Eindverslag werkgroep 2 - Scholen en scholengemeenschappen 1 - Schoolorganisatie en personeel

U vindt op deze pagina de html-versie van het eindverslag van deze werkgroep. Dit eindverslag werd voorgesteld door de voorzitter van de werkgroep op de slotconferentie van de RTCB.

U kan het volledige eindrapport van de RTCB, met inbegrip van een algemene inleiding en voetnoten, ook downloaden in pdf-formaat.

1. Inleiding

2. Behandelde thema’s

2.1 Capaciteit

2.2 Infrastructuur

2.3 Scholengemeenschappen

2.4 Omkadering en werkingsmiddelen

2.5 Personeel

2.6 Sociale voordelen

2.7 Netwerking met andere beleidsdomeinen

3. (Beleids)aanbevelingen

1. Capaciteit

2. Infrastructuur

3. Scholengemeenschappen

4. Omkadering en werkingsmiddelen

5. Personeel

6. Sociale voordelen

7. Netwerking met andere beleidsdomeinen

 

1. Inleiding

De onderstaande tekst is het resultaat van de besprekingen in werkgroep 2 van de Rondetafelconferentie over het Brussels Nederlandstalig onderwijs. De werkgroep was samengesteld uit verschillende actoren binnen het Nederlandstalig Brussels onderwijs: een afvaardiging van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke, een afvaardiging van de Vlaamse minister van Brusselse Aangelegenheden Bert Anciaux, een afvaardiging van het Collegelid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bevoegd voor onderwijs en beroepsopleiding Guy Vanhengel, vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties, het Gemeenschapsonderwijs en de koepelorganisaties, afgevaardigden van directies uit de verschillende onderwijsnetten, de pedagogische begeleidingsdiensten, vertegenwoordigers van het ministerie van Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap en van de Directie Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en een afvaardiging van de inspectie.

De werkgroep kwam vier keer samen respectievelijk op 31 mei 2007, 7 juni 2007, 19 juni 2007 en 28 juni 2007. De verschillende thema’s kwamen aan bod in de eerste drie werkgroepvergaderingen : ‘capaciteit’ en ‘scholengemeenschappen’ in de eerste bijeenkomst, ‘per-soneel’ in de tweede vergadering, en de thema’s ‘infrastructuur’, ‘werkingsmiddelen en omkadering’ en ‘sociale voordelen’ in de derde bijeenkomst. De vierde vergadering werd overwegend voorbehouden voor de eindconclusies.

2. Behandelde thema’s

2.1 Capaciteit

Uitgaande van de huidige leerlingenaantallen, en gelet op de hoge retentiegraad, kan het Nederlandstalige onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op termijn rekenen op een marktaandeel van 25% van de Brusselse basisschoolbevolking: 13.000 à 15.000 kinderen in het kleuteronderwijs en 20.000 à 25.000 leerlingen voor het lager onderwijs. Bij een doorstroming vanuit het lager onderwijs naar het secundair onderwijs, krijgt men op kruissnelheid in ordegrootte een zelfde aantal in het secundair onderwijs.

Het is aangewezen een centraal registratiesysteem van inschrijvingen te ontwikkelen. Dit centrale registratiesysteem moet toelaten om zowel de problematiek van de dubbele inschrijvingen, als de opvolging van geweigerde leerlingen adequater aan te pakken. Bij de uitwerking dient bewaakt te worden dat dit de planlast voor de scholen niet verhoogt. In functie van een volledige en correcte opvolging is samenwerking met het Franstalig onderwijs een vereiste.

De werkgroep stelt dat nader onderzoek moet gebeuren naar de reële omvang van het capaciteitsprobleem in het Nederlandstalig basis- en secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ook hiervoor is samenwerking met het Franstalig onderwijs noodzakelijk.

2.2 Infrastructuur

Vele schoolgebouwen zijn verouderd en niet meer functioneel. De werkgroep omschrijft de bestaande gebouwen als ‘doorgaans in slechte staat, oud, onaangepast en onaangenaam’. De toestand van de schoolgebouwen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is vooral slechter dan in de meer landelijke gebieden in Vlaanderen, maar zelfs in vergelijking met grote steden als Gent en Antwerpen, lijken de noden in Brussel groter. Dit heeft ondermeer te maken met de specifieke ontstaanswijze van kleine vestigingsplaatsen – de burgerhuizen; eerst één, dan twee, dan drie naast mekaar - en het specifieke gegeven van Franstalige en Nederlandstalige scholen die één site delen. Algemeen wordt verwacht dat de geplande inventarisatie door AGIOn van de toestand van de Vlaamse schoolgebouwen deze these alleen maar zal onderschrijven.

Het gebrek aan open ruimte en de extreem hoge grondprijzen in de Brusselse grootstedelijke context maken bouwen extra duur. Daartegenover staat de financiële onmogelijkheid van vele schoolbesturen om een bouwdossier te realiseren. De werkgroep pleit dan ook voor een ruimere financiering door de overheid van bouwprojecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De werkgroep geeft daarbij prioriteit aan de consolidatie en renovatie van de bestaande infrastructuur, zonder nieuwe stichtingen uit te sluiten. Een oplossing van capaciteitsproblemen zit ook, weliswaar slechts gedeeltelijk, in het beter aanwenden van ruimten bij heropbouw of renovatie.

Alternatieve financieringsmechanismen, zoals de DBFM of het project ‘passief bouwscholen’, bieden allicht onvoldoende antwoorden op problemen als wachttijden, eigen inbreng van middelen en het vinden van geschikte terreinen. Creatieve opportuniteiten om het kostenplaatje rond te krijgen, zoals de gedeeltelijke aanwending van nieuwe of vernieuwde schoolgebouwen voor andere doeleinden, dienen verder onderzocht te worden.

Naast het financiële aspect, vraagt de werkgroep dat de Vlaamse overheid al haar mogelijkheden en kanalen zou aanwenden teneinde goodwill te creëren bij de Franstaligen ten aanzien van het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gebrek aan goodwill bij zowel de Brusselse politieke overheden, de Brusselse stedenbouwkundige administratie, als de eigenaars van gronden en gebouwen (erfpacht), wordt door alle actoren als een belangrijke belemmerende factor beschouwd.

Gezien de bevolkingsdichtheid, de capaciteitsproblemen en de wenselijkheid om creatief in te spelen op opportuniteiten, dient de programmatievoorwaarde van 2 km voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest volledig losgelaten te worden.

De werkgroep pleit voor het in stand houden en zelfs uitbreiden van het urgentiefonds van de VGC na 2009. De werkgroep ziet in het schoolinterventieteam een manier om opleiding, tewerkstelling en infrastructuurverbetering aan elkaar te koppelen. De werkgroep stelt voor het schoolinterventieteam uit te breiden.

2.3 Scholengemeenschappen

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telt voor het secundair onderwijs één scholengemeenschap per onderwijsnet. Met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs (2 scholengemeenschappen), wordt het basisonderwijs echter gekenmerkt door een geografische versnippering van scholengemeenschappen (5 scholengemeenschappen in het gesubsidieerd officieel onderwijs en 9 scholengemeenschappen in het gesubsidieerd vrij onderwijs).

De werkgroep is het er over eens dat de scholengemeenschap de hefboom kan zijn voor schaalvergroting en professionalisering van zowel het leerkrachtenkorps, als van de directies. Schaalvergroting is immers vaak bevorderend voor een efficiënt gebruik van de toegekende middelen. Er is geen consensus over de wenselijkheid om binnen het basisonderwijs scholengemeenschappen te vormen op basis van geografische ligging, dan wel op basis van het pedagogisch project.

Gelet op de specifieke grootstedelijke context in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het aangewezen dat de scholengemeenschappen meer middelen krijgen om leerkrachten en directies te ondersteunen (o.a. door meer uren mentoraat), om initiatieven te ontwikkelen die de sfeer in de scholen ten goede komen en de integratie van het leerkrachtenkorps binnen Brussel te bevorderen.

De onderwijsinspectie merkt op dat het de scholengemeenschappen, vergeleken met de schoolbesturen/inrichtende machten, aan werkelijke beleidsbevoegdheden ontbreekt. De uitoefening van beleidsbevoegdheden door de scholengemeenschap is echter reglementair al mogelijk door het creëren van een juridische structuur (fusie/koepelstructuur) door de onderliggende schoolbesturen/inrichtende machten. Deze optie moet op vrijwillige basis worden genomen en kan derhalve niet van overheidswege worden opgelegd.

De werkgroep opteert daarnaast ook voor een versterking en professionalisering van de schoolbesturen/inrichtende machten door ondermeer te investeren in opleiding en vorming van de betrokkenen. Ook hierin kan de scholengemeenschap als initiator en stimulator optreden. De werkgroep benadrukt de complementariteit van deze ondersteunende maatregelen. Het is een “en en-verhaal”.

2.4 Omkadering en werkingsmiddelen

In zijn discussienota ‘Krijtlijnen voor de nieuwe financiering van het leerplichtonderwijs’ van 15 juni 2007 opteert de heer Frank Vandenbroucke, Vlaams minister voor Werk, Onderwijs en Vorming, ervoor om de ondersteuning die de Brusselse scholen nu krijgen, op hetzelfde peil te houden. De werkgroep beaamt dat de uitdagingen groot zijn om een dergelijke extra investering voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel te rechtvaardigen. De extra middelen zijn nodig om de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs te verzekeren.

Het nieuwe financieringssysteem voorziet dat voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel dezelfde leerlingen- en schoolkenmerken en dezelfde verrekeningswijze zal gebruikt worden als voor de scholen in Vlaanderen. Indien zou blijken dat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel op basis van het huidige financieringssysteem meer middelen krijgt dan met het nieuwe systeem gebaseerd op leerlingenkenmerken, dan zal dat surplus onder de Nederlandstalige scholen in Brussel worden verdeeld. Aan de toekenning van dit surplus zal een zekere voorwaardelijkheid en verantwoordingsplicht worden gekoppeld.

De leden van de werkgroep stellen voor om het surplus aan middelen ongekleurd ter beschikking te stellen van de scholengemeenschappen met het oog op het leggen van eigen accenten en het ontwikkelen van een eigen beleid. De werkgroep vond geen consensus met betrekking tot de verdeelsleutel vanuit de overheid aan de scholengemeenschappen. Een aantal leden opteren om dit eveneens te linken aan de context van de indicatoren. Andere leden pleiten eerder om de middelen à rato van de leerlingenaantallen te verdelen.

Ingaand op de uitnodiging van minister Frank Vandenbroucke in zijn discussienota, doet de werkgroep alvast volgende suggesties waaruit scholengemeenschappen ondermeer kunnen kiezen om het eventuele surplus zinvol te besteden:

  • bijsturen van het Brussels Curriculum met het oog op een nog grotere effectiviteit
  • extra inspanningen ter bevordering van het taalvaardigheidsonderwijs Nederlands
  • extra middelen voorzien in de opstartfase voor nieuwe studiegebieden afgestemd op knelpuntberoepen in de Brusselse regio (TSO/BSO)
  • extra middelen inzetten voor de begeleiding van moeilijke leerlingen (watervalsysteem, spijbelproblematiek)
  • extra begeleiding voor leerlingenstages in TSO/BSO
  • organiseren van een pool met vervangingsleerkrachten, inclusief voor TSO/BSO richtingen
  • extra ondersteuning bij het organiseren van initiatieven voor nieuwe leerkrachten
  • extra taalondersteuning voorzien in 1° graad SO
  • extra begeleiding organiseren voor overgang kleuteronderwijs naar lager onderwijs
  • extra ondersteunen van ‘brede’ scholen in Brussel

De werkgroep vraagt ook aandacht voor de omkadering en werkingsmiddelen van de Brusselse CLB’s en de scholen voor buitengewoon onderwijs.

2.5 Personeel

De moeilijkheden met betrekking tot het aantrekken en behouden van directies en leerkrachten in een aantal Brusselse scholen is niet bevorderlijk voor de beleidskracht in de scholen. Continuïteit en deskundigheid gaan immers grotendeels en heel vaak samen. De problemen stellen zich hierbij nog manifester indien leerkrachten en directies afhaken in de loop van het schooljaar.

De werkgroep onderschrijft dat er maatregelen moeten komen die beginnende leraren en directies op een positieve manier aan Brussel binden. Incentives op verschillende domeinen zijn nodig om deskundig onderwijspersoneel te kunnen aanwerven en te kunnen houden in het Brussels Nederlandstalig onderwijs.

Een eerste element betreft de lerarenopleiding. De werkgroep is van mening dat de lerarenopleiding meer en specifiek moet afgestemd worden op de taaldiversiteit en de grootstedelijke context, gekoppeld aan de Brusselse scholen. Gezien leerkrachten uit gans Vlaanderen worden gerekruteerd, moeten beide componenten best in de lerarenopleiding van alle hogescholen worden geïntegreerd. Het verder uitwerken van een Brusselstage, gekoppeld aan een ex-tra voordeel voor de betreffende student (bv. via de toekenning van extra studiepunten), het aanbieden van een intensief taalbad Frans en het creëren van uitwisselingsmogelijkheden met Franstalige scholen zijn nader te onderzoeken pistes in deze context. Ook het aanbieden van een opleiding Frans binnen de lerarenopleiding, die de afgestudeerde onderwijsgevenden in staat stelt om op een kwalitatief hoogstaande manier het vak Frans te onderwijzen, lijkt voor de werkgroep het overwegen waard, gezien de gewijzigde vooropleiding van de studenten.

De wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs verplicht de scholen in Brussel om vanaf het derde leerjaar Frans te geven. In de meeste scholen wordt deze opdracht toegewezen aan de klastitularis. Deze leerkrachten moeten hun grondige kennis van het Frans bewijzen door te slagen in het taalexamen. De slaagpercentages, die schommelen rond de 30 %, tonen aan dat heel wat leerkrachten struikelen over dit taalexamen.

Vertrekkende van de huidige taalwetgeving is de werkgroep van mening dat het niveau van het taalexamen ‘grondige kennis van het Frans’ moet behouden blijven. De werkgroep pleit wel voor modularisering waarbij deelattesten voor geslaagde onderdelen van het examen geldig blijven. De taalafwijking gedurende maximaal 3 schooljaren biedt aan personeelsleden de mogelijkheid om zich voor te bereiden op het taalexamen door het volgen van specifieke opleiding. Verdere afstemming tussen de aangeboden opleiding en de eisen van het taalexamen is aangewezen.
In geval van wijzigingen aan de taalwetgeving dient de verplichting van het taalexamen en de modaliteiten ervan opnieuw bekeken.

De taakbelasting voor het onderwijzend personeel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt door de leden van de werkgroep als zwaarder beschouwd dan elders. Er is meer energie nodig om dezelfde resultaten te bereiken. Om hieraan tegemoet te komen, opteert de werkgroep ervoor om de leerkracht vooral te ondersteunen in zijn of haar kerntaak, namelijk in het lesgeven. Eerder dan te kiezen voor een lineaire vermindering van de klasgrootte, opteert de werkgroep voor een extra personeelslid in de klas in functie van de nodige differentiatie. Opgedane ervaring ter zake leert dat dit tot vernieuwende en motiverende effecten resulteert.
Het inzetten van taalassistenten in de kleuterklas kan bijgevolg een dubbel positief effect creëren: bijdragen tot de taalontwikkeling van kleuters én de kleuteronderwijzer effectief ondersteunen in de klas.

De opvang en begeleiding van vooral jonge leerkrachten zijn belangrijk. Zij hebben een klankbord nodig. De uren mentoraat op niveau van de scholengemeenschap kunnen hiertoe bijdragen, maar zijn onvoldoende.
Extra coaching, teamwerk, en degelijke begeleiding verhogen het welbevinden van leerkrachten op school. Het hoeft geen betoog dat ook dit welbevinden een cruciale factor is met het oog op het behoud van personeel aan een school.

De vandaag toegestane salaristoeslag die inging op 1 september 2002 en enkel van toepassing is op personeelsleden (onderwijzend personeel, ICT-coördinatoren, zorgcoördinatoren, en directies basisonderwijs) uit het lager onderwijs die geslaagd zijn in het taalexamen, blijkt onvoldoende om leraren en directies aan Brussel te binden. De werkgroep is er zich van bewust dat een hogere bezoldiging niet noodzakelijk motiverend werkt, en dat de motiverende effecten sterk verschillen van individu tot individu. Bovendien is loondifferentiatie sowieso een gevoelig gegeven. Nochtans meent de werkgroep dat werken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een meerkost betekent voor de personeelsleden (tijd voor verplaatsing, kosten kinderopvang,…) en dat deze meerkost financieel moet worden gecompenseerd. De werkgroep pleit ervoor om als financiële tegemoetkoming de anciënniteit in het BHG sneller op te bouwen, op voorwaarde dat de opgebouwde rechten ook effectief verloren gaan bij het beëindigen van de tewerkstelling in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel.

De specifieke uitdagingen voor de Brusselse CLB’s verantwoorden dat ook deze groep van personeelsleden een taalbonus krijgen na het slagen in een taalexamen ‘grondige kennis van het Frans’.

2.6 Sociale voordelen

M.b.t. sociale voordelen dienen mogelijk afspraken gemaakt te worden met de Franstalige gemeenschap. De uitdagingen voor VGC situeren zich ondermeer op het vlak van regiefunctie voor een Brussels flankerend onderwijsbeleid. Of VGC vanuit deze regierol ook kan en mag bijdragen m.b.t. sociale voordelen, dient verder te worden onderzocht.

2.7 Netwerking met andere beleidsdomeinen

Andere domeinen, zoals welzijn, hebben eveneens een verantwoordelijkheid naar het Nederlandstalig Brussels onderwijs. Binnen de werkgroep werd er hierbij vooral gepleit voor het versterken van het netoverstijgende time-outproject. Voor Kind & Gezin is er een opdracht weggelegd om sterkere inspanningen te leveren naar de Brusselse Nederlandstalige kinderdagverblijven. Hier kan de taalverwerving van het Nederlands starten. Het aanbod van kinderdagverblijven is aan uitbreiding toe. Ook de uitbreiding van het schoolinterventieteam werd hier nog eens uitdrukkelijk vermeld.

3. (Beleids)aanbevelingen

1. Capaciteit

  • Centraal registratiesysteem van inschrijvingen ontwikkelen.
  • Nader onderzoek naar de reële omvang van het capaciteitsprobleem.
  • Opzetten van samenwerking en wisselwerking met het Franstalig onderwijs.

2. Infrastructuur

  • Een ruimere financiering door de overheid van bouwprojecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  • Goodwill creëren bij de Franstaligen ten aanzien van het Nederlandstalig onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  • De programmatievoorwaarde van 2 km voor het BHG afschaffen.
  • Het urgentiefonds van de VGC na 2009 in stand houden en zelfs uitbreiden.
  • Het schoolinterventieteam uitbreiden.

3. Scholengemeenschappen

  • Meer middelen naar schoolgemeenschappen om leerkrachten en directies te ondersteunen (o.a. door meer uren mentoraat), om initiatieven te ontwikkelen die de sfeer in de scholen ten goede komen en de integratie van het leerkrachtenkorps binnen Brussel te bevorderen.
  • Investeren in opleiding en vorming voor de versterking en professionalisering van de schoolbesturen/inrichtende machten.

4. Omkadering en werkingsmiddelen

  • Extra investeringen voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel borgen.
  • Eventuele surplus aan middelen (ingevolge nieuwe financiering) ongekleurd ter beschikking te stellen van de scholengemeenschappen met het oog op het leggen van eigen accenten en het ontwikkelen van een eigen beleid.
  • Aandacht voor de omkadering en werkingsmiddelen van de Brusselse CLB’s en de scholen voor buitengewoon onderwijs.

5. Personeel

  • Alle lerarenopleidingen in Vlaanderen meer afstemmen op de taaldiversiteit en de grootstedelijke context. Het verder uitwerken van een Brusselstage, gekoppeld aan een extra voordeel voor de betreffende student (bv. via de toekenning van extra studiepunten), het aanbieden van een intensief taalbad Frans en het creëren van uitwisselingsmogelijkheden met Franstalige scholen. Het aanbieden van een degelijke opleiding Frans binnen de lerarenopleiding.
  • Het niveau van het taalexamen ‘grondige kennis van het Frans’ behouden, maar modularisering uitwerken.
  • In geval van wijzigingen aan de taalwetgeving de verplichting van het taalexamen en de modaliteiten ervan opnieuw bekijken.
  • De leerkracht vooral ondersteunen in zijn of haar kerntaak, nl. in het lesgeven. Een extra personeelslid in de klas in functie van de nodige differentiatie, het inzetten van taalassistenten in de kleuterklas.
  • Meerkost compenseren door als financiële tegemoetkoming de anciënniteit in het BHG sneller op te bouwen, op voorwaarde dat de opgebouwde rechten ook effectief verloren gaan bij het beëindigen van de tewerkstelling in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel.
  • De personeelsleden van de Brusselse CLB’s een taalbonus geven na het slagen in een taalexamen ‘grondige kennis van het Frans’.

6. Sociale voordelen

  • Afspraken maken met de Franstalige gemeenschap.
  • Verfijnen van rol voor VGC m.b.t. regiefunctie voor een Brussels flankerend onderwijsbeleid en rol m.b.t. sociale voordelen.

7. Netwerking met andere beleidsdomeinen

  • Andere domeinen, zoals welzijn, sensibiliseren m.b.t. het Nederlandstalig Brussels onderwijs.
  • Het versterken van het netoverstijgende time-outproject.
  • Een sterkere inspanning van Kind & Gezin naar de Brusselse Nederlandstalige kinderdagverblijven.
  • Het aanbod van kinderdagverblijven uitbreiden.
  • Het schoolinterventieteam uitbreiden.