Eindverslag werkgroep 1 - Leerlingen en ouders

U vindt op deze pagina de html-versie van het eindverslag van deze werkgroep. Dit eindverslag werd voorgesteld door de voorzitter van de werkgroep op de slotconferentie van de RTCB.

U kan het volledige eindrapport van de RTCB, met inbegrip van een algemene inleiding en voetnoten, ook downloaden in pdf-formaat.

1. Inleiding

2. Behandelde thema’s

2.1 Voorschoolse initiatieven

2.2 Kleuterparticipatie

2.3 Verrijkte leerplicht

2.3.1 Inschrijvingsplicht?
2.3.2 Engagementsverklaring tussen scholen en ouders

2.4 Het gebruik van het Nederlands bij leerlingen bevorderen

2.4.1 In de klas
2.4.2 Op school
2.4.3 Buiten de school(m)uren

2.5 De strijd tegen spijbelen bundelen en opvoeren

2.5.1 Meten is weten
2.5.2 Ondersteunen van een positief schoolklimaat
2.5.3 Heldere afspraken met artsen over medische attesten
2.5.4 Samenwerking Onderwijs en Welzijn
2.5.5 Projecten op maat voor moeilijke jongeren en ouders
2.5.6 Streng als het moet
2.5.7 Deeltijds leerplichtigen

3. (Beleids)aanbevelingen

Engagementsverklaring

Aanbevelingen

1. Inleiding

Werkgroep 1 ‘leerlingen en ouders’ kwam vier keer samen en bestond uit vertegenwoordigers van leerlingen, ouders, directies, inrichtende machten, CLB’s, pedagogische begeleidingsdiensten, Onderwijsopbouwwerk, Taalvaart, Kind en Gezin, Integrale Jeugdhulp, onderwijsinspectie, de administratie en de kabinetten van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, het Ministerie van Onderwijs en Vorming en het Ministerie van Brusselse Aangelegenheden.

In de twee eerste vergaderingen besprak de werkgroep de centrale thema’s kleuterparticipatie, verrijkte leerplicht, spijbelen en het Nederlands taalgebruik van ouders en leerlingen. Op basis van deze besprekingen werden een aantal aanbevelingen geformuleerd en werd er in de derde werkgroepvergadering voorgesteld om een engagementsverklaring op te stellen waarin de engagementen van de ouders en de scholen kunnen vastgelegd worden. Deze engagementsverklaring zou in de toekomst als bijkomende toelatingsvoorwaarde kunnen gelden voor inschrijving in een Brusselse school erkend, gesubsidieerd en/of gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap. Deze aanbevelingen en engagementen werden binnen de werkgroep verfijnd en gaven de aanzet tot deze tekst.

Sommige thema’s en aanbevelingen zijn van toepassing voor heel Vlaanderen. Andere richten zich vooral op Brussel of zijn belangrijker voor Brussel. In de praktijk is het niet eenvoudig om deze twee van elkaar te onderscheiden. Tijdens de werkgroepvergaderingen en in deze tekst blijft de focus wel op Brussel gericht.

2. Behandelde thema’s

2.1 Voorschoolse initiatieven

De voorschoolse kinderopvang in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kampt met capaciteits- en toegankelijkheidsproblemen. Er is enerzijds te weinig kinderopvang. Anderzijds is het bestaande aanbod te weinig toegankelijk en betaalbaar. Kinderen van werkloze, kansarme, allochtone en/of éénoudergezinnen blijken vaak ondervertegenwoordigd te zijn in de Brusselse publieke en private kinderdagverblijven.

Daarom werd er een ad hoc werkgroep opgericht om de Brusselse kinderopvangcentra te sensibiliseren en te stimuleren om kinderen uit deze kansarme gezinnen meer in te schrijven en de Brusselse voorschoolse kinderopvang zodoende meer toegankelijk te maken voor een ruimer publiek. Ook loopt er binnen de erkende centra momenteel een project naar meer tijdelijke, occasionele, kortdurende en flexibele kinderopvang voor bijvoorbeeld zieke kinderen, kinderen van werkzoekenden, kinderen van nieuwkomers enzovoort.

Het is niet in elke cultuur even evident om kinderen naar de kinderopvang te laten gaan. Veel allochtone vrouwen blijven bijvoorbeeld thuis om voor hun kinderen te zorgen. Bovendien hangt de identiteit van vele huismoeders helemaal samen met (de opvoeding van) hun kinderen. Deze allochtone moeders maken vaker gebruik van andere vormen van voorschoolse opvang en opvoedingsondersteuning zoals bijvoorbeeld de inloopteams .
De capaciteitsproblemen dienen aangepakt te worden. Een verhoging van de reguliere voorschoolse initiatieven is dus aanbevolen. Daarnaast stelt werkgroep 1 voor om – gelet op de positieve werking van de hierboven aangehaalde Brusselse initiatieven – verder te gaan op de ingeslagen weg, dergelijke alternatieve initiatieven verder te ondersteunen, te ontwikkelen en uit te breiden.

Vlaamse kinderopvang betekent in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet hetzelfde als Ne-derlandstalige kinderopvang. Kinderdagverblijven met een attest van toezicht van Kind en Gezin zijn niet noodzakelijk Nederlandstalig. Dit betekent dat niet elk kinderdagverblijf met een attest van toezicht van Kind en Gezin een educatieve functie opneemt op het gebied van de voorbereiding en de integratie van jonge kinderen in het Nederlandstalig onderwijs. Dit bemoeilijkt de plannen die minister Vandenbroucke heeft om de samenwerking tussen de Vlaamse kinderopvang en het Nederlandstalige onderwijs te vergemakkelijken.

Kind en Gezin onderzoekt momenteel hoe taalvoorwaarden sterker kunnen gekoppeld worden aan het verkrijgen van een financiële ondersteuning. Totnogtoe moesten de verantwoordelijken van de centra enkel kunnen aantonen dat ze een zekere kennis van het Nederlands hadden, wat niet noodzakelijk betekende dat Nederlands ook de omgangstaal was in hun centra en gesproken werd met de kinderen.

Werkgroep 1 vindt het belangrijk dat er in opvanginitiatieven met een attest van toezicht van Kind en Gezin Nederlands gesproken wordt, daarom stelt ze voor dat Kind en Gezin enkel nog Nederlandstalige initiatieven financieel ondersteunt. Bovendien zou het Brusselse personeel van de kinderopvang vanuit onderwijs zelf geholpen moeten worden met het ‘pedagogische’ luik van hun opdracht namelijk de taalstimulering. Tot slot is een warme overgang van voor-schoolse kinderopvang naar kleuteronderwijs nodig. Een nauwe samenwerking tussen de voorschoolse en de schoolse initiatieven is dus aangewezen. Werkgroep 1 pleit echter níet voor een voorrangsregeling voor kinderen uit de Nederlandstalige voorschoolse kinderopvang in het Nederlandstalige kleuteronderwijs. Een dergelijk voorrangsbeleid zou volgens ons im-mers aanleiding kunnen geven tot discriminatie van de zwakkeren in onze samenleving.

Om al deze aanbevelingen mee op weg te helpen, vraagt de werkgroep dat het Vlaamse Mi-nisterie van Onderwijs en Vorming en de directie Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschaps-commissie zich ertoe zouden engageren om rond de problematiek van de Brusselse kinderop-vang in dialoog te treden met de betrokken Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en het betrokken collegelid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bevoegd voor Welzijn, Gezondheid en Ambtenarenzaken.

2.2 Kleuterparticipatie

Het impulsplan kleuterparticipatie van minister Vandenbroucke voorziet – naast tal van maatregelen – ook in bijkomende lestijden voor scholen met een hoge concentratie van kleuters die aan de GOK-indicatoren voldoen. Gezien de hoge concentratie van kansarme (allochtone) ouders en kleuters in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zullen Brusselse scholen zeker van deze maatregel kunnen genieten. Ook van andere maatregelen, zoals een verbetering van het systeem van zomerklassen en zorguren voor kleuterparticipatie, kunnen de Brusselse scholen genieten.
Een andere maatregel die in het kader van het verhogen van de kleuterparticipatie genomen werd, bestaat er in om ouders wiens kleuter in geen enkele kleuterschool is ingeschreven te kunnen contacteren. Hiervoor hebben we nood aan een nominatieve lijst van kleuters. In Vlaanderen kunnen we hiervoor te werk gaan via een gelijkaardige procedure als die voor de leerplicht. Dit betekent dat we rijksregisternummers zullen vergelijken met de inschrijvingen in de Nederlandstalige kleuterscholen. Vervolgens zullen de gegevens van niet-schoolgaande kleuters doorgegeven worden aan Kind en Gezin, die de betrokken gezinnen zullen opzoeken en het Ministerie van Onderwijs en Vorming feedback bezorgen. Indien nodig kan daarna ook nog het LOP contact opnemen met de betrokken ouders. In Brussel is een dergelijke procedure echter niet sluitend. Veel kinderen zijn ingeschreven in het Franstalige onderwijs en/of verbonden aan ONE (Office de la Naissance et de l'Enfance), de Franse tegenhanger van Kind en Gezin. Werkgroep 1 zou daarom zowel de Vlaamse Gemeenschap als de Franse Gemeenschap en alle betrokken Nederlandstalige én Franstalige instanties willen vragen om hierrond de handen in elkaar te slaan en sámen hun verantwoordelijkheden t.o.v. de groep niet-ingeschreven Brusselse kleuters op te nemen. Daarnaast vindt de werkgroep het belangrijk dat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel zich blijft concentreren op een kwaliteitsvol en zorgbreed aanbod voor alle kinderen die nu reeds de weg naar het Brusselse Nederlandstalige onderwijs vinden. Hierbij dient respect voor de eigenheid van elk kind steeds voorop te staan.

Werkgroep 1 komt voor wat het Brusselse Nederlandstalige kleuteronderwijs betreft tot een aantal concrete aanbevelingen rond het informeren van ouders die hun kleuter wensen in te schrijven in een Nederlandstalige kleuterschool, het regelmatig schoolbezoek en het op tijd naar school gaan.
Ouders moeten duidelijker geïnformeerd worden over het belang van een ‘geëngageerde inschrijving in het Nederlandstalige kleuteronderwijs’ en de daarmee samenhangende implicaties. Dit is echter niet enkel taak van overheid en scholen. Ook andere organisaties, verenigingen, professionelen, vrijwilligers, enzovoort die rechtstreeks in contact komen met deze ouders dienen hierbij betrokken te worden. Allen moeten in het belang van het kind en in het belang van de communicatie met ouders voldoende stilstaan bij de keuze van taal die zij gebruiken bij communicatie naar ouders toe. Daarnaast kunnen Nederlandstalige scholen in Brussel zich als Nederlandstalige school profileren door hun officiële communicatie in het Nederlands te laten verlopen.
Werkgroep 1 wil ook iets doen aan de problematiek van het te laat komen op school. Daarom doet ze de aanbeveling om niet alleen regelmatig maar ook op tijd op school te zijn.

2.3 Verrijkte leerplicht

Met de verrijkte leerplicht wil minister Vandenbroucke in heel Vlaanderen de onderwijsparticipatie en het schoolbezoek versterken. Ook in werkgroep 1 werd er over deze maatregel van gedachten gewisseld en werden er hieromtrent een aantal aanbevelingen naar voren geschoven. Daarnaast werd er ook voorgesteld om de engagementen van ouders en scholen duidelijker vast te leggen in een engagementsverklaring die alle Brusselse Nederlandstalige scholen, maar ook alle ouders die hun kind wensen in te schrijven in een Brusselse Nederlandstalige school in de toekomst zouden moeten ondertekenen. Deze engagementsverklaring zou in de toekomst als een bijkomende toelatingsvoorwaarde voor een inschrijving in het Brussels onderwijs kunnen gelden.

2.3.1 Inschrijvingsplicht?

De slaagkansen in het onderwijs worden positief beïnvloed indien men maximaal deelneemt aan het kleuteronderwijs. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat dit in het algemeen zo is, en dat in het bijzonder allochtone en/of kansarme kinderen baat hebben bij het zo vroeg mogelijk naar school gaan. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er al enige tijd een toenemende heterogeniteit op het vlak van taal en cultuur en een toenemende kansarmoede zichtbaar. Daarbij komt nog dat de omgevingstaal voor veel kinderen in Brussel doorgaans niet het Nederlands is. Door vroeg te starten in het Nederlandstalige kleuteronderwijs kan taalachterstand zo veel mogelijk weggewerkt worden tegen de aanvang van het Nederlandstalige lager onderwijs.

Daarom wordt onderzocht hoe ouders gestimuleerd kunnen worden om hun kinderen aan (een deel van) de activiteiten van het kleuteronderwijs te laten deelnemen. Een dergelijke stimulering zou er uit kunnen bestaan om een kind dat niet minimaal 1 jaar ingeschreven was in het Nederlandstalig kleuteronderwijs in beginsel niet toe te laten tot het eerste leerjaar van het reguliere Nederlandstalige onderwijs, maar nog één schooljaar in het kleuteronderwijs in te schrijven en daar regelmatig naar school te laten gaan.

Deze maatregel zou voor het gehele Nederlandstalige onderwijs worden ingevoerd. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest krijgt deze maatregel een andere dimensie dan op andere plaatsen. Doordat de Franse Gemeenschap hier ook aanwezig is met een onderwijsaanbod, betekent die maatregel dat Brusselse ouders die voor het Nederlandstalig lager onderwijs willen kiezen, gestimuleerd worden om die keuze reeds eerder te maken, namelijk ten laatste vanaf het derde jaar kleuteronderwijs. Uiteraard is de hoop dat ouders die voor Nederlandstalig onderwijs kiezen dit al zouden doen vanaf de eerste inschrijving, en dat ze inschrijven op de leeftijd van 2,5 - 3 jaar.

2.3.2 Engagementsverklaring tussen scholen en ouders

De Nederlandstalige scholen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er uiteraard voor kinderen van Nederlandstalige ouders, maar willen er ook zijn voor elk kind, zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst. De keuze voor het Nederlandstalig onderwijs dient echter wel een bewuste en geëngageerde keuze te zijn waaraan zowel rechten als plichten verbonden zijn. Om duidelijk te maken dat we er met z’n allen onze schouders onder willen zetten en we zowel scholen als ouders op hun verantwoordelijkheden mogen aanspreken, stelt werkgroep 1 voor om de engagementen van beide partijen vast te leggen in een engagementsverklaring. Deze engagementsverklaring zou zorgen voor een grotere afstemming binnen het Brusselse Nederlandstalige onderwijs. Aan deze engagementsverklaring zouden alle Brusselse Nederlandstalige scholen, maar ook alle ouders die hun kind wensen in te schrijven in een Nederlandstalige school in Brussel zich dienen te houden. Scholen staan nu vaak met hun rug tegen de muur. Met deze engagementsverklaring willen we hen een instrument aanreiken om bepaalde doelstellingen te bereiken. Werkgroep 1 stelt voor om te onderzoeken of het mogelijk is om administratieve boetes uit te vaardigen voor ouders die zich niet aan de engagementen van deze engagementsverklaring houden.

Door de ondertekening van deze engagementsverklaring zouden ouders zich engageren om hun kinderen ’s ochtends en ’s middags op tijd naar school te brengen, hun kinderen zowel in het kleuter-, lager als secundair onderwijs regelmatig naar school te laten gaan tussen 1 september en 30 juni, de scholen te steunen in hun aanpak van spijbelen en zelf een minimaal aantal keer aanwezig te zijn op oudercontacten of contact te hebben met leerkrachten op een andere manier (afspraken op andere momenten, huisbezoeken enzovoort). Daarnaast zouden we ouders willen vragen hun kinderen zoveel mogelijk leerkansen te bieden door hen zelf de nodige ondersteuning te geven bij huistaken of - indien nodig - de hulp van derden hierbij in te schakelen.

Scholen van hun kant zouden de nodige inspanningen moeten leveren om een intensieve en kwaliteitsvolle communicatie met de ouders mogelijk te maken, ouders tijdens de inschrijvingen in te lichten over de school en het schoolsysteem, alle kinderen een zorgzame school te bieden waarin de eigenheid van het kind gerespecteerd wordt en waarin er niet gediscrimineerd wordt op basis van geloof, overtuiging, geslacht, ras, afkomst,… Tegelijk vragen we de scholen de ouders er attent op te maken dat een keuze voor het Nederlandstalig onderwijs niet vrijblijvend is.
De werkgroep vindt een voldoende aanbod NT2 op of in de directe omgeving van de school belangrijk. De overheid zou er dus over moeten waken dat er in Brussel een dekkend NT2-aanbod is op of in de directe omgeving van de school. De werkgroep vraagt eveneens aan de overheid om te onderzoeken of leerkrachten – die dat wensen – kunnen betrokken worden bij de taalcursussen op school. De werkgroep vindt het daarnaast ook belangrijk dat de overheid op zoek gaat naar oplossingen voor de opvang van kinderen tijdens de lessen Nederlands. Daarnaast zouden scholen extra inspanningen moeten leveren naar niet-Nederlandstalige kinderen om er voor te zorgen dat ze alle mogelijke kansen krijgen om het Nederlands te leren. Zo zouden scholen Nederlandstalige buitenschoolse activiteiten kunnen helpen bekend maken voor hun leerlingen. Daarbovenop zouden scholen hun schoolinfrastructuur kunnen openstellen voor Nederlandstalige voorzieningen die de taalverwerving van ouders en leerlingen kunnen stimuleren.
Van niet-Nederlandstalige ouders zou worden verwacht dat ze voor hun kind dat niet of onvoldoende Nederlands kent minstens één van de volgende engagementen aangaan:

  • Het kind inschrijven in en regelmatig laten deelnemen aan de activiteiten van een Nederlandstalige sportclub
  • Het kind inschrijven in en laten deelnemen aan Nederlandstalige culturele activiteiten in de Vlaamse gemeenschapscentra
  • Het kind inschrijven in een Nederlandstalige bibliotheek en maandelijks samen met het kind boeken ontlenen
  • Het kind inschrijven in en het regelmatig laten deelnemen aan activiteiten van een Nederlandstalige jeugdbeweging
  • Het kind inschrijven in een Nederlandstalig initiatief voor huiswerkbegeleiding, mits dit initiatief gekaderd is binnen de visie van het ondersteuningscentrum/expertisecentrum (zie werkgroep 4)
  •  …

Voor elk van de initiatieven uit bovenstaande lijst geldt duidelijk dat het én een kwalitatief én een Nederlandstalig initiatief dient te zijn.

2.4 Het gebruik van het Nederlands bij leerlingen bevorderen

2.4.1 In de klas

Iedereen is het er over eens: kinderen zouden in de klas nog meer kansen moeten krijgen om zelf Nederlands te spreken. Dit betekent voor een aantal leerkrachten een drastische wijziging in leerkrachtstijl. Hierbij dienen ze begeleid en ondersteund te worden door andere professionals. Voor het pedagogische aspect verwijzen we graag naar de werkzaamheden van werkgroep 3 ‘curriculaire themata’ zoals beschreven in hoofdstuk 4. Het ondersteuningsaspect kwam daarentegen uitvoerig aan bod in werkgroep ‘begeleiding en ondersteuning van scholen’ zoals besproken in hoofdstuk 5.

Werkgroep 1 stelt daarnaast ook voor om het initiatief Klavertje Drie uit te breiden waardoor leerlingen uit het Nederlandstalig onderwijs in Brussel eveneens in aanmerking komen om een uitwisselingsproject te doen met leerlingen in Vlaanderen. Momenteel biedt Klavertje Drie leerlingen immers enkel de mogelijkheid een periode door te brengen in een school in een andere Gemeenschap. Specifiek gaat het om bilaterale of trilaterale klasuitwisselingen. De jongeren logeren bij voorkeur in een gastfamilie en worden zo ondergedompeld in de taal en cultuur van de gemeenschap waar ze verblijven. Door middel van pedagogische, culturele, sportieve en familiale activiteiten ontdekken de kinderen elkaars culturele achtergrond en leefsituatie met respect voor ieders eigenheid.

2.4.2 Op school

Het aantal leerlingen in het Brussels onderwijs is de laatste jaren sterk toegenomen. Dit is vooral toe te schrijven aan de grotere instroom van leerlingen uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zelf. Het aantal leerlingen dat vanuit Vlaanderen instroomt in een Nederlandstalige basisschool in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bleef de laatste jaren nagenoeg constant, terwijl de instroom van Vlaamse leerlingen in het Brusselse Nederlandstalige secundair onderwijs de laatste jaren zelfs licht achteruit ging.

In 25 jaar is het aandeel leerlingen met een buitenlandse achtergrond gestegen van 10% tot 50%. Dit impliceert ook sterke verschuivingen in de gezinstaal. Op 25 jaar is het aantal kinderen afkomstig uit homogeen Nederlandstalige gezinnen verminderd van 80% naar minder dan 17%. Veertig procent van de leerlingen spreekt thuis noch Nederlands, noch Frans.

Dit heeft natuurlijk ook gevolgen voor het Nederlandse taalgebruik op school. Wanneer er verschillende talengroepen aanwezig zijn op school, zou het Nederlands in principe als communicatiemiddel kunnen fungeren om de spontane contacten tussen de leerlingen vlot te laten verlopen. Het is voor scholen echter niet altijd evident om het gebruik van het Nederlands af te dwingen. Vele scholen ontwikkelden hier wel al stimulerende methodieken rond.

Werkgroep 1 stelt voor om al deze goede praktijkvoorbeelden te verzamelen en via een website van de overheid voor alle scholen, directies, leerkrachten, leerlingen en ouders bekend te maken en te verspreiden.

Daarnaast vindt werkgroep 1 het belangrijk om de instroom van Nederlandstalige leerlingen in het Brusselse Nederlandstalige onderwijs op peil te houden. Het Brusselse Nederlandstalige onderwijs mag zijn aantrekkelijkheid niet verliezen voor Nederlandstalige leerlingen. Hierbij denken we niet alleen aan de leerlingen die wonen binnen maar ook aan hen die wonen buiten de grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hoe hoger de concentratie Nederlandstaligen in de Brusselse scholen, hoe meer kansen niet-Nederlandstalige kinderen krijgen om het Nederlands te oefenen binnen de schoolmuren.

In dezelfde lijn wordt er voorgesteld om na te denken over impulsen en ondersteuning die we aan Nederlandstalige ouders zouden kunnen geven om hun kinderen (gezamenlijk) in te schrijven in Nederlandstalige Brusselse scholen waar er momenteel een hoge concentratie aan niet-Nederlandstalige leerlingen aanwezig is.

2.4.3 Buiten de school(m)uren

Thuis Nederlands horen en/of positief ervaren is erg belangrijk in de Nederlandse taalontwikkeling van een kind. Er zijn tal van manieren waarbij het Nederlands in de thuissituatie binnen kan komen: radio en televisie, dvd-video, boeken, enzovoort. Zo blijft Nederlands niet alleen de ‘schooltaal’. Daarnaast vindt de werkgroep het ook belangrijk dat ouders in hun eigen moedertaal met hun kinderen blijven communiceren en hen op die manier algemene taalvaardigheid en taalgevoeligheid trachten mee te geven. De werkgroep hecht echter evenveel belang aan het informeren en sensibiliseren van ouders over het belang van taal.
Ouders die hun kinderen inschrijven in en regelmatig deel laten nemen aan allerhande Nederlandstalige vrijetijdsinitiatieven, zorgen er voor dat hun kinderen ook buiten de schoolmu(r)en in aanraking kunnen komen met het Nederlands. In Brussel is er al een behoorlijk aanbod aan Nederlandstalige initiatieven. Toch is de vraag naar Nederlandstalige vrijetijdsinvulling nog steeds groter dan het aanbod.

Werkgroep 1 pleit voor een uitbreiding van het Nederlandstalige vrijetijdsaanbod in Brussel. Indien men via dit vrijetijdsaanbod aan Nederlandse taalstimulering wenst te doen, dan vindt werkgroep 1 dat het Brusselse personeel en de Brusselse vrijwilligers hierin ook dienen ondersteund te worden door onderwijs. Werkgroep 1 vraagt aan het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming en de directie Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie om de hierboven aangehaalde problemen bij de betrokken ministers en collegeleden aan te kaarten.

In de engagementsverklaring (zie hoger) zouden scholen zich engageren om samen met de Vlaamse Gemeenschapscommissie de nodige inspanningen te leveren om het Nederlandstalige vrijetijdsaanbod beter bekend te maken bij hun leerlingen. Bovendien zouden de Nederlandstalige scholen zich er toe kunnen verbinden om dit aanbod ook meer bereikbaar te maken voor alle kinderen.

2.5 De strijd tegen spijbelen bundelen en opvoeren

2.5.1 Meten is weten

In Brussel is er net als in Vlaanderen een aantal kinderen dat geen enkele vorm van Nederlandstalig of Franstalig onderwijs volgt of huisonderwijs krijgt.
Om een beter zicht te krijgen op deze groep kinderen moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden met de Franstalige minister bevoegd voor leerplichtonderwijs. Volgens werkgroep 1 is het niet alleen in het kader van spijbelen maar ook in het kader van andere onderwijsthema’s noodzakelijk dat Franstaligen en Nederlandstaligen met elkaar in dialoog treden. Wij denken hierbij aan de thema’s kleuterparticipatie, kinderopvang, hulpverlening, enzovoort.

2.5.2 Ondersteunen van een positief schoolklimaat

De Vlaamse Gemeenschapscommissie en het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming gaan er beide van uit dat kwaliteitsvolle scholen waar leerkrachten en leerlingen zich goed voelen, de beste remedie zijn tegen spijbelen. Beiden proberen onder meer via hun kwaliteitsondersteuning van het Brussels Nederlandstalig onderwijs een positief schoolklimaat te bewerkstelligen en aan spijbelpreventie te doen.

Daarnaast leveren zowel het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming als de Vlaamse Gemeenschapscommissie inspanningen om de infrastructuur van de scholen kwalitatief te verbeteren. Een aantrekkelijk en goed onderhouden schoolgebouw draagt immers bij tot een positieve motivatie van leerkrachten én leerlingen.
Voor- en naschoolse opvang kan bijdragen tot een positief welbevinden van leerlingen op school. De Vlaamse Gemeenschapscommissie ondersteunt een brede kwaliteitsvolle naschoolse opvang . Eind jaren ’90 werd ook geïnvesteerd in materialen voor de uitbouw ervan. De Vlaamse Gemeenschapscommissie ondersteunt ook IBO’s (initiatieven buitenschoolse opvang), en ondersteunt samen met de Vlaamse gemeenschap brede-schoolproefprojecten in het Brussels Nederlandstalig onderwijs. Ook het gewestelijk subsidieprogramma ‘Programma Preventie Schoolverzuim’ is actief op het terrein van de voor- en naschoolse opvang.

Werkgroep 1 pleit voor een oplijsting van deze initiatieven samen met een bundeling van goede praktijkvoorbeelden. Dergelijke verzameling kan volgens werkgroep 1 na de Rondetafelconferentie Brussel ook best via een publiek toegankelijke website aan alle deelnemers van het Brusselse onderwijsveld ter beschikking worden gesteld.

Daarnaast vraagt werkgroep 1 aandacht voor kinderen die zich in de loop van het schooljaar uitschrijven en vervolgens inschrijven in een nieuwe school. Deze kinderen en de betrokken scholen hebben alle belang bij een goede informatie-uitwisseling tussen scholen.

2.5.3 Heldere afspraken met artsen over medische attesten

Op 22 maart 2007 sloot de Vlaamse Minister van Onderwijs en Vorming een samenwerkingsprotocol af met de medische sector en de onderwijswereld over de aanpak van problematische afwezigheden op school en de rol van artsen hierin. De artsenverenigingen die het protocol ondertekenden engageerden zich om de Nederlandstalige artsen op de hoogte te brengen van de afspraken in dit protocol. Leerlingen in Brussel doen echter ook vaak een beroep op Franstalige artsen.
Werkgroep 1 vraagt het Ministerie van Onderwijs en Vorming om na te gaan hoe ze ook de Franstalige artsen op de hoogte kunnen brengen van het protocol van 22 maart en de regelgeving inzake (problematische) afwezigheden in de Nederlandstalige scholen in Brussel en Vlaanderen.

2.5.4 Samenwerking Onderwijs en Welzijn

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden momenteel al goede afspraken gemaakt tussen de Franse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie over de opvang van jongeren die een maatregel krijgen opgelegd door de jeugdrechtbank. Zo werd er tussen de verschillende partners een samenwerkingsakkoord afgesloten.

Daarnaast is Brussel ook een volwaardige aparte regio binnen Integrale Jeugdhulp. Het Brusselse IJH-team zoekt, binnen de Brusselse omgeving, naar een goede invulling van de IJH-principes en -doelen. Aftoetsen van mogelijkheden/opportuniteiten/vragen met het Franstalige werkveld komen hierbij ook aan de orde. Toch blijken er in Brussel nog een aantal hiaten in de hulpverlening te zijn. Zo zijn er de wachtlijsten binnen een aantal sectoren binnen de Brusselse Nederlandstalige (jeugd-)hulp zoals de kinderpsychiatrie, de comités bijzondere jeugdzorg, de initiatieven voor opvoedingsondersteuning enzovoort.

Werkgroep 1 vraagt om rond deze capaciteitsproblemen dringend een overleg te plegen met de betrokken minister en het betrokken collegelid bevoegd voor welzijn.

2.5.5 Projecten op maat voor moeilijke jongeren en ouders

Bij ernstige spijbelproblemen is soms een intensieve aanpak op maat nodig. Met een time-outproject proberen we te voorkomen dat probleemleerlingen definitief afhaken voor ze zijn afgestudeerd. Het time-outproject wil de motivatie en eigen interesses van de jongeren aanwakkeren, hun zelfbeeld verbeteren, relationele en sociale vaardigheden aanleren en kennisinhouden bijbrengen.

In Brussel kunnen Nederlandstalige secundaire scholen sinds kort een beroep doen op een netoverschrijdend time-outproject. Dit project zal in de toekomst verder nauw opgevolgd worden door de Vlaamse Gemeenschapscommissie, maar daarnaast wordt aan dit project ook de mogelijkheid geboden om samen met de andere Vlaamse time-outprojecten deel te nemen aan de driemaandelijkse intervisiemomenten georganiseerd door het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Werkgroep 1 vraagt om verder te gaan op de ingeslagen weg, het bestaande time-out project verder te ondersteunen en indien mogelijk zelfs uit te breiden.

2.5.6 Streng als het moet

Indien blijkt dat het leerrecht geschonden is of de leerplicht in het gedrang komt door de onwil van ouders dan dient hiertegen opgetreden te worden.

Hiervoor dienen er duidelijke afspraken gemaakt te worden met justitie en politie. Wij hopen tot een gelijkaardig sanctioneringssysteem te komen voor alle leerplichtige jongeren en hun ouders in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ongeacht of ze tot de Vlaamse dan wel de Franse Gemeenschap behoren . Een overleg met de Franse Gemeenschap is dan ook aangewezen. De werkgroep denkt tevens aan administratieve boetes waarmee kort op de bal kan gespeeld worden.

Daarnaast is het aangewezen om met de lokale Brusselse politie tot een aantal concrete afspraken te komen m.b.t. de Brusselse spijbelproblematiek. Hiervoor kan men zich baseren op de omzendbrief PLP41 van minister Dewael waarin een samenwerking tussen scholen en lokale politie wordt mogelijk gemaakt.
Tot slot wordt ook een nauwe samenwerking met de Brusselse parketcriminoloog als aanbeveling naar voren geschoven.

2.5.7 Deeltijds leerplichtigen

Aan de leerplicht kan vanaf 15/16 jaar voldaan worden door deeltijds onderwijs of deeltijdse vorming te volgen in een Centrum voor Deeltijds Onderwijs (CDO) of een Centrum voor Deeltijdse Vorming (CDV). Deeltijds onderwijs of deeltijdse vorming zijn in principe alternerende formules, waarbij het leren in een centrum afgewisseld wordt met praktijkervaring. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er momenteel twee Nederlandstalige CDV’s en drie Nederlandstalige CDO’s actief. Deze bieden naast de reguliere vormen van deeltijds leren ook voortrajecten en brugtrajecten aan voor jongeren die nog niet klaar zijn om zonder extra begeleiding en voorbereiding in te stappen op de arbeidsmarkt.

Voor een aantal jongeren zijn zelfs de voor- en brugtrajecten een brug te ver. Voor hen wordt er eerder gedacht in de richting van persoonlijke ontwikkelingstrajecten. Deze jongeren, die omwille van persoonlijke of sociale problemen (tijdelijk) het voltijds engagement niet kunnen waarmaken, en voor wie een op arbeid gericht traject (nog) niet haalbaar is, worden hierbij minimaal 28 uur per week intensief begeleid.

Werkgroep 1 vindt het belangrijk dat er ook in Brussel jongeren in een dergelijk persoonlijk ontwikkelingstraject met voltijds engagement zouden kunnen stappen. Zij vragen de Vlaamse overheid en de Brusselse CDO’s.


3. (Beleids)aanbevelingen

Engagementsverklaring

Engagementen van de scholen naar alle ouders en leerlingen

  • scholen doen inspanningen om aan intensieve en kwalitatieve communicatie met de ouders te doen
  • scholen nemen bij inschrijvingen de tijd om de ouders over de school en het schoolsysteem in te lichten
  • scholen hebben respect voor de eigenheid van elk kind
    scholen zijn zorgzame scholen
  • scholen discrimineren niet op basis van geslacht, geloof, overtuiging, ras, afkomst...

Engagementen van de scholen naar niet-Nederlandstalige ouders en leerlingen

  • scholen geven voldoende informatie over het Nederlandstalige vrijetijdsaanbod in Brussel
  • scholen doen voldoende inspanningen om niet-Nederlandstalige kinderen 'mee te krijgen' op het vlak van taalbeheersing

Engagementen van alle ouders

  • ouders zorgen ervoor dat het kind tijdig op school zal zijn ’s ochtends en ‘s middags
  • ouders zorgen ervoor dat het kind in de kleuterklas, de lagere en secundaire school regelmatig zal schoollopen
  • ouders zorgen er mee voor dat het kind niet zal spijbelen en ondersteunen scholen in hun spijbelbeleid
  • ouders zullen op een minimaal aantal oudercontacten aanwezig zijn of contact met leerkrachten hebben op andere manier (huisbezoek, afspraak op andere momenten)

Engagementen van de niet-Nederlandstalige ouders

ouders kiezen voor een kind dat niet of onvoldoende Nederlands kent minstens één engagement uit onderstaande lijst:

  • inschrijven in en regelmatig laten deelnemen aan de activiteiten in een Nederlandstalige sportclub
  • inschrijven voor en laten deelnemen aan Nederlandstalige culturele activiteiten in Vlaamse gemeenschapscentra
  • inschrijven in een Nederlandstalige bibliotheek en maandelijks samen met de kinderen boeken ontlenen
    inschrijven in en laten deelnemen aan de activiteiten van een Nederlandstalige jeugdbeweging
  • inschrijven in een Nederlandstalig initiatief voor huiswerkbegeleiding, mits dit initiatief gekaderd is binnen de visie van het ondersteuningscentrum/expertisecentrum (zie werkgroep 4)
  • ...

Waarbij voor elk van de initiatieven duidelijk geldt dat het én kwalitatief én Nederlandstalig is.

Aanbevelingen

Algemeen

  • over alle punten waar scholen, directies, leerkrachten, leerlingen en ouders van elkaar kunnen leren in Brussel wordt er een website met goede voorbeelden uitgewerkt en gevoed
  • er is meer overleg nodig met de Franse gemeenschap over de thema’s spijbelen, kleuterparticipatie en kinderopvang
  • er is overleg nodig met de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, (minister Vanackere) en het collegelid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bevoegd voor Welzijn, Gezondheid en Ambtenarenzaken (collegelid Grouwels) over de samenwerking en afstemming tussen onderwijs en welzijn, de Brusselse wachtlijsten binnen een aantal sectoren van welzijn…
  • er is overleg nodig met het collegelid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bevoegd voor Cultuur en Patrimonium (minister Smet) onder meer over het Nederlandstalige vrijetijdsaanbod in Brussel
  • er is overleg nodig met de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel (minister Anciaux)
    voorzien in een dekkend kwaliteitsvol aanbod NT2 zo dicht mogelijk bij of op de school
  • de overheid moet nagaan óf en hóe leerkrachten kunnen ingeschakeld worden bij het geven van taalcursussen – ingericht door een centrum voor volwassenenonderwijs, een centrum voor basiseducatie of het Huis van het Nederlands – aan de ouders van hun leerlingen

Voorschoolse initiatieven

  • capaciteit en toegankelijkheid van de voorschoolse kinderopvang dient te verhogen
  • alleen Nederlandstalige initiatieven komen nog in aanmerking voor een attest van toezicht en financiële ondersteuning van Kind en Gezin
  • vanuit onderwijs wordt het personeel in de kinderopvang geholpen met het 'pedagogische' luik van hun opdracht  taalstimulering
  • kinderopvang werkt nauwer samen met onderwijs bv. aansluiting voor- en naschoolse kinderopvang
  • voorzien in kinderopvang tijdens de lessen Nederlands voor niet-Nederlandstalige ouders

Kleuteronderwijs

  • het is niet aangewezen om alle niet-ingeschreven kleuters naar het Nederlandstalig onderwijs te halen
  • ouders moeten duidelijker geïnformeerd worden over het belang van een 'geëngageerde inschrijving in het Nederlandstalige kleuteronderwijs
  • kinderen moeten op tijd op school zijn en moeten regelmatig gaan
  • scholen moeten communicatie beter afstemmen op de ouders: boodschappen bij ouders krijgen is zeer belangrijk

Verrijkte leerplicht

  • er komt een engagementsverklaring die geldt als bijkomende inschrijvingsvoorwaarde voor het Brusselse Nederlandstalige onderwijs
  • meer aanbod buitenschoolse Nederlandstalige initiatieven
  • goede communicatie van de overheid rond de verrijkte leerplicht en de inschrijvingsplicht vanaf 5 jaar met specifieke aandacht voor de kansarme en de allochtone ouders

Spijbelen

  • overleg met Brusselse politie en het Brussels parket over spijbelen
  • piste van administratieve boetes verder onderzoeken
  • nagaan hoe ook Franstalige artsen in Brussel kunnen geïnformeerd worden over de afspraken die opgenomen zijn in de protocolovereenkomst van 22 maart 2007
  • in het kader van het schoolshoppen moeten scholen in het belang van het kind en de school elkaar beter informatie kunnen doorgeven
  • nagaan of een uitbreiding van de time-outprojecten mogelijk is
  • persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor jongeren die omwille van persoonlijke of sociale problemen (tijdelijk) het voltijds engagement niet kunnen waarmaken, en voor wie een op arbeid gericht traject (nog) niet haalbaar is
  • bundelen en verspreiden van goede praktijkvoorbeelden

Bevorderen Nederlands

  • engagementsverklaring
  • goede voorbeelden uitwisselen
  • ouders moeten nog beter ingelicht worden over het belang van taal
  • in de klas moeten kinderen meer Nederlands kunnen/mogen spreken dan passief de taal leren
  • Brussels Nederlandstalig onderwijs mag aantrekkelijk niet verliezen voor Nederlandstalige leerlingen die binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen en daarbuiten (Vlaamse Rand)
  • impulsen en ondersteuning geven aan Nederlandstalige ouders die hun kinderen inschrijven in een Nederlandstalige school met een hoge concentratie aan niet-Nederlandstalige leerlingen
  • uitbreiding van het Nederlandstalige vrijetijdsaanbod in Brussel
  • alle vrijetijdsinitiatieven gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschapscommissie en/of de Vlaamse overheid zouden Nederlandstalig moeten zijn
  • ondersteuning vanuit onderwijs inzake taalstimulering voor de mensen actief in de Brusselse Nederlandstalige vrijetijdsinitiatieven