Tweede studiedag Brede School - 16 mei 2008

Verslag deelsessie: impact van de buurt


Centrale vraag in deze deelsessie was: hoe draagt een buurt bij tot de ontwikkeling van kinderen en jongeren? Welke kansen biedt ze? En hoe gaan kinderen en jongeren daarmee om?

Presentatie 1

Isabelle Pannecoucke (Oases Universiteit Antwerpen): de buurt als leer- en leefomgeving naast de schoolmuren

Impact van de buurt (ppt, 605 kB)

 

1. Inleiding

Als mensen denken over ideale omgevingen om kinderen te laten opgroeien, wordt de stad allesbehalve als ideaal gezien, vooral door het toegenomen verkeer. Kinderen kunnen ook minder dan vroeger buiten spelen door de beperkte groene ruimte en de verkeersonveiligheid. Achterliggend idee daarbij is dat de context (het niet buiten kunnen spelen) van invloed is op de ontwikkeling van een aantal vaardigheden zoals het kunnen leggen van sociale contacten, minder kans hebben om een gevoel van avontuur te ontwikkelen, het leren omgaan met risico’s verbonden aan het buiten spelen.

Meteen moet ook een nuancering gemaakt worden: men spreekt over dé kinderen, maar men negeert het feit dat dit een heterogene groep is. De buurt is voor de ene groep kinderen wel nog een plek waar ze zich op straat begeven, voor anderen niet. Ze worden ook zelf niet zo vaak gehoord ivm ‘hoe ze het vinden om te leven in deze buurt?’
Een andere veralgemening is het spreken over dé stad. De ene stad zet meer initiatieven in dan de andere. Er zijn ook verschillende buurten in die steden, met verschillende inwoners.

 

2. Een (sociologische) focus op de buurt.

Isabelle Pannecoucke kijkt in haar doctoraat als sociologe naar wat er aanwezig is in de buurt: hoe biedt de buurt kansen, hoe legt de buurt beperkingen op?

In de literatuur zijn 3 mechanismen terug te vinden:

  1. Voorzieningen: zijn er voldoende voorzieningen aanwezig zodat kinderen voldoende kansen krijgen om zich te ontwikkelen. En hoe is de kwaliteit ervan? Als de bibliotheek bijvoorbeeld maar 2 keer in de week open is…
  2. Buurtsamenstelling: 3 processen die we naar voor kunnen schuiven:
    1. Collectieve socialisatiemodel: in welke mate spelen de volwassenen een rol: als de meeste mensen uit de buurt werk hebben, zullen de kinderen de waarde van een diploma kunnen inschatten. Als ze opgroeien in een buurt met veel werklozen, zien ze daar veel minder het belang van in. (Men kijkt vooral naar de positieve invloed van volwassenen).
    2. Invloed van leeftijdsgenoten: hier wordt negatief gedrag vooral beklemtoond in de literatuur.
    3. Sociale relaties: dit gaat vooral om ‘op welke mate kunnen kinderen/ jongeren een beroep doen op buurtbewoners om informatie op te doen (bvb op vlak van welke scholen er in de buurt zijn).
    Deze 2 mechanismen zijn vooral intern: in de buurt.
  3. Stigmatisering. Verschil tussen perceptie van buurtbewoners zelf en van buitenstaanders. Wonen in bepaalde buurt wordt dan bijvoorbeeld als negatief beschouwd: negatieve kenmerken van de buurt worden op de persoon geprojecteerd, bijvoorbeeld in Amerika speelt de buurt waarin men woont een rol bij het zoeken naar werk.

 

3. De buurt als leer- en leefomgeving onderzocht

In het doctoraat van Isabelle Pannecoucke staat volgende onderzoeksvraag centraal: Maakt het verschil uit als een kind opgroeit in buurt X en niet in buurt Y voor zijn schoolprestaties, -verwachtingen?

Dit is een complexe vraag => deelvragen:

  • Wat zien kinderen als hun buurt? (definitie)
  • Hoe zien kinderen hun buurt? (beleving)
  • Wat is het belang van de buurt? (gebruik)
  • Hoe verhoudt dit alles zich tot het schoolgebeuren?

Onderzoekspopulatie: kinderen van 6de leerjaar die naar school gaan in de buurt, in 3 verschillende buurttypes (1. Oud Borgerhout: concentratie etnische afkomst, concentratie private huurwoningen, kleine speelpleinen. 2. Merksem: hogere arbeiders middenklasse buurt, eensgezinswoningen met tuin, veel groenvoorzieningen, sportmogelijkheden. 3. Antwerpen-Noord: hoge concentratie sociale huurwoningen, etnische mengeling van verschillende nationaliteiten, één groot speelplein.

Methodologie: kwalitatief: kinderen moeten beschrijven in een dagboek wat ze op woenamiddag hebben gedaan, waar, met wie; kinderen maken een tekening van hun droombuurt; een tekening van route van thuis naar school; kinderen duiden op een kaart aan wat ze als hun buurt zien; kinderen nemen foto’s van de plaatsen waar ze het meest komen en houden er een spreekbeurt over; enquete op de computer; brief aan denkbeeldig pennevriendje. Ook interviews met kinderen.

Globale resultaten:
Wat is mijn buurt?: de buurt is een door de kinderen zelf afgebakend en beleefd gebied. De kinderen begonnen zelf vrij vlug af te bakenen. Er waren grote verschillen in uitgestrektheid en verschillen in aard van aanduiding (cirkels, straatsgewijs,… clusters rond bijvoorbeeld de muziekacademie, het speelplein. Naargelang het kind, kreeg men een heel andere definitie van de buurt.

Invulling: woningen, gebouwen,park, straten, speelpleinen… Wat men niet opneemt: de buurtbewoners zelf. Vriendjes en vriendinnetjes wonen veel meer gespreid en vallen niet noodzakelijk samen met de buurt.

Via vragenlijst zicht op ‘beleving van de buurt’: over het algemeen zijn de kinderen vrij positief. Ze voelen zich thuis in de buurt. Globaal gezien zijn ze positief, maar ze zijn toch ook kritisch over bvb afvalproblematiek, soms heeft men schrik om naar buiten te gaan.

Ivm proces van stigmatisering: er is een verschil in in- en outsiderperspectief.

Buurtgebruik: weg van huis naar school en omgekeerd. Er zijn belangrijke verschillen afhankelijk van geslacht: meisjes gaan minder vaak buiten. Als ze naar buiten gaan, is dit meestal om te gaan winkelen. Dit is nog meer uitgesproken als je de etnische verschillen erbij bekijkt: Marokkaanse meisjes nemen veel meer huishoudelijke taken op.

De moskee speelt een belangrijke rol. Hierdoor ontmoeten kinderen -meer dan in andere buurten- vooral gelijkgestemde kinderen. De school heeft een belangrijke rol ivm toeleiding naar voorzieningen. In sociaal opzicht heeft de buurt een beperkte invloed: kinderen hebben een aantal vriendjes en vriendinnen in de buurt, maar de kinderen kennen niet echt veel buren.

 

4. Uitleiding

Drie vragen:

Hoe gaat de school om met het verschil in leren?
Hoe scholen inpassen tussen straat en huis?
Moeten scholen ook bindmiddel van een wijk zijn?

 

Presentatie 2

Marc Verheirstraeten (gebiedsgerichte werking stad Gent)
Stef Bossuyt (Dienst kunsten stad Gent)
 

Beide zijn werkzaam in de Brugse Poort. Dit is een oude arbeidersbuurt waar alle migratiegolven gepasseerd zijn. Hierdoor is de huidige samenstelling ongelooflijk divers. Het gaat over 1 km². Officieel wonen er 11.000 mensen, maar er zijn ook veel niet geregistreerde mensen aanwezig. De buurt telt 800 werklozen, 500 OCMW steungerechtigden.

6 Jaar geleden werd vanuit de stad Gent een stadsvernieuwingsproject opgezet ‘zuurstof voor de Brugse poort’. Doelstelling hierbij was een stadsvernieuwing voor de bewoners die er op dat moment woonden. Er waren reeds heel wat partners aanwezig in de buurt, de stadsvernieuwing heeft de neuzen in dezelfde richting gezet. Brede School is één van de partners. Vanaf 2003-2004 kwam er een ganse dynamiek met heel wat mogelijkheden. Mensen zijn zich sterk gaan focussen op de mogelijkheden die er zijn. Heel wat zaken worden van onderuit gerealiseerd.

Een paar projecten eruit gelicht:

  • Een nieuwe wijkbibliotheek die anders georganiseerd is. De Bibliotheek is aangepast aan de wijk (er zijn meer boeken over voetbal te vinden, meer computers, meer dvd’s, meer Turkse boeken). De bibliotheek is ook actief naar de wijk gestapt met bijvoorbeeld een vertelfestival op verschillende locaties, waar de scholen aan mee werken en in interactie treden met elkaar. Men maakt ook concreet waar men het allemaal voor doet zoals een jeugdwerkster die zegt: ‘we moeten het vertelfestival op poten krijgen, want mijn kinderen spreken slechter Nederlands dan ikzelf’. De jongeren zijn ook echt thuis in de bibliotheek, worden er met de voornaam aangesproken.
     
  • Samen met de scholen is men de schoolmuren gaan aanpakken, in samenspraak met een echte kunstenaar.
     
  • Samen met de kinderen is men gaan praten over ‘wat het betekent om te leven in de buurt’.
     
  • Er vonden workshops plaats met de mensen van de fotoclub, die kinderen aanleren foto’s te nemen. Vervolgens fotografeerden kinderen thuis, en werden deze foto’s gebundeld in een publicatie. Met publicatie trekt men dan terug naar de buurt: zo zien kinderen deze buurt. Doel hierbij is dat de bewoners een genuanceerder beeld krijgen van elkaar, wat nodig is in zulke wijk. De foto’s hebben ook echt kwaliteit, net als de muren van de scholen. Er wordt gewerkt met professionelen zodat het kwaliteitsvolle producten zijn.
     
  • Momenteel is men aan het werken rond een park in wording. Dit moet een ontmoetingsplek worden. Men denkt met kinderen en jongeren na over het park: hoe kan het park een zuiderse invulling krijgen? Hoe kan je er je eigen identiteit in terugvinden? De groendienst van de stad werkt mee, men gaat een mozaïek uitwerken samen met de buurtbewoners, gasten uit deeltijds onderwijs werken mee,… Er is een intensieve ontmoeting tussen scholen, jeugdwerk, … Door al die initiatieven wordt een nieuwe identiteit opgebouwd. Je begint in Gent bijvoorbeeld graffiti te zien: BB is OK (BB= Brugse Poort). Dit was enkele jaren geleden ondenkbaar.

 

Vragen en bedenkingen vanuit het publiek

Vraag aan Marc Verheirstraeten en Stef Bossuyt: Jullie spreken over dé kinderen. Bereiken jullie alle groepen?

Alle neuzen staan in dezelfde richting. Dit maakt dat er heel veel mogelijk is. Scholen hebben bijvoorbeeld een enorm engagement naar de buurt toe, jeugdwerk,… Iedereen snapt zeer goed waarvoor het nodig is. Qua populatie zijn de scholen heel verschillend. Daar moet je af en toe een tandje bijsteken voor de realisatie van bepaalde zaken zoals bvb fotozoektochten. Dit basiswerk wordt dan door iedereen mee vorm gegeven (Marc, Stef,… gaan dan bijvoorbeeld ook mee op stap). Je moet ook opletten met de functie van de lokale overheid als ‘regisseur’. Het is belangrijk om naar bepaalde scholen toe ook echt extra inspanningen te doen en je daadwerkelijk op het terrein te begeven. In dit soort buurt is het soms wel intensiever werken om een groot bereik te hebben, maar het kan in elke buurt.

Vraag aan Marc Verheirstraeten en Stef Bossuyt: Suggestie: het is misschien ook interessant kinderen ook een fototoestel mee te geven in de klas, zodat ouders een zicht krijgen op wat daar gebeurt?

Het is inderdaad belangrijk dat je uitwisseling krijgt tussen school en buurt.

Vraag aan Marc Verheirstraeten en Stef Bossuyt: Hoe bakenen jullie de buurt af? Kunnen bijvoorbeeld organisaties van buiten de buurt ook deelnemen?

Dat moet inderdaad kunnen. De wijk mag geen afgebakend iets worden.

Vraag aan Marc Verheirstraeten en Stef Bossuyt: In Sint Joost is er een wildgroei van 120 sociale organisaties. Er was veel moeite om er de juiste partners uit te kiezen voor de realisatie van projecten. Hebben jullie daar ook problemen mee gehad?

Als basisstructuur wordt 8x per jaar samengekomen met de wijkorganisaties. Dit is vaak het nest voor organisaties om elkaar onderling te vinden om bepaalde projecten te gaan uitwerken. Voorts zijn we gestopt met energie te steken in het kopiëren van een bepaalde werking naar een andere wijk in de zin van: in die wijk is er zo een overleg, dat moet in de andere wijken ook! Het moet functioneel blijven.

Wonen er leerkrachten van de scholen in de Brugse Poort ook zelf in de buurt?

90 a 95% woont buiten de buurt, de verwevenheid met de wijk is een groot knelpunt. Het is wel zo dat leerkrachten kiezen voor bepaalde scholen. Men hoeft er niet perse te wonen, het is wel belangrijk er tijd in te investeren, door er bvb je boodschappen te doen.