|
| |
Flankerend onderwijsbeleid. Theorie en praktijk van lokale hefbomen
Toespraak van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs
en Vorming
Auditorium Hadewych, 22 januari 2008
Startdag lokaal flankerend onderwijsbeleid
Dames en heren,
(Belang lokaal flankerend onderwijsbeleid)
Tot slot van deze eerste startdag ‘lokaal flankerend onderwijsbeleid’ van het
Departement Onderwijs en de VVSG, neem ik graag even de tijd om u persoonlijk
mee te geven waarom ik het belangrijk vind dat u hier vandaag was. Ik heb
namelijk uw hulp nodig. Sommige problemen waar we in het onderwijs mee kampen,
zoals het spijbelen of de lage kleuterparticipatie bij bepaalde doelgroepen,
zijn zo complex, dat het Vlaamse onderwijsbeleid lokale hefbomen nodig heeft om
ze aan te pakken.
In de fysica omschrijft men een hefboom als volgt: ‘een mechanisme waarmee een
kleine kracht in combinatie met een grote beweging wordt omgezet in een kleine
beweging die een grote last verplaatst, waardoor de last veel groter kan zijn
dan de uitgeoefende kracht’. De analogie is duidelijk: als de Vlaamse middelen
en alle kleine inspanningen die lokale actoren uit onderwijs, welzijn, cultuur,
enzovoort afzonderlijk leveren, kunnen gekoppeld worden aan één grote lokale
beweging van overleg en samenwerking, is er meer kans dat we beweging krijgen in
de hardnekkige onderwijsproblemen waarvan ik er zonet enkele aanhaalde. De
steden en gemeenten zijn volgens mij – om in termen van de mechanica te blijven
– het ‘draaipunt’ waar deze koppeling het best tot stand kan komen. Lokale
besturen kunnen immers het best inspelen op de lokale noden en behoeften, voelen
het best aan hoe de dingen lokaal in beweging kunnen worden gezet.
Vooral de centrumsteden hebben op deze manier reeds heel wat initiatieven
genomen, hebben bewezen dat een lokaal flankerend onderwijsbeleid mogelijk is,
en hebben me dan ook sterk geïnspireerd om dit idee om te zetten in regelgeving.
Twee goede voorbeelden van dergelijke inspiratiebronnen hebben jullie vanmorgen
kunnen beluisteren, namelijk Antwerpen en Turnhout. Dit decreet is dus ook een
vertaling van een evolutie die zeker in de grotere steden plaatsvond de voorbije
jaren. Van enkel de zorg voor het eigen net is men er geëvolueerd naar het
regisseren van diverse aspecten over de netten heen. En deze evolutie wil ik in
alle Vlaamse gemeenten stimuleren.
(Decreet)
Op 1 januari 2008 is het decreet waarmee deze uitgangspunten in regelgeving
worden vertaald, in werking getreden. Het stelt steden en gemeenten wettelijk en
financieel in staat om deze hefboomopdracht ten volle te gaan vervullen.
De tekst van het decreet is opgebouwd rond drie luiken: de sociale en andere
voordelen, de minimale taken van een gemeente in het kader van het lokaal
flankerend onderwijsbeleid en de financiële steun aan de centrumsteden en andere
gemeenten ter stimulering van hun lokaal flankerend onderwijsbeleid.
(Sociale en andere voordelen)
Vooreerst zorgt het decreet voor een aanpassing van de verouderde regelgeving
rond de sociale voordelen, die nog stamt uit de periode van voor het schoolpact.
Tot voor dit decreet vormde de beperkte lijst van sociale voordelen die
gemeenten mochten toekennen aan scholen van de andere netten, een wettelijke
belemmering voor lokale initiatieven. In principe opereerden bijvoorbeeld
Antwerpen en Turnhout al enkele jaren in de illegaliteit! Deze situatie waarin
lokale besturen verhinderd werden om waardevolle initiatieven te ontplooien ten
aanzien van alle scholen op hun grondgebied werd dus onhoudbaar.
Door het invoeren van de andere voordelen, gekoppeld aan de mogelijkheid om
criteria vast te leggen waaraan scholen moeten voldoen om aanspraak te kunnen
maken op deze voordelen, bied ik gemeenten een instrument om een echt beleid te
voeren. Wat vroeger niet kon. Eigenlijk streef ik er zo naar gemeenten 'voorbij'
het denken in voordelen te brengen, ‘voorbij’ het enkel denken in termen van het
bewaken van de concurrentie-evenwichten tussen de netten, naar een denken aan
een lokaal onderwijsbeleid met gelijke onderwijskansen voor àlle leerlingen als
doelstelling.
Ik besef dat sommige gemeentebesturen zich door de andere voordelen enigzins
bedreigd voelen: ‘Want nu gaan de scholen alles kunnen vragen!’. Deze vrees is
ongegrond. Ten eerste beslist de gemeente uiteraard nog altijd zelf welke andere
voordelen ze toekent, maar bovendien biedt deze evolutie naar beleidsmatig
denken gemeenten net een sterk argument om op bepaalde vragen in te gaan en
andere af te wijzen: een vraag past al dan niet in uw lokaal beleid. Tegelijk
vraagt dat natuurlijk ook professionaliteit van lokale mandatarissen. Situaties
waarbij criteria zo worden gedefinieerd dat enkel een ‘bevriende’ school er wel
bij vaart, zijn uiteraard ook niet de bedoeling.
(Minimale taken van steden en gemeenten)
In een tweede luik beschrijft het decreet de minimale taken van een gemeente in
het kader van het lokaal flankerend onderwijsbeleid. Het decreet onderlijnt dat
gemeenten ten eerste hun medewerking moeten verlenen aan de controle op de
leerplicht en het bevorderen van een regelmatig schoolbezoek van leerplichtige
leerlingen op hun grondgebied. Dat is geen onschuldige bepaling: actieve
medewerking van lokale besturen is essentieel in het spijbelactieplan en blijkt
niet overal even vanzelfsprekend.
Ten tweede hebben de gemeenten een taak hebben bij het bevorderen van de
deelname aan het onderwijs van alle kleuters, in het kader van het
kleuteractieplan.
Ik hoop dat de workshops die u vanmiddag kon volgen over deze twee thema’s, u
inspiratie hebben gegeven over hoe u deze opdrachten concreet in uw gemeente kan
aanpakken.
(Projectsubsidies)
In het derde, en volgens u waarschijnlijk het interessantste luik van het
decreet, worden de subsidies aan kwaliteitsvolle onderwijsprojecten in centrum
en niet-centrumsteden decretaal verankerd. Sinds het schooljaar 2006-2007 reik
ik subsidies uit aan alle centrumsteden en vanaf dit schooljaar komen ook de
niet-centrumsteden in aanmerking. Met de decretale verankering van deze
subsidies druk ik mijn waardering uit voor de bestaande initiatieven en de
lokale dynamiek. Steden en gemeenten die nog niet zo actief zijn voor lokaal
flankerend onderwijsbeleid wil ik op die manier stimuleren om hun taak op te
nemen.
Diegenen die vanmiddag de workshop van Elke Naessens over het schrijven van
projectaanvragen hebben gevolgd, weten waarschijnlijk al alles over het
verkrijgen van deze subsidies. Voor de anderen leg ik nog even kort uit wat er
wordt verwacht.
Een centrumstad die een beroep wil doen op subsidies dient een onderwijsplan op
te stellen en concrete projectvoorstellen in te dienen.
Uit het onderwijsplan blijkt de visie van de stad op het flankerend
onderwijsbeleid en de gedragenheid van die visie door de lokale
onderwijsactoren. De stad moet duidelijk aangeven hoe ze als hefboom de lokale
onderwijsactoren in beweging wil brengen, en in welke richting. Het is
uitdrukkelijk niet de bedoeling om de stad nog maar eens te belasten met een
nieuw groot plan. Minimale afspraken zijn echter noodzakelijk. Als de stad op
het vlak van onderwijs al een actief beleid voert, kan zij de bestaande
documenten hierover bundelen. Het onderwijsluik in het lokaal sociaal
beleidsplan bijvoorbeeld kan zo uitgewerkt zijn dat het voldoet aan de criteria
van een onderwijsplan.
In de workshop over het onderwijsplan door Marleen De Vry van VVSG werden u
wellicht handvatten aangereikt om dit proces van beleidsplanning aan te pakken
in uw stad.
Van de niet centrumsteden verwacht ik geen onderwijsplan. Hun projectvoorstellen
moeten uiteraard wel kaderen in het lokale beleid en deel uitmaken van een
gedragen visie.
In het decreet en het uitvoeringsbesluit dat erbij hoort leg ik wat de
projectsubsidies betreft ook een duidelijke inhoudelijke klemtoon, namelijk
gelijke onderwijskansen. Dit kan zeer breed en zeer lokaal worden ingevuld, maar
het betekent wel dat deze overweging zal meespelen als ik projecten moet
selecteren. Dit is vooral voor de niet-centrumsteden belangrijk, voor wie een
jaarlijks totaalbudget van 500.000 euro is voorzien. Deze middelen zullen gaan
naar die steden of gemeenten waar de nood het hoogst is.
Betekent dit dat kleine gemeenten waar de gelijke onderwijskansenproblematiek
niet zo groot is, en waar er misschien ook geen gebrek aan kleuterparticipatie
of een probleem van spijbelen is, geen lokaal flankerend onderwijsbeleid kunnen
of moeten voeren?
Neen. Er zijn immers heel wat beleidsdomeinen die linken hebben met onderwijs
waarvoor gemeenten lokaal bevoegd zijn. Denken we maar aan verkeer, milieu,
cultuur, sport. Door een actieve regierol op te nemen en linken te leggen tussen
scholen, gemeentelijke diensten en andere lokale partners, denk ik dat zelfs
kleine gemeenten lokaal een grote beweging op gang kunnen brengen waar de
leerlingen van alle scholen bij gebaat zijn. Werken aan schoolvervoersplannen,
het netoverschrijdend organiseren van sportactiviteiten, samenwerking
organiseren tussen het DKO, het lokale gemeenschapscentrum en de scholen,… : ook
dat is lokaal flankerend onderwijsbeleid!
Voor gemeenten die eraan denken om lokale acties rond mobiliteit op te
zetten, wil ik nog meegeven dat ze vanaf volgend jaar kunnen rekenen op
projectsubsidies als ze kinderen aanzetten om meer te voet (stappen) of met de
fiets (trappen) naar school te gaan. Ook netoverschrijdend leerlingenvervoer zal
gesubsidieerd worden, maar pas als de betrokken gemeente één jaar gewerkt heeft
rond stappen en trappen. Met deze aanpak wil ik samen met mijn collega-minister
Van Brempt leerlingen uit het basisonderwijs op een meer gezonde en dus duurzame
manier naar school laten gaan. Volgend schooljaar is hiervoor 2,4 miljoen
beschikbaar, in 2009-2010 loopt dit op tot 9,6 miljoen. Projectaanvragen kunnen
nog ingediend worden tot 15 februari.
(Gemeente als regisseur)
Er is dus voor elk gemeentebestuur een rol weggelegd als regisseur van het
flankerend onderwijsbeleid. Het feit dat u als gemeentebestuur zelf vaak
organisator bent van onderwijs maakt deze taak echter niet evident. Die
problematiek is u wellicht bekend.
Maar wat zijn eigenlijk de kenmerken van een goede regisseur? Volgens
onderzoekers van het Hoger Instituut voor de Arbeid van de K.U.Leuven moet een
regisseur beschikken over volgende lijst van eigenschappen:
- een goede regisseur moet getuigen van neutraliteit (zoals gezegd, niet
evident),
- beschikken over een netwerk van contacten (OK),
- beschikken over middelen (OK),
- continuïteit kunnen verzekeren (OK),
- en ervoor zorgen dat alle betrokkenen evenwaardig participeren (dat moet een
gemeente ook kunnen).
Hieruit kunnen we toch concluderen dat het gemeente- of stadsbestuur goed
geplaatst is om als regisseur van het lokaal onderwijsbeleid op te treden.
Over die niet steeds evidente neutraliteit geven de onderzoekers zelf aan dat
een absoluut neutrale regisseur wellicht nooit kan worden gevonden: iemand die
echt neutraal is, is immers niet voldoende betrokken bij de problematiek.
Belangrijk is dat een regisseur voldoende vertrouwen krijgen van de andere
betrokken partijen. Het decreet doet geen uitspraak over de wijze waarop een
lokaal bestuur dat moet realiseren. Transparantie lijkt me het sleutelwoord: als
de gemeente zelf onderwijs verstrekt, is het belangrijk dat haar positie als
voortrekker in het lokaal flankerend onderwijsbeleid enerzijds en ten aanzien
van haar eigen scholen anderzijds, ook budgettair duidelijk is afgebakend.
(Samenwerking met het LOP)
Een belangrijke partner voor het gemeentebestuur bij het uitstippelen van haar
lokaal onderwijsbeleid is het lokaal overlegplatform of LOP.
Dit decreet wil de rol van het LOP versterken en verduidelijken. Daarom wordt
expliciet gesteld dat het LOP in centrumsteden betrokken moet worden bij het tot
stand komen van het onderwijsplan. In alle LOP-werkingsgebieden waar projecten
voor subsidiëring worden ingediend, moet het betrokken LOP verplicht om advies
bij de projectvoorstellen gevraagd worden. Het advies van het LOP als essentiële
partner in het lokaal flankerend onderwijsbeleid is voor mij een minimale en
vanzelfsprekende voorwaarde.
Dit principe stuitte nochtans op kritiek. De LOP’s zouden niet geschikt zijn om
advies te geven, omdat niet alle onderwijsniveaus vertegenwoordigd zijn in het
LOP en omdat de grenzen van de LOP’s niet altijd samenvallen met de
gemeentegrenzen.
In de LOP’s zijn inderdaad enkel het basisonderwijs en het secundair onderwijs
vertegenwoordigd, maar het advies van het LOP wordt dan ook enkel gevraagd als
een project betrekking heeft op deze niveaus. De adviesbevoegdheid van het LOP
is ook beperkt door de geografische grenzen van een gemeente. Slechts die leden
die actief zijn binnen de gemeente kunnen bijdragen aan het vereiste advies.
Uiteraard kan het lokale bestuur zelf bekijken hoe men in de eigen gemeente
die samenwerking het best uitbouwt. Zo kan het zijn dat in sommige gemeenten een
samenwerking met de algemene vergadering van het LOP wegens de grootte van de
vergadering af te raden is en men een samenwerking met het dagelijks bestuur van
het LOP verkiest. Dat kan perfect: de gemeente dient in overleg de meest
efficiënte manier van werken te zoeken.
Voor de taak van lokale besturen in verband met kleuterparticipatie is het
LOP alvast een onmisbare partner. Indien uw gemeente binnen het werkingsgebied
van een LOP ligt, vraag ik dan ook om uw acties rond kleuterparticipatie in
samenspraak met dit LOP opzet. Voor mij is het lokaal overlegplatform voor
gelijke onderwijskansen immers de draaischijf, de plek waar alle betrokken
actoren rond dit thema elkaar ontmoeten. Het LOP basisonderwijs heeft
uitdrukkelijk – via onderwijsdecreet XVII - kleuterparticipatie als een nieuwe
opdracht gekregen. Vorig jaar vroeg ik aan de 41 LOP’s voor het basisonderwijs
om kleuterparticipatie op hun agenda te plaatsen.
Als uw gemeente niet tot een LOP-gebied behoort, dan ligt de regie bij u. Dat
weten ook de zorg+ medewerkers die ik aan de scholengroepen heb toegevoegd om
werk te maken van kleuterparticipatie. Ik reken erop dat gemeentebesturen en
zorg+-ers elkaar lokaal zullen vinden om goede afspraken te maken over acties om
meer kleine kleuters beter naar school te krijgen.
(Besluit)
Alles samen beschouwd verwacht ik dus wel wat van gemeenten als lokale hefbomen
voor mijn beleid. Ook daar geldt de analogie met de mechanica: het natuurkundig
principe dat aan de hefboomwerking ten grondslag ligt is immers het principe van
de arbeid… De inspanning die geleverd wordt. Het werk dat wordt gedaan.
Bovendien blijkt arbeid enkel positief als er iets met een kracht mee beweegt.
Een pleidooi dus voor constructieve samenwerking, binnen steden en gemeenten en
ook tussen de steden en gemeenten en de Vlaamse overheid.
Wat die laatste vorm van positieve arbeid betreft, wil ik tot slot van deze
toespraak graag de VVSG uitdrukkelijk bedanken. Ik heb de VVSG twee jaar geleden
gevraagd de steden en gemeenten te ondersteunen en waar nodig te begeleiden bij
het verwezenlijken van het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau. Dat doen
zij onder meer via publicaties, zoals het tijdschrift Lokaal of de interessante
pocket die over lokaal flankerend onderwijsbeleid bij Politeia werd uitgegeven.
Ondertussen verloopt ook de samenwerking tussen de VVSG en het Departement
onderwijs almaar vlotter, getuige hiervan deze eerste gemeenschappelijke
startdag in een reeks van drie. Ik beschouw de VVSG dan ook als een belangrijke
ambassadeur van het lokaal flankerend onderwijsbeleid in de steden en gemeenten,
én een belangrijke spreekbuis van de lokaal besturen naar mijn kabinet en het
Departement onderwijs. Ik hoop deze samenwerking dan ook volgend schooljaar te
kunnen verder zetten.
Ik dank u.
naar boven
|