijke manier kunnen kennismaken met
technologie.
We moeten ook méér ruimte bieden aan technologie in alle
onderwijsvormen van het SO. In het studiegebied ASO worden techniek en
technologie nu onderbelicht, hoewel ze niet meer uit onze leefwereld zijn
weg te denken. Alleen al de dagelijkse gebruiksvoorwerpen van jongeren, gsm,
mp3, cd-rom confronteren hen daarmee. Er zijn dus zeker aanknopingspunten om
hen voor techniek en technologie te interesseren en de waardering voor die
domeinen te verhogen. Tech-nolo-gie kan niet worden beperkt tot één vak,
technologische opvoeding. Het dringt door in tal van vakken.
Vak-over-schrij-dende samenwerking en projectwerk kunnen hier dus aangewezen
zijn.
Ook bewustmaking van het belang van wetenschap, techniek en technologie
bij ouders, leerkrachten en leerlingen moet hier een belangrijke strategie
worden.
3.6.2 Betere ICT-vaardigheden
Aansluitend hierbij is er de informatie- en communicatietechnologie
(ICT). Tegen het einde van de leerplicht moeten leerlingen over de
basiscompetenties beschikken om met ICT overweg te kunnen.
Cruciaal is dat leerlingen leren hoe ze hun leerproces zelf in handen
kunnen nemen en over de vaardigheden beschikken om levenslang hun
competenties op punt te stellen. In het zelfgestuurd leren speelt ICT een
belangrijke rol. De educatieve portaalsite Klascement is een aanbod
van e-learning voor het basis- en secundair onderwijs, dat bestaat uit
leermiddelen die door leerkrachten zelf worden gecreëerd. We zullen dit
aanbod verder ondersteunen, omdat hier transparantie en een verdere
professionalisering op vlak van vormgeving, standaardisering en
classificatie van de leerinhouden nodig zijn.
Om de digitale kloof te dichten, is het ook belangrijk dat scholieren en
cursisten vlot kunnen beschikken over ICT-infrastructuur en beter toegang
krijgen tot het internet. Via de ICT-monitor volgen we de aanwezige
ICT-infrastructuur en het gebruik ervan nauwgezet op. Tweejaarlijks bevragen
we steekproefsgewijs de scholen en instellingen van het leerplichtonderwijs,
het onderwijs voor sociale promotie en de basiseducatie. Die bevraging
handelt over de aanwezige ICT-infrastructuur (hardware, software en
netwerkinfrastructuur) en de internetverbindingen, het gebruik en de
integratie ervan in de leercontext, de ICT-vaardigheden van leerkrachten,
leerlingen en cursisten en de percepties over het educatieve ICT-gebruik bij
relevante actoren. Op basis daarvan zullen we nagaan of er behoefte is aan
extra financiering. Voor softwarebeleid zullen we naar kwaliteitsvolle en
betaalbare ICT-oplossingen zoeken zoals de open source software en het
onderwijsveld informeren over de mogelijkheden die deze bieden. Het
regionale expertisecentrum Vlaanderen zal de didactische omgang met vrije
software integreren in zijn nascholingsaanbod. De ICT-coördinatoren zullen
ook betrokken worden bij de uitwisseling en ondersteuning van vrije software
in het onderwijs.
In samenwerking met de ICT-coördinatoren, de koepels en andere relevante
actoren zal een takenprofiel voor de ICT-coördinatoren worden ontwikkeld om
een beter evenwicht tot stand te brengen tussen pedagogische en technische
ICT-coördinatie. Het aanbod van het Regionaal Expertise netwerk Vlaanderen
(REN Vlaanderen), dat nascholing en ondersteuning aanbiedt voor het
pedagogisch gebruik van ICT in het onderwijs, zal worden afgestemd op de
noden en vragen van ICT-coördinatoren.
Ook de Basiseducatie heeft een belangrijke opdracht in het bijbrengen van
ICT-basisvaardigheden aan lager geschoolde volwassenen. Daarom moet het
huidige modulaire ICT-traject meer aangepast worden aan de noden van de
doelgroep (zie hoofdstuk 4).
3.7 Op naar de 'brede school'
Een 'brede school' is een duurzame samenwerking van scholen met andere
instellingen of partners voor de ontwikkeling van kinderen. Hoe die
samenwerking vorm krijgt, met welke instellingen de school samenwerkt en met
welk doel, hangt af van de lokale behoeften en omstandigheden.
In Vlaanderen lieten verscheidene sectoren hun interesse in de 'brede
school' blijken. Met name de cultuur- en sportsector zijn vragende partij om
samen met de onderwijssector 'brede scholen' te introduceren.
DIVERSE PROFIELEN VAN BREDE SCHOLEN
Dé brede school bestaat niet. Er zijn verschillende profielen,
naargelang de doelstelling die de brede school in kwestie heeft en
naargelang de partners die betrokken zijn.
In Nederland, waar men al een tiental jaren ervaring heeft met brede
scholen onderscheidt men vijf profielen:
- Het achterstandsprofiel:
- Doel: het wegwerken en/of vermijden van onderwijs en
ontwikkelingsachterstanden.
- Partners: welzijnsinstellingen, peuterzaal, speel-o-theek,
thuiszorg, …
- Het verrijkingsprofiel:
- Doel: een brede sociale ontplooiing van kinderen via binnen- en
buitenschoolse leerervaringen (levensbreed leren).
- Partners: buurtcentra, sportbuurtwerk, muziekschool, centra voor
kunstzinnige vorming, sport en cultuurverenigingen, …
- Het zorgverbredings- en dienstverleningsprofiel:
- Doel: verbreding van de zorg rond kinderen in en om de school,
door goede aansluiting tussen de school en andere
instellingen.
- Partners: schoolarts, thuiszorg, wijkverpleegkundigen, integrale
jeugdzorg, schoolbegeleidingsdiensten …
- Opvangprofiel:
- Doel: tegemoet komen aan de groeiende behoefte aan kinderopvang en
versterking van de voorschoolse educatie.
- Partners: instellingen voor kinderopvang, scouting,
sportverenigingen en tienercentra.
- Wijkprofiel:
- Doel: de school is een basisvoorziening in de wijk en draagt bij
tot de sociale samenhang.
- Partners: welzijnsinstellingen, politie, speeltuinvereniging,
zelforganisaties, …
Sommige brede scholen beantwoorden aan één profiel, andere combineren
er verschillende. Intersectorale partnerschappen in en rond onderwijs zijn
niet nieuw in Vlaanderen. In de meeste gevallen gaat het echter om
bilaterale samenwerking, zelden om netwerken waarbij verschillende sectoren
betrokken zijn zoals onderwijs, welzijn, cultuur, sport, milieu,
gezondheid.
WAAROM EEN BREDE SCHOOL?
De brede school kan een antwoord bieden op de vele vragen waarmee scholen
worden geconfronteerd. Er wordt steeds meer verwacht dat scholen de jongeren
zeer uiteenlopende competenties bijbrengen en een actieve rol opnemen in hun
opvoeding. Maatschappelijke problemen dringen de schoolmuren steeds meer
binnen, soms op een agressieve manier. Scholen worden zo genoodzaakt om
samenwerkingsverbanden met diverse partners aan te gaan.
In de Gentse volkswijken Sluizeken-Tolhuis-Ham-Blaisantvest-Voormuide hebben
buurtbewoners zich rond vier wijkscholen geschaard om van de scholen een
sociale spil te maken. Er wordt na schooltijd en tijdens de vakanties een
intens en gevarieerd vrijetijdsaanbod verzekerd aan de kinderen. Maar ook
ouders en leerkrachten worden niet vergeten: multiculturele wijkwandelingen
helpen leerkrachten om zich in te leven in de leefwereld van de allochtone
leerlingen uit hun klas. Ouders worden warm gemaakt door vertel- en
voorleesprojecten en kunnen in de school zelf Nederlandse taalles volgen,
aangeboden door het Centrum voor Basiseducatie. Er wordt gepraat over
huiswerk, agenda´s, opvoedingsprincipes, enzovoort. Samen met de politie
wordt in alle scholen gewerkt rond verkeersveiligheid. Het netwerk kreeg in
2003 de prijs 'School van de Hoop' van de Koningin Paola stichting.
Het samenbrengen van partners uit verschillende sectoren rond een school
levert ook een verbreding van het onderwijs op. Voor de betrokken partners
is de school een unieke toegangspoort om ook hun eigen missie waar te maken.
De school is immers de enige plaats in onze samenleving waar je iedereen kan
bereiken. In dat opzicht zien we de brede school als een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van verschillende sectoren.
We zien de brede school onder meer als een mogelijkheid om -vooral in het
lager onderwijs- de lichamelijke opvoeding te versterken. Sport, maar ook
bewegingsopvoeding krijgen meer mogelijkheden door een goede samenwerking
tussen enerzijds de school en anderzijds de sportverenigingen en de
gemeentelijke sportdiensten. De combinatie van lichamelijke opvoeding in
combinatie met schoolsport (aansluitend op de schooltijd en op
woensdagnamiddag) kan alvast de fysieke conditie van de jongeren verbeteren.
De afdeling Jeugd en Sport van de administratie Cultuur van de Vlaamse
Gemeenschap subsidieert het Jan-Van-Ruusbroeckcollege te Brussel voor de
aanpassing van de sportinfrastructuur van de school, onder meer om de
sporthal en het zwembad rechtstreeks toegankelijk te maken vanaf de openbare
weg. Het college wenst de sportinfrastructuur in de toekomst in ruimere mate
ter beschikking te stellen van andere scholen in de regio en van de Vlaamse
sportbeoefenaars sportclubs, jeugdverenigingen en gemeenschapscentra uit de
omgeving en dit buiten de lestijden.
De brede school biedt ook mogelijkheden om de
samenwerkingsverbanden kunnen kunst en cultuur op een actieve manier in het
onderwijs geïntegreerd worden. Participatie (zowel receptief als
productief) aan culturele en creatieve activiteiten leidt tot betere sociale
vaardigheden en grotere culturele competenties (zie ook verder).
DE BREDE SCHOOL MOGELIJK MAKEN
Een brede school kan slechts bloeien en vruchten afwerpen als ze vanuit
de basis tot stand komt en kan rekenen op de inzet van alle betrokkenen.
Vanuit de centrale overheid zullen we de samenwerkingsverbanden de nodige
ruimte en ondersteuning bieden. We zullen zorgen dat wie wil samenwerken dat
ook kan, door onder meer juridische hinderpalen weg te werken. In dit kader
denken we aan:
- het creëren van instrumenten die de gemeenten toelaten eenzelfde
ondersteunend beleid te voeren voor alle scholen op hun grondgebied,
voor alle aangelegenheden - ook voor deze die niet als sociale voordelen
gezien worden - die op de grens liggen tussen onderwijs enerzijds en
welzijn, cultuur, jeugd, sport, en dergelijke anderzijds (zie
1.3.5);
- het opheffen van verbodsbepalingen rond het gebruik van
schoolgebouwen;
- het onderling afstemmen van normen voor schoolgebouwen en normen voor
gebouwen met andere dan een onderwijsfunctie;
- het voorzien in mogelijkheden om bouwprojecten te subsidiëren voor
multifunctionele gebouwen.
Ondanks de mogelijkheden die de samenwerkingsverbanden bieden, beseffen
we dat samenwerking niet gemakkelijk is en er tal van valkuilen zijn, zowel
praktische als inhoudelijke. Wie draagt verantwoordelijkheid bij
gemeenschappelijk gebruik van infrastructuur? Welk pedagogisch concept wordt
nagestreefd: een gemeenschappelijk concept, of kan ieder zijn eigenheid
bewaren? Hoe zit het met de taakbelasting van leerkrachten in brede scholen?
Wat levert de samenwerking op voor het schoolklimaat, voor de
jobtevredenheid van leerkrachten? Om de brede school verder impulsen te
geven, zullen we goede praktijkvoorbeelden opsporen en bekend maken.
Daarnaast willen we via een ondersteuningsfonds beginnende brede scholen
tegemoet komen in de extra inspanningen en kosten die met de uitwerking
ervan gepaard gaan (uitbouwen van het netwerk, coördinatie van de
activiteiten, toezicht…). Op termijn moeten zowel de school als de
partners voordeel uit het netwerk kunnen halen. Het ondersteuningsfonds zal
prioritair worden aangewend voor het opzetten van brede scholen die
kansenbevorderend werken en de betrokkenheid van ouders en buurt bij de
school vergroten.
3.8 Onderwijs en sport
De Vlaamse regering zal binnen de beschikbare begrotingsmarges en in
overleg met onder meer de sportclubs en hun federaties, de gemeenten en het
onderwijsveld een eigen Vlaams sportmodel uitwerken dat aandacht besteedt
aan kwalitatieve opleiding, aangepaste infrastructuur en een duurzame
financiering. Sport op school is een uitermate geschikt middel om talenten
van leerlingen tot ontplooiing te laten komen, hen succeservaring te laten
beleven, hen tot fair play te brengen, hun zelfvertrouwen te vergroten en
aan de maatschappelijke samenhang te werken.
Topsportscholen en een hoogwaardige ondersteuning zullen jonge
beloftevolle sporters alle kansen geven om een sportloopbaan uit te bouwen.
We bouwen verder aan de initiatieven op het vlak van het topsportbeleid en
doen dit in samenwerking met de sportfederaties, het Olympisch en
Interfederaal Comité, de universiteiten en hogescholen. We overleggen
hiervoor met de bevoegde Minister voor Sport. Ook het onderwijskundige
gedeelte van de topsportscholen willen we nadrukkelijk kwaliteitsvol
uitbouwen, om maximale garanties te bieden voor een verdere loopbaan in de
sportwereld of elders.
Niet alleen topsport, maar ook de lichamelijke opvoeding in het algemeen
en het bewegen op school, belangrijk voor de fysieke fitheid van onze jeugd,
verdienen meer aandacht. We zullen alle scholen daartoe stimuleren.
3.9 Onderwijs en cultuur
In Arnhem wordt veel aandacht gegeven aan cultuureducatie vanuit
gemeentelijk achterstandsbeleid. In 2001 nam de particuliere Stichting
Beleven het initiatief voor het project Kunstbuurt Malburgen, Kunstbuurt
Presikhaaf. De stichting heeft inmiddels op drie voorrangscholen
kunstinitiators gedetacheerd voor 24 uur per week. Die begeleiden
leerkrachten bij de invulling van creatieve uren, verzorgen trainingen aan
docenten en ondersteunen de schoolleiding bij het ontwikkelen van een visie
op cultuureducatie. 'De creatieve uren werden voorheen vaak halfslachtig
ingevuld', zegt Jan Verschure van de stichting. 'Logisch, de nadruk ligt bij
deze scholen immers op de cognitieve vakken. Wij helpen de scholen ook bij
de creatieve vakken het beste uit de leerlingen te halen.' De leerlingen
hebben er baat bij, zegt Verschure. 'Uit meerdere onderzoeken is gebleken
dat als kinderen zich kunnen ontplooien bij de creatieve vakken, dit effect
heeft op hun prestaties bij de cognitieve vakken.' Het project heeft een
looptijd van drie jaar. Is Verschure niet bang dat de cultuureducatieve
projecten daarna inzakken? 'Nee, integendeel. De kunstinitiators zorgen voor
structurele inbedding in het curriculum en stellen met de school een
schoolwerkplan op, zodat de school daarna zelfstandig verder kan.'
De mate waarin een kind in aanraking komt met cultuur heeft een positieve
invloed op de schoolprestaties. Dit blijkt ook uit het recente
PISA-onderzoek. De prestaties van de jongeren die het meest in aanraking
kwamen met cultuur zijn gemiddeld beter dan die van de jongeren die het
minst met cultuur in aanraking kwamen. Zelfs als men rekening houdt met de
sociaal-economische achtergrond en het opleidingsniveau van de ouders van de
kinderen is het verschil nog merkbaar.
Kinderen en jongeren moeten dus worden uitgedaagd tot een kritisch,
bewust actief en weerbaar omgaan met alles wat hen aan kunst en cultuur
omringt, en dat gaat van het overgeleverde kunstpatrimonium tot de
multiculturele wereld waarin zij vandaag leven. Dit leidt immers tot betere
sociale, culturele en creatieve competenties, waarvan het belang in alle
geldingen van onze samenleving voortdurend toeneemt. Onderzoek wees recent
uit dat het onderwijs een cruciale rol te vervullen heeft in het stimuleren
van deze cultuurcompetenties, en in het bieden van gelijke kansen hiervoor
aan alle leerlingen, ook aan hen die buiten de school niet of nauwelijks met
cultuur in contact komt. Kinderen die hun eerste kennismaking met cultuur op
jongere leeftijd meemaken, bijvoorbeeld een theaterbezoek, zullen later ook
frequenter culturele voorstellingen en activiteiten bezoeken.
Dat cultuureducatie belangrijk is in het Vlaamse onderwijs is al ruime
tijd duidelijk. Er zijn dan ook in de loop der jaren talloze initiatieven
genomen om via die weg cultuurparticipatie te bevorderen. In het departement
delen verschillende afdelingen initiatieven en verantwoordelijkheden op dit
vlak. Maar ook in andere beleidsdomeinen (cultuur) en sectoren
(kunsteducatieve organisaties, kunst- en cultuurcentra, musea, steunpunten,
gezelschappen…) tracht men stappen te zetten richting onderwijs. Het
gevolg is een zeer rijk en divers maar tegelijkertijd ook versnipperd aanbod
aan initiatieven, waarbij veel expertise wordt gegenereerd. Maar die gaat
ook verloren bij gebrek aan afstemming en (h)erkenning. Vanuit deze
vaststelling is er dringend nood aan één punt waar alle informatie over
cultuureducatie verzameld, gebundeld en verspreid wordt. De CANON-cultuurcel
in het Departement Onderwijs, kan, in structureel overleg met de
verschillende actoren, in de toekomst deze taak op zich nemen.
Bij een nieuw te ondertekenen protocol cultuur-onderwijs, zullen we
bekijken hoe cultuur en onderwijs samen kunnen werken om de
cultuurparticipatie en culturele competentie te verhogen voor elke leerling.
Een speciale aandacht moet hierbij uitgaan naar hen die van huize uit niet
met cultuur in aanraking komen, zowel op basis-, secundair als
hogeschoolniveau. Zo denken we bijvoorbeeld aan een intensievere
samenwerking met de kunsteducatieve sector, de kunst en culturele
instellingen en aan een samenwerking met en ondersteuning van locale actoren
in het kader van de brede school. Het bestaande protocol zal geëvalueerd
worden en er zullen gezamenlijke actiepunten worden opgesteld op basis van
de al geformuleerde voorstellen van de voorbije stuur- en adviesgroepen.
Daarnaast zullen we werken aan een verdere harmonisering van de regelgeving
en het ondersteunen van samenwerkingsinitiatieven.
DEELTIJDS KUNSTONDERWIJS
Ook het deeltijds kunstonderwijs (DKO) heeft in deze een belangrijke
taak. Het DKO telt momenteel 166 instellingen over heel Vlaanderen, waarvan
100 instellingen voor podiumkunsten (muziek, woord en dans) en 66 academies
voor beeldende kunst. Het DKO-landschap is gegroeid vanuit lokale behoeften
om deeltijds kunstonderwijs aan te bieden. De huidige
programmatieregelgeving dateert van 1999 en vertrekt van een status-quo van
de historisch gegroeide invulling van het landschap. Bovendien bevat de
regelgeving nogal wat consoliderende maatregelen zoals de bevriezing van het
aantal hoofdinstellingen door de 15km-regel.
We willen het DKO kansen bieden om op een verantwoorde manier verder te
ontwikkelen. Daarom zullen we onderzoeken hoe het opheffen van blokkerende
voorwaarden kan leiden tot het invullen van pertinente behoeften. We zullen
ook de decretale basis van het deeltijds kunstonderwijs actualiseren en
versterken en ook hier kijken naar mogelijke samenwerkingsverbanden. In
tegenstelling tot andere onderwijsniveaus bestaat er voor het deeltijds
kunstonderwijs geen formeel forum voor samenwerking tussen instellingen. Om
de oprichting van bijkomende structuren zonder toegevoegde waarde te
vermijden, willen we die samenwerking van onderuit laten groeien. Het is
zinvol daarbij geleidelijk te werk te gaan, rekeninghoudend met de eigenheid
van het DKO-landschap. Bovendien moet samenwerking ook daadwerkelijk iets
opleveren voor de eigen werking van de academies. We denken daarbij aan
beleidsuitwisseling tussen directies, maar ook aan het samen zoeken naar
oplossingen voor concrete problemen.
3.10 Een krachtige inhaalbeweging voor infrastructuur
en uitrusting van scholen
Vlaanderen heeft de voorbije decennia te weinig geïnvesteerd in
onderwijsinfrastructuur. Wij moeten dit erkennen. Infrastructuur werd te
vaak benadeeld ten voordele van personeel en werking. De kapitaaluitgaven
voor het leerplichtonderwijs hebben een erg laag niveau. Volgens de laatste
gepubliceerde gegevens van de OESO (Education at a Glance 2004) bereiken de
Vlaamse inspanningen voor schoolinfrastructuur nog niet de helft van het
OESO-gemiddelde (38).
Investeren in scholenbouw heeft nochtans belangrijke effecten. Effecten
op motivatie (en dus prestaties) van leerlingen en leerkrachten, met
afgeleide (termijn) effecten op maatschappelijk welzijn en op economie en
werkgelegenheid (cf. multiplicatoreffecten in bouw- en aanverwante
sectoren).
Er dringt zich dan ook een belangrijke inhaalbeweging op in de
modernisering van de schoolinfrastructuur in Vlaanderen. Dit is ook een
recente en terechte vraag van het Vlaams Parlement (39).
Het schoolpatrimonium is immers erg verouderd (40).
In de voorbije onderzoeksjaren van de onderwijsinspectie zijn dan ook een
aantal ongunstige adviezen te wijten aan de onaangepaste infrastructuur van
de schoolgebouwen.
Allerhande niet-onderwijsgebonden reglementering, denk maar aan
brandveiligheid, toegankelijkheid voor personen met bijzondere noden,
milieureglementering, EU-normering rationeel energiegebruik…waarmee de
inrichtende machten als bouwheer geconfronteerd worden, verhogen daarenboven
vaak de kostprijs van een infrastructuurproject en doen het bedrag van de
vaak geciteerde wachtlijsten voor subsidies stijgen.
Door de wachtlijsten en de lange wachttijd nemen steeds meer scholen
noodgedwongen hun toevlucht tot beperkte geschiktmaking/renovatie om de
hoogste nood te lenigen, ten koste van duurzame
(ver)nieuwbouwprojecten.
3.10.1 Huidig subsidiesysteem en
infrastructuurbehoefte
HUIDIG SUBSIDIESYSTEEM
Het gemeenschapsonderwijs kan rekenen op een volledige financiering
(100%), waarvoor de middelen worden toegekend door de Raad voor het
Gemeenschapsonderwijs (RAGO). Deze financiering omvat zowel de gebouwen als
de grond. Er is ook nog een specifieke toelage voor eigenaarsonderhoud. In
de begroting 2005 is voor de investeringsdotatie voor het
gemeenschapsonderwijs een totaal krediet ingeschreven van 28,26 miljoen euro
aan ordonnanceringen (en 31,25 miljoen euro aan vastleggingsmachtigingen) (41).
Het gesubsidieerd onderwijs (officieel en vrij) ontvangt een financiering
die overeenstemt met 70% van het investeringsbedrag voor het basisonderwijs
en met 60% van het investeringsbedrag voor het secundair onderwijs. Deze
financiering heeft enkel betrekking op de gebouwenconstructies, gronden
komen niet in aanmerking voor subsidiëring. De financieringsmiddelen worden
toegekend door de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd
Onderwijs, DIGO. De inrichtende machten van deze gesubsidieerde netten
vullen zelf in hoe ze het ontbrekende deel financieren, via eigen middelen
of d.m.v. leningen. Voor deze leningen kan een waarborg worden verleend door
DIGO. Om in aanmerking te komen voor de subsidie van DIGO moet de
inrichtende macht onder andere eigenaar zijn van het onroerend goed of
hierop een zakelijk recht bezitten dat haar een genot verleent gedurende
minstens 30 jaar. In de begroting 2005 is voor de investeringsdotatie voor
DIGO een krediet ingeschreven van 106,69 miljoen euro aan ordonnanceringen
(en 107,83 miljoen euro aan vastleggingsmachtigingen) (42).
De totale investeringsdotatie voor 2005 bedraagt dus (voor het
leerplichtonderwijs) 134,95 miljoen euro op het niveau van de
ordonnanceringen en 139,33 miljoen euro op het niveau van de
vastleggingen.
INFRASTRUCTUURBEHOEFTE BIJ DIGO EN RAGO
De totale subsidiebehoefte bij DIGO bedroeg einde november 2004 996,17
miljoen euro (43)
terwijl er bij de afdeling Infrastructuur van de RAGO 254 miljoen euro nodig
is om de noden in het gemeenschapsonderwijs op te vangen. De totale
investeringsdotatie dekt dus slechts een goede 11% van de huidige
subsidiebehoefte.
Een prognose van de toekomstig te verwachten subsidiebehoefte is uiterst
moeilijk, maar zal, onder meer gezien het oude patrimonium en de slechte
staat ervan, de eerste decennia niet beduidend afnemen. Bij DIGO alleen al
wordt de jaarlijkse gemiddelde aangroei van de subsidiebehoefte geraamd
wordt op zo'n 120 tot 150 miljoen euro, wat op zich dus de huidige totale
investeringssubsidie overtreft.
RATIONALISATIE
Gezien de grootte van de infrastructuurbehoefte en de onvermijdelijke
beperktheid van de middelen kan de vraag naar rationalisatie van de
schoolinfrastructuur niet uit de weg worden gegaan. Bestaande infrastructuur
kan zeker doelmatiger worden ingezet wanneer we het over de netten heen
evalueren. Ook moeten infrastructuurdossiers grondiger worden bekeken vanuit
de maatschappelijke macrodoelmatigheid. Op die manier kunnen we selectiever
omgaan met de beschikbare middelen en daar investeren waar de noden het
hoogst zijn en de maatschappelijke return het duidelijkst aanwezig is.
3.10.2 PPS en BEVAK
Om de achtergestelde infrastructuurbehoefte op korte termijn weg te
werken, wordt al enige tijd reikhalzend uitgekeken naar een voorstel voor
publiek-private samenwerking.
De vorige Vlaamse Regering organiseerde op 18 december 2003 daarover een
persconferentie en op 14 mei 2004 kreeg PMV formeel een studieopdracht van
de Vlaamse Regering. In juli 2004 werd de studie opgeleverd. In essentie
worden er in de PMV-studie twee formules voor alternatieve financiering ten
gronde uitgewerkt: 1. de BEVAK-formule en 2. de DBFM-formule.
Een Bevak staat voor een 'BEleggingsvennootschap met VAst
Kapitaal' (44). Er
wordt voorgesteld een vastgoedbevak voor de nieuwbouw en de renovatie van
schoolgebouwen op te richten. Het eigen vermogen van de BEVAK zou bestaan
uit kapitaal dat wordt opgehaald op de markt en uit zogenaamde tijdelijke
zakelijke rechten (erfpacht of recht van opstal) op gronden en
schoolgebouwen die de inrichtende machten in de BEVAK inbrengen. In ruil
voor de bouw of renovatie van de school zou de school of haar inrichtende
macht een jaarlijkse huurvergoeding moeten betalen.
Een andere optie voor publiek private samenwerking werkt met zgn. DBFM-contracten.
DBFM staat voor 'Design - Build - Finance and Maintain'. Dergelijke
contracten houden in dat de activiteiten voor het ontwerp, de bouw, de
financiering en het onderhoud van het schoolgebouw geïntegreerd worden
aanbesteed voor een langere periode. Het project wordt geprefinancierd door
de private projectvennootschap en vanaf de oplevering betaalt de inrichtende
macht een jaarlijkse vergoeding voor de ter beschikking gestelde
infrastructuur. Ter financiering van deze vergoeding ontvangt de inrichtende
macht een overheidssubsidie.
De PMV-studie heeft zich in eerste instantie vooral geconcentreerd op de
Bevak-variant. De DBFM-optie werd minder cijfermatig onderbouwd. Beide
suggesties, die in de studie nogal de nadruk leggen op nieuwbouw, worden
momenteel bestudeerd. Uit dit denkwerk moet nu een concreet voorstel groeien
om de schoolinfrastructuur mogelijk op een nieuwe wijze te financieren. Dit
voorstel zal spoedig na de publicatie van deze beleidsnota en ten laatste
tegen de begrotingscontrole van 2005 aan de regering en het Vlaamse
Parlement overgemaakt worden.
Hierbij zullen volgende doelstellingen en randvoorwaarden gelden:
- Het versneld wegwerken van de bestaande achterstand voor
schoolinfrastructuur op korte termijn;
- Zo veel mogelijk realiseren met beperkte middelen;
- Een bijkomende incentive creëren voor de werkgelegenheid en de
bouwsector;
- De oprichting van moderne en aangepaste schoolinfrastructuur;
- Een flexibele en organische schoolinfrastructuur;
- ESR-95 neutraliteit (45);
- En, in bijkomende orde, een bijkomende stimulans scheppen voor de
werkgelegenheid en de bouwsector.
Zoals het Vlaams Parlement heeft gevraagd, zullen wij zeer spoedig en ten
laatste tegen de budgetcontrole van 2005 realistische verwachtingen
formuleren voor nieuwe financieringsmogelijkheden (naast de nodige klassieke
financiering door de Vlaamse overheid) onder meer op basis van de resultaten
van voormelde studie die de Participatiemaatschappij Vlaanderen in 2004
heeft uitgevoerd.
3.10.3 Andere instrumenten
Daarnaast zullen we nagaan hoe projecten sociale economie,
werkervaringsplaatsen in het onderwijs en tewerkstelling van deeltijds
leerplichtigen uit relevante studierichtingen kunnen worden ingeschakeld bij
de renovatie en het onderhoud van het gebouwenpatrimonium. Ondernemende
scholen voor voltijds onderwijs kunnen in dit kader aan maatschappelijke
dienstverlening doen.
Conform de afspraken gemaakt in het Lambermontakkoord zullen we zo snel
mogelijk een oplossing trachten te bewerkstelligen voor de belastende
erfenis waarmee heel wat scholen in het kader van het Nationaal
Waarborgfonds nog steeds af te rekenen hebben.
3.11 Basismobiliteit en het STOP-principe
Basismobiliteit voor leerlingen uit het lager en secundair onderwijs moet
worden gewaarborgd. We wensen dit te verankeren in een decretale basis voor
het leerlingenvervoer.
Er wordt door de minister van Mobiliteit en de minister van Onderwijs een
werkgroep 'leerlingenvervoer' opgericht die, samen met De Lijn en alle
betrokken partijen, een decretale basis zal leggen voor het
leerlingenvervoer 'basisonderwijs', 'secundair onderwijs' en 'buitengewoon
onderwijs'.
3.11.1 Leerlingenvervoer basisonderwijs
In de loop van deze regeerperiode voeren we projectmatig, in samenwerking
met de lokale besturen en de scholen, netoverschrijdend gratis vervoer in
voor leerlingen van het basisonderwijs.
In een eerste fase wordt, aan de hand van een beknopte bevraging bij alle
scholen uit het lager onderwijs, een inventaris opgemaakt om een beeld te
krijgen over de organisatie van het leerlingenvervoer in Vlaanderen vandaag.
Deze bevraging is opgestart. De verwerking van deze enquête wordt in het
voorjaar 2005 verwacht.
Op basis van de besluiten uit deze bevraging wordt samen met de
onderwijskoepels en in overleg met alle betrokken partners projectmatig
gestart met het experimenteren van netoverschrijdend leerlingenvervoer, in
samenwerking met de lokale besturen. Na de nodige evaluaties en mogelijke
bijsturingen wordt er werk gemaakt van een nieuw decreet.
We onderzoeken de mogelijkheid om het leerlingenvervoer te organiseren op
lokaal niveau en/of op het niveau van de bestaande politiezones. Deze
laatste optie biedt de mogelijkheid om bij het invoeren van
netoverschrijdend leerlingenvervoer voorwaarden voor een verkeersveilige
schoolomgeving op te leggen: een zone 30 en een degelijke weginfrastructuur,
waar de zwakke weggebruiker veilig kan bewegen. Deze verantwoordelijkheid
berust bij de gemeente en de politiezone waar de gemeente deel van uit
maakt. Het gaat ons immers om méér dan het inleggen van bussen. We
vertrekken van het zgn. STOP-principe, dat een bepaalde rangorde
inhoudt bij de aanpak van mobiliteitsproblemen:
S(tappen). Met de 'S' van stappen onderstrepen we het belang van
een goed georganiseerde rij naar en vanuit de school. Dit geldt ook voor de
'voetpooling' waar ouders met elkaar afspreken om hun kinderen op bepaalde
plaatsen te laten verzamelen en hen onder begeleiding te voet tot aan de
schoolpoort te brengen.
T(rappen). Met de fiets al trappend naar de school. Individueel of
met een georganiseerde fietspooling. O(penbaar vervoer). De 'O' van
'openbaar' staat voor de organisatie van het leerlingenvervoer. De doelgroep
zijn die leerlingen die niet in de mogelijkheid zijn om zich te voet of met
de fiets op een veilige manier te verplaatsen.
P(rivé-vervoer). Tot slot wensen we de verkeersstromen met
personenwagens te beperken en de veiligheid voor de bewegende leerling te
verhogen. We adviseren de aanwezigheid van een kiss-and-ridezone, een zone
dichtbij of in de school waar ouders hun kinderen op een veilige manier
laten uitstappen.
De haalbaarheid en concrete invulling zullen worden bekeken in overleg
met de Vlaamse minister bevoegd voor mobiliteit. Afhankelijk van de
budgettaire mogelijkheden zal er de komende jaren gestart worden met
proefprojecten in pilootgemeente(s). Op basis van de lokale ervaringen in de
praktijk zal de werkgroep de nodige bijsturingen doen. Dit dient te
resulteren in een nieuw decreet 'leerlingenvervoer basisonderwijs'.
3.11.2 Leerlingenvervoer secundair onderwijs
We verbeteren het aanbod aan openbaar vervoer voor leerlingen van het
secundair onderwijs.
Samen en in overleg met de Lijn worden alle secundaire scholen in kaart
gebracht. Op basis van de huidige trajecten wordt het openbaar vervoer
aangepast en/of uitgebreid. Alle leerlingen van de secundaire scholen in
Vlaanderen moeten de mogelijkheid krijgen om zich met het openbaar vervoer
naar de school te verplaatsen.
3.11.3 Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs
Het leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs is aan een grondige
doorlichting toe. De huidige regelgeving is verouderd en dient te worden
aangepast. Deze problematiek wensen we prioritair aan te pakken.
Het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs wordt vandaag
netoverschrijdend georganiseerd door De Lijn. De leerlingen worden, indien
nodig, aan huis opgehaald. Naast de afstand wordt de 'reistijd' een bepalend
criterium om leerlingen al dan niet van collectief leerlingenvervoer te
laten genieten. Leerlingen moeten in een 'redelijke' tijd naar school kunnen
worden gebracht.
Deelname aan het collectieve leerlingenvervoer wordt bovendien ook
afhankelijk gesteld van de volgende criteria:
- de spreiding van de scholen voor buitengewoon lager en secundair
onderwijs;
- de mogelijkheid van de leerling om gebruik te maken van het openbaar
vervoer, rekening houdend met zijn handicap en zijn leeftijd.
Bijzondere aandacht moet gaan naar leerlingen in het geïntegreerd en
inclusief onderwijs.
De scholen voor buitengewoon onderwijs verlenen hun medewerking aan de
organisatie van het collectieve leerlingenvervoer. Busbegeleiding is er
verplicht. De scholen stellen busbegeleiders aan en ontvangen hiervoor een
toelage van de Vlaamse Gemeenschap. Er wordt onderzocht om de busbegeleiders
een volwaardig statuut te geven en voldoende te vormen om hun taak naar
behoren te vervullen.
Leerlingen die geen gebruik maken van het collectieve leerlingenvervoer,
maar met het openbaar vervoer naar school gaan, krijgen hun schoolabonnement
terugbetaald.
Ouders die hun kinderen zelf naar school brengen krijgen hiervoor een
toelage individueel vervoer. De toelage zal verschillen naargelang de
leerling al dan niet gebruik kan maken van collectief of openbaar vervoer,
en naargelang hij over de mogelijkheid beschikt om dichterbij huis een
school van de vrije keuze te bezoeken.
3.12 Brussel, de Vlaamse Rand en taalgrensgemeenten
3.12.1 Brussel
Het Nederlandstalig kleuter-, lager en secundair onderwijs in Brussel
telt steeds meer leerlingen. De groei van het kleuter- en het lager
onderwijs is niet nieuw. Het aantal leerlingen in het secundair onderwijs
daalde lange tijd. De laatste vijf jaar doet zich ook daar een groei voor.
Tegelijk wordt de leerlingenpopulatie van de Nederlandstalige Brusselse
scholen meer divers. Het aandeel leerlingen uit een homogeen Nederlandstalig
milieu liep sterk terug en - vooral in het basisonderwijs - komt een groot
deel van de leerlingen uit een gedeeltelijk of geheel anderstalig milieu.
Deze evoluties hangen samen met de veranderingen in de
bevolkingssamenstelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De bevolking
van het gewest is verjongd door de toename van mensen van allochtone
herkomst en het relatief hoge geboortecijfer van deze groep.
Uiteraard leggen deze evoluties een bijkomende druk op het
Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Er zullen daarvoor gepaste oplossingen
moeten gezocht worden. In de multiculturele Brusselse context zal het
Nederlandstalig onderwijs moeten blijven openstaan voor alle kinderen,
ongeacht hun herkomst of milieu. Uiteraard mag dit het Nederlandstalig
karakter van de scholen, ingericht of gesubsidieerd door de Vlaamse
Gemeenschap, niet aantasten. Daarom heeft het Vlaams Parlement decretale
maatregelen getroffen om Nederlandstalige ouders voorrang te geven om hun
kinderen in te schrijven,voor zover dit de diversiteit van de
schoolbevolking niet aantast. De uitvoering en de effecten van het
toelatingsbeleid zullen - zeker voor Brussel - op de voet worden gevolgd. We
zullen hiervoor nauw samen werken met de lokale overlegplatformen, die
uitgegroeid zijn tot een representatieve ontmoetingsplaats van het
Nederlandstalig onderwijs in Brussel.
Samen met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) zal een reeks acties
worden opgezet, die uitvoering geven aan de resolutie van het Vlaams
parlement betreffende het Nederlandstalig onderwijs in Brussel (46).
Het is daarbij de bedoeling om het Nederlandstalig onderwijs in Brussel
kwantitatief en kwalitatief op peil te houden. Sommige van die maatregelen
zullen ook van toepassing zijn op het onderwijs in de Vlaamse rand. Bij de
uitwerking van beleidsinitiatieven voor Brussel zullen we telkens nagaan of
het gaat om problemen van een (groot)stedelijke context die Brussel deelt
met de steden in Vlaanderen, of om problemen die voortvloeien uit de
specifieke situatie van Brussel. Alle nieuwe reglementeringen zullen
voortaan trouwens aan een Brusseltoets worden onderworpen. Om de coherentie
van het beleid ter ondersteuning van het Brussels Nederlandstalig onderwijs
te versterken, zullen we de bestaande en nieuwe maatregelen bundelen in een
Brusseldecreet.
Er is in Brussel een groot gebrek aan technisch en beroepssecundair
onderwijs en tegelijk veel werkloosheid. Daarom zullen we nagaan welke
beroepsgerichte studierichtingen een oplossing kunnen bieden voor de
regionale opleidingsnoden van zowel het Brusselse gewest als de Vlaamse
rand. Voor het beroepsopleiding- en werkgelegenheidsbeleid, zal meer intens
worden samengewerkt met diverse gewestelijke instanties zoals de Vlaamse
Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), de Brusselse Gewestelijke Dienst voor
Arbeidsbemiddeling (BGDA) en het Brussels Centrum voor Tewerkstelling en
Opleiding.
Het onthaalbeleid zal ouders die hun kinderen in een Nederlandstalige
school in Brussel inschrijven, erop wijzen dat het belangrijk is dat die
kinderen ook buiten de school Nederlands praten. Tegelijk zullen de ouders
worden aangemoedigd om Nederlands te leren. De ouders zullen ook
geïnformeerd worden over het Nederlandstalig vrijetijdsaanbod voor kinderen
en jongeren.
Het project Voorrangsbeleid Brussel (VBB) zette de afgelopen jaren
goede resultaten neer. Via een intense begeleiding van de leerkrachten is
dit project erin geslaagd de taalvaardigheid van de leerlingen in het
basisonderwijs te verbeteren. Het VBB zal in de toekomst meer op de vragen
van alle Brusselse basisscholen worden afgestemd en actief samenwerken met
de ouders en met externe partners. Het zwengelt de professionaliteit bij de
leerkrachten aan en bewaakt en verhoogt de expertise van de scholen en de
leerkrachten op een vraaggestuurde wijze.
Dit schooljaar ging het experiment Brussels Curriculum van start.
Daarmee kunnen secundaire scholen die dat wensen, in de eerste graad een of
twee alternatieve curricula of programma's organiseren naast het gewone
lesprogramma. De bedoeling is dat de scholen daarmee beter kunnen inspelen
op de noden van hun zeer divers leerlingenpubliek en dat de leerwinst van
zowel de zwakkere als de sterkere leerlingen verbetert. We zullen dit
project - samen met de VGC - van dichtbij volgen en zien welke resultaten
het oplevert.
We streven er ook naar afspraken te maken met de Franse Gemeenschap over
het onderwijsbeleid in Brussel en over de wijze waarop de tweetaligheid
(Nederlands/Frans) bij de leerlingen in alle Brusselse scholen kan worden
bevorderd.
3.12.2 Vlaamse Rand en taalgrensgemeenten
De Vlaamse randgemeenten rond Brussel kregen door de recente
demografische evoluties een ander profiel. Inwijking, vooral uit het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest, deed de bevolking aangroeien met mensen die
economisch minder bemiddeld zijn dan die uit vroegere migratiegolven vanuit
Brussel en vaak van allochtone herkomst. Daarnaast is er in de Vlaamse rand
ook een belangrijke toename van de immigratie uit het buitenland. De
gezinnen die in de Vlaamse rand inwijken, hebben meestal schoolgaande
kinderen.
We zullen dan ook nagaan of bepaalde voorzieningen voor het onderwijs in
Brussel niet dienen uitgebreid te worden naar de Vlaamse rand. Een
onthaalbeleid naar anderstalige ouders, vergelijkbaar met wat in het Brussel
wordt opgezet, is zeker aangewezen. Ouders moeten inzien dat het belangrijk
is dat hun kinderen ook buiten de school en de lesuren Nederlands spreken.
In ieder geval zullen we meer met de provincie samenwerken om maatregelen
voor het onderwijs in de Vlaamse rand uit te werken. Bijzondere aandacht zal
uitgaan naar de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Werkzoekenden
in de Vlaamse rand blijken verschillende risicokenmerken te cumuleren (taal,
laaggeschooldheid, …). Omwille van onder andere taalproblemen van de
werkzoekenden raken heel wat vacatures niet ingevuld. Het bevorderen van de
talenkennis is dan ook een prioriteit.
De taalproblematiek - hoe belangrijk ook voor de individuele
ontwikkelingskansen - mag niet doen vergeten dat ook in de Vlaamse rand
voortdurend aansluiting dient gezocht te worden met de economische
activiteit. Die groeit sterk, met name in de dienstensector. Er zijn echter
knelpunten in de technische beroepen en de ICT-sector. Voor het toeleiden
naar deze werkgelegenheid zullen investeringen nodig zijn in een betere
afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt, bij voorkeur in wisselwerking
met voorzieningen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De scholen in de rand- en taalgrensgemeenten geven les in het Nederlands.
Het basisonderwijs in de faciliteiten- en taalgrensgemeenten kan bij
uitzondering in het Frans worden georganiseerd. Het onderwijs in de acht
Franstalige basisscholen van de faciliteitengemeenten moet - omwille van het
territorialiteitsbeginsel (47)
- voldoen aan de Vlaamse regelgeving. Vroegere afspraken in de Belgische
regering hebben er echter toe geleid dat het toezicht op de kwaliteit van
die scholen gebeurt door de pedagogische inspectie van de Franse taalrol.
Die historisch gegroeide situatie is niet langer houdbaar in de context van
een communautair onderwijsbeleid (48).
We hebben immers geen enkele garantie dat dit onderwijs, dat we vanuit de
Vlaamse Gemeenschap subsidiëren, voldoet aan de vooropgestelde
kwaliteitseisen. De betrokken scholen weigeren aanvullende GOK-lestijden en
- op drie na - ook de uren zorgcoördinatie. Geen enkele school heeft
voldaan aan de subsidiëringvoorwaarde een contract af te sluiten met een
Centrum voor Leerlingenbegeleiding. Wat in eerste instantie dus een
uitdaging voor het Vlaamse karakter van deze gemeenten lijkt, gaat veel
dieper. Wanneer deze scholen zich zouden inschrijven in het beleid van de
Vlaamse Gemeenschap, zouden de leerlingen meer begeleiding en zorg
ontvangen, wat de ontwikkeling van hun kansen zou bevorderen. We engageren
ons dan ook om daarvoor tegen 1 januari 2006 een oplossing te vinden.
Uiteraard zullen we dit doen in overleg met de Franse Gemeenschap. Als dit
overleg vruchteloos blijft, zullen we vanuit de Vlaamse Gemeenschap
eenzijdige maatregelen treffen.
De taalinspectie die de toepassing van de taalwetten controleert, valt
onder de bevoegdheid van de federale overheid. We zullen de federale
regering vragen de werkingsregels van de taalinspectie aan te passen aan de
veranderde situatie. Als er geen gepaste oplossing komt, zullen we de
overdracht van de taalinspectie naar de Gemeenschappen verdedigen.
We streven ernaar dat het personeel van de Franstalige afdelingen van het
Vlaamse gemeenschapsonderwijs niet langer door de Franse Gemeenschap wordt
betaald. Voor de Nederlandstalige gemeenschapsschool in Komen, gelegen op
het grondgebied van de Franse Gemeenschap, zal een oplossing gezocht worden,
in overeenstemming met het territorialiteitsprincipe dat de Franse
Gemeenschap tot financiering verplicht.
3.13 Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Zowel op Vlaams niveau als op Europees niveau moet er meer aandacht
uitgaan naar het ontwikkelen van nieuwe kennis door grensverleggend
onderzoek en naar innovatie voor productiviteit en duurzame groei. Het
beleid op die domeinen vormt een cruciaal onderdeel van de Lissabonstrategie
die naar 2010 toe werd vooropgesteld. De recente hervormingen van het hoger
onderwijs en de belangrijke verhoging van de budgetten voor wetenschappelijk
onderzoek en wetenschappelijke en technologische innovatie hebben de
slagkracht van het Vlaams hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
aanzienlijk versterkt. Het komt er echter op aan de vitaliteit ervan ook
voor de toekomst veilig te stellen.
3.13.1 Rationalisatie en vernieuwing van het
opleidingenaanbod
Eerder al, bij financiering (zie 2.2.2),
hebben we de blijvende noodzaak van rationalisatie in het
hoger-onderwijslandschap beklemtoond. Vorige initiatieven en inspanningen
terzake hebben al een zeker resultaat opgeleverd, maar dit moet nog als
onvoldoende worden beschouwd. De bredere samenleving begrijpt niet dat de
hogeronderwijsinstellingen met vele goede argumenten voor meer middelen
pleiten, maar tegelijkertijd niet in staat blijken om samen hun aanbod
rationeler te organiseren. Meer zelfs: elke gelegenheid te baat nemen om hun
aanbod verder uit te breiden. Iedereen weet dat het huidige aanbod de
wetenschappelijke capaciteit van Vlaanderen te buiten gaat. Zonder garanties
over bijkomende middelen leidt dit tot overbelasting van het academisch
personeel. We willen opnieuw een pleidooi houden voor een beleid van
excellentie, voor een onderzoeksconcentratie in speerpunten van kwaliteit en
voor - met name in de masterfase - opleidingen die nauw bij deze
excellentie-centra aansluiten.
Universiteiten en hogescholen zouden bovendien niet zozeer hun
opleidingenaanbod in de breedte moeten uitbreiden, maar in de diepte. Ze
zouden moeten investeren in nieuwe trajecten voor bestaande opleidingen die
nieuwe categorieën studenten kunnen aantrekken. Daar zie ik meer
groeipotentieel in, en het bedreigt bovendien de wetenschappelijke
capaciteit van de instellingen veel minder.
Dit vergt uiteraard wel een heel andere organisatie. Het aanbieden van
deeltijdse trajecten bijvoorbeeld, wat mogelijk gemaakt is met het
flexibiliseringdecreet, wordt nog niet enthousiast onthaald door de
instellingen. Het staat ook haaks op de nog veelal klassikale
onderwijsmethodes. We moeten het evenwel aandurven om in de komende jaren de
sprong te wagen naar een meer flexibel onderwijs, dat kenmerkend zal zijn
voor de kenniseconomie van de toekomst. Allerlei combinaties van werken en
leren, in deeltijdse of alternerende vorm, kunnen de overgang van leren naar
werken vergemakkelijken. Ook hier hebben sommige instellingen al waardevolle
experimenten ontwikkeld. Er zijn deeltijdse trajecten waarin elders
verworven kwalificaties of elders verworven competenties worden erkend, en
die leiden tot een volwaardig diploma in onderwijs, verpleegkunde of
maatschappelijk werk. Het lijkt ons belangrijk de uitkomsten van dergelijke
projecten nader te onderzoeken en de inzichten die we eruit halen, verder te
verspreiden.
3.13.2 De studieduur van masters
Bij de omvorming van de opleidingen in bachelor-masteropleidingen is de
studieomvang van de masteropleidingen een onderwerp van maatschappelijk
debat geweest. Uiteindelijk heeft de vorige Vlaamse Regering besloten, tegen
het advies van de VLIR in, om bij de omvormingsvoorstellen geen
studieduurverlenging in aanmerking te nemen. Bij de omvorming van de
bestaande opleidingen in bachelor- en masteropleidingen werd de studieduur
behouden. Vierjarige opleidingen werden omgevormd in een driejarige
bacheloropleidingen en in een masteropleiding van één jaar of 60
studiepunten.
De Vlaamse Regering was wel van mening dat we de internationale evolutie
moeten volgen in de studieduur van de masteropleidingen, in relatie tot de
kwaliteit van de opleidingen, de onderzoeksmasters en de
doctoraatsopleidingen. Niet meegaan met de ontwikkelingen zou de
mogelijkheden van internationale vergelijkbaarheid en mobiliteit ernstig
belemmeren. Ook het communiqué dat na de ministerconferentie te Berlijn
werd gepubliceerd, vraagt aandacht voor de vorming van vorsers en de
doctorandi.
Hoelang moet de duur van een basisopleiding - tot en met de master -
zijn? In een perspectief van levenslang leren zijn lange schoolloopbanen van
jongeren eigenlijk niet goed. We zouden een beetje van die lange initiële
opleidingstijd moeten kunnen afnemen en die opleidingskansen weer verdelen
over de hele levensloop. We zijn dus voor een model van korter studeren en
nadien vaker naar het onderwijs - inbegrepen de universiteit - terugkeren in
een systeem van permanente vorming. We zijn er echt van overtuigd dat dit
ook een sociaal meer rechtvaardige herverdeling van opleidingskansen kan
zijn. We zouden jongeren moeten kunnen stimuleren sneller aan de slag te
gaan. In die zin is de bachelorgraad na drie jaar studie een goede zaak. De
driejarige bacheloropleidingen hebben hun belang en hun zin in de Vlaamse
economie al ruimschoots bewezen. En masteropleidingen na vier jaar, ook aan
de hogescholen, zijn relatief korte trajecten voor een internationaal
ambitieus kwalificatieniveau.
De vraag naar vijfjarige basisopleidingen aan de universiteiten leeft
sterk aan de Vlaamse universiteiten. Vooral in de studiegebieden van de
wetenschappen en de biomedische wetenschappen blijft de vraag naar
masteropleidingen met een studieomvang van 120 studiepunten of twee
academiejaren heel sterk leven. Deze vraag leeft ook, maar in mindere mate,
bij de geestes- en de gedragswetenschappen. Ze is vooral ingegeven door een
bezorgdheid om een behoud van de internationale herkenbaarheid en erkenning
in de Europese hogeronderwijsruimte. De doelstellingen van het Bolognaproces
voor de bachelor-masterstructuur zijn immers waardering en erkenning van de
opleidingen en herkenbaarheid en transparantie van de opleidingenstructuur.
Masteropleidingen van 60 studiepunten roepen vragen op over de waardering en
erkenning in de Europese hogeronderwijsruimte, waar er ontegensprekelijk een
algemene tendens naar 3+2 plaatsvindt. Men kan de bachelors inhoudelijk ook
verbreden en dus polyvalenter maken als men in een masterfase twee jaar tijd
heeft om te verdiepen. Daarnaast bemoeilijken studieprogramma's van 60
studiepunten de internationale mobiliteit tijdens de opleiding. Tegen 2010
zou elke student in het academisch onderwijs een semester in het buitenland
moeten doorbrengen voor hij een mastergraad behaalt.
We mogen ons echter niet blind mogen staren op de totale studieduur;
misschien moeten we meer durven differentiëren. Voor sommigen zal het
perspectief om na de bachelor te gaan werken aanlokkelijk zijn. En dat is
een goede zaak, zeker indien we die jongeren er ook kunnen toe bewegen later
opnieuw voor de master of in permanente vorming de stap terug te laten
zetten naar de universiteit. Voor anderen is na de bachelor een éénjarige
master zinvol. Nog anderen zullen het willen combineren met een
lerarenopleiding. En ten slotte zullen er beloftevolle studenten zijn die
willen specialiseren of doorgroeien in een onderzoeksloopbaan. In de
toekomst zal misschien een benadering tot stand komen die méér
gedifferentieerd is dan wat we kennen of voor ogen hebben.
Meer differentiatie inzake studieduur schept natuurlijk zijn eigen
problemen, en is overigens alleen maar aanvaardbaar onder bepaalde volgende
voorwaarden. De gemiddelde feitelijke studieduur mag ons inziens niet
stijgen, ja moet zelfs eerder verminderen. We willen de feitelijke
studieduur in het hoger onderwijs nauwgezet in het oog houden, want ook de
flexibilisering kan daar een nadelig effect op sorteren. We vragen van de
instellingen ook een krachtiger beleid inzake beheersing van de feitelijke
studieduur. Dat kan door betere oriëntering, studiebegeleiding en coaching
in de beginjaren zodat we het percentage mislukkingen kunnen
verminderen.
Dat neemt niet weg dat we onze verantwoordelijkheid moeten nemen wanneer
in bepaalde studiegebieden de argumenten voor tweejarige masters overtuigend
zijn. De vorige Vlaamse Regering promootte het 3+1+1-systeem in de
Wetenschappen en Biomedische wetenschappen als alternatief voor een
verlenging van de masters naar twee jaar. Dit systeem lijkt ons geen goed
alternatief voor een 3+2-systeem omdat de curriculumopbouw in een tweejarig
studieprogramma meer mogelijkheden biedt voor internationale uitwisseling,
voor interdisciplinariteit, voor uitdieping, voor major-minorsystemen dan de
curriculumopbouw van twee opeenvolgende eenjarige studieprogramma's.
Bovendien kan stapeling van opleidingen leiden tot maatschappelijke en
wetenschappelijke onderwaardering van de eerste masteropleiding.
In vergelijking met de andere studiegebieden stromen er in de
Wetenschappen en de Biomedische wetenschappen meer afgestudeerden door naar
het doctoraat. Ook internationaal onderzoek wijst uit dat de studieomvang
van masteropleidingen van onderzoeksvoorbereidende aard meestal overeenstemt
met 120 studiepunten. Hetzelfde geldt trouwens voor opleidingen met een
belangrijke ontwerperscomponent, zoals de ingenieursopleidingen.
De eenjarige masteropleidingen bieden ook onvoldoende ruimte voor
verdieping en experimenteel onderzoek. De ontwikkelingen van de wetenschap
zijn van die aard dat de vorming van de onderzoekers meer is dan de
voorbereiding van het doctoraatsproefschrift. Om daaraan tegemoet te komen,
werden in 1991 de doctoraatsopleidingen ingevoerd en gestimuleerd via het
financieringsmodel. Deze doctoraatsopleiding zou voor een deel kunnen vervat
in het studieprogramma van een tweejarige masteropleiding.
Er is algemene overeenstemming dat de onderzoekscomponent in de
masteropleidingen in de Wetenschappen en de Biomedische wetenschappen moet
versterkt worden. Er is ook nood aan meer interdisciplinaire
studieprogramma's tussen de zuivere wetenschappen, de technische
wetenschappen en de levenswetenschappen. In die interdisciplinaire
grensgebieden wordt grensverleggende kennis geproduceerd die relevant is
voor het oplossen van de grote maatschappelijke vraagstukken en innovatieve
doorbraken tot stand brengt (fotonica, nanosciences, bio-informatica,
biomedische ingenieurstechnieken, …).
We menen dat we op basis van al deze overwegingen in beperkte mate de al
te rigide houding inzake studieduur moeten verlaten. Het positieve advies
van de Erkenningscommissie bij de omvormingsdossiers naar tweejarige masters
in de studiegebieden wetenschappen en biomedische wetenschappen vormt daar
nu de gelegenheid toe. We nemen ons voor de mogelijkheid te creëren om
masteropleidingen van twee jaar of 120 studiepunten te organiseren in die
studiegebieden. De internationale waarde van deze diploma's moet immers
beschermd worden. Het is niet zinvol om twee opleidingstrajecten naast
elkaar te laten bestaan. Dit betekent dat de éénjarige masteropleidingen
zoals die na de eerste omvormingsronde werden aanvaard, worden vervangen
door tweejarige masteropleidingen.
We willen aan deze omvorming echter volgende voorwaarden koppelen:
- Het theoretisch deel van de lerarenopleiding (30 studiepunten) moet in
de tweejarige master worden geïntegreerd.
- In de mate dat dit inhoudelijk verantwoord is, moeten nog resterende
master-na-masteropleidingen indalen in deze tweejarige masters in de
vorm van gespecialiseerde afstudeerrichtingen van 30 studiepunten.
- In deze tweejarige masters moet ook voor geschikte studenten een
onderzoekstraject kunnen starten. Het opnemen van een deel van de
onderzoeksopleiding (de doctoraatsopleiding) in de master zou op termijn
tot zichtbare resultaten moeten leiden voor de gemiddelde duur van de
voorbereiding van het doctoraat in deze studiegebieden.
We willen uiteraard de autonomie van de instellingen voor curricula
respecteren, maar we denken aan een model voor de tweejarige
masteropleidingen van 90 studiepunten voor de eigenlijke masteropleiding en
30 studiepunten voor de verschillende finaliteiten (lerarenopleiding,
specialisatie, onderzoekstraject, …). Door deze componenten in de
masterfase te integreren, wordt niet alleen een meer transparant geheel
gerealiseerd, maar beperken we ook de reële studieduurverlenging in hoge
mate.
Voor de andere studiegebieden wensen we geen studieduurverlenging. We
willen met de universiteiten ook het gesprek aangaan over de andere
opleidingen en studiegebieden waar er nu al tweejarige masteropleidingen
bestaan. Die zouden het uitgetekende model voor de wetenschappen en
biomedische wetenschappen moeten kunnen volgen. Dit wil zeggen dat we ook
daar het theoretisch deel van de lerarenopleiding willen integreren in de
masterfase, waar mogelijk ma-na-ma-opleidingen laten indalen en
onderzoekstrajecten laten starten in de masterfase. Dit zijn kansen tot
beperking van de feitelijke studieduur.
Samen met de universiteiten willen we wel de wenselijkheid bekijken van
de organisatie van tweejarige sterk onderzoeksgeoriënteerde
masteropleidingen in de andere studiegebieden. Het aantal van die
masteropleidingen zal altijd beperkt zijn. Het curriculum van die
masteropleidingen moet aansluiten bij de onderzoekscapaciteit van de
instelling of instellingen in geval van gezamenlijke opleiding. In ieder
geval zullen voorstellen van tweejarige onderzoeksmasters streng
geselecteerd worden.
3.13.3 Carrières in onderzoek
We hechten een groot belang aan de onderzoeksopdracht van de
universiteit. Het wordt vaak vergeten dat de Bologna-hervorming ook een link
naar de onderzoeksfunctie van de universiteit legt. Niet voor niets legden
de ministers in Berlijn een sterke band tussen de hoger-onderwijsruimte van
het Bologna-proces en de Europese onderzoeksruimte. De Vlaamse Regering
heeft dan ook de lijn van het gevoerde wetenschapsbeleid en innovatiebeleid
aangehouden. Het innovatiepact zal verder worden uitgevoerd en we gaan
verder in wetenschappelijke en technologische kennis investeren. Academische
masteropleidingen zullen in sterkere mate dan vroeger op onderzoek moeten
gebaseerd zijn. Dat is ook de norm waaraan ze in accreditatie zullen worden
afgemeten.
De realisatie van een geïntegreerde hogeronderwijsruimte in Vlaanderen
is erg belangrijk. Maar ze moet ons leiden naar een helder binair landschap
waarin de respectieve missies van universiteiten en hogescholen duidelijk
zijn. Dit houdt in dat de universiteit op het gebied van onderzoek de
sturende rol blijft behouden, via haar onderzoeksraad. Tussen professionele
en academische opleidingen moet er een duidelijk verschil in oriëntatie
blijven. Want we moeten de gepaste ontplooiingskansen kunnen geven aan de
talenten van elke jongere, en blijven tegemoetkomen aan de brede waaier van
kwalificaties die de samenleving vraagt.
Wetenschap bedrijven en onderzoek doen zijn in de eerste plaats
mensenwerk. Het zijn de vindingrijkheid, de creativiteit en de gedrevenheid
van de onderzoekers die nieuwe kennis opleveren en toepasbaar maken en zo
bijdragen tot de maatschappelijke en technologische ontwikkeling en de
algemene welvaart en het welzijn van de samenleving. Een krachtig en
innovatief onderzoeksbestel vergt dus voldoende gekwalificeerde en
talentrijke onderzoekers. Er is mondiaal een toenemende concurrentie om de
beste onderzoekers. Toponderzoekers inspireren hun omgeving en kunnen hele
vakgroepen op sleeptouw nemen. De aantrekking en het behoud van de beste
wetenschappers vergen een inspanning van de universiteiten en
onderzoeksinstellingen. Een tekort aan talentvolle wetenschappers kan een
bedreiging vormen voor het onderzoeksbestel en voor het academisch bedrijf
in zijn geheel.
Een punt van zorg is de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het
onderzoek en dan vooral in de hoogste wetenschappelijke posities. Hetzelfde
geldt voor studenten van allochtone herkomst. Dit betekent dat er
onderzoekstalent verloren gaat. De overheid kan een ondersteunend beleid
voeren, maar het zijn in de eerste plaats de universiteiten die
verantwoordelijk zijn voor het personeelsbeleid dat het werven en het behoud
van talentvolle onderzoekers bevordert. De universiteiten zullen dus hun
concurrentiepositie op de arbeidsmarkt van onderzoekers moeten verbeteren.
Ze worden daarom uitgenodigd om de komende jaren inhoud te geven aan een
stimulerend personeelsbeleid.
Om goede wetenschappers te behouden, is er een aanpak nodig die de
periode tussen de promotie en het bereiken van een vaste positie als lid van
het zelfstandig academisch personeel (ZAP) overbrugt en goede
carrièreperspectieven biedt. Met een uitbreiding van de formaties van
postdoctorale onderzoekers in het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek
(FWO) en van doctor-assistenten aan de universiteiten, werd hieraan al
gedeeltelijk tegemoet gekomen. Vaak ontbreekt nu nog het perspectief op een
interessante gevestigde positie. In de formatie van het zelfstandig
academisch personeel zou er ruimte moeten komen voor de aanstelling van
mensen van wie de opdracht nagenoeg uitsluitend uit onderzoek bestaat (een
uitbreiding van de onderzoeksraadmandaten, die nu gefinancierd worden met
het budget van het Bijzonder Onderzoeksfonds). Door de sterke stijging van
de tweede geldstroom zijn er te weinig leden van het zelfstandig academisch
personeel ten opzichte van het aantal assistenten, doctorandi en
wetenschappelijke medewerkers. Dit leidt tot een overbelasting van de
ZAP-ers bij de begeleiding van jonge onderzoekers.
Voor het aantrekken van toponderzoekers moet de wervende kracht van de
universiteiten worden versterkt. Wervende kracht gaat uit van een goede
onderzoeksomgeving met een goede onderzoeksinfrastructuur, met voldoende
materiële, financiële en personele ondersteuning, met stimulerende
contacten en ruimte voor het ontwikkelen van nieuwe onderzoekslijnen. De
interne allocatie van middelen in de universiteiten zou hierop moeten worden
afgestemd. Elke onderzoeksgroep moet kunnen beschikken over een eigen
werkings- en uitrustingsbudget, los van de middelen voor de
onderzoeksprojecten. Wervende kracht gaat ook uit van een voldoende
kritische massa van de onderzoekseenheden die een goede mix bieden van
ervaring en jong talent. Vaak ontbreekt nu de kritische massa om excellentie
te bereiken. Toponderzoekers worden aangetrokken door een onderzoekscultuur
waarin het streven naar excellentie deel uitmaakt van de beleidsvisie.
Wervende kracht van het onderzoeksbestel kan ook verhoogd worden door een
verschuiving van projectgerichte onderzoeksprogramma's naar persoonsgerichte
programma's. Die zijn gericht zijn op het verlenen van substantiële
financiële steun voor een substantiële periode aan talentvolle
onderzoekers los van een specifiek onderzoeksproject. Er is in Vlaanderen
een overwicht gegroeid van projectmatig onderzoek. Bijna alle middelen
worden verdeeld op basis van een beoordeling van onderzoeksvoorstellen en
projecten. Onderzoekers moeten veel tijd besteden aan het schrijven van
subsidieaanvragen. Individuele onderzoekers en onderzoeksgroepen hebben
nagenoeg geen vrije middelen om nieuwe onderzoekspaden te bewandelen. In
veel landen worden er aan individuele onderzoekers in een gevestigde positie
belangrijke middelen toegekend waarmee die een eigen onderzoekslijn kunnen
uitbouwen.
We zullen de mobiliteit van onderzoekers versterken. Onderzoekers moeten
bij hun terugkeer uit het buitenland uitzicht krijgen op een voortzetting
van hun onderzoekscarrière aan de eigen instelling. De universiteiten
zouden ook meer gericht Vlaamse toponderzoekers in het buitenland moeten
opsporen en aantrekken, naast buitenlandse toponderzoekers uiteraard.
De universiteiten moeten vrouwelijke onderzoekers aanmoedigen en
uitnodigen lid te worden van de onderzoeksraden, faculteitsraden en
benoemingscommissies. Ook de realisatie van een evaluatiesystematiek die
minder gericht is op de kwantiteit en meer de kwaliteit van het onderzoek
belicht, is nodig om meer vrouwen in het onderzoek te krijgen.
3.13.4 Investeren in onderzoek
De bekostiging van het onderzoek vanuit de tweede en derde geldstroom
neemt een steeds grotere omvang aan. De eerste geldstroom aan de
universiteiten heeft hiermee geen gelijke tred gehouden. Toch dekken de
onderzoekssubsidies vanuit de tweede en derde geldstroom niet de totale
kosten van het uitgevoerde onderzoek. De universiteiten moeten de ontvangen
subsidies aanvullen vanuit de eerste geldstroom. De kosten van het onderzoek
zijn niet beperkt tot de inzet van wetenschappelijk en ondersteunend
personeel en tot materiaalkosten. De uitvoering van het onderzoek vergt
huisvesting en vaak ook dure onderzoeksapparatuur. Administratieve en
energiekosten worden evenmin gedekt door de onderzoekssubsidies. Dat de
eerste geldstroom fors achterloopt op de groei van de tweede en derde
geldstroom, heeft ertoe geleid dat aan de Vlaamse universiteiten elke lid
van het Zelfstandig Academisch Personeel gemiddeld in FTE 2.62
wetenschappelijke medewerkers (AAP, doctorandi en tijdelijke
wetenschappelijke medewerkers, maar postdocs niet meegerekend) moet
begeleiden en aansturen. In Nederland is dat gemiddeld 1 hoogleraar,
hoofddocent of docent voor 1.6 wetenschappelijke medewerkers. De forse groei
van het budget voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen heeft er toe geleid dat
de eigen bijdrage van de universiteiten aan het Bijzonder Onderzoeksfonds
(BOF) sneller is gestegen dan de eerste geldstroom. Daarom zullen we in
overleg met de Vlaamse minister bevoegd voor wetenschapsbeleid de
subsidieregeling voor dit fonds aanpassen:
- afschaffen van de verplichte eigen bijdrage van de universiteiten aan
het Bijzonder Onderzoeksfonds zodra het budget voor het Bijzonder
Onderzoeksfonds voldoende stijgt;
- verruimen van de mogelijkheid om een deel het BOF-budget te gebruiken
voor de aanstelling/benoeming van onderzoeksprofessoren;
- vereenvoudiging van de bestedingsvoorschriften.
Vernieuwing van het onderzoek is cruciaal om als universiteit op
onderzoeksvlak een concurrentiële positie te behouden of uit te bouwen.
Vernieuwing van het onderzoek zou een expliciet criterium kunnen zijn bij de
beoordeling van aanvragen voor BOF-middelen.
Belangrijk voor de innovatie van het onderzoek is dat universiteiten een
eigen profiel kiezen. Ze kunnen niet alles tegelijk aanpakken. Ruimte voor
profilering is nodig om tot concentratie en voldoende kritische massa te
komen zowel in het onderzoek als in het onderwijs. Alleen zo zal een
sterkere internationale concurrentiepositie mogelijk worden. We zien
trouwens dat grootschalige onderzoeksfaciliteiten van een steeds groter
strategisch belang worden voor de kwaliteit van het wetenschappelijk
onderzoek.
We zullen het projectmatig wetenschappelijk onderzoek versterken dat de
hogescholen in het kader van het professioneel gericht onderwijs uitvoeren.
We zullen middelen jaarlijks toekennen om de hogescholen toe te laten de
nodige expertise op te doen en de noodzakelijke ondersteuning uit te bouwen.
Vanaf 2005 zullen de hogescholen ook subsidies krijgen voor de uitvoering
van projecten. De noodzakelijke voorwaarde is dat deze projecten tot stand
komen op basis van een bijzonder reglement of op basis van het algemeen
onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie.
3.13.5 Kwaliteitszorg in het onderzoek
Het budget voor het Bijzonder Onderzoeksfonds wordt verdeeld onder de
universiteiten op basis van de omvang van de eerste geldstroom, het aantal
tweedecyclusdiploma's, het aantal diploma's van doctor en het aantal
publicaties en citaties in wetenschappelijke tijdschriften opgenomen in de
Science Citation Index Expanded version, geproduceerd door ISI (Institute
for Scientific Information). Deze koppeling van bekostiging aan prestaties
is een middel om de universitaire onderzoeksfinanciering te dynamiseren:
excellente prestaties in wetenschappelijk onderzoek en de valorisatie ervan
worden beloond. Uit de evaluatie van het onderzoeksmanagement van de Vlaamse
universiteiten blijkt dat alle universiteiten bijna uitsluitend gebruikmaken
van het aantal publicaties en citaties in die tijdschriften voor het
beoordelen van de kwaliteit van het onderzoek.
Toch erkennen de universiteiten dat bibliometrische analyse voor de
evaluatie van de onderzoekskwaliteit intrinsieke beperkingen heeft.
Bibliometrische analyse is vooral geschikt voor de natuurwetenschappen en de
biomedische wetenschappen. Dit betekent dat er voor de beoordeling van de
kwaliteit van de gedrags- en cultuurwetenschappen kwantitatieve, meetbare en
transparante methoden moeten ontwikkeld worden. Een mogelijkheid is
systematisch en met een zekere regelmaat externe commissies de
internationale positie van het onderzoek te laten evalueren op grond van
eigen waarneming, en dit oordeel zo nodig aan te vullen met bibliometrische
gegevens. Zo kan de positie van het onderzoek aan de Vlaamse universiteiten
in vergelijking met andere instellingen in Europa en wereldwijd beter in
beeld worden gebracht voor alle onderzoeksdomeinen.
3.13.6 Academisering van de hogeschoolopleidingen
van twee cycli
Bij de hervorming van de structuur van het hoger onderwijs werd ervoor
gekozen de hogeschoolopleidingen van twee cycli om te vormen tot academische
bachelor- en masteropleidingen. Kenmerkend voor academische opleidingen is
de verwevenheid van onderwijs en onderzoek. Het versterken van de betrokken
opleidingen met wetenschappelijk onderzoek, betekent echter niet dat de
hogescholen een onderzoekspotentieel moeten uitbouwen dat vergelijkbaar is
met dat van de universiteiten. Dit zou leiden tot versnippering van de
onderzoeksmiddelen, wat we precies willen vermijden. Een betere samenwerking
tussen universiteiten en hogescholen in de schoot van de associaties is dus
aangewezen, maar de universiteit behoudt met haar onderzoeksraad wel de
sturende rol. De hogescholen zullen meer en betere mogelijkheden krijgen
voor de uitvoering van toegepast onderzoek. Dit is een ingrijpend proces dat
tijd, energie en bijkomende inzet van middelen en personeel zal vergen, maar
in 2012 zal worden afgerond. Het decreet voorziet in een tussentijdse
voortgangstoets in 2008. Met het oog daarop moet het begrip academisering
verder geoperationaliseerd worden. We zullen een beperkte commissie vragen
dat begrip verder uit te werken aan de hand van de volgende vragen:
- welke concrete eisen kunnen gesteld worden aan de
onderzoeksactiviteiten van de docenten in de bachelor- en
masteropleidingen: eigen onderzoeksprojecten gefinancierd met externe
middelen, (gezamenlijke)onderzoeksprojecten samen met of aan de
universiteiten?
- in welke mate geldt er een doctoraatsverplichting voor de assistenten
aan de hogescholen? Hoe kan die verplichting ingevuld worden?
- in welke mate kunnen de benoemingseisen voor het onderwijzend
personeel van de hogescholen en die voor het zelfstandig academisch
personeel van de universiteiten op elkaar afgestemd worden?
- welke eisen kunnen er gesteld worden aan de onderzoeksoutput van de
hogescholen?
- wat is de verantwoordelijkheid van de universiteiten in de
academisering van de hogeschoolopleidingen: bij de kwaliteitsbewaking,
beschikbaar stellen van middelen, mensen en onderzoeksinfrastructuur?
- wat zijn de kenmerken van een goed onderzoeksmanagement voor de
academisering van de hogeschoolopleidingen?
- zijn er specifieke verwachtingen aan het onderzoek aan de hogescholen
voor het realiseren van de doelstellingen van het innovatiepact?
Het structuurdecreet bepaalt dat ook de tweecyclusopleidingen van het
hoger kunstonderwijs (HKO) geacademiseerd moeten worden. We zullen de studie
van het Nederlandse consultancy-bureau AEF gebruiken om de discussie over de
academisering van het HKO in al zijn aspecten te voeren.
De beheersovereenkomsten met de hogere instituten voor schone kunsten
(Orpheusinstituut, Operastudio Vlaanderen en HISK) en met P.A.R.T.S. lopen
einde 2005 af. De werking van de betrokken instellingen zal geëvalueerd
worden met het oog op een eventuele verlenging van die
beheersovereenkomsten. We zullen van die gelegenheid gebruik maken om na te
gaan of er voor de hogere instituten een rol kan weggelegd zijn op het vlak
van de academisering en/of de doctoraten, of deze opleidingen moeten worden
geïntegreerd in de ba/ma-structuur, en of deze posthogeschoolvorming niet
uitgebreid moet worden tot alle HKO-opleidingen.
|