U bent hier: Vlaanderen > Onderwijs > Beleid > Beleidsnota 2004-2009 > Hoofdstuk 4

4. Opleiding en vorming voor volwassenen

Om te functioneren in de samenleving van vandaag moeten we ons voortdurend aanpassen en heroriënteren, zowel op het persoonlijke vlak als in werksituaties, zo schreven we in het eerste hoofdstuk. Het is onze verantwoordelijkheid dat niemand die boot mist. Het beleid dat we willen ontwikkelen, moet leiden tot een verhoogde deelname aan levenslang leren, door iedereen. 

Ondanks een lichte stijging van de deelname terzake, heeft Vlaanderen nog een lange weg te gaan opdat tegen 2010 12,5% van de bevolking tussen 25 en 64 jaar onderwijs of vorming zou volgen, zoals de Europese Unie voorstelt. Daarnaast is het volgen van een opleiding momenteel sterk ongelijk verdeeld onder de bevolking. Het Mattheüseffect wordt bevestigd: wie al hoog geschoold is, volgt later vaker een bijkomende opleiding. Corrigerende maatregelen zijn nodig. 

Hierbij hebben we vooral een coördinerende verantwoordelijkheid. Naast onderwijs zijn er immers nog vele andere actoren actief op de vormings- en opleidingsmarkt voor volwassenen. Er zijn de publieke actoren, zoals VDAB, VIZO (met de Syntra's) en de sociaal-culturele sector, en daarnaast een stijgend aantal private actoren. Naast dat 'formele leren' leren mensen ook in minder formele contexten: op hun werk, in het verenigingsleven... In tijden waarin vorming zo belangrijk is, moeten we dergelijke competenties ook in rekening kunnen brengen. 

Wat hebben we voor de komende regeerperiode in grote lijnen in petto? Ten eerste zien we een belangrijke opdracht in het volwassenenonderwijs. We willen ervoor zorgen dat het volwassenenonderwijs slagvaardig, competitief en met een duidelijk profiel op de vormings- en opleidingsmarkt staat. Dit vraagt een nieuw decreet volwassenenonderwijs. Ook afstandsonderwijs en e-learning willen we in dit kader verder uitbouwen. Ten tweede willen we komen tot een geïntegreerd vormings- en opleidingsbeleid, dat niet losstaat van het leerplichtonderwijs en waarin er aandacht is voor levenslang leren in de brede betekenis. Dat de bevoegdheden van onderwijs, vorming en werk voor het eerst bij één minister zitten, kan hierin alleen maar een voordeel zijn. Maar ook cultuur willen we hierbij maximaal betrekken. 

 

4.1 Volwassenenonderwijs

4.1.1 Een nieuw decreet voor het volwassenenonderwijs

Het decreet op het volwassenenonderwijs van 2 maart 1999 heeft tot ingrijpende veranderingen in de sector van het volwassenenonderwijs geleid. Niet alleen werd een nodige schaalvergroting gerealiseerd, maar de sector kende ook een uitzonderlijke groei van toegekende leraarsuren, aantal cursisten en middelen. Inhoudelijk en didactisch, structureel en organisatorisch is het volwassenenonderwijs sinds de invoering van het decreet sterk verrijkt. Het aanbod is gegroeid en gedifferentieerd, de organisatie van het aanbod en de toelatingsvoorwaarden zijn versoepeld. Het modulair onderwijs krijgt stilaan vorm, gecombineerd onderwijs (schriftelijk afstandsonderwijs en contactonderwijs) en e-leren hebben hun intrede gedaan. Het volwassenenonderwijs van vandaag kenmerkt zich door zijn levensbreed aanbod, zijn geografisch dicht netwerk en zijn lage toegangsdrempel. Het is een degelijk en krachtig kanaal om de doelstellingen van levenslang leren te realiseren. 

Toch zullen we werken aan een nieuw decreet op het volwassenenonderwijs, dat operationeel moet zijn tegen september 2006 of ten laatste januari 2007. Daarvoor zullen we met de verschillende partners nog veelvuldig overleggen, maar we willen toch al enkele krachtlijnen meegeven. 

In de lijn van de doelstellingen van Lissabon, vinden we dat de deelname aan het volwassenenonderwijs nog sterker kan en moet groeien. Daarom zullen de vernieuwende tendensen van de jongste jaren niet alleen moeten worden voortgezet, maar versterkt en uitgebreid om nog meer effectief op vragen en noden te kunnen ingaan. De laatste jaren is het besef gegroeid dat samenwerking tussen de verschillende opleidingsverstrekkers nodig is. Het nieuwe decreet zal de synergie tussen hen moeten stimuleren en zo nodig zelfs opleggen. Opleidingsverstrekkers zoals VDAB, Syntra en culturele vorming hebben zich op regionale basis gereorganiseerd. De Centra voor Volwassenenonderwijs en Centra voor Basiseducatie zullen dat ook moeten doen, willen ze een herkenbare partner zijn in toekomstige samenwerkingsverbanden. Grotere associaties maken ook een rationelere en efficiëntere uitbouw van het onderwijs mogelijk. 

Enkele vernieuwende tendensen zullen versterkt moeten worden. Zo zal er meer ruimte moeten komen voor intakegesprekken, trajectbegeleiding en erkenning van elders verworven competenties en kwalificaties in de niet-beroepsgebonden opleidingen. 

De strijd tegen laaggeletterdheid en onze wens dat zo veel mogelijk volwassenen een diploma secundair onderwijs zouden halen, houdt belangrijke uitdagingen in voor de basiseducatie en het tweedekansonderwijs. Het nieuwe decreet moet er mee voor zorgen dat beide sectoren slagvaardig genoeg zijn om deze uitdagingen te kunnen aangaan. Dit houdt alleszins in dat de banden tussen basiseducatie en het onderwijs voor sociale promotie versterkt worden. 

 
4.1.2 Vijf opdrachten voor het volwassenenonderwijs

Het voorbereiden van het nieuwe decreet is een aanleiding voor de sector en de overheid om samen na te denken over de opdracht van het volwassenenonderwijs naast die van de andere opleidingsverstrekkers. Op dit moment zien we vijf belangrijke opdrachten. 

De primordiale taak van het volwassenenonderwijs is de inrichting van tweedekansonderwijs. Dat heeft de exclusieve opdracht om aan mensen die nog geen diploma secundair onderwijs hebben, een nieuwe kans te geven om dit te behalen. Daartoe moeten de centra een actief wervingsbeleid voeren, een goede intake verzorgen en een degelijke trajectbegeleiding realiseren. 

Het volwassenenonderwijs heeft ook de opdracht om de basisvaardigheden te verhogen van lagergeschoolde volwassenen, in het bijzonder de geletterdheidsvaardigheden. Dat zijn de lees- en rekenvaardigheden die nodig zijn om te kunnen functioneren in dagelijkse situaties. Niet alleen moet er binnen de sector basiseducatie meer ruimte komen voor opleidingen die deze doelstellingen nastreven. Er moet ook samenwerking komen met het onderwijs voor sociale promotie, niet alleen in structurele of organisatorische zin, maar ook en vooral inzake begeleiding van de cursist. De basiseducatie moet ervoor zorgen dat haar cursisten makkelijker kunnen doorstromen naar het onderwijs voor sociale promotie. De Centra voor volwassenenonderwijs zullen op hun beurt meer moeten kunnen differentiëren in functie van de leermogelijkheden en het studieverleden van de cursisten. De sector basiseducatie zal in de lijn van het toekomstige decreet, ook meer synergie moeten zoeken tussen haar opleidingen en de beroepsopleidingen bij VDAB en Syntra. 

Een derde belangrijke opdracht voor het volwassenenonderwijs zal de organisatie van tertiair onderwijs zijn. In dit kader is het van belang dat de positie van het hoger onderwijs voor sociale promotie (HOSP) ten aanzien van het hoger onderwijs uitgeklaard wordt (zie 2.1.5). 

Het volwassenenonderwijs zal ook kansen bieden voor bij-, om- en nascholing, zowel gericht op het beroep als op de maatschappelijke vorming en de individuele ontplooiing. Een betere afstemming op de andere aanbodsverstrekkers zal nodig zijn, zonder echter afbreuk te doen aan de belangrijke positie van het volwassenenonderwijs op dit vlak. Kenmerkend voor het volwassenenonderwijs is dat het diploma- en certificaatgericht is, maar dat ook algemene vorming een essentieel onderdeel is van het aanbod. 

Ten slotte hebben de centra voor volwassenenonderwijs de nodige expertise om actief te kunnen meewerken aan de realisatie van het Decreet op de Beroepsbekwaamheid (49). Zo kunnen zij mee instaan voor de erkenning van elders verworven competenties, in overleg en afstemming met de andere opleidingsverstrekkers. 

 
4.1.3 Een flexibele en kwalitatieve uitbouw van het volwassenenonderwijs

Het decreet van 1999 had als belangrijke doelstelling om tot een transparant en flexibel volwassenenonderwijs te komen. Er is al een hele weg afgelegd, maar er is nog veel te doen. 


MODULAIR ONDERWIJS EN KWALIFICATIESTRUCTUUR

Het decreet van 1999 voorzag in een nieuwe modulaire structuur, waardoor het aanbod en de kwalificaties voor de cursisten en ondernemingen transparant en flexibel zouden zijn. Vandaag moeten we vaststellen dat we er niet in geslaagd zijn de nieuwe modulaire structuur op ruime schaal in te voeren. In de eerste plaats moeten we onderzoeken waar het fout is gelopen en kijken of we de besluitvormingsprocedure niet kunnen optimaliseren. 

We zullen ook een grondige evaluatie maken van de inhoudelijke en organisatorische knelpunten van de modularisering in het volwassenenonderwijs en op basis daarvan waar nodig bijsturen. Essentieel blijft het uitgangspunt dat we kennis, inzichten en vaardigheden tijdens een opleiding valideren door (deel)certificaten. Daarom moeten de leertrajecten voldoende flexibel en variabel zijn. In dezelfde filosofie zal ook werk worden gemaakt van een evaluatie van de modularisering in de basiseducatie, met eventuele specifieke aanpassingen aan de noden van het doelpubliek.

In de ruimere context van onderwijs en vorming wordt er gewerkt aan een algemeen geldende kwalificatiestructuur (zie 3.3.1). Modulaire trajecten moeten daarin passen. De vormgeving van de opleidingen blijft uiteraard een bevoegdheid van de opleidingsverstrekkers, maar het geheel aan opleidingen en de daaraan verbonden studiebewijzen moeten transparanter worden. 

 
WERVING, INTAKE EN TRAJECTBEGELEIDING

Het is belangrijk dat het bestaande vormingsaanbod op een transparante en wervende manier toegankelijker wordt gemaakt. Primordiaal daarbij is de uitbouw van een centrale opleidingendatabank met een eenvoudige zoekfunctie. 

Wij zullen middelen vrijmaken voor studieoriëntering en trajectbegeleiding in het volwassenenonderwijs, waarbij we met de cursisten leertrajecten kunnen uitstippelen die aansluiten op hun verworven competenties en kwalificaties. Er moet daarbij ook aandacht uitgaan naar de uitbouw van open leercentra waar individuele leertrajecten mogelijk zijn. Dit geldt in de eerste plaats voor de cursisten die les volgen in de basiseducatie en het tweedekansonderwijs. De middelen die hiervoor ingezet worden, zullen leiden tot minder uitval en het efficiënter bereiken van het leerdoel, wat zeer belangrijk is voor cursisten met een grote leerbehoefte. 

 
GECOMBINEERD EN MULTIMEDIAAL ONDERWIJS 

Ondanks de grote inspanningen om een combinatie van contact- en afstandsonderwijs, zogenaamd gecombineerd onderwijs, aan te bieden, is er niet echt sprake van een grote vooruitgang. De doelstelling blijft echter belangrijk: een cursist die onafhankelijk van plaats en tijd wil leren, moet kunnen rekenen op regelmatige ondersteuning via contactonderwijs. 

Gecombineerd onderwijs zou dus meer ingang moeten vinden in het volwassenenonderwijs. Nu is het afstandsonderwijs daar meestal schriftelijk onderwijs. Het moet een krachtiger onderwijs worden door het via e-leren aan te bieden. Omdat de ontwikkeling van dergelijke pakketten bijzonder duur is, lijkt het aangewezen om de ontwikkeling ervan op centraal niveau te laten plaatsvinden. Dit kan echter niet leiden tot een nieuwe vorm van centraal gestuurd afstandsonderwijs. De leerkracht blijft onverkort verantwoordelijk voor het eigen onderwijs. Het zuivere afstandsonderwijs daarentegen zou aan derden overgelaten moeten worden (zie 4.1.7). 

 
4.1.4 Naar regionale associaties

Hoewel er sinds 1999 een evolutie van schaalvergroting geweest is, zijn we van oordeel dat er nog grotere entiteiten nodig zijn om de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen. Dit betekent niet alleen dat er hier en daar verdere fusies nodig zijn, maar vooral dwingende samenwerkingsverbanden volgens regionaal gebonden associaties. Hierbij denken we aan een dertiental associaties, verbonden met de sociaal-economische structuren van het Vlaamse Gewest en Brussel. Wil de basiseducatie binnen deze associaties een duidelijk zichtbare plaats krijgen naast de grotere centra voor volwassenenonderwijs, dan zouden de centra binnen één associatie best fusioneren. Schaalvergroting kan ook leiden tot meer rationalisatie op vlak van omkadering, ondersteundend personeel en cursusaanbod. Fusies hoeven echter niet te leiden tot een afbouw van de werkgelegenheid in de sector. 

De associaties zullen bestaan uit centra voor basiseducatie en centra voor volwassenenonderwijs. Hierbij moeten de beschotten zoveel mogelijk weggehaald worden, zodat een meer harmonische doorstroming tussen beide mogelijk is. In de toekomst moeten concurrentie of zelfs maar afstemmingsproblemen tussen beide sectoren verdwijnen, in het bijzonder voor de opleiding Nederlands voor anderstaligen. In de associaties zal er wel ruimte blijven voor de eigen methodologische en didactische aanpak in functie van de doelgroep. Het pedagogisch concept en de eigen deskundigheid van beide niveau's moeten behouden blijven en erkend worden. Dit sluit natuurlijk geen wederzijdse beïnvloeding uit. 

In de associaties moeten er tussen de centra dwingende afspraken komen over een opleidingsbeleid dat effectief en efficiënt inspeelt op de behoeften van de betreffende regio's. De Vlaamse overheid zal dan een eventuele groei van de financiering laten afhangen van de mate waarin de associaties inspelen op deze regionale vraag (zie 2.2.3). De samenwerking beperkt zich niet tot de centra voor basiseducatie en voor volwassenenonderwijs onderling, Er is ook afstemming met derden nodig, zoals welzijns- en sectororganisaties. 

De associaties zullen zelf instaan voor een oordeelkundige uitbouw van dat aanbod en dus geen programmatie-aanvragen moeten indienen. Ze zullen niet alleen een sterkere gesprekspartner worden voor andere aanbodsverstrekkers. Door overheadkosten te bundelen kunnen ze tot een rationeler kostenbeheer komen en het management kwantitatief en kwalitatief versterken, wat nodig is omwille van hun ruimere verantwoordelijkheden. 

 
4.1.5 Een Vlaams ondersteuningscentrum voor het volwassenenonderwijs

We moeten onderzoeken of we naar het voorbeeld van het huidige Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB) een Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs kunnen oprichten. Dit centrum zou de inhoudelijke en kwalitatieve ontwikkeling van het volwassenenonderwijs moeten ondersteunen, zowel voor deskundigheidsbevordering als voor de ontwikkeling van methodieken, leermiddelen of andere instrumenten eigen aan het volwassenenonderwijs. 

Dit centrum kan ook de ontwikkeling van niet-elektronisch lesmateriaal op zich nemen voor het deel afstandsonderwijs van het gecombineerd onderwijs, en voor louter afstandsonderwijs (via andere kanalen te verspreiden). 

In tegenstelling tot het huidige VOCB zal de overheid enkel voorzien in een basisfinanciering en zal het vooral vraaggestuurd en dus ook vraaggefinancierd werken vanuit de centra en associaties. Met de overheid zal het ondersteuningscentrum een beheersovereenkomst afsluiten over de te bereiken doelstellingen. 

Als een Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs ontwikkeld wordt, zal naar analogie met de integratie van basiseducatie in het volwassenenonderwijs, ook het VOCB geïntegreerd worden in het ruimere ondersteuningscentrum. Het ondersteuningsaanbod voor de basiseducatie zal hierbij gegarandeerd blijven. 


4.1.6 Geletterdheid en Nederlands tweede taal

GELETTERDHEID

Internationale onderzoeken wezen ons de laatste jaren op een reëel maatschappelijk probleem: een te groot deel van de Vlaamse bevolking beschikt niet over voldoende basisvaardigheden inzake taal, rekenen en computer om vlot in de huidige samenleving te kunnen functioneren. Niet alleen leiden dergelijke verschillen tot een ongewenst maatschappelijk dualiseringproces. 

De vorige Vlaamse Regering keurde de doelstellingennota Geletterdheid verhogen goed. Die bevat een operationeel plan voor het verhogen van het geletterdheidsniveau van de Vlaamse bevolking, één van de maatschappelijke aandachtspunten die ook in het pact van Vilvoorde werd opgenomen. Voor de uitvoering van dit plan is de periode 2004-2010 vastgesteld. 

We schatten de waarde van het volledige operationele plan hoog in, maar willen prioriteiten leggen in de uitvoering ervan. Eén van die prioriteiten ligt in het verhogen van de inspanningen voor snelle systematische screening van de geletterdheid van werkzoekenden, zodat zij indien nodig kunnen worden doorverwezen voor een intensieve opleiding en trajectbegeleiding. Daarvoor moet er een quickscaninstrument komen. Voor de aanbodsverstrekkers NT1 moet er een diepgaand screeningsinstrument komen waarmee het probleem kan geschetst en gepeild worden. 

Er moet grotere aandacht uitgaan naar het verankeren van het taal-, wiskunde- en informaticaaanbod in bestaande onderwijs- en opleidingstrajecten. We willen dan ook de uitbouw de uitbouw van trajecten van leren en werken en geletterdheidstraining in opleidingen op de werkvloer stimuleren. Een goede samenwerking tussen de centra voor basiseducatie, de beroepsopleidingen van VDAB en Syntra en de beroepsgerichte opleidingen in het onderwijs sociale promotie zijn daarbij van primordiaal belang. De overheid zal daarbij ook onderzoeken hoe ze de aanpak in bedrijven en sectoren in de strijd tegen de laaggeletterdheid kan ondersteunen. Hierbij kunnen bestaande instrumenten als sectorconvenanten, hefboomkrediet en de sectorale werking aangewend worden. 

Verder moet er een ondersteunende sensibiliseringscampagne komen voor het brede publiek en specifieke doelgroepen, die leidt tot een verhoogde deelname aan opleidingen basiseducatie De doelstellingen uit het plan geletterdheid moeten worden geïntegreerd in de uitvoering van het lokaal sociaal beleid. 

Het Departement Onderwijs zal via een ambtelijke stuurgroep de monitoring van dit plan coördineren. 


INBURGERING EN NEDERLANDS TWEEDE TAAL

Inburgering is volgens het Vlaamse regeerakkoord een zaak van rechten en plichten. Die visie heeft niet alleen implicaties voor de onthaalsector. Aangezien de inburgeringtrajecten uit loopbaanoriëntatie, maatschappelijke oriëntatie en lessen Nederlands bestaan heeft ook onderwijs daarin een belangrijke rol gekregen. 

Het succes van het beoogde inburgeringsbeleid zal in grote mate afhangen van de samenwerking tussen de betrokken partijen: de onthaalbureaus, de VDAB en de centra die Nederlandse taallessen geven. We willen de centra voor volwassenenonderwijs en voor basiseducatie alvast voldoende ruimte geven om tegemoet te komen aan de vraag naar Nederlandse taallessen voor anderstalige nieuwkomers. In het recente verleden waren er vooral bij de centra voor basiseducatie problemen door te lange wachtlijsten. Samen met de minister bevoegd voor het inburgeringsbeleid, willen we de nodige maatregelen treffen om deze wachtlijsten weg te werken. Indien de wachtlijsten niet op vrij korte termijn kunnen worden weggewerkt, zal moeten bekeken worden hoe we voorrang kunnen geven aan mensen in verplichte inburgeringstrajecten. 

Vertrekkend vanuit het afsprakenkader Nederlands voor anderstaligen en rekening houdend met de deskundigheid en professionaliteit waarmee de centra voor basiseducatie deze cursussen organiseren, moeten we ook komen tot meer flexibiliteit en een meer verantwoorde financiering van dit aanbod. De professionalisering die in het NT2-aanbod gedurende de voorbije jaren is gerealiseerd, wensen we te behouden en verder uit te breiden. Maar dit hoeft een verantwoordbare inzet van vrijwilligers die over de noodzakelijke competenties beschikken onder leiding van professionele medewerkers in inburgeringstrajecten niet in de weg te staan. 

 
4.1.7 BIS, het afstandsonderwijs ingericht door het Departement Onderwijs

BIS, of Begeleid Individueel Studeren, is afstandsonderwijs ingericht door het Departement Onderwijs. Het werd door het decreet op het volwassenenonderwijs grondig vernieuwd. Het cursusaanbod werd op zijn actuele relevantie gescreend, de cursussen werden inhoudelijk en didactisch vernieuwd, de lay-out werd gemoderniseerd, de mentoring verbeterd, de productieprocessen werden herzien en geautomatiseerd en er werd meer marketing gevoerd. Ook werd er een inschrijvingsgeld ingevoerd. Dat alles leidde tot een opvallende stijging van het aantal cursisten en vooral tot een grote waardering voor de BIS-cursussen en het begeleidingssysteem. Bovendien werden de laatste jaren cursussen ook volledig online aangeboden en helemaal 'webbased' ontwikkeld. Hiermee vervulde BIS een voortrekkersrol voor e-leren. 

Toch is de participatie aan het afstandsonderwijs in Vlaanderen, waarin BIS bijna een monopolie heeft, relatief veel lager dan in de ons omringende landen, ondanks het feit dat er in Vlaanderen slechts een vorm van remgeld wordt gevraagd terwijl in de referentielanden commerciële prijzen gelden. Hierdoor is de kostprijs per cursist zeer hoog, omdat de vaste kosten over een te beperkt aantal cursussen en cursisten moeten worden afgeschreven. Bovendien maken de oorspronkelijke prioritaire doelgroepen (ambtenarenexamens en Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap) minder dan 15% uit van de inschrijvingen, en bij die laatste groep wordt dan ook nog de grootste uitval vastgesteld. 

Dat alles en andere overwegingen - zoals vragen over de rol van het Departement Onderwijs inzake afstandsonderwijs - bracht de vorige regering al tot het besluit dat er een andere organisatievorm voor BIS nodig was om enerzijds de kostprijs per cursist beheersbaar te houden en anderzijds te garanderen dat er in Vlaanderen een waardevol aanbod aan zuiver afstandsonderwijs zou blijven. Daarom werd gekozen voor een vorm van publiek-private samenwerking. 

De doelstellingen die men hiermee wilde realiseren, zijn: een grotere participatie aan zuiver afstandsonderwijs, snelle uitbreiding van het cursusaanbod, geleidelijke afbouw van de financiële kostprijs voor de overheid, reductie van de kostprijs via kostendeling en schaaleffecten en garantie van een kwaliteitsvol en rendabel aanbod, ook op lange termijn. Wij geloven dat naast het gecombineerd onderwijs het zuivere afstandsonderwijs ook in Vlaanderen een belangrijke functie heeft. Daarom onderschrijven wij deze doelstellingen. Wij willen er echter aan toevoegen dat de knowhow die in BIS ontwikkeld werd, expliciet ter beschikking moet komen van het gecombineerd onderwijs van de centra voor volwassenenonderwijs en de basiseducatie. Op dat punt willen wij op korte termijn het oorspronkelijke voorstel van publiek-private samenwerking voor afstandsonderwijs bijsturen, zodat zowel de originele doelstelling voor afstandsonderwijs als de ondersteuning van het gecombineerd onderwijs kunnen worden gerealiseerd. 

 

4.2 Een geïntegreerd opleidings- en vormingsbeleid

Om iedereen te betrekken in het levenslang leren is het cruciaal om een geïntegreerd opleidings- en vormingsbeleid te ontwikkelen. Zowel beroepsgerichte als algemeen vormende opleidingen moeten hierin een plaats krijgen. Door de versnippering in bevoegdheden (voornamelijk onderwijs, vorming, cultuur en werk) en het grote aantal actoren is de kans immers reëel dat we groepen niet bereiken. We moeten er ook op toezien dat de publieke middelen voor levenslang leren efficiënt worden ingezet. Afstemming is geen gemakkelijke operatie. De verschillende bevoegdheden hebben een eigen cultuur, een eigen rationaliteit en ook eigen belangen. Die zijn niet zo gemakkelijk te verzoenen. Ook bij de verschillende actoren in het werkveld laat dit zich voelen. We moeten er trouwens rekening mee houden dat op het terrein van de volwasseneneducatie naast de publieke actoren, ook private actoren een groeiend deel van de markt innemen. 

Het leerplichtonderwijs moet jongeren op het spoor zetten om een leven lang bij te blijven en talenten voortdurend te blijven ontwikkelen. In dat opzicht moet er niet alleen in de volwasseneneducatie afstemming komen, maar moeten er ook banden worden gelegd tussen leerplichtonderwijs en volwasseneneducatie. Ten aanzien van het huidige beleid inzake levenslang leren betekent dit een verbreding. Met het oog hierop zullen we de dienst Informatie Vorming en Afstemming (DIVA) heroriënteren. Binnen deze dienst, gevormd door de belangrijkste publieke opleidingsverstrekkers in de volwasseneneducatie, werden tijdens de vorige legislatuur de eerste stappen gezet naar een geïntegreerd beleid. De lijnen die daar werden ontwikkeld, worden meegenomen in het huidige beleid en tegelijk verbreed. 

We denken aan drie sporen in het geïntegreerd opleidings- en vormingsbeleid. Een eerste spoor is in grote mate in handen van de opleidingsverstrekkers. Zij moeten zich organiseren tot een goed presterende markt, waarop lerenden tegen een billijke prijs op elk moment, in elke situatie een aanbod kunnen vinden dat aan hun noden beantwoordt. Een tweede spoor is het stimuleren en verzekeren van leertrajecten. Via de ontwikkeling van een algemene kwalificatiestructuur verzekeren we dat leren in verschillende etappes kan gebeuren, bij verschillende opleidingsverstrekkers en in verschillende contexten, dat de overgangen soepel lopen en het traject voor de lerende een coherent geheel vormt. Een derde spoor richt zich op het feit dat opleiding en vorming een zaak van iedereen moet zijn. Als overheid dragen we hierin een belangrijke verantwoordelijkheid. 


4.2.1 Een goed presterende opleidings- en vormingsmarkt ontwikkelen 

Anders dan in het leerplichtonderwijs, waar onderwijs een monopoliepositie heeft, telt de markt van de volwasseneneducatie een groot aantal spelers, elk met een eigen kader en doelstellingen:

  • de publieke opleidingssystemen die vooral arbeidsmarktgericht zijn: VDAB, VIZO, VFSIPH, landbouwvorming;
  • de publieke opleidingssystemen die vooral algemeen vormend zijn: sociaal-culturele verenigingen, vormingsinstellingen (centra voor volwasseneneducatie, centra voor basiseducatie, BIS, deeltijds kunstonderwijs, volkshogescholen, gespecialiseerde vormingsinstellingen, vormingsinstellingen voor bijzondere doelgroepen, syndicale vormingsinstellingen); 
  • de opleidingen bij sectorale opleidingsfondsen en paritaire leercomités;
  • andere opleidingen, zoals bedrijfsopleidingen en opleidingen bij private initiatieven. 

De versnippering van de markt houdt risico's in voor de deelnemers, en voor het doelmatig inzetten van de (beperkte) middelen. Bij een goede coördinatie, operationele afstemming en samenwerking kan de diversiteit van de actoren echter leiden tot een versterkte en hoog presterende opleidings- en vormingsmarkt, zowel voor de lerenden als voor de financierende overheid en de opleidingsverstrekkers. 


VOOR DE DEELNEMERS

Voor wie zich wil ontwikkelen, is er een heel scala aan mogelijkheden van opleiding en vorming. Maar tegelijk houdt de markt ook het risico van ongezonde concurrentie en inefficiënt inzetten van middelen in. Daarom zijn er afstemming en afspraken tussen opleidingsverstrekkers nodig, die moeten leiden tot een kwaliteitsvol opleidings- en vormingsaanbod, tegen een billijke prijs.

In dit afgestemd aanbod moeten potentiële deelnemers gemakkelijk hun weg kunnen vinden. Begin maart 2005 wordt alvast een vormingsdatabank toegankelijk via de website www.wordwatjewil.be. Dit is een gezamenlijk initiatief van onderwijs (OSP, Deeltijds Kunstonderwijs, Basiseducatie en BIS), VDAB, sociaal-cultureel werk en VIZO. Er wordt ook een uitbreiding naar de private opleidingsverstrekkers voorbereid. Aan de website wordt ook een stagedatabank gekoppeld, waar aanvragers en aanbieders van stages elkaar kunnen vinden. Die stagedatabank is bestemd voor de kandidaat-stagiair en het bedrijf, maar ook voor hun tussenpersonen, zoals de scholen, leersecretarissen, interimkantoren, enzovoort. Het systeem is uitbreidbaar naar meer partners. De stagedatabank is een goed voorbeeld van samenwerking tussen de volwasseneneducatie en het leerplichtonderwijs. 

Het elektronisch beschikbaar stellen van informatie is niet voldoende om iedereen te bereiken. Vooral voor risicogroepen moet er ook persoonlijk contact en begeleiding/oriëntering mogelijk zijn. Binnen de bestaande info- en advieskanalen moeten we hiervoor ruimte maken. 

 
EFFICIËNT INZETTEN VAN MIDDELEN

Om de prestaties van de vormingsmarkt te verhogen, zullen opleidingsverstrekkers, inclusief onderwijsverstrekkers, zo veel mogelijk tot gezamenlijke investeringen moeten overgaan, vooral voor beroepsgerichte opleidingen. De snelheid en de flexibiliteit waarmee de onderwijs- en opleidingsverstrekkers de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt moeten volgen, vragen immers te grote investeringen. Waar mogelijk moet er operationele afstemming komen op het vlak van infrastructuur, ICT, ontwikkeling van methodieken, aanmaak van opleidings- en vormingspakketten (bijvoorbeeld 'Bonte Was'), constructie van databanken …

Bonte Was
Bonte Was is een basiscursus Nederlands voor volwassen anderstaligen die geen of zeer weinig Nederlands kennen. Het pakket bestaat uit een multimediaal deel op cd-rom (een interactieve soap) en een begeleidende set van contactactiviteiten ('pen-en-papier') waardoor het ook voor laaggeschoolden toegankelijk is. In principe is Bonte Was dus geschikt voor elke beginnende NT2-leerder. Zowel hoog- als laaggeschoolden kunnen ermee aan de slag. Hoe gaat het in zijn werk? De anderstalige cursisten werken eerst individueel aan de pc met een interactief programma ( meestal één uur). Daarna zijn er twee contacturen waar met het aangeboden taalaanbod wordt gewerkt in groep en onder leiding van een NT2-instructeur. Bonte Was wordt aangeboden door de Centra voor Basiseducatie, de Centra voor Volwassenenonderwijs en de VDAB.

 
DIENST INFORMATIE, VORMING EN AFSTEMMING (DIVA)

De operationele afstemming ligt in grote mate in handen van de opleidingsverstrekkers zelf, maar moet worden aangestuurd door de overheid. Operationele afstemming tussen de voornaamste publieke opleidingsverstrekkers zal gebeuren door de vernieuwde Dienst Informatie Vorming en Afstemming (DIVA), die voortaan zal bestaan uit de volgende partners: netverantwoordelijken volwassenenonderwijs, federatie centra basiseducatie, Socius, VDAB en VIZO. Dit platform houdt zich in de eerste plaats bezig met operationele doelstellingen en taken, en met de afstemming van infrastructuur, methodieken, aanmaak gemeenschappelijke opleidings- en vormingspakketten, opzetten van databanken (opleidingen, stages, enzovoort.). Back-office afstemmingen (bijvoorbeeld kostprijs) behoren ook tot de opdrachten. 

Die nieuwe interdepartementale structuur situeert zich tussen de respectievelijke administraties van onderwijs, vorming, werk en cultuur. Ze wordt aangestuurd door een ministerieel comité, bestaande uit de ministers bevoegd voor onderwijs, vorming, werk en cultuur. De beleidsvoorbereidende initiatieven ter ondersteuning van het levenslang leren, die tijdens de vorige regeerperiode in de DIVA gesitueerd waren, worden hierin opgenomen en opengetrokken naar het leerplichtonderwijs. 

 
4.2.2 Leertrajecten stimuleren en verzekeren

Het gebrek aan overeenstemming tussen opleidingscontexten en -verstrekkers werkt momenteel remmend en demotiverend voor volwassenen die een opleiding willen volgen. Ze komen in een hindernissenparcours terecht, met het risico op overlap, vastlopen, en uitvallen. In de toekomst moeten we komen tot flexibelere leerwegen, waarin structuren niet mogen hinderen, maar op elkaar moeten aansluiten. 

Een dergelijke trajectmatige benadering van leren impliceert flexibiliteit en maatwerk. In een veeleisende, snel veranderende samenleving zijn dit belangrijke troeven. Ook het principe dat de competenties die verworven zijn, bewaard blijven en op een ander moment of in een andere context kunnen worden aangevuld is belangrijk. Dit voorkomt dat mensen afhaken. Een trajectmatige benadering van onderwijs en vorming zou lerenden bovendien moeten stimuleren om hun ontwikkeling zelf in handen te nemen en motiverend zijn voor verdere participatie in levenslang leren. 

Een soepele doorstroming doorheen leertrajecten zullen we centraal verzekeren door de ontwikkeling van een algemene kwalificatiestructuur (zie hoofdstuk 3). Hierin zullen alle kwalificaties gesitueerd kunnen worden, inclusief diploma's, certificeringen en erkenningen van competenties. Dit past ook in het Europese streven naar coherentie, transparantie en gelijkwaardigheid van kwalificaties zoals de Bologna- en Kopenhagenprocessen. 

In Europees verband wordt het Europass-systeem verder uitgewerkt. Deze elektronische portfolio vermeldt alle formele, informele en non-formele leerresultaten, die in eender welke context werden verworven. Voor lerenden zal dit een instrument zijn om leertrajecten op te bouwen. 

Ook op het terrein zijn inspanningen nodig om leertrajecten te ontwikkelen. Een trajectmatige benadering van onderwijs en vorming vraagt een specifieke aanpak: een actievere rol van lerenden en een meer coachende rol van leerkrachten/opleiders, met aangepaste werkvormen. Al tijdens het leerplichtonderwijs zou men hier werk van moeten maken. 


4.2.3 Deelname aan levenslang leren verhogen

Gelet op het dwingende belang van levenslang leren om in de samenleving te kunnen functioneren, zowel op professioneel, maatschappelijk als persoonlijk vlak, is het essentieel dat we iedereen meenemen in de boot van het levenslang leren. Zo voorkomen we een verdere dualisering van de samenleving. Zorgen dat levenslang leren een zaak van iedereen wordt, begint bij het terugdringen van de ongekwalificeerde uitstroom. We moeten ervoor zorgen dat niemand daar de boot al mist. Later moeten we via sensibiliseringscampagnes het levenslang leren actief promoten, algemeen naar het brede publiek, en meer gericht naar risicogroepen. 


TERUGDRINGEN VAN DE ONGEKWALIFICEERDE UITSTROOM

Het maatschappelijk belang van het verminderen van het aantal schoolverlaters zonder diploma SO is groot. Ongekwalificeerde uitstroom heeft niet alleen gevolgen voor de ongekwalificeerde uitstromers in kwestie: vergrote kans op werkloosheid, sociale uitsluiting en achterstand bij verdere ontwikkeling. Er zijn ook gevolgen voor t de volgende generaties. Kinderen van laaggeschoolde moeders hebben 5,5% (50) meer kans om zonder getuigschrift HSO de school te verlaten dan kinderen van hooggeschoolde moeders. Wie zich niet kwalificeert, staat maatschappelijk gezien zwak, en vermindert hierdoor ook de kansen van zijn kinderen. Zo dreigt de dualisering in de samenleving zich via het onderwijs verder te verdiepen. 

Het terugdringen van de ongekwalificeerde uitstroom vertalen we in het verzekeren van startkwalificaties voor iedereen. Startkwalificaties zijn de minimale competenties die nodig zijn om de arbeidsmarkt te kunnen betreden of hoger onderwijs aan te vatten, en om in de maatschappij te functioneren. Het idee van het recht op startkwalificaties is niet nieuw. De SERV pleit al sinds 1999 voor de invoering hiervan. 

Met de leerplicht hebben we een belangrijk instrument in handen om startkwalificaties voor iedereen te verzekeren. Een van de belangrijkste doelstellingen van de leerplichtverlenging tot 18 jaar was precies het terugdringen van de ongekwalificeerde uitstroom. Twintig jaar na het invoeren van de leerplicht blijkt dit instrument echter niet sluitend. Na een scherpe daling in het decennium dat volgde op de leerplichtverlenging, is de ongekwalificeerde uitstroom de jongste jaren gestagneerd. Daarom gaan hier en daar stemmen op om de leerplicht te vervangen door een kwalificatie- of zelfs diplomaplicht. Jongeren nog langer op de schoolbanken houden, is echter niet wenselijk, niet in het minst omdat instrumenten - zowel sanctionerend als stimulerend - om deze plicht hard te maken ook niet sluitend zijn. 

Tijdens de leerplicht zullen we initiatieven nemen om een diploma secundair onderwijs voor zoveel mogelijk leerlingen te verzekeren. Hierin moeten we ambitieus zijn, omdat een diploma nog altijd staat voor een vorm van maatschappelijke bescherming. Vanuit deze ambitie zullen we risicogroepen extra opvolgen (rol van een goede studiekeuzebeleiding, een goed doorstroombeleid tussen scholen, een sluitend spijbelbeleid, …). Daarnaast zullen we de systemen die leren en werken combineren en zo een alternatief vormen voor voltijds onderwijs opwaarderen (zie ook 2.1.3). Een belangrijk element hierin is het verzekeren van een voltijds engagement. De deeltijdse leerplicht vanaf 15 jaar moet worden aangevuld met een werkervaring of, als dit niet mogelijk is, met een alternatief. Als overheid zullen we werk maken van volwaardige alternatieven; jongeren zullen verplicht zijn hierop in te gaan. We voorzien hier in een sluitende aanpak. 

Onvermijdelijk zullen er altijd jongeren door de mazen van het net blijven glippen. Voor hen voorzien we in de volwasseneneducatie een ondersteunend beleid om toch nog tot een startkwalificatie te komen. We zullen in de volwasseneneducatie investeren in een gericht, zichtbaar en aangepast aanbod voor ongekwalificeerde uitstromers. We bouwen het tweedekansonderwijs verder uit. We sluiten aan bij competenties die in het leerplichtonderwijs verworven werden. EVC-procedures kunnen vrijstellingen geven en zo de drempel naar formele opleidingen verlagen. Ook financiële stimuli moeten de drempel verlagen (zie hoofdstuk 2). 


PROMOTIE VAN HET LEVENSLANG LEREN: SENSIBILISERING

Bij een algemene promotie van het levenslang en levensbreed leren moeten we oog hebben voor het spanningsveld tussen noodzaak en dwang, versus kansen en vrije keuze. Die evenwichtsoefening is belangrijk. Anders dreigen we niet-deelnemers te stigmatiseren en voorgoed te verliezen. Door de noodzaak van het ontwikkelen van talenten te sterk te benadrukken, kunnen we het plezier en de voldoening die dit kan geven, ook tenietdoen. De boodschap die we geven is daarom positief, maar er moet een balans zijn tussen de verantwoordelijkheid van het individu en die van de overheid: 'Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen'. 

Die sensibiliseringsopdracht is niet eenvoudig. De snelle ontwikkelingen in onze samenleving en de vele wervelingen in het leven gaan gepaard met onzekerheid en die wordt niet altijd positief ervaren. Waar verandering voor sommigen een uitdaging en een aanzet tot ontwikkeling en voortgang betekent, roept die bij vele anderen juist weerstand op. Verschillende studies wijzen er bovendien op dat de attitude tegenover vorming, training en opleiding in Vlaanderen weinig positief of zelfs ronduit negatief is, ondanks het ruime en gevarieerde aanbod. Tekort aan informatie en transparantie heeft hier wellicht tot op zekere hoogte mee te maken, maar gebrek aan interesse wellicht evenzeer. Risicogroepen op dit vlak moeten we blijven aanspreken, met aangepaste strategieën. 

Voor de promotie van het levenslang leren loopt momenteel de campagne 'Word wat je wil', die op diverse manieren verschillende doelgroepen tracht te bereiken: mensen die willen bijleren en zelf op zoek gaan naar informatie, mensen die latent geïnteresseerd zijn en mensen die aanvankelijk niet geïnteresseerd zijn. Om deze campagne verder ingang te laten vinden op het terrein, zal zij in handen komen van de nieuwe Dienst Informatie Vorming en Afstemming. 

Worden wat je wil. Worden wat je kan. En worden wie je bent. Daar wil ook ons hele beleid voor onderwijs en vorming in de komende regeerperiode toe bijdragen. Voor iedereen.