Meer kleuters naar de kleuterschool, en liefst zindelijke kleuters
Toespraak van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs
en Vorming
Wetenschappelijke studiedag Zindelijkheid - Universiteit Antwerpen, Wilrijk, 23 september 2008
Dames en heren,
Het schooljaar is ondertussen al weer drie weken bezig. Ook mijn kleinkind is
op 1 september naar de kleuterschool gegaan en als grootouder of ouder hou je
toch altijd even je hart vast. Hoe zal het gaan? En vooral: zullen ze graag naar
school gaan?
Ik ben heel blij met dit congres over zindelijkheid in de kleuterschool, én
met de uitnodiging om hier vandaag mee in discussie te treden.
(zindelijkheidsproblematiek)
Ik ben ervan overtuigd dat u allemaal wel achter het principe staat dat jonge
kleuters naar school komen. Maar in de praktijk is er het probleem dat een
aantal van die kleintjes nog niet zindelijk zijn. En dat aantal neemt toe, want
kinderen worden tegenwoordig gemiddeld later zindelijk dan vroeger. Omdat ze
wegwerpluiers dragen, waardoor ze minder snel voelen wanneer ze nat worden. En
omdat de ouders er vaak minder mee bezig zijn.
Veel onzindelijke kinderen in de klas verhoogt de werkdruk bij de
kleuterleidster. In die mate soms dat pedagogische taken vaak moeten wijken voor
broekjes verversen, plasjes opdweilen en kindjes op de pot zetten. Dat blijkt
uit de studie van vandaag. Een studie die wel dateert van voor ons actieplan
kleuterparticipatie dat vorig jaar van start is gegaan en een stap heeft gezet
om dit probleem in de klas beter hanteerbaar te maken. Maar hoe dan ook, elke
vorm van aandacht voor het zindelijkheidsprobleem, zoals dit congres vandaag,
blijft erg welkom.
(kleuterschool verhoogt gelijke kansen)
Toch wil ik heel duidelijk zijn: een vroege instap én een regelmatige
aanwezigheid van kleuters op school blijft mijn streefdoel.
Want een schoolloopbaan begint al in de kleuterklas. Kleuteronderwijzers
weten perfect hoe ze kleintjes kunnen stimuleren in hun ontwikkeling, in het
spreken,in hun fantasie. Ze weten perfect hoe ze hun fijne en grove motoriek
kunnen aanscherpen, hoe ze hen kunnen uitdagen om de wereld te ontdekken, om bij
te leren. Ze scheppen ook een kader waarin kinderen leren samenspelen met andere
kinderen en leggen een stevige basis van zelfvertrouwen.
Ons kleuteronderwijs is uitstekend, zo tonen internationale studies aan.
Daarom wil ik dat elk kind ervan kan genieten, elke schooldag.
Onderzoek toont aan dat kinderen die niet of onregelmatig naar de
kleuterschool gaan, vaak een achterstand hebben wanneer ze naar het eerste
leerjaar gaan. Een achterstand die ze hun hele leven lang kunnen meeslepen. Een
schoolloopbaan hoort dus te starten in de eerste kleuterklas.
Volgens onze schatting waren vorig schooljaar 4300 kleuters niet ingeschreven
in een kleuterschool, of 2,2% van alle kinderen in de kleuterleeftijd. Van de
2,5-jarigen ging 7,2% niet naar school.
Daarmee behoort Vlaanderen land weliswaar tot de besten van de Europese klas.
Maar er zijn natuurlijk veel meer kleuters die niet regelmatig naar school
komen. Dus het is een ernstig probleem. Onderzoek naar sociale ongelijkheid
wijst erop dat kinderen van allochtonen, laaggeschoolden en eenoudergezinnen
beduidend minder kleuteronderwijs volgen. Nochtans zijn het net zij die het
meest zouden profiteren van de stimulerende en ondersteunende leeromgeving.
(Jaar van de Kleuter)
Dat probleem hebben we sinds vorig jaar serieus aangepakt. U weet dat ik het
vorige schooljaar uitgeroepen heb tot het Jaar van de Kleuter. Het was het jaar
van al wie zich voor deze kleuters inspant. Het was het jaar van de kinderen die
nog niet naar het kleuteronderwijs gaan en die we daartoe willen aansporen. Maar
het was zeker ook het jaar van de kleuters die hun plek in de kleuterklas al
hebben gevonden.
Jonge kleutertjes aantrekken en vlot laten instappen was een belangrijk doel
van mijn actieplan rond kleuterparticipatie vorig jaar, waarvoor we 20 miljoen
euro hebben uitgetrokken. Om er een blijvend succesverhaal van te maken, hebben
we deze maatregelen structureel ingebed, zodat ze nu en de volgende schooljaren
doorlopen.
(Instapklassen)
Het grootste deel van het budget zetten we in op die plaatsen waar de nood
het hoogst is, met name in de klas zelf. We investeren nu elk jaar 10 miljoen
extra in een soepeler systeem van instapklassen voor de allerkleinsten. Vorig
schooljaar hebben we heel duidelijk de resultaten van het nieuwe systeem
vastgesteld. De bijkomende lestijden komen nu sneller, vaker en in meer scholen
terecht. Het extra aantal leerkrachten in instapklassen is vorig jaar globaal
verdubbeld.
Vanaf dit schooljaar is het systeem nog verbeterd. De coëfficiënt van 0,8 is
opgetrokken naar 1, wat betekent dat 1 extra kleuter telkens 1 bijkomende
lestijd meebrengt. Ook kunnen scholen die op de arbeidsmarkt geen
kleuteronderwijzer meer vinden, de instaplestijden nu invullen met
kinderverzorgers. Altijd onder de begeleiding van een kleuterleidster,
uiteraard.
(zorg+)
We hebben vorig schooljaar ook op het niveau van de scholengemeenschappen een
actie gelanceerd om ouders van kleuters die niet ingeschreven zijn aan te sporen
om hun kleuter wel naar de kleuterschool te laten gaan. En om ouders van
kleuters die ingeschreven zijn, maar niet regelmatig komen, te sensibiliseren om
dat vaker te doen.
Elke scholengemeenschap heeft daarvoor sinds vorig jaar, afhankelijk van het
aantal kleuters, een aantal punten gekregen waarmee ze een zogenaamde
zorg+medewerker kan aanwerven. Die ontwikkelt een beleid om de ouders van
niet-ingeschreven en vaak afwezige kleuters aan te spreken.
Intussen hebben we zeker al een deel van de niet-ingeschreven kleuters
bereikt. In oktober zullen we daarover cijfers krijgen van Kind en Gezin.
Vanaf dit schooljaar zijn de zorg+ middelen opgenomen in de geïntegreerde
zorgenveloppe van een scholengemeenschap, samen met de middelen uit de recente
cao. Natuurlijk blijf ik vragen dat er binnen elke scholengemeenschap een
aanspreekpunt blijft voor kleuterparticipatie.
(GOK+, taal)
Scholen met veel kansarme en allochtone kleuters krijgen nog meer
ondersteuning. We maken sinds vorig schooljaar 5 miljoen euro vrij voor een
extra GOK-enveloppe, GOK+. Ook dit schooljaar zijn er zo ongeveer 150 extra
leerkrachten aan de slag in zo’n 400 van die scholen.
Scholen met veel anderstalige kleuters krijgen ook netoverschrijdend een
ondersteuning voor kleuterleidsters en -leiders op de tweede lijn. Pedagogische
begeleidingsdiensten geven de kleuterjuffen tips en begeleiden hen om nog
actiever en nog gerichter het taalbegrip en taalgebruik van hun kleintjes te
stimuleren.
(acties kleuterparticipatie = aanpak zindelijkheid)
De acties voor kleuterparticipatie brengen meer kleuters naar de
kleuterschool. Die krijgt daarvoor vandaag sneller extra personeel. Zo worden de
juffen meestal niet té zwaar overstelpt met kindjes die nog niet zindelijk zijn.
Verder heeft elke scholengemeenschap nu een zorg+-medewerker. Die kan ook worden
ingezet om ouders op een speelse en motiverende manier te betrekken bij de
zindelijkheidstraining. Enkele goedepraktijkvoorbeelden kwamen al aan bod op de
startdag voor zorg+-ers eind vorig jaar en op de provinciale ontmoetingsdagen
voor het kleuteronderwijs in april dit jaar.
Verder kunnen scholen de GOK+-enveloppe en de tweedelijnsondersteuning rond
taal inzetten, bv. om het probleem van zindelijkheid aan te kaarten bij
anderstalige ouders.
De acties rond kleuterparticipatie zijn dus echt een stap vooruit om het
probleem van de zindelijkheid aan te pakken.
(zindelijkheid is geen toelatingsvoorwaarde)
Soms worden drastischere maatregelen voorgesteld. Zo wordt er geopperd dat
scholen kleuters die nog niet zindelijk zijn, moeten kunnen weigeren. In de
studie die hier besproken wordt, wordt overigens gesteld dat er in de
regelgeving een vacuüm zou zijn rond het toelaten van niet-zindelijke
leerlingen. Daar ben ik het niet mee eens. De regelgeving is zeer duidelijk. Een
kind weigeren omdat het niet zindelijk is, mag niet. Want de enige
toelatingsvoorwaarde tot het kleuteronderwijs die het decreet basisonderwijs
stelt is een leeftijdsvoorwaarde. Een kind moet minstens 2,5 jaar oud zijn. En
op basis van het GOK-decreet mogen scholen alleen kinderen weigeren als de
school vol is. Scholen mogen geen andere toelatingsvoorwaarden stellen.
Ik moet hier dus één van de conclusies uit het rapport tegenspreken, als zou
door een gebrek aan eenduidige regelgeving elke kleuterschool zelf mogen bepalen
of het al dan niet niet-zindelijke kleuters toelaat. Dit is absoluut niet zo.
Geen enkele school mag een leerling weigeren omdat het kind niet zindelijk is.
Scholen die dat in hun schoolreglement schrijven, handelen tegen de regelgeving
en het inschrijvingsrecht in.
Ik ben ook niet van plan om de regelgeving op dat punt te veranderen.
Dat zou overigens zeer moeilijk zijn. Wat betekent ‘zindelijk zijn’? De
studie van de Universiteit Antwerpen zegt dat er geen algemene definitie is van
zindelijkheid. Ook niet bij kleuterjuffen. Bovendien, hoe is dat allemaal te
controleren of in regelgeving om te zetten? Wat als ouders zeggen dat hun kind
zindelijk is, maar dat niet zo blijkt te zijn? Sturen we dit kind dan naar huis?
Blijft het ingeschreven zodat de school er wel de middelen voor ontvangt, zonder
dat het kind op school mag zijn? Want dat gebeurt wel vaker: het kind wordt toch
ingeschreven, maar de ouder krijgt de boodschap dat het kind best thuisblijft.
Niet bepaald een correcte situatie.
Wat als een kind dat doorgaans wel zindelijk is, eens ‘een ongelukje’ heeft?
Hoe streng gaan we hierin zijn? Wie gaat de knoop doorhakken?
In het schoolreglement schrijven dat kleuters die nog niet zindelijk zijn
geweigerd worden, kan dus niet. Een school kan eventueel wel stipuleren dat ze
verwacht dat kleuters zindelijk zijn.
(zindelijkheid niet de hoofdtaak van de kleuterjuf)
Waar ik het alleszins mee eens ben, is dat de kleuterjuf haar opvoedkundige
werk moet kunnen doen. Zindelijkheidstraining blijft in de eerste plaats de
verantwoordelijkheid van de ouders. De kleuteronderwijzers zullen zeker al eens
kleutertjes moeten helpen die het per ongeluk in hun broekje doen. Ze hebben
daar doorgaans ook geen probleem mee, maar het kan niet de bedoeling zijn dat ze
voortdurend pampers moeten verversen. Dit mogen scholen zeker heel duidelijk
maken aan ouders.
Veel kleuteronderwijzers hebben het gevoel dat - door het gebruik van
wegwerpluiers en door tijdsdruk bij de ouders - een onzindelijk kind naar school
sturen normaler gevonden wordt. Ouders beseffen wellicht niet altijd dat dit in
de kleuterschool de pedagogische activiteiten belemmert. Voor het kind zelf, en
voor al de klasgenootjes.
(sensibilisering ouders belangrijk)
Daarom is het nodig de ouders te sensibiliseren en informeren rond een goede
en tijdige zindelijkheidstraining.
Kind en Gezin doet dat al, in de consulten op de leeftijd van 24 en 30
maanden. De folder van Kind en Gezin Naar school. Hoe bereid je je kindje voor
helpt ook ouders aan de hand van enkele vragen uit te maken wanneer hun kindje
klaar is voor de kleuterschool. Onder meer de de vraag of het kindje overdag
droog blijft. De folder raadt ouders ook aan om bij vragen hierover te
overleggen met de regioverpleegkundige van Kind en Gezin en /of de kleuterjuf,
en eventueel de stap geleidelijk aan te zetten of zelfs even uit te stellen.
Veel ouders zullen deze goede raad opvolgen.
Maar misschien kan op het vlak van sensibilisering nog meer gebeuren. Zo
kunnen scholen en Kind en Gezin ouders ook wijzen op andere nadelige gevolgen
van laat zindelijk worden, zoals het vergroten van de afvalberg en de mogelijke
verspreiding van ziektes als die kinderen in groepen terechtkomen. Hoewel te
veel druk zetten op een kind om zindelijk te worden dan weer het omgekeerde
effect kan hebben.
Als de zindelijkheidstraining echt heel stroef verloopt, kan een
kleuterleidster ouders ook altijd voor advies doorverwijzen naar het CLB.
(klasgrootte is autonomie van de school)
Nu, sommigen vinden dat er al veel zou opgelost zijn als instapklassen per
definitie klein zouden zijn. Veel kleuterleidsters in de studie blijken nog te
denken de minister van Onderwijs de grootte van die klassen in de hand heeft.
Dat is niet zo. Hij kan niet vastleggen hoeveel kleuters een klas hoogstens mag
tellen. In de jaren ’80 al heeft toenmalig onderwijsminister Coens op vraag van
de scholen de verplichte splitsingsnormen afgeschaft omdat die zoveel frustratie
opriepen. Sindsdien beschikt elke school op basis van haar aantal leerlingen
over een lestijdenpakket, dat ze zelf vrij verdeelt. Dat heeft soms tot gevolg
dat schoolbesturen de kleintjes liever in grotere klassen onderbrengen om bv.
kleinere klassen te vormen in het lager onderwijs of om een taakleerkracht aan
te stellen of nog, om elders een kleine vestigingsplaats open te houden.
(keuze voor opvoedkundige ipv verzorgende ondersteuning)
Een van de vragen is ook of we met het kleuteronderwijs meer moeten mikken op
opvoeding of op verzorging. Mijn voorgangster, Marleen Vanderpoorten, is
begonnen om kinderverzorgsters in het kleuteronderwijs in te zetten, ter
ondersteuning van de kleuterleidsters. Die ondersteuning loopt nog altijd door,
maar we hebben ze niet uitgebreid. We hebben gekozen om extra in te zetten op
meer opvoedkundige in plaats van op meer verzorgende ondersteuning. Wat niet
betekent dat ik geen begrip heb voor de nood aan verzorging in de instapklasjes.
(zachte overgang naar de kleuterschool)
En ik zie dat ruimer dan het probleem van de zindelijkheid alleen. De
aandacht voor een zachte overgang naar de kleuterschool en voor het welzijn van
de allerkleinsten moet in het kleuteronderwijs centraal staan. Dat veronderstelt
bv. mogelijkheden om rustig te slapen, een aangepaste opvang voor en na school
... Scholen kunnen daar oplossingen voor vinden.
Zo is er bv. een school die in samenwerking met de kinderopvang een
dommelmama heeft. Zij gaat ’s middags tussen 12 en 15 uur met de kleinsten naar
een apart lokaaltje om te eten en om de kindjes te laten slapen. Daarbij krijgt
ze hulp van kinderen uit het zesde leerjaar die graag mee komen helpen bij het
eten en om de kindjes in bed te leggen. Intussen heeft de juf ook de handen vrij
om activiteiten te doen met haar oudere kleuters.
Ongetwijfeld zijn er nog meer initiatieven mogelijk om de overgang van
kinderopvang of opvang thuis naar de school vlotter te doen verlopen.
De allerkleinsten kunnen ’s middags ook thuis of bij een onthaalmoeder nog
een dutje gaan doen. De schooltoelage voor kleuters die we vanaf dit schooljaar
hebben ingevoerd voor gezinnen die het niet zo breed hebben, houdt daar ook
rekening mee. Om die toelage te krijgen, moeten kleuters een minimum aantal
halve dagen aanwezig zijn Maar dat aantal dagen is lager voor de jongste dan
voor de oudste kleuters: 150 halve schooldagen in de eerste kleuterklas, 220
halve schooldagen in de derde kleuterklas. We houden er dus rekening mee dat
jonge kleuters nog niet altijd een hele dag paraat kunnen zijn.
(slot)
Dames en heren,
Er gebeurt dus al heel wat in en voor het kleuteronderwijs. Natuurlijk zou
het nog beter kunnen. Nu, het onderwijsbudget is wel de grootste post in de
Vlaamse begroting, maar het is ook niet eindeloos. Binnen de beschikbare
middelen is en blijft het kleuteronderwijs voor mij alleszins een belangrijke
prioriteit. We kunnen ongetwijfeld nog op een en ander ingaan tijdens het
panelgesprek dat meteen volgt.
Een ding is voor mij duidelijk: kleuteronderwijzers moeten vooral hun
opvoedkundig werk met kleuters kunnen doen. Het is in de eerste plaats de
verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen te leren zindelijk zijn.
Anderzijds mag het probleem van de zindelijkheid geen hypotheek leggen op ons
streefdoel om alle kleuters van kleinsaf ontwikkelingskansen te geven in de
kleuterschool. Ik heb met het actieplan kleuterparticipatie bijkomende
ondersteuning geboden. Kind en Gezin werkt ook aan het probleem. Scholen zetten
zich in. De CLB’s kunnen waar nodig worden ingeschakeld.
Laten we samen verder aan oplossingen voor zindelijkheidstraining en voor
kleuterparticipatie werken: de scholen, de ouders, de kinderopvang, de medische
sector, Kind en Gezin, de CLB’s. Het onderzoek van de Universiteit Antwerpen is
een interessant voorbeeld van interdisciplinaire samenwerking tussen sociale en
medische wetenschappen. Ik hoop dat we dit pad ook zullen volgen voor de aanpak
van het zindelijkheidsprobleem. Ik dank u.
naar boven
|