U bent hier: Onderwijs en Vorming > Beleid > Toespraken > Ronde van Vlaanderen SO

Ronde van Vlaanderen Secundair Onderwijs
De tienkamp voor gelijke onderwijskansen: Op naar de volgende nummers

Toespraak van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming
01 juli 2008

Dames en heren directeurs en beleidsmedewerkers,

Het schooljaar zit er alweer op, de schoolpoorten zijn gesloten, de vakantie staat voor de deur. Naar goede gewoonte is dit het moment om u in te lichten over de wijzigingen in de regelgeving die u vanaf volgend schooljaar mag verwachten. Het moment ook om u persoonlijk te informeren over grote projecten die, op korte of langere termijn, nog op stapel staan voor het secundair onderwijs. Projecten die allemaal te maken hebben met mijn tienkamp voor gelijke onderwijskansen.

(nieuw financieringssysteem)

En de eerste proef daarvan, een essentiële voorwaarde voor een gelijkekansenbeleid, is een aangepaste financiering. Een financiering die rekening houdt met het sociale profiel van leerlingen. Op dat punt hebben we een historische stap vooruit gezet. Het Vlaams Parlement heeft vorige week woensdag beslist dat er vanaf volgend schooljaar – 1 september 2008 – een nieuw financieringssysteem komt voor de werkingsmiddelen van het leerplichtonderwijs.

De lat wordt gelijk gelegd. Maar dan ook ècht gelijk. Vooreerst wordt de historische ongelijkheid tussen de netten weggewerkt. De werkingsmiddelen worden niet langer verdeeld volgens de huidige 100 -76 –verhouding: 100 voor het gemeenschapsonderwijs en 76 voor het gesubsidieerd onderwijs. De lat tussen alle netten wordt gelijk gelegd. Er is nog wel een extra voor de scholen van het officieel onderwijs wegens twee ‘objectieve verschillen’, die te maken hebben met het aanbieden van meerdere levensbeschouwelijke vakken (4.5% voor officieel onderwijs) en het garanderen van de vrije schoolkeuze (3% voor GO!).

Bovendien wordt de nieuwe financiering deels gebaseerd op leerlingenkenmerken. Anderstalige leerlingen met een laag opgeleide moeder, die een studietoelage krijgen en/of in een kansarme buurt wonen, zullen bij scholen meer werkingsmiddelen in het laadje brengen.

Deze twee punten zorgen voor een historische doorbraak. Er zijn vele en intensieve onderhandelingen aan voorafgegaan. Maar uiteindelijk hebben alle onderwijskoepels en het gemeenschapsonderwijs hun akkoord gegeven. Voortaan zal niet het net waartoe de school behoort bepalen hoeveel werkingsmiddelen ze krijgt, maar wel het sociale profiel van haar leerlingen. Straks zullen mijn ambtenaren u meer in detail informeren over het nieuwe financieringsdecreet.

(stijging van de werkingsmiddelen)

De hervorming van de financiering gaat gepaard met een fikse verhoging van de middelen. Voor het hele secundaire onderwijs is er in de begroting 2009 113 miljoen meer dan in de begroting 2004. Dat is een stijging met 35%. Als we rekening houden met de intussen gestegen prijzen, gaat het nog altijd over een reële stijging van 19% van de werkingsbudgetten. En we doen een eenmalige inspanning van 5 miljoen euro voor alle scholen om de overgang naar het nieuwe systeem te maken.

(schooltoelagen)

Extra middelen voor de scholen dus. Extra middelen ook voor de ouders met een bescheiden inkomen. Vanaf volgend schooljaar breiden we het systeem van de schooltoelagen uit. Ook leerlingen van het basisonderwijs en het deeltijds secundair onderwijs komen voortaan in aanmerking. En de inkomensgrenzen worden aangepast. Een kwart van de gezinnen zal kunnen genieten van een schooltoelage. En de bedragen worden hoger.

Nieuw is ook dat we het toekennen of uitkeren van toelagen afhankelijk maken van de aanwezigheid op school. Leerlingen die twee jaar na elkaar te vaak spijbelen, zullen hun recht op een toelage verliezen. We geven enkel ondersteuning als leerlingen en hun ouders ook een inspanning leveren. Ik kom daar meteen nog op terug.

(GOK)

Ik wil het eerst nog hebben over de derde GOK-cyclus die op 1 september van start gaat.

Op termijn is het de bedoeling dat GOK geïntegreerd wordt in een nieuw financieringssysteem voor de omkadering. Het nieuwe financieringssysteem dat we nu al hebben, geldt immers enkel voor de werkingsmiddelen.

Maar de eerste jaren doen we dus nog verder met GOK. Vanaf 1 september stijgt het GOK-budget met meer dan 20%. In het secundair onderwijs komen er 280 extra voltijdse leerkrachten bij om kansarme leerlingen extra begeleiding te geven. Als je de GOK- omkadering voor het secundair onderwijs volgend schooljaar vergelijkt met het begin van de regeerperiode, vijf jaar geleden, dan gaat het om meer dan een verdubbeling van de inspanning voor het hele SO samen.

Vóór de start van een GOK-cyclus vragen scholen bij de ouders gegevens op over het opleidingsniveau van de moeder, de thuistaal, enz. In de toekomst willen we overigens meer leerlinggegevens halen uit de databanken van het departement, en u, de scholen, daar veel minder mee lastigvallen.

Maar voor de derde GOK-cyclus hebben we ons gebaseerd op de leerlingentelling die scholen op 1 oktober 2007 hebben georganiseerd voor het nieuwe financieringssysteem voor de werkingsmiddelen, en dit zowel in het basis- als in het secundair onderwijs.

Die enquête werkt met deels andere indicatoren dan bij de vorige GOK-cyclus. De indicatoren voor de tweede en derde graad secundair werden nu gelijkgeschakeld met die van basisonderwijs en de eerste graad secundair. Bovendien werden sommige indicatoren verfijnd en aangepast. Dat alles bracht uiteraard verschuivingen mee voor de scholen.

Secundaire scholen die voor de eerste graad GOK-uren verliezen, zullen voor de helft worden gecompenseerd. Maar in het totaal stijgt het budget voor GOK in de eerste graad met ruim 3,8 miljoen euro. Er tikken dus véél meer scholen aan.

Wie zou verliezen in de tweede en derde graad wordt helemaal gecompenseerd. Bijkomend injecteer ik bijna 7 miljoen euro extra in GOK tweede en derde graad – waarmee dit budget verdubbelt.

We willen er wel over waken dat de scholen deze middelen effectief inzetten voor kansarme jongeren. Ze moeten daarvoor een GOK-beleid uitwerken. De inspectie gaat ook na of de scholen dat in de praktijk waarmaken.

En af en toe komt er dan een negatief inspectieverslag uit de bus – voor het secundair onderwijs in 10 scholen voor de eerste GOK-cyclus en in 8 scholen voor de tweede GOK-cyclus. De huidige regelgeving bepaalt dat scholen met een negatieve GOK-evaluatie elk recht op extra uren-leraar verliezen voor de volgende periode van drie schooljaren. Eigenlijk worden de leerlingen dan gestraft voor het gebrek aan beleidskracht van hun school. Ik zorgde er na de eerste en nu ook na de tweede GOK-cyclus voor dat scholen hun GOK-beleid gericht konden bijsturen met een remediëringsplan. Ze krijgen daartoe het eerste schooljaar van de cyclus een stimulans in de vorm van de helft van het aantal uren-leraar waar ze normaal gezien recht op gehad zouden hebben. Als de onderwijsinspectie op het einde van dat schooljaar een duidelijke verbetering vaststelt, kan de school weer een beroep doen op het volledige aantal uren-leraar. Deze regeling krijgt nu voor de derde GOK-cyclus een decretale basis in onderwijsdecreet XVIII.

(kampeertoestanden aan scholen)

En in het verlengde van GOK nog een laatste punt. U weet dat het GOK-decreet een recht op inschrijving garandeert aan alle leerlingen in elke school. De combinatie daarvan met de vaststelling dat in een beperkt aantal scholen een capaciteitsprobleem bestaat, heeft ertoe geleid dat dit probleem heel zichtbaar wordt. In enkele scholen volstaat het aantal beschikbare plaatsen niet meer om alle kandidaat-leerlingen in te schrijven. Dat leidt zoals u weet tot mediatieke wachtrijen en kampeertoestanden bij de inschrijvingen. Om dat probleem op te lossen, heb ik voor een decretale rechtsgrond gezorgd zodat scholen de komende twee jaar onder bepaalde voorwaarden kunnen experimenteren met mogelijke oplossingen. Dat is vorige week woensdag gestemd, in OD XVIII. Op basis van de experimenten zullen we tot een structurele regeling komen.

(ouderengagement)

Tot zover alles wat met de eerste proef van de tienkamp te maken had, de financiering.

En dan zijn er de andere proeven. Proeven die niet gaan over geld, maar over wat scholen doen. Over hun aanpak.

Het scheppen van meer betrokkenheid van ouders bijvoorbeeld, waar ik daarnet al naar verwees. Ik wil het engagement van ouders – alle ouders - echt stimuleren. Daarom wil ik een engagementsverklaring invoeren, zowel in het basis- als in het secundair onderwijs. Het gaat om wederzijdse afspraken tussen school en ouders. De verklaring wordt een verplicht onderdeel van het schoolreglement. De stipte aanwezigheid van leerlingen en meewerken aan het spijbelbeleid is daar één thema van. Verder gaat het om een engagement om deel te nemen aan het oudercontact, om leerlingen te laten deelnemen aan begeleidende activiteiten (zoals initiatieven rond huiswerkbegeleiding), en om leerlingen aan te moedigen om Nederlands te leren.

Hoe u deze vier thema’s uit de engagementsverklaring concreet invult, bepaalt u als school zelf. Uiteraard in samenspraak met de inspraakorganen zoals de schoolraad.

De engagementsverklaring geldt vanaf het schooljaar 2010-2011. Uiteraard moet u uw schoolreglement voordien met de engagementsverklaring uitbreiden.

(leren en werken)

Dames en heren,

Het beleid voor gelijke onderwijskansen moet ook en vooral voelbaar zijn voor de jongeren van wie vaak gezegd wordt dat ze helemaal onderaan de onderwijsladder staan: de jongeren uit de deeltijdse leersystemen. Niet zovelen in deze zaal zijn daar dag in dag uit bij betrokken. Maar ik wil die interesse bij iedereen van u aanwakkeren. Deeltijdse leersystemen zijn vandaag een systeem in het systeem. Ze moeten meer worden geïntegreerd in de scholengemeenschappen. Ik ben ervan overtuigd dat iedereen daar baat bij heeft.

Momenteel ligt er een voorontwerp van decreet voor over het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, dat het Vlaams Parlement mogelijk op 8 juli zal stemmen.

Daarmee wil ik de drie deeltijdse leersystemen - het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd en de deeltijdse vorming - beter op elkaar afstemmen. Ze kunnen bijvoorbeeld samenwerken in regionale overlegplatformen, ook met andere actoren als de VDAB.

We willen deze jongeren ook een voltijds engagement aanbieden. Al te vaak wordt de component ‘werk’ te weinig ingevuld. En ook de invulling van de component ‘leren’ schiet er vaak bij in, zo leren we uit de spijbelstatistieken. Dat kan niet langer. We verwachten voortaan van jongeren in een stelsel leren en werken dat ze zich daarvoor minimum 28 uur per week inzetten. Deels voor lessen. En deels voor werk, voor een brugproject of een voortraject. En voor jongeren die ook daar niet klaar voor zijn, kunnen centra voor deeltijdse vorming persoonlijke ontwikkelingstrajecten inrichten. Het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs blijft wel de regie in handen houden. Het doel is altijd: een reguliere job. De trajectbegeleiding moet de jongere zo ver mogelijk daarheen begeleiden. Als we hierin slagen, realiseren we een sociale meerwaarde zonder voorgaande.

Wanneer jongeren in een deeltijds leerstelsel dezelfde doelstellingen halen als jongeren in het voltijds onderwijs, dan moeten ze ook aanspraak kunnen maken op dezelfde studiebekrachtiging: het getuigschrift tweede graad, derde graad en – voor een beperkte groep - zelfs het diploma secundair onderwijs.

De anderen zullen alvast deelcertificaten en certificaten in de hand hebben, die aangeven welke competenties ze hebben verworven. Want ik heb besloten om trapsgewijs het hele deeltijds beroepssecundair onderwijs te organiseren op basis van een modulair systeem.

Om het luik ‘werk’ te kunnen invullen, engageren sectoren zich via sectorconvenants, om werkervaringsplaatsen aan te bieden voor deeltijds lerenden. Zoals de kaarten nu liggen, kunnen de jongeren uit het deeltijds nu dus echt alle kansen krijgen om hun competenties te ontwikkelen.

(werkplekleren)

Competentieontwikkeling – de ontwikkeling van kennis, vaardigheden en attitudes die bijdragen tot een succesvol functioneren in een specifieke rol of functie – ligt me nauw aan het hart. Niet alleen de competentieontwikkeling van deeltijds lerenden. Maar die van alle lerenden, werkenden en werkzoekenden. Vorig jaar heb ik me samen met de sociale partners èn de onderwijsnetten geëngageerd voor wat we onze Competentie-agenda hebben genoemd, een pakket maatregelen in de beleidsdomeinen onderwijs en werk om de competenties die mensen aanbieden af te stemmen op de competenties die gevraagd worden. Om school en werk op elkaar af te stemmen. Om bruggen te slaan tussen school en werk.

(Investeringsoperatie in basisinfrastructuur en VDAB-aanbod)

In het beroeps- en technisch onderwijs moet er bv. de nodige uitrusting zijn om jongeren degelijk een vak te laten leren. Daarom voer ik voor de vierde maal een investeringsoperatie van 10 miljoen euro door voor basisinfrastructuur in de studiegebieden Auto, Bouw, Grafische communicatie en media, Hout, Koeling en warmte, Mechanica-elektriciteit en Textiel en bepaalde opleidingen binnen de studiegebieden Chemie en Land- en tuinbouw en het BuSO-onderwijs. Over een periode van vier jaar gaat het om een injectie van 41,5 miljoen euro.

Apparatuur kost dus geld. Vaak zelfs veel geld. Vandaar dat ik een onderscheid maak tussen basisinfrastructuur, die beschikbaar moet zijn in elke school, en de meer hoogtechnologische infrastructuur. Geen enkele technische of beroepsschool kan de razendsnelle technologische ontwikkelingen bijhouden en haar leerlingen laten werken met de meest recente apparatuur. Daarvoor moeten de scholen intensief samenwerken met andere opleidingsverstrekkers, zoals VDAB en Syntra, met ondernemingen en met sectoren die deze technologie ter beschikking willen stellen.

De VDAB doet dit vanaf volgend schooljaar. De dienst stelt zijn opleidingsinfrastructuur kosteloos ter beschikking van alle leerlingen in de finaliteitsjaren van de BSO- en TSO-studiegebieden die ik zonet opnoemde en in het BSO-specialisatiejaar Logistiek, a rato van 72 uren per leerling. In het BuSO gaat het om de leerlingen in opleidingsvorm drie, met dien verstande dat de VDAB zal nagaan in hoeverre de beschikbare uitrusting voor deze doelgroep kan worden ingezet. DBSO-leerlingen en leerjongeren zijn in principe deeltijds beschikbaar voor de arbeidsmarkt en behoren op die manier automatisch tot de VDAB-doelgroep.

Deze week stuur ik naar alle betrokken scholen een brief met de praktische modaliteiten. Met dit aanbod reikt de VDAB duidelijk de hand naar het onderwijs. Het is een aanzet tot verdere wederzijdse samenwerking. Het gaat bij dit alles trouwens niet om het eigenaarschap, maar wel om een gedragen en verantwoordelijke partnerschapshouding in een brede talentontwikkelings- en gelijkekansencoalitie.

(werkplekleren voor leerlingen)

Een ander punt dan: werkplekleren voor leerlingen. Daarmee bedoelen we dat leerlingen kennis, vaardigheden en attitudes verwerven en toepassen in werksituaties. Als de school niet over de geschikte uitrusting beschikt, gaan leerlingen en leraar naar een onderneming om de leerplandoelstellingen te verwerven. Héél veel scholen gaan hierop in. Dat is een uitstekende zaak. Werkplekleren nodigt leerlingen uit om concrete, levensechte problemen zoals die zich in hun latere beroepsleven kunnen voordoen op te lossen in de context van een reële arbeidssituatie. Daarom willen we werkplekleren uitbouwen, natuurlijk in eerste instantie in het technisch en beroepsonderwijs. Misschien heeft werkplekleren ook potentieel voor het aso. Laten we daar eens over nadenken.

Verder werden dit schooljaar 21 proeftuinen opgestart, die vernieuwend werkplekleren inrichten. We willen goede praktijkvoorbeelden verspreiden via een website voor werkplekleren die we onlangs hebben gelanceerd.

Zo is er een technische school die samenwerkt met een metaalverwerkend bedrijf. Leraar en bedrijf maken wekelijks duidelijke afspraken over de leerplandoelstellingen die in de activiteiten aan bod komen. En de ouders worden twee keer per jaar uitgenodigd om mee naar het bedrijf te komen. Men wil graag laten zien wat een moderne onderneming is, en men wil dat erover gepraat wordt. Uit die proeftuinen wil ik nieuwe pistes distilleren om nog meer en nog beter werkplekleren te realiseren in Vlaanderen. Over andere proeftuinen heb ik het straks nog.

Daarnaast zijn er de leerlingenstages: de sociale partners engageerden zich in de Competentie-agenda voor 75 000 stages per jaar. Scholen hebben doorgaans een uitstekend stagebeleid in Vlaanderen. En op iedere stageplaats zijn er werknemers die op een positieve manier de rol van begeleider opnemen.

Sinds dit schooljaar zijn er ook bruggenbouwers actief in de Regionale Technologische Centra (RTC’s). Mannen en vrouwen uit het bedrijfsleven en/of het onderwijsveld, die scholen en bedrijven ondersteunen bij de inrichting van werkplekleren, of die contacten kunnen leggen om minder vanzelfsprekende vormen van samenwerking tot stand te brengen voor leerlingen en leerkrachten. Doe een beroep op hen. Ze staan klaar om u te helpen.

(bedrijfsstages voor leraars en andere personeelsleden)

Nu wil ik het eerst nog hebben over werkplekleren voor leerkrachten, meer bepaald de bedrijfsstages. We focussen daarbij in de eerste plaats op leerkrachten technische en praktische vakken, maar ook de leerkrachten algemene vakken kunnen op bedrijfsstage gaan, net zoals andere personeelsleden trouwens. Behalve de directeurs en de adjunct-directeurs.

In een bedrijfsstage doen personeelsleden werkervaring op in een andere werkomgeving. Dat kan een onderneming zijn, maar ook een zorg- of welzijnsinstelling of een overheidsdienst. In de eerste plaats wil een bedrijfsstage helpen om bij te blijven op het vlak van materialen, werkwijzen, attitudes op de werkvloer, enz. Een stage kan ook leiden tot het aanpassen van lesinhouden en het verstevigen van de netwerken met de bedrijven. Bedrijfsstages zijn dus zeker een eye-opener, ook voor leraren algemene vakken.

Klasse heeft daarover onlangs een evaluatie gepubliceerd. Wie een bedrijfsstage loopt, is daar uitermate tevreden over. Maar te weinig personeelsleden zetten de stap. De voorziene middelen zijn maar voor één derde opgebruikt. Het grote knelpunt is dat scholen geen vervanger vinden voor leraars die op bedrijfsstage trekken.

Daarvoor heb ik nu oplossingen uitgewerkt. Ik wil in hoofdzaak inzetten op vervanging tijdens het schooljaar. Als leraren in een beurtrol op bedrijfsstage gaan, dan kan de school voor langere tijd, bv. een heel schooljaar, een vervanger aanwerven. Maar omdat men niet altijd zomaar een vervanger vindt, is er vanaf volgend schooljaar ook een alternatief. Personeelsleden die vrijwillig een bedrijfsstage doen tijdens de vakantieperioden van de leerlingen, krijgen per vijf aaneensluitende werkdagen voortaan een premie van 250 euro in de vorm van een niet-verworven salarisschaal. Ik wil de bedrijfsstages volgend schooljaar ook uitbreiden naar alle scholen. Voor de vervangingen, werkingsmiddelen en de premies is in totaal een budget van 3,2 miljoen euro uitgetrokken. Ik zal ook de overheidsdiensten stimuleren om stageplaatsen aan te bieden. Want ik blijf bedrijfsstages echt belangrijk vinden voor de verdere professionalisering van het personeel in het secundair onderwijs.

(lerarentekort)

Nu, als ik het daarnet had over het aanwerven van een vervanger, zag ik nogal wat kritische blikken. Ik weet het, we kunnen er niet omheen: het lerarentekort vormt een prangend probleem. Vlaanderen kent een toenemende krapte op de arbeidsmarkt en dus ook op de onderwijsarbeidsmarkt. Dit leidt tot problemen, op alle onderwijsniveaus. Ik ben me van dit probleem terdege bewust en probeer er ook oplossingen voor te vinden.

Het tekort aan leerkrachten dat zich tot 2010 aankondigt, heeft in de eerste plaats te maken met de vergrijzing van het huidige lerarenkorps. Wat kan ik hier tegen ondernemen?

In onderwijsdecreet XVIII dat vorige week definitief goedgekeurd werd door het Vlaams Parlement, zijn in de eerste plaats de twee maatregelen verlengd die al bestonden in het secundair onderwijs:

  1. in dienst zijnde personeelsleden kunnen worden belast met bijkomende prestaties die als overwerk of als bijbetrekking worden beschouwd, maar die toch als gepresteerd in hoofdambt bezoldigd worden. Er is wel een beperking tot 1/3 bovenop een voltijdse betrekking. Alleen voor de vervanging van korte afwezigheden geldt deze beperking tot 1/3 niet.
  2. personeelsleden die van een verlofstelsel genieten of die gepensioneerd zijn, kunnen opnieuw in actieve dienst treden: vanaf 1 januari 2009 zullen ook 65-plussers opnieuw in actieve dienst kunnen treden.

Rekening houdende met de tekorten op de arbeidsmarkt zal het ook niet meer nodig zijn om een verklaring op eer te bezorgen. Dat wordt dus administratief eenvoudiger.

Om na te gaan of er nog andere structurele maatregelen mogelijk zijn om de tekorten op te vangen, volgt er in het najaar nog een grondig overleg met de sociale partners, een mini-rondetafel, om meer structurele maatregelen te nemen. Ook in het Vlaams Parlement zal er een debat volgen over deze problematiek.

(vervanging korte afwezigheden)

Daarnet duidde ik al op de betere betaling voor wie in overwerk of als bijbetrekking afwezige collega’s vervangt. Misschien toch ook nog het volgende vermelden. Vanaf volgend schooljaar keren we ook terug naar het vervangingssysteem van twee schooljaren geleden. Een systeem waarbij samenwerkingsplatforms van schoolgemeenschappen en scholen hun eigen geresponsabiliseerd vervangingsbeleid kunnen voeren. Hiertoe wordt een convenant afgesloten tussen de sociale partners, waarin de krijtlijnen van de vervanging van korte afwezigheden worden vastgelegd.

Deze vorm van vervangingen had toen in het secundair onderwijs niet zo veel succes als in het basisonderwijs. Maar toch denk ik dat dit systeem beter is dan het centrale systeem van vorig schooljaar waarbij een vervanging mogelijk was vanaf een afwezigheid van 6 dagen.

Door een beroep te doen op aanwezige collega’s die een aantal bezoldigde prestaties in overwerk of bijbetrekking kunnen leveren die als een hoofdambt betaald worden, ben ik ervan overtuigd dat we op de goede weg zijn. Momenteel lopen er ook onderhandelingen met de sociale partners om voor een langere tijd een vervanger te kunnen aanwerven, maar hierover zijn de meningen verdeeld.

(proeftuinen)

Dames en heren,

Terug nu naar onze tienkamp voor gelijke kansen. Gelijke kansen op goed onderwijs vraagt een aangepaste financiering. Aandacht voor alle groepen van leerlingen. Scholen die voeling blijven houden met de realiteit van de arbeidswereld. En engagementen van de ouders.

Maar er is meer. Er is ook inhoudelijke en structurele vernieuwing nodig. We hebben gekozen voor de proeftuinmethodiek, waarbij scholen bottom-up ervaringen kunnen opdoen met vernieuwingen. Als zij daarmee goede resultaten boeken, kan dit op termijn leiden tot een wijziging in de regelgeving.

De proeftuinen worden ondersteund door een team van coaches en begeleiders toegevoegd aan de administratie en aan de pedagogische begeleidingsdiensten. Er is ook een budget voor nascholing en netwerking. Volgend jaar zijn er 64 proeftuinen in het Vlaams onderwijs, in honderden scholen. 24 daarvan behoren tot de eerste generatie en worden vanaf 1 september voor maximum drie jaar verlengd. 40 proeftuinen zijn dit jaar van start gegaan en werken rond studiekeuze en werkplekleren. Ze zullen ons een schat aan informatie bieden. De inspectie werkt momenteel aan een evaluatie van de eerste proeftuinen. Als blijkt dat een vernieuwing werkt, zal ook het draagvlak om die uit te breiden naar alle scholen meteen groter zijn.

Deze doordachte en geleidelijke vorm van onderwijsvernieuwing staat dus haaks op wat er in Nederland is gebeurd. Daar is onlangs een parlementaire onderzoekscommissie in het leven geroepen, de de commissie Dijsselbloem. Dijsselbloem vindt dat men in Nederland veel vernieuwingen te snel en te weinig doordacht heeft doorgevoerd. Men koos voor een ruim aandeel werkplekleren en ook zelfstudie. Maar hierdoor werd de leraar werd verbannen naar de achterste bank, terwijl de structurerende, sturende rol van de leraar ook bij werkplekleren en zelfstudie zéér belangrijk blijft. De Nederlandse overheid heeft zich door de veralgemeende invoering van het studiehuis ook ingelaten met de pedagogiek, wat een brug te ver bleek. De Nederlanders, die jarenlang het voortouw namen in onderwijsvernieuwing, willen nu een behoudsgezinde koers varen.

In Vlaanderen loopt het niet zo’n vaart. Vlaanderen vernieuwt zijn onderwijs, maar doet dat doordacht. Dat blijkt ook uit een enquête van de Koning Boudewijnstichting over vijf jaar Accent op Talent, die vorige maand op het VIA-atelier Talent werd voorgesteld. U en uw collega’s uit het basisonderwijs hebben die enquête begin dit jaar allemaal ontvangen. Duizend schooldirecteurs hebben ze ook beantwoord. De jongste jaren hebben vernieuwingen sterk ingang gevonden in het Vlaams onderwijs, zo blijkt. Vooral, maar niet uitsluitend, in de proeftuinscholen. En de meeste schooldirecties staan achter die veranderingen.

(proeftuinen over studiekeuze)

Ik wil hier nog even inzoomen op de proeftuinen die werken rond het thema studiekeuze.

Het is duidelijk dat niet elke twaalfjarige vandaag al een gefundeerde keuze kan maken. Daarom geven sommige proeftuinen leerlingen meer tijd voor dat keuzeproces. Tussen 10 en 14 jaar scheppen ze in het lessenrooster voldoende ruimte om hen te laten ervaren waarin ze goed zijn. De breuk tussen basis- en secundair onderwijs mag niet te bruusk zijn en de eerste graad nog voldoende breed. Sommigen werken zelfs met een 3x4 structuur. Andere werken met belangstellingsgebieden in plaats van met de opsplitsing aso-tso-kso-bso. Het is interessant dat verschillende pistes bewandeld worden.

Het ultieme doel van al deze proeftuinen is hetzelfde: dat jongeren een studiekeuze maken, niet door eliminatie van ‘alles wat ik toch niet aankan', niet om louter mee te gaan met vriendjes, niet omwille van kostprijs of imago van een studierichting. Maar wel op basis van een positief zelfbeeld en van goede informatie. Van een positieve maar realistische kijk op de eigen talenten. En van de competenties die nodig zijn voor bepaalde beroepen.

(blauwdruk SO)

Dames en heren,

De inhoudelijke innovaties die ontwikkeld worden in de proeftuinen vinden al gedeeltelijk hun weg in het Vlaamse onderwijsveld via het olievlekprincipe: succesvolle vernieuwingen inspireren andere scholen om iets gelijkaardigs te doen. Maar inhoudelijke vernieuwingen moeten ook een structurele inbedding krijgen. En dan merken wij dat de huidige structuur van het secundair onderwijs niet erg aansluit bij een aantal inhoudelijke tendensen. Het rapport van de Koning Boudewijnstichting geeft ook aan dat heel wat directies vragen naar structurele ingrepen in de organisatie van het secundair onderwijs. Een commissie werkt momenteel aan een blauwdruk, een nieuw concept voor het secundair onderwijs. Die zal klaar zijn tegen het einde van deze regeerperiode. Dat nieuwe concept kan als basis dienen voor het volgende regeerakkoord, waarin een omvattend decreet secundair onderwijs kan worden opgenomen.

(Decreet kwaliteit)

Een ander dossier dat ik deze regeerperiode nog wil aanpakken is de kwaliteitszorg. Dit moet resulteren in een nieuw ontwerp van decreet over de kwaliteitszorg in het onderwijs.

Het kan vertrekken van een solide basis vandaag, een basis waar we niet aan willen raken: scholen realiseren kwaliteit en de overheid bewaakt die kwaliteit via de inspectie. Kwaliteitszorg begint dus bij de school: zij moet zelf permanent de kwaliteit van haar onderwijs evalueren en bijsturen. De school krijgt daarbij begeleiding en ondersteuning, via de pedagogische begeleidingsdienst of via nascholingsorganisaties. Maar misschien kunnen die meer vraaggestuurd gaan werken in de toekomst. Daarom willen we begeleiding en nascholing meer bij elkaar betrekken, en in het voorontwerp van decreet de regelgeving van beide integreren.

Ongetwijfeld de belangrijkste nieuwigheid die we met dit voorontwerp hopen te introduceren, is de manier van doorlichten van de inspectie. Tot op vandaag beogen de doorlichtingen in de eerste plaats een totaalbeeld en een totale beoordeling van de school. Morgen willen we ze uitbouwen op basis van een vooronderzoek van de scholen. U begrijpt dat dit een moeilijke evenwichtsoefening is. We willen dan ook voldoende garanties inbouwen dat deze doorlichtingen ook in de toekomst objectief én met respect voor de pedagogische vrijheid verlopen. Zo willen we het CIPO-referentiekader dat de inspectie hanteert tijdens haar doorlichtingen, decretaal verankeren.

Daardoor kunnen we in de toekomst ook komen tot een meer verfijnde weging van de vaststellingen. De drie mogelijke adviesformuleringen worden in het voorontwerp dat nu ter bespreking voorligt behouden, maar niet louter de inschatting door het inspectieteam van de ernst van de tekorten beïnvloedt hun advies. Ook de inschatting van de beleidskracht van de school zou in de toekomst kunnen worden meegenomen wanneer de school een ongunstig advies krijgt.

In het voorontwerp willen we daarom bij een ongunstig advies in zekere zin kiezen voor een ‘getrapt advies’. Bij een tijdelijke erkenning kan de school om begeleiding vragen, bij een negatief advies volgt verplichte begeleiding. U begrijpt dat dit allemaal belangrijke veranderingen zijn, die bovendien te maken hebben met onze fundamentele zorg voor kwaliteitsvol onderwijs. Ik wil dit voorontwerp van decreet dan ook de komende maanden uitgebreid met alle betrokkenen verder bespreken.

(Leerzorg)

Een ander heet hangijzer is de leerzorg. We blijven hard aan het werk om tot een werkbare formule te komen. Ik ben er ook van overtuigd dat een akkoord echt binnen bereik is. In zo'n akkoord wil ik afspraken maken over het kader waarbinnen we de zorg in ons onderwijs situeren en verder laten evolueren.

Specifiek voor het secundair onderwijs denk ik dat goede afspraken nodig zijn over het 'gemotiveerd verslag' dat in vele scholen gebruikt wordt, zij het op een soms erg verschillende manier. De kwaliteit van deze verslagen verschilt nogal. Een werkgroep van koepels, vakbonden, CLB, ... heeft zich onder andere over deze vraag gebogen. Hij is tot duidelijke antwoorden gekomen op vragen als: voor wie kan zo'n gemotiveerd verslag gebruikt worden? En tot waar kan, mag en moet een school hiermee rekening houden? Het eindverslag van de werkgroep kan u raadplegen op www.ond.vlaanderen.be. De resultaten van deze werkgroep wil ik mee opnemen in een decreet.

Voor leerlingen van leerzorgniveau III die in het gewone secundair onderwijs een aanbod zullen kunnen krijgen, wil ik heel voorzichtig zijn. Ik vind dat we in een decreet over leerzorg hiervoor echt een plaats moeten maken. Maar stap voor stap. Want de ervaring van de inclusieprojecten is in het secundair onderwijs i niet groot. Daarom moeten we nu in het secundair onderwijs investeren in het projectmatig benaderen van een aantal inclusieve trajecten, uiteraard wel binnen een duidelijk en generiek wettelijk kader. Een kader dat bovendien de draagkracht van scholen beschermt.

(lesvrije dagen na examens)

En een allerlaatste punt nog – van een heel andere orde: het probleem van de lesvrije dagen na de examens. We hebben de huidige regeling aangepast. Want als jongere leerlingen na de examens een week of meer aan hun lot worden overgelaten, vinden ouders niet zomaar oplossingen voor opvang. Bovendien is het aantal echte schooldagen al beperkt. We moeten ze zo nuttig mogelijk gebruiken.

Vanaf 1 september 2009 krijgt u daarom in plaats van 30 nog 25 lesvrije dagen om examens, verbeteringen, deliberaties en evaluatiegesprekken te organiseren. Als de ouders daar om vragen moet u tijdens deze lesvrije dagen voortaan ook voor opvang zorgen. Zijn alle leerlingen aanwezig op school en biedt u hen zinvolle activiteiten, dan hoort deze dag niet bij de 25 evaluatiedagen. De Vlaamse regering heeft daarvoor zopas groen licht gegeven. De maatregelen worden na de zomer formeel voorgelegd aan de onderhandelingspartners. Volgend schooljaar wordt beschouwd als een overgangsjaar. Ik weet dat sommigen onder u het hier moeilijk mee hebben. Met deze maatregel wil ik bijdragen tot een effectief gebruik van de beschikbare onderwijstijd, begrip tonen voor ouders die tijdens het schooljaar niet voor opvang voor hun kinderen kunnen zorgen, en terzelfder tijd begrip tonen voor personeel en schoolbesturen door in voldoende tijd te voorzien opdat zij zich kunnen voorbereiden op de nieuwe situatie. Laten we een jaar de tijd nemen om ons goed voor te bereiden.

(slot)

Dames en heren,

Ik heb u vooral een zicht willen geven op het waarom van de regelgeving en op de grote lijnen ervan. Want de eerste proef van de tienkamp is afgerond, maar de andere nummers nog niet.

Ik denk onder meer aan het talenbeleid. Aandacht voor het Nederlands, in elke school, door elke leerkracht. Of de invoering van het hoger beroepsonderwijs, de nieuwe trap op de onderwijsladder tussen secundair en hoger onderwijs in. En aan het nieuwe ontwerp van decreet over kwaliteitszorg.

Maar mijn tijd zit erop. Ik geef nu graag het woord aan mijn ambtenaren van het departement Onderwijs en Vorming om u te informeren over alle praktische zaken die vanaf 1 september op u afkomen.

Ik dank u voor de inspanningen die u en uw team geleverd hebben het voorbije schooljaar. U bent de motor van uw school. Ik reken erop dat u overtuigd verder koers zet naar een school waar elke leerling zijn talenten kan ontdekken en ontwikkelen. Waar elke leerling kansen krijgt. Waar alle betrokkenen, directies, leraars, ouders en leerlingen aan de tienkamp van gelijke kansen werken. Ik wens u een heerlijke vakantie en veel succes volgend schooljaar.

 

naar boven