U bent hier: Onderwijs en Vorming > Beleid > Toespraken > 9de inclusiedag

Inclusie in een ambitieus en realistisch perspectief

Toespraak van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke
KHL – Departement Lerarenopleiding – Campus Diepenbeek, 17 maart 2007

Dames en heren,

Inleiding

Enkele weken geleden sprak ik hier in Diepenbeek een aantal personeelsleden toe van een aantal scholen voor buitengewoon onderwijs hier uit de buurt. En ik heb getracht hen duidelijk te maken wat ik denk over het buitengewoon onderwijs en inclusie en hoe we met onze voorstellen op een geleidelijke manier evenwichtige stappen vooruit willen zetten.

En hoewel jullie een heel ander publiek zijn heb ik vandaag dezelfde intentie en dezelfde boodschap. Ik vind het erg belangrijk aanwezig te zijn op deze 9de inclusiedag. Het thema is immers brandend actueel naar aanleiding van de discussies over leerzorg. En het biedt mij een uitgelezen kans om mijn visies en ideeën met u persoonlijk te delen.

Het publieke debat over de hervorming van het onderwijs voor kinderen met specifieke noden is al 10 jaar aan de gang. Het is een debat waarbij verschillende, soms erg tegenstrijdige, visies met elkaar geconfronteerd worden. Ouders voor Inclusie staan op de barricaden voor inclusief onderwijs, terwijl sommige leerkrachten bang worden dat de vertrouwde lespraktijk onmogelijk wordt. Ouders van kinderen in het buitengewoon onderwijs vrezen dat ze niet meer in de speciale school terecht zullen kunnen.

Ik wil nu een punt zetten achter de discussies en knopen doorhakken. Daarvoor heb ik een tienjarenplan van geleidelijke maar doordachte verandering en verbetering uitgetekend.

Dames en heren,

Laat de cijfers spreken

Voor ik de grote lijnen van leerzorg schets, wil ik eerst even enkele opmerkelijke cijfers overlopen.

Het buitengewoon onderwijs - waarvan de kwaliteit men ons in vele landen benijdt – is sterk gestegen van 33.000 in het begin van de jaren 90 naar 46.500 leerlingen vandaag. Dit is een groei met 41%. Drie op de vier van deze leerlingen bereiden zich voor op een gewone leef- en arbeidsomgeving. In vergelijking met andere Europese landen scoort Vlaanderen zeer hoog scoort op het percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs.

In dezelfde periode dat het buitengewoon onderwijs sterk gegroeid is, nam het aantal leerlingen dat geïntegreerd onderwijs volgt, ook sterk toe. Het leerlingenaantal evolueerde van ongeveer 700 leerlingen bij het begin in de jaren 80 tot 5.871 leerlingen in het schooljaar 2005-2006. Dit is een stijging met 850%! die zich vooral de laatste vijf jaar laat voelen en die voor een aanzienlijk deel te verklaren is door de toename van leerlingen met autisme.

Over inclusieve onderwijssituaties is er op dit ogenblik weinig cijfermateriaal voor handen. Uiteraard is er het ION-project in het gewoon lager en het gewoon secundair onderwijs met de 50 plaatsen die elk schooljaar kunnen ingenomen worden.

Daarbuiten zijn er ook nog andere voorbeelden van inclusief in het kleuteronderwijs, het lager en secundair onderwijs. Deze situaties vinden we terug in scholen die sterk de nadruk leggen op gelijk kansen en zorg. Uit het recente onderzoek naar inclusief onderwijs in Vlaanderen, ik verwijs naar de studie onder leiding van professor Geert Van Hove van de universiteit van Gent bleek dat slechts 7 van de 30 onderzochte situaties van inclusie ondersteuning kregen vanuit het ION-project. Het feit dat Ouders voor Inclusie inmiddels 450 families bereikt toont aan dat nogal wat ouders - een veel grotere groep dan de 50 ION-leerlingen - inclusief onderwijs willen voor hun kinderen.

Uit deze cijfers kunnen we alvast besluiten dat de vraag naar leerzorg voor leerlingen met specifieke noden in het gewoon en buitengewoon onderwijs zeer sterk is toegenomen. En in Vlaanderen hebben we de neiging om vaak door te verwijzen naar het buitengewoon onderwijs.

Het ION-project

Het project is als experiment gestart in het schooljaar 1999-2000 met een groep van 13 leerlingen in het lager onderwijs. In de twee daaropvolgende schooljaren bestond de groep telkens uit 20 leerlingen. In de loop van het vierde schooljaar volgde een uitbreiding tot 29 leerlingen.

Om tot een meer permanente regeling te komen werd het project geëvalueerd. Via een bevraging van de betrokken teams kwamen we tot een aantal conclusies. Ik geef enkele belangrijke resultaten:

We stelden we vast dat klasleerkrachten aanvankelijk heel onzeker zijn over de eigen doelmatigheid en angst hebben voor een grotere taakbelasting. Dit bleek, op een enkele uitzondering na, omgebogen te worden in licht maar duidelijk enthousiasme aan het einde van het schooljaar. Hoewel de opvang van het kind in de klas extra aandacht vroeg, gaven leerkrachten aan dat er na een aanpassingsperiode sprake was van verrijking en positieve stimulansen.

De aanwezigheid van het kind had volgens de bevraagden geen nadelige invloed op het functioneren en de prestaties van de klasgroep. Vaak was er zelfs een uitermate positieve invloed op de klassfeer. Men stelde wel dat het opvangen van verschillen tussen leerlingen moeilijker wordt naarmate ze ouder worden, door de ontwikkeling van andere interesses, een eigen mentaliteit en groeiende zelfstandigheid.

De sociale integratie en de aanvaarding van het kind met een verstandelijke handicap was in bijna alle situaties geslaagd. De cognitieve ontwikkeling van het kind bleef een uitdaging. Het leerproces verloopt vaak met ups en downs. Regelmatig en grondig overleg tussen de klasleerkracht en de ondersteunende leerkracht was noodzakelijk.

In het schooljaar 2003-2004 kreeg het project een vast karakter en werd het opgenomen in een besluit van de Vlaamse regering. Daarin werd ook het aantal van 50 leerlingen vastgelegd. Recent werd het door onderwijsdecreet 16 mogelijk dat de leerlingen uit het ION-project regelmatige leerling kunnen blijven in het secundair onderwijs. Dit wil zeggen dat de gewone secundaire school de basisfinanciering voor de leerling blijft ontvangen en dat de leerling op basis van attesten van verworven competenties elk jaar kan overgaan met zijn leerlingengroep. We zien vandaag de dag dat er een duidelijke vraag is om meer leerlingen dan de 50 die we hebben voorzien op te nemen in het ION-project.

Leerzorg moet daarvoor een oplossing bieden.

Beknopte schets van leerzorg

In de eerste plaats wil ik zeer duidelijk stellen dat leerzorg geen eenzijdig of-of verhaal: of inclusie, of buitengewoon onderwijs. Het is een genuanceerd en-en verhaal geworden, waarbij we traag maar zeker een stap zetten in de richting van inclusie in de gewone school, zonder dat we sterke kanten van de huidige situatie uit het oog verliezen.

Doelstellingen

Leerzorg is er in de eerste plaats op gericht om het bestaande zorgaanbod in het gewoon en buitengewoon onderwijs beter te beschrijven. We plaatsen het binnen één en hetzelfde kader. Zo krijgen we een helder totaaloverzicht, worden de lacunes duidelijk en kunnen we het aanbod aanvullen en verbeteren waar nodig.

We willen met leerzorg ook het buitengewoon onderwijs verbreden. De huidige typologie wordt dikwijls als te eng ervaren en het aanbod is te ongelijk gespreid over Vlaanderen.

De overstap naar een school op maat, de verwijspraktijk, willen we bijsturen door de eenvormigheid en transparantie te verhogen. CLB’s en scholen moeten ouders en leerlingen ook meer van bij het begin betrekken bij het leertraject dat een leerling met specifieke noden aflegt.

Ten slotte wil ik met leerzorg geleidelijk aansluiting zoeken bij internationale trends in het omgaan van samenlevingen met beperkingen en handicaps. Specifiek voor onderwijs verwijs ik naar de UNESCO en haar Verklaring van Salamanca en de recente Conventie van de Verenigde Naties die zeggen dat leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften toegang moeten hebben tot reguliere scholen. U bent hiervan ongetwijfeld op de hoogte.

Dames en heren,

Leerzorg vertrekt vanuit twee invalshoeken: de kenmerken van de leerling aan de ene kant, en de omgeving die zich op een bepaalde manier en in een bepaalde mate moet aanpassen aan die kenmerken aan de andere kant. De noodzakelijke omgeving definiëren we met leerzorgniveaus. Voor de kenmerken van de leerling werken we met doelgroepen en clusters.

Leerzorgniveaus

De leerzorgniveaus verwijzen naar noodzakelijke kenmerken van de onderwijsomgeving. Het gaat over een steeds verdergaande aanpassing van het onderwijs zelf in de aard van het onderwijsaanbod, de pedagogisch-didactische aanpak, de aard en intensiteit van de ondersteuning en de inzet van middelen.

Leerzorgniveau I

Op leerzorgniveau I geldt het gemeenschappelijke curriculum. Het is de bedoeling dat elke leerling een diploma of getuigschrift behaalt. De school voert een zorgbeleid en een gerichte praktijk om problemen bij het leren te voorkomen. Er is met andere woorden een goede basiszorg.

Als een leerling problemen krijgt, gaat het team na hoe het leerproces bijgestuurd kan worden door te differentiëren, te remediëren en te compenseren. De ouders krijgen informatie en worden zoveel mogelijk betrokken. Voor leerlingen met een lichte maar manifeste visuele, auditieve of fysieke handicap vraagt de school bijvoorbeeld ook speciale onderwijsleermiddelen aan.

Leerzorgniveau II

Net als op niveau I blijven op niveau II alle leerlingen het gewone curriculum volgen. De leerling kan het gemeenschappelijk curriculum aan maar door zijn of haar stoornis is het nodig om te compenseren en te dispenseren. Bij het dispenseren worden leerdoelen, die belangrijke hinderpalen vormen voor de leerling maar die niet echt noodzakelijk zijn voor het diploma of getuigschrift, vervangen door andere doelen.

Op leerzorgniveau II vinden we dat de school zich moet aanpassen. We vinden ook dat de school zich op een redelijke manier moet aanpassen aan de noden van de leerling. Of anders gezegd, de leerling met een objectief vastgestelde stoornis of ernstig probleem heeft recht op redelijke aanpassingen in de school van z’n keuze. Maar we willen ook voorkomen dat de school niet verplicht wordt om onredelijke aanpassingen te doen. Om dit evenwicht te kunnen bewaren willen we het gemotiveerd verslag invoeren. Scholen voor gewoon onderwijs zullen deze twee eerste leerzorgniveaus moeten aanbieden. We hebben een zorgbeleid en CLB-praktijk voor ogen hebben zoals we die vandaag in veel goede praktijkvoorbeelden aantreffen of zouden moeten aantreffen.

Leerzorgniveau III

Op leerzorgniveau III wordt het gewone curriculum verlaten en krijgt het leerprogramma vorm op basis van individuele handelingplanning. Het gevolgde traject leidt in regel tot een studiesanctionering die niet dezelfde is als die op leerzorgniveau I of II, maar tot een certificering van de verworven competenties (bijvoorbeeld een studiesanctionering zoals die nu gangbaar is in het buitengewoon onderwijs). Uitzonderlijk zal een gewoon studiebewijs kunnen, maar daarop willen we toezicht houden.

In de huidige situatie zullen we de leerlingen van leerzorgniveau III eerder terugvinden in scholen voor buitengewoon onderwijs, en dat zal in de toekomst ook nog in belangrijke mate zo blijven. Ook daarover krijg ik brieven van ongeruste ouders die denken dat het de bedoeling is om met leerzorg het buitengewoon onderwijs af te bouwen. We willen geleidelijk, maar ook vastberaden een kader aanreiken zodat een ruimere groep ouders en leerlingen ook een keuze voor een gewone school kan maken mét de nodige ondersteuning. We denken hier aan de ION-leerlingen van vandaag. Wanneer ouders kiezen voor de inschrijving in een school voor gewoon onderwijs, dan gaat met de leerling een gelijkwaardig pakket middelen mee als die welke hij in de buitengewone school zou ‘inbrengen’.

In een eerste fase willen we de vrijwilligheid behouden. De afweging van draagkracht zoals nu is opgenomen in het GOK-decreet waarbij de school bij niet inschrijving een verantwoording over onvoldoende draagkracht moet aantonen, zullen we blijven hanteren. Persoonlijk geloof ik sterk in de kracht van een sereen debat met de school en het CLB en een proces van objectieve afweging van mogelijkheden en grenzen. Rechten ongenuanceerd afdwingbaar maken, is geen absolute garantie voor een positief eindresultaat. We willen de goede praktijk meer systematisch in kaart gaan brengen en nieuwe praktijk stimuleren. Alleen zo kunnen we de angsten en weerstanden ondervangen van scholen en leerkrachten die weinig of geen ervaring hebben op dit vlak.

Wanneer we voldoende zicht hebben op de effecten in de praktijk van de vrijwillige toepassing van inclusie, willen we dit vertalen in een recht van ouders. Maar ook dan zal een afweging van draagkracht voor individuele scholen blijven bestaan. Een draagkrachtafweging in de vorm van een percentage wil ik voorzien voor het basisonderwijs en voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Voor de tweede en derde graad willen we werken met de notie “zinvol traject”. Op basis van de verworven vaardigheden wordt van de klassenraad verwacht dat ze in overleg met CLB en ouders zinvolle trajecten uittekenen op basis waarvan dan een verder traject in het secundair onderwijs mogelijk is.

Leerzorgniveau IV

Op leerzorgniveau IV is er een blijvende nood aan gespecialiseerde therapie en verzorging, eventueel met residentieel of semi-residentieel verblijf in een voorziening. De interventies vereisen echt een aparte setting.

Ik stel vast dat dit leerzorgniveau jullie het meest zorgen baart omdat dit niveau per definitie gekoppeld is aan het buitengewoon onderwijs, waarbij jullie vrezen dat bestaande inclusiepraktijken niet meer mogelijk zullen zijn. Een inschaling op leerzorgniveau IV wordt soms gezien als een verplichting tot inschrijving in het buitengewoon onderwijs. Ik wil hierover duidelijk zijn: we zullen gewone scholen, net als vandaag, geen verbod opleggen om deze leerlingen toch in te schrijven. Ouders kunnen zich naar deze scholen wenden met een vraag tot inschrijving. Wanneer de school het engagement wil opnemen, zal ze dat kunnen doen. We vinden wel dat die school daar dan zonder enige druk voor moet kunnen kiezen.

We voorzien dan de middelen van leerzorgniveau III. Dit doen we omdat we er van overtuigd zijn dat een kwaliteitsvol aanbod voor deze leerlingen met uitgesproken noden het best kan gerealiseerd worden in situaties waarin de middelen kunnen samengevoegd worden.

Leerzorgniveau V

Leerzorgniveau V tenslotte is bedoeld voor leerlingen die nood hebben aan partieel onderwijs, bijvoorbeeld omdat ze tijdelijk of permanent een ernstig medisch probleem hebben. Ik denk hier bijvoorbeeld aan het onderwijs aan huis en de inspanningen die we doen voor de type 5 scholen, de k-diensten …

Clusters en doelgroepen

De beperkingen waarmee kinderen en jongeren te maken krijgen, groeperen we tot ruimere categorieën dan de types die vandaag worden gehanteerd. Het groeperen van beperkingen tot ruimere clusters biedt een mogelijkheid tot verbreding van het aanbod waardoor scholen voor buitengewoon onderwijs zich breder kunnen openstellen dan nu het geval is. Ik overloop ze samen met u.

Cluster 1

Ons “leerzorgkader” geldt voor àlle leerlingen. Alle leerlingen behoren dus tot een of andere cluster. De grootste groep leerlingen behoort tot de eerste cluster. Die groep kan tijdelijk leerproblemen hebben maar deze zijn niet het gevolg van beperkingen of stoornissen.

Cluster 2

Deze cluster groepeert die stoornissen die tijdens het leerproces aan de oppervlakte komen. Hierin onderscheiden we twee doelgroepen: leerlingen met ernstige leerstoornissen of aandachtstekort-stoornissen en leerlingen met een lichte verstandelijke beperking. Ze hebben vooral moeite met het leren van schoolse vaardigheden en met het verwerven van schoolse kennis. Het gaat om leerlingen van type 1 en 8.

Cluster 3

Leerlingen met een functiebeperking brengen we onder in een derde cluster. Een stoornis in het verstandelijke, fysieke en/of zintuiglijke functioneren maakt specifieke tussenkomsten nodig om het leerproces toegankelijk te maken. Dit zijn de huidige types 2, 4, 6 & 7.

Cluster 4

Tot slot brengen we leerlingen met gedrags- en emotionele stoornissen en autisme onder in de vierde cluster.

Behoedzaam tewerk gaan

Uit de discussies over het concept en de vele reacties die ik heb ontvangen moet ik concluderen dat de verandering die we willen doorvoeren zeer traag en doordacht moet verlopen, wil die verandering succesvol zijn. Het is een belangrijke verandering waar we al lang over discussiëren en die een lange uitrol vraagt. Ik weet dat jullie vinden dat dit debat te traag evolueert, “we kunnen onze kinderen niet een tijdje invriezen tot de situatie gunstig is” vertrouwde één van de ouders mij eens toe en dat is natuurlijk juist. Ik begrijp uw ongeduld. Toch denk ik dat we het vraagstuk van aangepast onderwijs aan leerlingen met specifieke noden niet kunnen oplossen door alle ouders het individuele recht te geven op inclusie op die plaats waar ze dat zelf willen. We hebben een meer fijnmazige aanpak nodig van de inschatting van de zorgbehoeften van leerlingen. Wanneer die zorgbehoefte te groot is, denk ik dat we moeten durven stellen dat een oplossing eerder in een gespecialiseerde setting gevonden kan worden. Dat moeten we goed definiëren. Maar ook het gewoon onderwijs moet veranderen en meer toegankelijk worden voor leerlingen met beperkingen. Ook daar moeten we stappen vooruit zetten zonder in extremen in de ene of andere richting te vervallen.

Slot

De verschillende visies zijn gekend. Ik ben van oordeel dat we met de conceptnota een doordacht en genuanceerd verhaal brengen en realistische opties naar voor schuiven.

Het is mijn bedoeling om op korte termijn de conceptnota voor te leggen aan mijn collega’s binnen de Vlaamse regering waarna het debat op het politieke forum binnen de Onderwijscommissie van het Vlaams Parlement kan gevoerd worden. Het is mijn bedoeling om in de loop van het volgende schooljaar een ontwerp van decreet te hebben en in het najaar van 2008 af te ronden.

Er zijn redenen genoeg die de verandering nodig maken. De organisatie van de zorg in het onderwijs voor kinderen met beperkingen kan en moet beter. Ik ben niet van plan dit debat niet af te ronden en het dossier door te schuiven naar de volgende minister van onderwijs.

Ik dank u.

 

naar boven