Zoeken


Lager onderwijs - Frans - Eindtermen

Taaltaken, verwerkingsniveaus, tekstsoorten en tekstkenmerken.

Geldig vanaf: 1/09/2010

Luisteren

In teksten met de volgende kenmerken
  • Onderwerp
    • concreet
    • eigen leefwereld en dagelijks leven
  • Taalgebruikssituatie
    • concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
    • zonder storende achtergrondgeluiden
    • meestal met visuele ondersteuning
    • tot hen of tot hun leeftijdsgroep gericht
  • Structuur/ Samenhang/ Lengte
    • korte enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente voegwoorden
    • elementaire tekststructuur
    • zeer korte teksten
    • met expliciete informatie
    • ook met redundante informatie
  • Uitspraak, articulatie, intonatie
    • heldere uitspraak
    • zorgvuldige articulatie
    • duidelijke, natuurlijke intonatie
    • standaardtaal
  • Tempo en vlotheid
    • langzaam tempo met pauzes waar nodig
  • Woordenschat en taalvariŽteit
    • zeer frequente woorden
    • eenduidig in de context
    • standaardtaal
    • informeel en formeel
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren:
1 het onderwerp bepalen in informatieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;
2 de elementaire gedachtegang volgen van prescriptieve en narratieve teksten;
3 gevraagde informatie selecteren uit informatieve en narratieve teksten.
4 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieŽn toe:
 
  • zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  • het luisterdoel bepalen;
  • gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief materiaal;
  • hypothesen vormen over de inhoud van de tekst;
  • de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden.

Lezen

In teksten met de volgende kenmerken
  • Onderwerp
    • concreet
    • eigen leefwereld en dagelijks leven
  • Taalgebruikssituatie
    • concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
    • meestal met visuele ondersteuning
    • tot hen of tot hun leeftijdsgroep gericht
  • Structuur/ Samenhang/ Lengte
    • korte enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente voegwoorden
    • elementaire tekststructuur
    • korte teksten
    • ook met redundante informatie
  • Woordenschat en taalvariŽteit
    • frequente woorden
    • eenduidig in de context
    • standaardtaal
    • informeel en formeel
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren:
5 het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;
6 de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;
7 de gedachtegang volgen van prescriptieve en narratieve teksten;
8 gevraagde informatie selecteren uit informatieve en narratieve teksten.
9 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieŽn toe:
 
  • zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;
  • het leesdoel bepalen;
  • gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;
  • hypothesen vormen over de inhoud van de tekst;
  • de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;
  • de vermoedeliijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;
  • herlezen wat onduidelijk is;
  • een woordenlijst of een woordenboek raadplegen.

Spreken

In teksten met de volgende kenmerken
  • Onderwerp
    • concreet
    • eigen leefwereld en dagelijks leven
  • Taalgebruikssituatie
    • concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
    • met en zonder visuele ondersteuning
  • Structuur/ Samenhang/ Lengte
    • korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente verbindingswoorden
    • elementaire tekststructuur
    • zeer korte teksten
  • Uitspraak, articulatie, intonatie
    • met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
    • standaardtaal
  • Tempo en vlotheid
    • met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
    • langzaam tempo
  • Woordenschat en taalvariŽteit
    • zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen
    • standaardtaal
    • informeel en formeel
kunnen de leerlingen volgende taken kopiŽrend uitvoeren:
10 vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen;
11 vooraf beluisterde en/of gelezen informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten luidop lezen;
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren:
12 met een vorm van ondersteuning informatieve en narratieve teksten in de vorm van een opsomming navertellen;
13 met een vorm van ondersteuning een gebeurtenis, een verhaal, iets of iemand in de vorm van een opsomming beschrijven;
14  gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
15 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieŽn toe:
 
  • zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;
  • het spreekdoel bepalen;
  • gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
  • gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal.

Mondelinge interactie

In teksten met de volgende kenmerken
  • Onderwerp
    • concreet
    • eigen leefwereld en dagelijks leven
  • Taalgebruikssituatie
    • concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
    • met en zonder visuele ondersteuning
  • Structuur/ Samenhang/ Lengte
    • korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen met de meest frequente verbindingswoorden
    • elementaire tekststructuur
    • zeer korte teksten
  • Uitspraak, articulatie, intonatie
    • met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
    • standaardtaal
  • Tempo en vlotheid
    • met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
    • langzaam tempo
  • Woordenschat en taalvariŽteit
    • zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen
    • standaardtaal
    • informeel en formeel
kunnen de leerlingen volgende taken uitvoeren:
16 deelnemen aan een gesprek door:
 
  • vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen;
  • erop te reageren;
  • zelf vragen te stellen, antwoorden te geven en uitspraken te doen;
17 gebruik maken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies.
18 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieŽn toe:
 
  • zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
  • het doel van de interactie bepalen;
  • gebruik maken van lichaamstaal;
  • vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen, iets aan te wijzen;
  • te kennen geven dat ze iets niet begrepen hebben.

Schrijven

In teksten met de volgende kenmerken
  • Onderwerp
    • concreet
    • eigen leefwereld en dagelijks leven
  • Taalgebruikssituatie
    • concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
  • Structuur/ Samenhang/ Lengte
    • korte enkelvoudige zinnen
    • elementaire tekststructuur
    • zeer korte teksten
  • Uitspraak, articulatie, intonatie
  • Tempo en vlotheid
  • Woordenschat en taalvariŽteit
    • zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste frasen en standaarduitdrukkingen
    • standaardtaal
    • informeel en formeel
kunnen de leerlingen volgende taken kopiŽrend uitvoeren:
19 een tekst foutloos overschrijven.
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren:
20 een tekst aanvullen met gegeven woorden;
21 aan de hand van aangereikte bouwstenen een tekst samenstellen.
22 Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieŽn toe:
 
  • zich blijven concentreren op de schrijftaak;
  • het schrijfdoel bepalen;
  • de eigen tekst nakijken.


Kennis en attitudes

Kennis
23  Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen de volgende lexicale en grammaticale elementen functioneel inzetten:
a) vorm, betekenis en reŽel gebruik in context van woorden en woordcombinaties uit de woordvelden die de taaltaken en de taalgebruikssituaties vereisen:
  • persoonlijke gegevens: naam, leeftijd, adres, telefoon, dichte familie, kleding, gezondheid, lichaamsdelen, uiterlijke kenmerken, huisdieren
  • dagelijks leven: huis, vrijetijdsbesteding, school, klas, de klasafspraken en -instructies, schoolmateriaal, verplaatsingen, boodschappen doen
  • relatie tot de anderen: zich voorstellen, iemand voorstellen, begroeten, bedanken, feliciteren, beleefdheidsrituelen, gevoelens uitdrukken
  • eten en drinken: wat men eet of drinkt, de maaltijden
  • tijd, ruimte, natuur:
    • jaar, seizoenen, maanden, dagen, uuraanduidingen, tijdsmarkeerders, feesten, dieren
  • het weer
  • functiewoorden: voorzetsels en voegwoorden
  • hoeveelheidsaanduidingen: hoofdtelwoorden en frequente rangtelwoorden
b) grammaticale constructies:
  • morfologisch domein
    • zelfstandige naamwoorden: genus, getal, overeenkomst
    • lidwoorden
    • bijvoeglijk gebruikte woordsoorten
      • bijvoeglijke naamwoorden
      • bezittelijke voornaamwoorden
      • aanwijzende voornaamwoorden
    • infinitieven
    • werkwoordsvormen en de tijdmarkeerders i.f.v. communicatie in de tegenwoordige tijd en de ďfutur procheĒ
    • zeer frequente vormen van de ďpassť composťĒ
  • syntactisch domein
    • eenvoudige bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
    • persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp
24 De leerlingen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruikssituaties om zo hun functionele en ondersteunende kennis uit te breiden.
De leerlingen werken aan de volgende attitudes:
25* tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans;
26* tonen bereidheid om te streven naar taalverzorging;
27* tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socioculturele wereld van de taalgebruikers.

naar boven

Laatst gewijzigd op: 14/10/2014