Beleidsnota - inleiding
Inleiding: Elk kind, elke jongere, elke volwassene gelijke kansen bieden op topkwaliteitHet Vlaamse onderwijs behoort tot het beste ter wereld. Er is nu genoeg internationaal onderzoek voorhanden om daar niet langer aan te twijfelen. Dat is op de eerste plaats de verdienste van leerkrachten, ander personeel en directies in de scholen, van leerlingen en hun ouders. De voorbije decennia hebben schoolbesturen, hun koepels en begeleidingsdiensten en andere intermediairen, die topkwaliteit mee onderbouwd. En de overheid heeft er het kader voor geschapen. Vooral sinds de defederalisering van onderwijs in 1988 heeft Vlaanderen de kansen om het eigen onderwijs zelf vorm te geven, ten volle benut. De resultaten mogen er zijn. In weinig Europese landen is de groei van het onderwijs, die men vaak de democratisering noemt, zo snel gegaan als in ons land. Vanaf de jaren vijftig en zestig heeft er zich een steile klim in de onderwijsparticipatie afgetekend, die maatschappelijk vanuit de brede samenleving werd gesteund. Eerst naar het secundair onderwijs en zich doorzettend naar het hoger onderwijs, breidde de deelname aan onderwijs zich gestaag uit. De gemiddelde scholingsgraad van elke generatie lag beduidend hoger dan die van de vorige. Dit is mee mogelijk gemaakt door de groei van de welvaart en sociale voorzieningen, maar heeft op zijn beurt de welvaart van Vlaanderen verder gestimuleerd en een duurzaam karakter gegeven. De hoge scholing is bijvoorbeeld een oorzaak van de hoge productiviteit in onze bedrijven, die internationale investeerders ertoe aanzet om de loonkostenhandicap te overwinnen en hier te investeren. De grote deelname aan onderwijs heeft Vlaanderen ook op andere vlakken gebracht tot wat het vandaag is: een zeer gemoderniseerde regio, technologisch sterk ontwikkeld, cultureel bruisend en sociaal geëngageerd. De diagnose van het Vlaamse onderwijs is echter niet volledig zonder naar de keerzijde van de medaille te kijken. De steile groei van het onderwijs heeft niet iedereen in dezelfde mate kunnen meenemen. Kinderen uit de elites en de middenlagen van de bevolking kregen globaal meer kansen om de onderwijsladder op te klimmen dan hun leeftijdsgenoten uit lager gesitueerde sociale categorieën. De stijging van scholing en competenties (kennis en vaardigheden) bij een deel van de bevolking creëerde een diepe kloof met groepen uit de samenleving die daartoe veel minder kansen hebben gekregen. Sociale herkomst bepaalt nog altijd het onderwijsniveau dat iemand bereikt. Te veel volwassen Vlamingen zijn te laag geletterd en te weinig Vlamingen hebben een boodschap aan permanente vorming. Ouderen, met een relatief lage scholing, kunnen op de arbeidsmarkt de competentie-ontwikkeling van jongeren niet bijbenen. Ook de nieuwe Vlamingen van allochtone herkomst kunnen niet voldoende aansluiten bij de stijgende onderwijsparticipatie. Als we er niet slagen om ons onderwijs ook voor kinderen van allochtone en anderstalige herkomst tot een succesverhaal te maken, zal dat succes binnen enkele jaren verbleken. Het gaat in de steden immers om een groot aantal kinderen. Ongelijke onderwijskansen zetten zich ook door in het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs. Sociale herkomst speelt een te grote rol in de studiekeuze en de keuze tussen een universitaire of een hogeschoolopleiding. De democratisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen heeft ook succesvolle resultaten opgeleverd voor velen, maar slaagt er niet in door te breken naar de echt kansarmen. Ook in het volwassenenonderwijs speelt het Mattheüseffect. Wie al hooggeschoold is, neemt vaker deel aan permanente vorming en opleiding. Wellicht is de kloof in de Vlaamse samenleving echter niet alleen te wijten aan ongelijke onderwijsdeelname van verschillende groepen van de bevolking. Dan zou de oplossing immers te vinden zijn in een inhaalbeweging. De problemen liggen dieper. De hoge kwaliteit van het Vlaamse onderwijs komt tot stand in een onderwijsbestel dat via complexe mechanismen zélf stelselmatige sociale selectie veroorzaakt. Mechanismen die maken dat sommige kinderen ‘in de buitenbaan’ komen, in een ‘waterval’ naar beneden geraken en niet de kans krijgen om voordeel te halen uit onderwijs en vorming. Integendeel, zij drijven weg naar veel minder succesvolle trajecten en komen niet of te laag gekwalificeerd op de arbeidsmarkt. Als we het voor een grote groep leerlingen zo buitengewoon goed doen in internationale vergelijkingen, moeten we er ook in slagen om het voor de leerlingen die met minder bagage vertrekken, béter te doen. En zoals boven al vermeld: als we het voor de zwakkere leerlingen van vandaag niet béter kunnen doen, dan zullen we morgen misschien niet meer in staat zijn om het voor zo’n grote groep buitengewoon goed te doen. In een steeds complexere samenleving – waarin de economie een kenniseconomie wordt, waarin modernisering, migratie en multiculturaliteit de vertrouwde zekerheden ondergraven, waarin velen op zoek zijn naar nieuwe zekerheden, wij-gevoelens en gedeelde waarden – leiden onvoldoende kennis en vaardigheden haast onvermijdelijk tot achterstelling. Onderwijs en opleiding worden dan ook de kern van de moderne sociale breuklijn, de nieuwe sociale kwestie. Het moment is aangebroken om van gelijke kansen in en door het onderwijs hét beleidsimperatief te maken. De deelname aan onderwijs zal nog verder blijven groeien, in het hoger onderwijs maar vooral ook in het levenslang leren. De onderwijskwaliteit die nu al erg hoog is – zo blijkt ook uit het recente PISAonderzoek – zullen we verder moeten onderhouden en stimuleren. Maar een duurzame stijging in participatie en kwaliteit kan enkel wanneer we die cruciale uitdaging van gelijke kansen kunnen overwinnen. Een verdere dualisering in onderwijskansen zou het slechtst mogelijke scenario voor Vlaanderen zijn. Het zou de duurzaamheid van onze welvaart en ons sociaal bestel ondergraven, ons verhinderen nieuwe talenten aan te spreken voor een krapper wordende arbeidsmarkt, het harmonieus samenleven van diverse bevolkingsgroepen in het gedrang brengen en uiteindelijk ons samenlevingsmodel grondig aantasten. Gelijke onderwijskansen is zeker geen nieuw thema in het Vlaamse onderwijsbeleid, integendeel. Ook de vorige Vlaamse Regering heeft gelijke onderwijskansen bovenaan de politieke agenda gezet en instrumenten ontwikkeld om de bestaande systemen van onderwijsvoorrangsbeleid en zorgverbreding te integreren en te versterken. Het gelijkeonderwijskansendecreet of GOK-decreet regelt het inschrijvingsrecht van alle leerlingen en zorgt voor bijkomende omkadering van scholen op basis van weloverwogen indicatoren. Willen we op termijn ook echt resultaten zien, dan moeten we meer structurele stappen zetten. Hoe belangrijk ook, de input (toelating, omkadering, …) alleen aanpakken zal op zich niet genoeg zijn. We moeten de durf hebben duidelijke doelstellingen te formuleren voor gelijke kansen en de processen in scholen te sturen die de resultaten bepalen. Kwaliteitszorg zal meer dan vandaag op die processen en resultaten gericht moeten zijn. Dit alles veronderstelt een brede hervormingsbeweging in het onderwijs. Ons onderwijsbeleid zal er dus in bestaan niet zozeer een gelijkekansenbeleid te voeren naast zovele andere prioriteiten, maar gelijke kansen tot richtinggevend beginsel voor alle aspecten van het beleid te maken. Gelijkekansenbeleid staat niet haaks op kwaliteit. Natuurlijk zijn talenten en begaafdheid niet gelijk verdeeld. Maar een aantal landen slaagt er in hoge onderwijskwaliteit met veel minder verschillen tussen leerlingen te verzoenen. De internationale PISA-resultaten tonen aan dat er geen verband is tussen hoge kwaliteit en grote ongelijkheid in leerresultaten. Evenmin moeten we de vernieuwing van ons onderwijs een halt toeroepen om er eerst voor te zorgen dat iedereen mee is. Integendeel, door verder te vernieuwen met behoud van wat goed is, zullen we er beter in slagen de ongelijkheid weg te werken. Het onderwijsbeleid streeft tegelijkertijd vele doelstellingen na, vertrekkend van de fundamentele opdracht om àlle jonge mensen de kans te geven hun eigen persoonlijkheid zo goed mogelijk te ontwikkelen, op basis van een brede vorming. Omdat we gelijke kansen centraal stellen, kiezen we echter vier speerpunten uit, die essentieel zijn in het bereiken daarvan. Het zijn speerpunten waarop we het verschil moeten maken tijdens de komende jaren. Het zijn ook die speerpunten die deze beleidsnota vooropstelt. Op de eerste plaats moeten we de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt verbeteren. De combinatie van de bevoegdheden onderwijs, vorming en werk schept unieke kansen om op dit vlak bakens te verzetten. Als we gelijke kansen willen geven aan alle jongeren, dan moet dat ook blijken uit de kansen die jongeren na het onderwijs op de arbeidsmarkt krijgen. Voor de zwakste groep in het onderwijs – jongeren die schoolmoe zijn en deeltijds onderwijs volgen – falen we daarin vandaag jammerlijk. Maar niet alleen voor hen moeten de vele bruggen tussen onderwijs en arbeidsmarkt – in beide richtingen – worden versterkt. Ook de herwaardering van het technisch en beroepssecundair onderwijs is een grote prioriteit. We willen de kanker van het watervalsysteem – de spiraal van negatieve selectie en ‘pedagogie van het falen’ – een halt toeroepen en deze onderwijsvormen in het secundair onderwijs waarderen voor wat ze zijn: een erg belangrijk en toekomstgericht deel van het onderwijsbestel. Versterking van de samenwerking met het bedrijfsleven, meer zorg voor de uitrusting van nijverheidsscholen en een doorzichtige certificering in een geïntegreerde kwalificatiestructuur moeten jongeren stimuleren om hun eigen talenten te ontwikkelen. En ook nieuwe vormen van arbeidsgerichte certificering in het volwassenenonderwijs en het post-secundair onderwijs (subdegree kwalificaties) moeten mensen kansen geven. Op de tweede plaats zullen we voor het gehele onderwijs werken aan een gelijke financiering. We willen de lat gelijk leggen voor alle leerlingen. In het leerplichtonderwijs willen we omkadering en werkingsmiddelen op basis van school- en leerlingenkenmerken berekenen: zo kunnen we ervoor zorgen dat het leerplichtonderwijs systematisch rekening houdt met factoren van achterstelling van leerlingen, die extra ondersteuning in de school nodig maken. Kosteloosheid in het basisonderwijs en kostenbeheersing in het secundair onderwijs moeten garanderen dat financiële drempels nooit in de weg staan van gelijke startkansen. In het hoger onderwijs zal een geïntegreerde financiering de kloof tussen hogescholen en universiteiten verder dichten. En in het volwassenenonderwijs zorgen we voor een stabiel en toekomstgerichte financiering, met stimulansen om mensen in welke fase dan ook van hun leven nog een tweede kans te garanderen op een diploma. Gelijke kansen realiseer je niet alleen met structuren, trajecten en financiering. Ook niet door veel meer middelen in dat onderwijs te pompen. We geloven niet dat naast het behoud van hoge kwaliteit, veel meer van hetzelfde ook meer gelijke kansen zal opleveren. We hebben wel degelijk structurele veranderingen nodig in onze belangrijkste instrumenten: scholen en leerkrachten. Die moeten in staat gesteld worden om de talenten in elk kind tot ontwikkeling te brengen. Goede scholen en leerkrachten zijn dus essentieel. Op de derde plaats willen we dan ook de scholen zelf in hun beleidsvoerend vermogen versterken. Het is ons niet te doen om autonomie om de autonomie. Scholen loslaten en aan hun lot overlaten, daar zijn grote risico’s aan verbonden op het vlak van gelijke kansen en dat beschouwen we dus niet als een goede oplossing. We vinden wel dat je de school, de hogeschool, de universiteit, het opleidingscentrum beter in staat moet stellen én tegelijk verantwoordelijkheid geven om een beleid te voeren dat aangepast is aan haar specifieke noden en uitdagingen, dat je doelen mag stellen en scholen daarop ook mag afrekenen. Succesvolle scholen, met een groot zelfsturend vermogen, zijn ook in staat gelijke kansen tot in elke vezel van de schoolcultuur te laten doordringen en elk kind die omgeving aan te reiken waarin het zijn talenten kan ontwikkelen. We willen scholen ook confronteren en uitdagen op het vlak van gelijke kansen, onder meer door hen in de externe kwaliteitszorg een spiegel voor te houden van hun eigenlijke resultaten op dat vlak. Maar onderwijs alleen kan nooit gelijke kansen realiseren. Het moet daarvoor ook samenwerken met welzijn, met cultuur, met zovele andere sectoren. Dat neemt niet weg dat scholen zelf ook een verantwoordelijkheid hebben. Op de vierde plaats willen we ons inzetten om de leraren een aantrekkelijk en motiverend beroepsperspectief te bieden. Het zijn immers zij die het in de klas, de school moeten waarmaken. We geloven sterk in de stielkennis van de Vlaamse leraren om hoge kwaliteit voor allen te realiseren. Leraren die erin slagen om jonge mensen tot topprestaties te brengen, kunnen ook voor gelijke kansen grootse uitdagingen aan. De kwaliteit van de Vlaamse leraren is uiteindelijk de sleutel tot succes. Het is zeer de vraag of men kwaliteit kan realiseren met weinig gemotiveerde leraren, maar voor gelijke kansen lukt het helemaal niet wanneer een leraar er zelf niet in gelooft. We willen iets meer dynamiek en flexibiliteit in de loopbanen van leraren, door de opleiding en de start van de loopbaan te verbeteren, door enige beweging te brengen in de vlakke loopbaan, door de vraag te stellen of het geheel van opdrachten en prestatiestelsel wel tot een optimale inzet van elke leraar en zijn competenties leidt, door de taken van leraren te differentiëren naarmate ze langer werken, door instap vanuit en uitstap naar andere banen en activiteiten te bevorderen. Het is op deze vier doelstellingen dat ons onderwijsbeleid zal mogen worden afgerekend. Na het eerste hoofdstuk, waarin we de context en de toestand van het Vlaamse onderwijs bekijken en de strategische lijnen van het onderwijsbeleid toelichten, behandelen we in het tweede hoofdstuk deze vier doelstellingen meer in detail. Wanneer we deze vier doelstellingen realiseren, zal het Vlaamse onderwijs in staat zijn te vrijwaren wat het nu al goed doet, maar die kwaliteit ook te verdiepen en duurzamer te maken door ervoor te zorgen dat meer jongeren er aan deelhebben. Dit wil uiteraard niet zeggen dat we het onderwijsbeleid tot deze doelstellingen wil beperken. In het derde hoofdstuk volgen een reeks andere belangrijke beleidsthema’s, die vaak ook te maken hebben met de doelstelling van gelijke kansen. Het stimuleren van burgerschap, de brede school, kwaliteitszorg, een omvattende kwalificatiestructuur, een belangrijke inhaalbeweging inzake infrastructuur, basismobiliteit… zijn allemaal doelstellingen die te maken hebben met gelijke kansen op kwaliteitsonderwijs. Gelijke kansen in onderwijs realiseer je immers ook met goed beleid dat ogenschijnlijk vertrekt van heel andere doelstellingen. Laten we de succesvolle omvorming van het hoger onderwijs naar de bachelor-masterstructuur, een verwezenlijking van de vorige minister, als voorbeeld nemen. Deze hervorming realiseert een geïntegreerde ruimte voor hoger onderwijs in Vlaanderen en plaatst de diploma’s in het hoger onderwijs op een doorzichtige wijze in het Europese kader. Maar zo worden de vroegere opleidingen van het korte type opgewaardeerd en zijn er vele doorstromingsmogelijkheden voor studenten gecreëerd, en kan – mits goede begeleiding van de studiekeuze – ook het vicieuze watervalsysteem in het hoger onderwijs aangepakt worden. Zo wordt de impact van sociale herkomst op studiekeuze verder gemilderd en vergroten de gelijke kansen van studenten. Vlaanderen moet de lat voor het hoger onderwijs hoog blijven leggen, zowel voor onderwijs als onderzoek: onze ambitie is zeker niet gelijke kansen op middelmatigheid, maar gelijke kansen op topkwaliteit! Ook in de sector van onderwijs, opleiding en vorming voor volwassenen willen we dit kansenbeleid vormgeven. Vandaar dat we er een apart vierde hoofdstuk aan wijden. Het onderwijsbeleid en het vormingsbeleid zijn voor ons geen twee gescheiden opdrachten. Door het volwassenenonderwijs te moderniseren en meer samen te voegen met andere structuren van opleiding en vorming, kunnen we de kansen van iedereen verbeteren om nieuwe competenties te verwerven op een voortdurend veranderende arbeidsmarkt en in de bredere samenleving. Ook in opleiding en vorming voor werkenden is er immers een erg grote kansenongelijkheid in Vlaanderen. Door de startkwalificaties van mensen te verbeteren, door de verschillende aanbodsvormen te integreren en meer te doen samenwerken en door lerenden beter te begeleiden, kunnen we ook deze kloof helpen dichten. Zowel de titel als de structuur van deze beleidsnota zullen hier en daar misschien de wenkbrauwen doen fronsen. De beleidsnota is niet opgebouwd volgens de klassieke indeling in beleidsniveaus, maar eerder thematisch. We hebben er bewust voor gekozen om geen aparte hoofdstukken te schrijven over “kleuteronderwijs”, “lager onderwijs”, “secundair onderwijs”… hoe belangrijk we de eigenheid van die verschillende niveau’s ook vinden. Die eigenheid zal in ons beleid niet verwaarloosd worden. De zeven beleidslijnen van het eerste hoofdstuk waren al aanwezig in de Discussienota die we in oktober verspreid hebben. De discussie over de nota heeft toegelaten om de beleidsdoelstellingen te preciseren, prioriteiten beter te onderlijnen en uit te werken in de volgende hoofdstukken. De zeven “strategische beleidslijnen” van het eerste hoofdstuk weerspiegelen zich daarom niet in de verdere opbouw, maar ze zijn wel in de meeste thema’s die volgen, terug te vinden. Alles steunt daarbij op het basisthema van de gelijke onderwijskansen. De titel van deze beleidsnota, “Vandaag kampioen in wiskunde, morgen ook in gelijke kansen”, verwijst naar het recent gepubliceerde PISA-onderzoek. Hij is ambitieus gesteld, want we vinden dat we vandaag in Vlaanderen ambitieus moeten zijn. Maar we weten heel goed dat we deze ambitie niet zullen waarmaken door het lanceren van spectaculaire voorstellen die de indruk wekken dat je bestaande realiteiten in een handomdraai kan veranderen. We kiezen resoluut voor geduldig werk op de lange termijn. Het departement en de minister zullen meer achter de scène staan, dan vooraan op de scène. In het eerste hoofdstuk wijden we daarom ook uit over de beleidsmethode die we zullen hanteren: proeftuinen om bij te leren, grondig overleg en beleidsvoorbereidend onderzoek. We vragen ook om de pleinvrees die in onderwijsmiddens bestaat m.b.t. het Europese onderwijsbeleid te overwinnen. Wij voelen ons goed bij het onderwijsbeleid dat zich in de Unie ontwikkelt, en we hebben veel te winnen bij een actieve inzet daarin. We zijn ambitieus in onze plannen voor deze legislatuur, maar tegelijk bewust van de budgettaire context waarin de Vlaamse Regering de komende jaren moet werken. We staan dus achter onze plannen, maar deze moeten geïntegreerd worden in de budgettaire meerjarenplanning die de Vlaamse Regering in het voorjaar 2005 zal opstellen. Waar nodig zullen keuzes moeten gemaakt worden en prioriteiten gekozen. En zonodig moeten we voor echt noodzakelijke maatregelen middelen zoeken door een rationelere organisatie van het aanbod en door elders op minder essentiële uitgaven te korten. Ambitieus zijn is geen excuus om de budgettair noodzakelijke teugels te gaan vieren, maar budgettaire krapte kan evenmin een voorwendsel zijn om bij de pakken te blijven zitten. De uitdagingen zijn duidelijk, de politieke visie om belangrijke stappen vooruit te zetten ook. Het momentum is er ook. De Vlaamse bedrijven roepen vandaag om geschoolde arbeidskrachten en die roep zal de komende jaren door de sociaal-demografische evolutie nog toenemen. De kenniseconomie vraagt om een kwalificatieverhoging van de bevolking. En de steeds complexer wordende samenleving vereist meer en betere competenties van mensen, niet alleen om zich op de arbeidsmarkt te handhaven, maar ook om de wereld te begrijpen en een waardenkader te ontwikkelen. Het onderwijs heeft de plicht om die maatschappelijke vragen ernstig te nemen en dus alle talenten in de samenleving aan te boren. Het algemeen erkende belang van onderwijs en vorming creëert ook de mogelijkheid om een breed maatschappelijk bondgenootschap te smeden voor een nieuwe democratiseringsgolf. Willen we de kansen van iedereen verzekeren, dan mogen we deze kans niet laten voorbijgaan. We kunnen de juiste keuzes maken en daar later de vruchten van plukken als samenleving. We kunnen die kansen nu ook verkwanselen en dit dan later betreuren. De verantwoordelijkheid ligt bij ons, maar ook bij u. |