Eindverslag werkgroep 3 - Scholen en scholengemeenschappen 2 - Curriculaire themata
U vindt op deze pagina de html-versie van het eindverslag van deze werkgroep.
Dit eindverslag werd voorgesteld door de voorzitter van de werkgroep op de
slotconferentie van de RTCB.
U kan het volledige eindrapport van de RTCB,
met inbegrip van een algemene inleiding en voetnoten,
ook downloaden in pdf-formaat.
1. Inleiding
De eerste vergadering van werkgroep drie stond volledig in het teken van het
talenbeleid van Brusselse scholen. De discussie werd opgedeeld in de twee
deelthema’s : taalbeleid Nederlands en het specifieke probleem van het
onderricht van het vak Frans in Brussel.
De tweede vergadering stond in het teken van het versterken van de beleidskracht
van scholen in verband met het voeren van een sterk evaluatie- en outputbeleid.
De derde vergadering van de werkgroep stond in het teken van het activeren van
technisch en beroepsonderwijs, het verbreden van het studieaanbod en evenwichtig
afstemmen op arbeidsmarkt. Een belangrijk deelthema was de evaluatie van het
Brussels curriculum als werkvorm om te werken aan taalachterstand in het
secundair onderwijs. Heel in het bijzonder kwam de rol van de eerste graad SO en
de problematische overgang tussen BaO en SO uitvoerig aan bod.
2. Behandelde thema’s
2.1 Het talenbeleid versterken
De leerlingenpopulatie van het Brussels Nederlandstalig onderwijs evolueerde
van een homogeen Nederlandstalige naar een meertalige leerlingenpopulatie. De
Onderwijsinspectie stelde vast dat dit niet in alle scholen leidde tot het
voeren van een aangepast talenbeleid. Het versterken van het talenbeleid van
scholen dringt zich daarom op. Taalrelativisme is immers de vijand van gelijke
kansen. Naast algemene taalversterkende initiatieven (zoals beschreven in de
Talennota van minister Frank Vandenbroucke) heeft de Brusselse context haar
eigen noden.
2.1.1 Algemene suggesties voor een
versterkt talenbeleid
De discussie startte met de vaststelling dat in Brussel het scharniermoment
niet gesitueerd is tussen het basisonderwijs en het eerste jaar van het
secundair maar wel tussen het eerste en tweede secundair. De overgang BaO – SO
is problematisch. Het getuigschrift basisonderwijs garandeert immers geen
bepaald niveau van de kennis van het Nederlands. Waarbij geregeld de vraag rees
wat de waarde is van het getuigschrift. Er is in de scholen (met een eerste
graad secundair onderwijs) in elk geval nood aan meer informatie over het niveau
Nederlands van leerlingen die instromen in het eerste jaar van het secundair
onderwijs.
Er is in de werkgroep een consensus dat taaltoetsen in Brussel zinvol zijn maar
niet enkel bij de overstap van basisonderwijs naar secundair onderwijs.
Taaltoetsen moeten een onderdeel zijn van het leertraject en op geregelde
tijdstippen worden afgenomen. Er is eveneens consensus over het feit dat de
resultaten van een taaltoets niet zinvol zijn om een beslissing te nemen over
het bekomen van een getuigschrift of om een studieoriëntering te sturen. Het
afnemen van taaltoetsen is geen finaliteit op zich en is enkel zinvol indien er
remediëring en een aanpassing van het didactisch handelen op volgt. Leraars
moeten ondersteund worden in het afnemen en interpreteren van taaltoetsen.
Taaltoetsen kaderen in het algemeen talenbeleid van een school. De Brusselse
scholen moeten het voeren van een bewust talenbeleid verplicht opnemen in de
schoolwerkplanning, met als uiteindelijk doel het nastreven van de
ontwikkelingsdoelen en bereiken van de eindtermen voor alle leergebieden, niet
alleen voor de taalgerelateerde leergebieden. Het talenbeleid vertrekt vanuit
een duidelijke visie en koppelt daar een aantal operationele doelstellingen aan.
De school evalueert het talenbeleid voortdurend en stuurt indien nodig bij. De
scholen werken regelmatig hun talenbeleid bij op het niveau van de klas, de
school maar ook in hun contacten met de buurt en spenderen in het bijzonder
aandacht aan taalvaardigheidsonderwijs, taalgericht vakonderwijs, het afstemmen
van de leerlijnen in de diverse leerplannen en het afstemmen van het didactisch
handelen op de problematiek in de klas.
Essentieel is de kennis en informatie die scholen hebben over leerlingen.
Scholen moeten leren omgaan met een gedifferentieerde leerlingenpopulatie en de
informatie gebruiken om het schoolbeleid vorm te geven. Brussel kan een
voortrekker zijn op het gebied van informatieoverdracht bij school- en
niveauovergangen. In de werkgroep heerst er een consensus dat er moet gestreefd
worden naar het ontwikkelen van een overdrachtdossier en competentieportfolio
voor elke leerling. Deze overdracht van informatie kan naast een bredere eerste
graad (zie verder) een oplossing vormen voor de problematische overgang tussen
het BaO en het SO.
Enkele bedenkingen bij het uitwerken van het overdrachtdossier zijn:
- Gezien de grote in- en uitstroom van leerlingen van buiten Brussel dient
dit overdrachtdossier op termijn best ook minstens ingang te vinden in de
Rand rond Brussel.
- Met overdrachtdossier bedoelen we in deze context een door de school
uitgewerkt dossier met per leerling resultaten op interne evaluaties,
resultaten op “brusseltoes-ten” en informatie, afkomstig van MDO en CLB.
Naast een overdrachtdossier beheerd door het onderwijs lijkt een
competentieportfolio beheerd door de leerlingen/ouders een goed idee. Een
persoonlijk portfolio is een individueel dossier dat door de leerling (en
zijn ouders) met hulp van zijn leerkrachten wordt opgebouwd. Op basis van
zelfreflectie t.a.v. resultaten op interne en externe toetsen tracht de
leerling zijn eigen kennen en kunnen (interesses, competenties,
capaciteiten) in kaart te brengen. Evolutie inzake taalvaardigheid staat
centraal.
- Uiteraard is het van belang dat ook ouders de nodige feedback krijgen
over de sterktes en zwaktes van hun kinderen en dat er niet over de hoofden
heen van de ouders informatie stroomt tussen scholen. Dit proces moet door
scholen bewaakt worden in hun contacten met de ouders.
- Brussel kent veel schoolveranderingen zodat er best centraal afspraken
worden gemaakt over een efficiënte overdracht. Het ontwikkelen van een
Brussels digitaal overdrachtdossier zou kunnen worden onderzocht.
- De informatieoverdracht vindt best plaats in een direct contact of met
andere woorden in een warme overdracht tussen twee scholen.
- Leerkrachten moeten uiteraard in staat zijn om te leren diagnosticeren
en de sterktes en zwaktes van leerlingen goed in te schatten. Er is dus
zeker nood aan deskundigheidsbevordering voor het in beeld brengen van
leerlingen, voor het leren diagnosticeren, etc. Ook op mesoniveau in het
kader van een goed talenbeleid is het noodzakelijk dat scholen kunnen leren
welke gevolgen ze kunnen trekken uit het meten/opvolgen van de bereikte
resultaten. Ook daar kan ondersteuning en begeleiding een rol spelen om
leerkrachten en directies te helpen met het maken van beginsituatieanalyses
en het vertalen in concrete acties en doelstellingen (zie GOK waar deze
aanpak al ingang vond).
- Er dient tenslotte op gewezen te worden dat de informatieoverdracht
reeds moet starten in het kleuteronderwijs. Problemen bij de overgang van
het lager onderwijs naar het secundair onderwijs kunnen voorkomen worden
door een vroege en goede start in het kleuteronderwijs.
De werkgroep pleit niet voor aangepaste eindtermen en leerplannen Nederlands
voor Brussel. Het probleem zijn niet zozeer de leerplannen maar wel de
leerlijnen Nederlands die niet zijn afgestemd op de leerlijnen van de
zaakvakken. Geregeld worden in zaakvakken taalelementen gebruikt die de
leerlingen nog niet hebben geleerd. Er moet dus een oefening gemaakt worden
waarbij de leerlijnen in de leerplannen worden afgestemd.
De werkgroep signaleert ook een probleem van hanteerbaarheid van de leerplannen.
Dit is te wijten aan een gebrek aan kennis van de leerplannen en een moeilijke
implementatie. Begeleiding is aangewezen.
2.1.2 Frans
Het is in Brussel aangewezen om na te denken over een gehele of gedeeltelijke
herziening van de verplichte lestijd Frans zodat een andere invulling mogelijk
wordt (verwerving en taalvaardigheid Nederlands, …) voor de kinderen die het
Frans voldoende machtig zijn conform de vereisten van de eindtermen. Juridisch
is er een opening om de bestaande regelgeving betreffende de taalwetgeving in
het onderwijs aan te passen.
Toch zullen we erover moeten waken de lestijden Frans op voldoende wijze te
blijven aanbieden aan de Nederlandstalige kinderen in Brussel en blijft het dus
zinvol en noodzakelijk om te investeren in een kwaliteitsvol onderwijs Frans.
Daar waar de werkgroep voor Nederlands en andere vakken geen afzonderlijke
Brusselse leerplannen voorstelt stellen de meeste leden dit voor het vak Frans
wel voor. In tegenstelling tot Vlaanderen is er in Brussel vanaf de tweede graad
verplicht onderricht van het Frans. Brusselse leerlingen krijgen dus
systematisch meer Frans gedurende meer onderwijstijd dan hun Vlaamse lotgenoten.
Bovendien is de leerlingengroep anders samengesteld dan in het ééntalige
Vlaanderen. Hij bestaat behalve uit Nederlandstaligen ook uit leerlingen met het
Frans als moedertaal of tweede taal. Deze taalheterogene groep en de specifieke
taalregeling zijn argumenten voor aangepaste leerplannen. In elk geval is een
verfijning van de leerplannen aangewezen. Deze verfijning handelt voor de
Nederlandstalige leerlingen over de invulling van de in vergelijking met
Vlaanderen extra uren Frans maar handelt ook over de invulling van de eventuele
uren Nederlands die de uren Frans vervangen voor de groep niet-Nederlandstalige
leerlingen.
2.2 Evaluatiebeleid
De onderwijsinspectie stelt in vele scholen een problematisch evaluatiebeleid
vast.
Een algemene conclusie is dat het evalueren vaak beperkt wordt tot louter
vaststellen. Brussel kent echter daarbovenop specifieke problemen.
Eén van deze specifieke aandachtspunten betreft het attesteringsbeleid. Zoals
uit de startnota blijkt, verschilt het attesteringspatroon in Brussel van dit in
de rest van Vlaanderen. Het percentage A-attesten zou hoger moeten liggen, het
percentage C-attesten lager. De verklaring voor dit afwijkend patroon kan niet
uitsluitend aan een andere werking van de delibererende klassenraden worden
toegeschreven. Wellicht heeft het ook te maken met de problematische overgang
van basis- naar secundair onderwijs en de opstapeling van leerproblematieken bij
de leerlingen om tal van redenen (waaronder de gebrekkige kennis van het
Nederlands). Het lijkt ons dan ook zinvol deze problematiek systematisch aan te
pakken.
Wellicht moet in een eerste fase per scholengemeenschap een verdere analyse van
de attesteringsproblematiek worden uitgevoerd op basis van een globaal
analysekader dat in alle scholengemeenschappen gevolgd wordt. Na analyse lijkt
het aangewezen de resultaten ervan onderling te vergelijken en op basis daarvan
een gezamenlijk remediëringsplan uit te werken.
De werkgroep stelt voor dat de Brusselse scholen zich engageren tot het
aanpassen van het schoolbeleidsplan om een breed gedragen visie m.b.t. evaluatie
uit te werken. Dergelijke visie houdt naast het adequaat testen zelf ook
opvolging en begeleiding in. Scholen kunnen de nascholingsmiddelen bij voorrang
hieraan besteden. De uitdaging die we ons vooropstellen is om met alle Brusselse
scholen het concept van de leerlingenevaluatie kritisch te bekijken. Daarbij
moeten we de volgende principes in het oog houden:
- De leerlingenevaluatie moet een vast onderdeel worden van het
leerproces.
- Scholen moeten duidelijke en eenduidige criteria vastleggen voor
evaluatie van leerlingen
Scholengemeenschappen moeten een discussie voeren over de
leerlingenbegeleiding (kernopdracht) in relatie met het studieaanbod en de
studieoriëntering. De taken van de scholengemeenschap inzake
leerlingenbegeleiding moeten minder vrijblijvend in de regelgeving worden
omschreven.
Net zoals in het kader van het talenbeleid is de kennis en informatie die
scholen hebben over leerlingen zeer pertinent in het kader van een
evaluatiebeleid. Bij het ontwikkelen van een overdrachtdossier moet erover
gewaakt worden dat naast gegevens over taal- en cognitieve vaardigheden ook de
sociaal- emotionele vaardigheden van leerlingen in beeld worden gebracht. (zie
opmerkingen over overdrachtdossier in rubriek talenbeleid).
We denken ook dat het zinvol is werk te maken van het opzetten van netwerken van
scholen, leraren en vakgroepen binnen en eventueel ook buiten Brussel om toetsen
en evaluatiecriteria met elkaar te bespreken, te vergelijken en eventueel bij te
sturen. Hetzelfde geldt voor het ontwikkelen van een adequate
informatieoverdracht tussen scholen.
2.3 Outputbeleid
De schoolse vertraging in het basisonderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest is hoger dan in Vlaanderen (maar lager dan in Antwerpen). Wat de schoolse
vertraging in het secundair onderwijs betreft zet de trend die werd vastgesteld
in het basisonderwijs, zich hier verder. De achterstand opgelopen in het
basisonderwijs blijft uiteraard doorwegen.
De lage slaagcijfers in 1A brengen de overgang tussen het basis- en het
secundair onderwijs onder de aandacht. Betekent dit dat de leerlingen de
eindtermen van de basisschool niet hebben bereikt? De zwakke resultaten kunnen
ook te wijten zijn aan een onevenwichtig studieaanbod: starten de leerlingen wel
op de juiste plaats? Zijn er voldoende mogelijkheden om een meer technisch
aanbod te volgen? Wordt de B-stroom op een positieve wijze voorgesteld en
ingevuld?
De lage slaagcijfers leiden ook tot grote leerlingenstromen tussen verschillende
scholen. De percentages qua uitstroom liggen veel hoger dan in Vlaanderen. Een
grote groep scholen laat veel leerlingen uitstromen maar heeft quasi geen
instroom. Een andere groep kent zowel veel uitstroom als instroom. Een beperkte
groep scholen vangt vooral leerlingen op. Deze bewegingen zijn enigszins
zorgwekkend. Het feit dat ook binnen een graad zoveel leerlingen van school
veranderen is echt alarmerend. Zowel voor de leerling als voor de opvangende
school wordt het zeer moeilijk om een graadsleerplan te realiseren. Deze grote
uitstroom moet ook in verband gebracht worden met de spijbelproblematiek. Het
verhuizen van school, het doorlopen van een cascade is niet gunstig voor het
ontwikkelen van een band met de school en is vaak nefast voor de motivatie. Het
belang van een goede oriëntering kan niet genoeg benadrukt worden in deze
context.
Outputgegevens zijn data van kwantitatieve en kwalitatieve aard die weergeven in
welke mate een school kwaliteitsvol onderwijs nastreeft en realiseert. Met
systematisch verzamelde outputgegevens (betrouwbare, valide, aanvaardbare
gegevens) kan de school verantwoorden en legitimeren in welke mate ze haar
vooropgezette doelen nastreeft en realiseert en in hoeverre ze voldoet aan haar
maatschappelijke opdracht. Daarbij is het belangrijk dat de scholen beschikken
over referentiemateriaal van andere scholen en van gelijkaardige scholen. Het
beschikbaar stellen van deze gegevens kan de scholen een heel eind op weg helpen
bij het voeren van een eigen outputbeleid. In het kader van het meten en
analyseren van de output zijn volgende elementen belangrijk: attesteringen en
attesteringspatronen, resultaten in het vervolgonderwijs,
tewerkstellingsgegevens en afwezigheden.
Outputgegevens worden door te weinig scholen geregistreerd en geïnterpreteerd.
Door registratie van en reflectie over de outputgegevens kan de school dus de
kwaliteit van haar onderwijs evalueren. In de Brusselse context is het voor de
scholen van cruciaal belang om na te gaan wat het interne rendement van het
geboden onderwijs in het Nederlands is. Scholen moeten kunnen onderzoeken of de
beleidskeuzes die ze maken op het vlak van eigen werking maar ook ondersteuning,
begeleiding en projecten effectief bijdragen tot het leren van hun leerlingen.
Uit de doorlichtingsverslagen van de inspectie blijkt dat er in het
basisonderwijs een uitgesproken verband bestaat tussen enerzijds het registreren
en functioneel aanwenden door de school van de outputgegevens en anderzijds het
realiseren van de zorgbreedte. In het secundair kunnen scholen die
afstudeerresultaten bijhouden goede scores voorleggen, vooral in het
universitair onderwijs.
De werkwijze in het kader van het GOK-beleid kan een inspiratie zijn voor het
voeren van een outputbeleid. Behalve voor het bekomen van extra GOK-middelen is
er momenteel geen verplichting tot het voeren van een beginsituatieanalyse en
een zelfevaluatie. Er kan gepleit worden voor het verplicht invoeren van de
methodiek van gegevensverzameling en zelfevaluatie.
Er is geen consensus over het niveau waarop deze gegevensverzameling moet
gebeuren (scholen – scholengemeenschap – Brussel). Een goed monitoringsysteem
vergt in elk geval een bereidwilligheid om te komen tot een transparante
uitwisseling van informatie.
2.4 Onderwijsaanbod SO
Relevante vaststelling voor het onderwijsaanbod in het Brussels secundair
onderwijs is dat de leerlingenaantallen globaal stijgen maar dat tegelijkertijd
ook het aantal kansarme en taalzwakke leerlingen stijgt (GOK-cijfers). Het ASO
aandeel in het onderwijsaanbod is groter dan gemiddeld hoewel dit deels kan
verklaard worden door de centrumfunctie van Brussel en het aantrekken van
leerlingen van buiten Brussel. Het TSO/BSO heeft weinig nijverheidstechnische
studierichtingen in het aanbod. De inspanningen die worden geleverd met
aanvangsondersteuning voor de programmatie van nieuwe studierichtingen kennen
voorlopig niet het verhoopte succes. Brusselse scholen zijn tenslotte gemiddeld
kleinschaliger dan scholen in Vlaanderen. De nadelige effecten van de
kleinschaligheid van scholen zijn de versnippering van deskundigheid en middelen
en een beperkte draagkracht om te investeren en te werken aan zorg,
studieoriëntering, taalbeleid, …
Dit alles kadert in een context van hoge jeugdwerkloosheid en ongekwalificeerde
uitstroom in Brussel. De uitdagingen bestaan er dan ook in om het
onderwijsaanbod met name in TSO/BSO te verbreden, te activeren en beter af te
stemmen op de arbeidsmarkt. Hiervoor hebben de scholen sterke partners nodig.
De werkgroep wenst er wel op te wijzen dat er nood is aan specifieke cijfers van
de jeugdwerkloosheid en ongekwalificeerde uitstroom van Brusselse leerlingen uit
het Nederlandstalige onderwijs. Deze cijfers zijn er vooralsnog niet zodat het
moeilijk is om de output van het Nederlandstalig onderwijs te evalueren.
Het Nederlandstalig onderwijs kan immers niet alleen instaan voor het oplossen
van de jeugdwerkloosheid in het gewest. Afspraken met de Franstalige collega’s
en andere partners zijn noodzakelijk.
Een voorstel vanuit de werkgroep is om de zware procedure voor het programmeren
van nieuwe studierichtingen/studiegebieden vroeger in het schooljaar af te
ronden. De huidige procedure wordt veel te laat afgerond om de scholen nog toe
te laten fatsoenlijk te rekruteren. De procedure eindigt medio mei en moet
eigenlijk reeds in januari zijn afgerond om zinvol te zijn. Een mogelijke
oplossing bestaat erin om met de procedure te starten in het voorafgaande
schooljaar om zo toe te laten tijdig af te ronden.
Er werd een pleidooi gehouden voor een masterplan om het onderwijsaanbod te
verbreden en beter af te stemmen op de arbeidsmarkt. Indien we echter qua
onderwijsaanbod blijven denken op het niveau van de individuele scholen hebben
we geen garantie op een evenwichtig aanbod. Het masterplan is een meerjarenplan
doch moet dit op relatief korte termijn door de vertegenwoordigers van het
Brussels secundair onderwijs worden besproken. Tevens moeten de diverse
socio-economische actoren mee betrokken worden om het vaak karikaturale beeld
van het bedrijfsleven van jongs af aan te doorbreken. Het systeem van
aanvangsondersteuning kan scholen helpen om leemtes in het aanbod te vullen.
Bij deze mag de eerste graad en de problematische overgang BaO – SO niet
vergeten worden. In de A-stroom van de eerste graad moeten bruggen gebouwd
worden tussen ASO, TSO en KSO. De eerste graad moet anders en breder ingevuld
worden met meer aandacht voor techniek en cultuur. De A-stroom wordt momenteel
wellicht te academisch ingevuld. Een meer diverse invulling zou ook de perceptie
van ouders ten goede komen en de bezetenheid met ASO voor een stuk wegnemen ten
voordele van TSO/BSO en KSO.
Het ontbreekt ouders en sommige leerkrachten aan kennis over de inhoud van de
verschillende studierichtingen. Zeker wat TSO/BSO/KSO richtingen betreft. Dit
gebrek aan informatie bemoeilijkt een adequate toeleiding. De VGC moet de
inspanningen die worden geleverd voor de jaarlijkse studiekeuzebeurs verder
zetten en blijven focussen op het bereiken van leerkrachten en (kansarme)
ouders. Een verdere samenwerking met het bedrijfsleven en de
arbeidsbemiddelingsdiensten (Actiris en VDAB) is aangewezen. Een project zoals
het Gentse beroepenhuis kan inspirerend werken voor Brussel.
Brussel kent net als andere regio’s een specifieke groep van moeilijke
leerlingen voor wie voltijds onderwijs niet realistisch is door een accumulatie
van problemen en dit gaat vaak ook gepaard met een gebrekkige taalkennis. Voor
deze leerlingen zijn deeltijdse vorming, leercontract of deeltijds
beroepsonderwijs een valabel alternatief. In Brussel wordt echter vastgesteld
dat leercontracten geen succes zijn en dat het DBSO en de werkgever in
vergelijking met Vlaanderen verder uit elkaar liggen. Dit thema van leren en
werken moet zeker worden opgenomen in discussies met de bedrijfswereld en de
institutionele partners (Actiris en VDAB).
2.5 De eerste graad SO en het Brussels curriculum
De Inspectie concludeerde in een evaluatie van het Brussels curriculum dat
het experiment een matig bereik had, een gebrek aan coördinatie kende en
tenslotte dat de mogelijkheden om de eerste graad anders in te vullen te
bescheiden werden gebruikt.
Uit deze laatste conclusie blijkt dat de scholen te weinig weten over de huidige
mogelijkheden.
Er moet daarom in eerste instantie meer en duidelijke communicatie komen over
over welke innoverende mogelijkheden de school kan beschikken binnen de
regelgeving.
De vraag of het Besluit van de Vlaamse regering met betrekking tot het Brussels
curriculum moet verlengd en aangepast worden moet op relatief korte termijn
worden beantwoord (het Besluit van de Vlaamse regering loopt eind dit schooljaar
af). In elk geval is het noodzakelijk dat de scholen die in het project zijn
gestapt zichzelf evalueren en dat er modellen worden aangereikt. Scholen
verwachten in de toekomst meer pedagogisch-didactische ondersteuning.
Het verbreden van de eerste graad is in elk geval een must. Zo moet zoals reeds
werd vermeld naast cognitieve aspecten ook technische en culturele inhouden meer
aan bod komen maar moet ook de band met het basisonderwijs versterkt worden door
meer integratie van vakken en minder focus op cognitieve prestaties. Het
resultaat moet zijn dat een zachtere overgang mogelijk wordt tussen het
basisonderwijs en het secundair onderwijs.
Een brede eerste graad kan in de toekomst een driejarige eerste graad overbodig
maken. Intussen is de nood aan andere structuren zoals een driejarige eerste
graad groot. Dit vermindert het belang van pedagogisch-didactische maatregelen
niet. Voor scholen waar er nog een kritische massa Nederlandstalige leerlingen
is zijn er voldoende mogelijkheden binnen de huidige structuren maar voor
scholen met een haast homogeen anderstalige maar cognitief voldoende sterke
populatie is een driejarige eerste graad zinvol. De taalachterstand is dus een
criterium voor differentiatie. Een driejarige structuur moet echter een
uitzondering blijven en niet de norm worden.
De verklaring op eer over de thuistaal en het getuigschrift basisonderwijs zijn
geen bruikbare criteria om de Nederlandstaligheid te bepalen. De verklaringen op
eer maken de voorrangsbepalingen voor Nederlandstaligen uit het GOK-decreet
praktisch moeilijk werkbaar. Een overdrachtsdossier (met taaltoetsen) beheerd
door het onderwijs en een leerlingencompetentieportfolio beheerd door de
leerling/ouders moeten relevante informatie leveren over de talige, cognitieve
en sociale vaardigheden van de leerlingen en zijn een beter alternatief op de
verklaringen op eer.
Voor de invulling van het eerste jaar van de driejarige structuur moet men
denken aan vorm van brugjaar tussen het basisonderwijs en het secundair
onderwijs waarbij methodieken uit het basisonderwijs worden gebruikt in het
secundair om de overgang te verzachten. Het brugjaar mag niet louter worden
ingevuld als een taalbad maar eerder als een “project CLIL -Nederlands” met
aandacht voor talige aspecten in elk zaakvak.
Op termijn moet het laatste jaar basisonderwijs en het eerste jaar secundair
onderwijs worden beschouwd als onderdeel van één en dezelfde ruimte.
Leerkrachten secundair moeten leren wat onderwijzen in het basisonderwijs
inhoudt. Tevens moet het aantal contacturen per leerkracht in de eerste graad
naar analogie van het basisonderwijs vergroot worden. De huidige situatie
waarbij leerlingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs worden
geconfronteerd met een tiental vakleerkrachten zorgt ervoor dat er geen tijd is
voor individuele leerkrachten om zich in te werken in de problematieken van
individuele leerlingen. Op deze wijze worden taalproblemen te vaak doorverwezen
naar de taalleerkracht.
Elke leerkracht van een zaakvak moet tevens aandacht besteden aan Nederlands.
Het lijkt voorbarig om nu reeds de structuren van de tweede en derde graad
gedifferentieerd aan te bieden. Eerst moeten we werken aan een brede eerste
graad en aan de professionaliteit van het lerarenkorps.
De B-stroom van de eerste graad moet uitsluitend gereserveerd worden voor
(taalzwakke) cognitief zwakke leerlingen. De B-stroom mag geen vergaarbak worden
voor cognitief sterke maar taalzwakke leerlingen.
3. (Beleids)aanbevelingen
1. Talenbeleid
Scholen in het basis- en secundair onderwijs werken in het kader van zorg en
gelijke onderwijskansen een talenbeleid uit. Dit specifieke onderdeel vertrekt
vanuit een duidelijke visie en koppelt daar een aantal operationele
doelstellingen aan. De school evalueert het talenbeleid voortdurend en stuurt –
indien nodig – bij.
- Gevolgen voor het beleid O&V: de minister moet een initiatief nemen om
deze verplichting afdwingbaar te maken
- Gevolgen voor het toezicht: de onderwijsinspectie moet bij
doorlichtingen nagaan of scholen hun verplichtingen naleven en hoe zij die
opvolgen en realiseren.
- Gevolgen voor de scholen, lerarenteams, klassenraden: de scholen moeten
regelmatig hun talenbeleid bijwerken op het niveau van de klas, de school
maar ook in hun contacten met de buurt en spenderen in het bijzonder
aandacht aan taalvaardigheidsonderwijs, taalgericht vakonderwijs, het
afstemmen van de leerlijnen in de diverse leerplannen en het af stemmen van
het didactisch handelen op de problematiek in de klas.
Leerlingen zullen meermaals in hun traject van basisonderwijs tot en met 2de
graad SO onderworpen worden aan een taaltoets. Dergelijke taaltoets wordt in
ieder geval afgenomen bij intrede in de school, voor het einde van de
basisschool en vóór het einde van de 1ste graad SO. Deze taaltoetsen hebben een
diagnosticerende betekenis en worden niet gehanteerd op het vlak van
studiesanctionering (bekomen getuigschrift). Ze kaderen in het zorgbeleid van de
school en de intake in het secundair onderwijs.
- Gevolgen voor het beleid O&V: de minister moet een initiatief nemen om
deze verplichting afdwingbaar te maken.
- Gevolgen voor de scholen: de resultaten van de leerlingen op de
taaltoetsen moeten worden toegevoegd aan het leerlingendossier en besproken
met de leerlingen en de ouders (o.m. met het oog op verwerking in eventueel
portfolio).
- Gevolgen voor de leerkracht en klassenraad: leerkrachten zullen de
resultaten op deze toetsen moeten opvolgen en een actieplan uitwerken. In
het SO moeten de begeleidende klassenraden dit actieplan uitwerken.
Leraren(teams) moeten door middel van toetsing de aanpak in de klas en op
school afstemmen op de noden van de leerlingen, gericht op het bereiken van
de eindtermen en vooropgestelde doelen van kwaliteitsonderwijs.
- Gevolgen voor de ontwikkeling, ondersteuning en begeleiding: de
ondersteuning en begeleiding moet vormings- en begeleidingsinitiatieven
aanbieden, in de eerste plaats met betrekking tot het omgaan met toetsing en
toetsgegevens binnen het onderwijsleerproces en anderzijds ook met
betrekking tot de deskundigheidsbevordering van leerkrachten
(competentieontwikkeling op het vlak van diagnosticeren, remediëren,
evalueren). De ondersteuning en begeleiding moet een input leveren voor het
ontwikkelen of standaardiseren van toetsen zodat bestaande toetsingssystemen
compatibel worden.
2. Schoolveranderingen
De werkgroep stelt voor dat Brusselse scholen zich engageren om voor al hun
leerlingen een overdrachtdossier bij te houden. Tevens worden scholen
gestimuleerd om leerlingen te helpen bij de opbouw van een persoonlijk
portfolio. Het overdragen van de informatie bij schoolverandering gebeurt in een
warme overdracht of m.a.w. direct contact tussen de scholen en betrekt de ouders
in het proces.
- Gevolgen voor het beleid O&V: de minister moet een aangepast initiatief
nemen om dit engagement afdwingbaar te maken en onderzoekt daarbij de
beperkingen in het kader van de wet op de privacy.
- Gevolgen voor het toezicht: de onderwijsinspectie moet bij
doorlichtingen nagaan of scholen dit engagement naleven en of hun aanpak
kwalitatief voldoet aan de gestelde verwachtingen.
- Gevolgen voor ontwikkeling, ondersteuning en begeleiding: de in Brussel
actieve ondersteuning en begeleiding moet een eenvoudig format van portfolio
uitwerken en zal een overleg organiseren met het oog op een eenvormig model
van overdrachtdossier.
- Gevolgen voor het Vlaams Onderwijs: de werkgroep stelt voor om dit
voorstel niet te beperken tot BHG, maar uit te breiden tot alle scholen.
3. Leerlingenevaluatie
Scholengemeenschappen (zowel BaO als SO) nemen initiatieven om leerkrachten
meer competent te maken op het vlak van leerlingenevaluatie.
- Gevolgen voor de scholen: de scholen moeten hun schoolbeleidsplan
aanpassen en nemen er een uitgewerkte visie op evaluatie in op waarbij
evaluatie als onderdeel van het leerproces wordt benaderd. De scholen moeten
intern éénduidige criteria opstellen voor de evaluatie van leerlingen.
- Gevolgen voor de leerkracht: de leerkrachten moeten hun
evaluatiepraktijk afstemmen op het schoolbeleidsplan.
- Gevolgen voor ontwikkeling, ondersteuning en begeleiding: de
ondersteuning en begeleiding moeten ondermeer vormings- en
begeleidingsinitiatieven aanbieden met betrekking tot het beter integreren
van de leerlingenevaluatie in het leerproces.
4. Outputbeleid
De scholen en scholengemeenschappen moeten in het kader van een
kwaliteitszorgsysteem outputgegevens systematisch bijhouden, analyseren en hun
beleid erop afstemmen.
- Gevolgen voor het beleid O&V: de minister moet een initiatief nemen
waardoor dit voorstel afdwingbaar is. De overheid moet voorzien in een
informatierijke omgeving voor de scholen.
- Gevolgen voor het toezicht: de onderwijsinspectie moet de outputgegevens
hanteren bij het voorbereiden van haar doorlichtingen vanaf 2008-2009
(binnen de context van nieuw concept van gedifferentieerd doorlichten).
- Gevolgen voor de ontwikkeling, ondersteuning en begeleiding: de
ondersteuning en begeleiding moeten de begeleiding van de scholen waarborgen
bij het verzamelen en analyseren van outputdata. Ze moet ook instaan voor
het aanbieden van vorming aan de met het outputbeleid belaste
personeelsleden per school.
5. Frans en de instructietaal
De verplichtingen m.b.t. het aantal lestijden Frans worden opgeheven. De
Vlaamse regering zal een regeling vastleggen die differentiatie op het gebied
van het aantal lesuren onderwijs in de instructietaal en in de 2de taal toelaat.
Dit laat toe om voor Nederlandstalige leerlingen het aantal uren Frans te
behouden en voor anderstalige leerlingen meer Nederlands aan te bieden.
De onderwijsverstrekkers verfijnen de leerplannen Frans door toevoeging van
een ‘werkplan Brussel’ dat leerkrachten wapent om optimaal te differentiëren.
Het werkplan biedt een invulling voor de in vergelijking met Vlaanderen extra
uren Frans en ook voor de eventueel vervangende ingerichte uren Nederlands voor
niet-Nederlandstalige leerlingen. Het werkplan bewaakt eveneens de geïntegreerde
benadering van taal- en andere vakken/leergebieden.
- Gevolgen voor het beleid O&V: juridische knelpunten moeten onderzocht
worden en een voorstel moet worden uitgewerkt om een andere regeling
mogelijk te maken.
- Gevolgen voor de ontwikkeling, ondersteuning en begeleiding: de
ondersteunende diensten moeten een rol krijgen op het vlak van ondersteuning
en begeleiding met betrekking tot de invulling van een gedifferentieerde
aanpak in Brussel.
6. De aansluiting van het secundair onderwijs bij
het basisonderwijs
De basisscholen versterken de adviesverstrekking m.b.t. de overgang naar het
secundair onderwijs i.e. reglementair vastgelegd. Dit advies geeft een antwoord
op de volgende vragen:
- Is de leerling voldoende taalbekwaam om in te stromen in 1A?
- Heeft de leerling nog te kampen met een ‘ernstige taalachterstand’ zodat
de instap in de 3-jarige eerste graad van het Brussels curriculum moet
overwogen worden door de toelatingsklassenraad van het eerste jaar SO?
- Wat is de thuistaal van de leerling?
Het advies moet uitsluitsel geven over de thuistaal van de leerling in het
kader van het inschrijvingsrecht en in het bijzonder het voorrangsrecht voor
Nederlandstalige leerlingen. Aldus verdwijnt de huidige verklaring op eer.
- Gevolgen voor het beleid O&V: de overheid moet de regelgeving aanpassen
m.b.t. de bevoegdheden van de klassenraad BaO en SO.
- Gevolgen voor de scholen: basisscholen moeten in het kader van zorg
voldoende pertinente informatie verstrekken in de vorm van een advies en dit
ten behoeve van secundaire scholen. Secundaire scholen moeten de werking van
klassenraden versterken.
7. De eerste graad secundair onderwijs
Alle scholen vullen hun eerste graad in als een “brede” eerste graad. Deze
brede eerste graad versterkt de band met het basisonderwijs en hergroepeert de
verschillende vakken (zowel basisvorming als keuzevakken, basisopties,
beroepenvelden) tot een beperkt aantal ruimere leergebieden. De brede eerste
graad heeft aandacht voor culturele en technische inhouden naast cognitieve
inhouden en heeft als finaliteit om een zachtere overgang te bewerkstelligen
tussen het basis- en het secundair onderwijs. De brede eerste graad speelt
eveneens een belangrijke rol in het oriënterings- en doorstromingsproces van de
leerlingen tussen de eerste graad en de twee graad van het secundair onderwijs.
In dit kader blijven de twee varianten van het Brussels curriculum van
kracht. De scholengemeenschappen overleggen over een meer (gespreid) aanbod van
de 3-jarige eerste graad. Leerlingen met een te grote taalachterstand kunnen in
de loop van het 1° jaar, uiterlijk bij de overgang van het 1° naar het 2° jaar
doorverwezen worden de 3-jarige eerste graad. De scholen bouwen de B-stroom in
de eerste graad uitsluitend uit als een aanbod voor (taalzwakke) leerlingen met
beperkte leermogelijkheden. Basisscholen spelen een actieve rol in het Brussels
curriculum (zie punt 6) en informeren en adviseren de secundaire school met
betrekking tot de zorg- en taalbehoeften van de leerlingen en de toeleiding naar
het secundair onderwijs.
- Gevolgen voor het beleid O&V: de minister moet een initiatief nemen om
de regelgeving aan te passen zodat het Brussels curriculum wordt bestendigd
en de 3-jarige eerste graad gemakkelijker toegankelijk wordt.
- Gevolgen voor de ontwikkeling, ondersteuning en begeleiding: de diensten
moeten vorming en begeleiding aanbieden om leerkrachten secundair onderwijs
vertrouwd te maken met didactische concepten en methodes van het
basisonderwijs.
- Gevolgen voor de scholen: de scholen met een aanbod Brussels curriculum
moeten een actieve communicatie waarborgen naar andere basis- en secundaire
scholen over de mogelijkheden van dit Brussels curriculum.
8. Het onderwijsaanbod secundair onderwijs
De vertegenwoordigers van het Brussels secundair onderwijs werken in het
najaar 2007 een “masterplan onderwijsaanbod” uit. Dit ontwerp van masterplan is
gericht op bijsturing van het aanbod t.a.v. wezenlijke leemtes. De
socio-economische actoren en verantwoordelijke overheden worden bij de
voorbereiding ervan betrokken. Het ontwerp is een meerjarenplan bevat ook
duidelijke prioriteiten: de voorgestelde aanpassingen inzake aanbod worden
binnen een realistisch tijdsschema (voorstel: 5 jaar) geplaatst, waarbij de
meest noodzakelijke aanpassingen al moeten kunnen ingaan op 01/09/2008. Bij de
formulering van voorstellen in het masterplan op middellange termijn nemen de
vertegenwoordigers van Brussels secundair onderwijs het concept “schoolcampus”
in overweging en stellen zij in ieder geval een voldoende schaalgrootte en
stuurkracht voorop.
- Gevolgen voor het beleid O & V: de minister moet een initiatief nemen
waardoor een logge programmatieprocedure wordt vervangen door een snelle
procedure. Een beslissing over nieuwe (noodzakelijk geachte) programmaties –
op basis van het masterplan – wordt gewaarborgd voor de kerstvakantie. De
overheid moet een meerjarenbegroting voorleggen met het oog op de realisatie
(binnen een aanvaardbaar korte tijd) van het masterplan.
- Gevolgen voor de scholen (Inrichtende machten): de scholen moeten zich
engageren waar nodig om het masterplan onderwijsaanbod efficiënt uit te
voeren.
- Gevolgen voor het beleid VGC: VGC moet het voorgestelde overleg
opstarten en coördineren.
|