Zoeken


Secundair onderwijs - Tweede graad ASO - Geschiedenis - Uitgangspunten

1. Krachtlijnen

1.1 Geschiedenis als discipline

Geschiedenis is de dialoog tussen verleden, heden en toekomst. Inzicht hierin wordt bestempeld als 'historisch besef'. Daarom dient het verwerven van kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes met het oog op nieuwe situaties sterke beklemtoning. Daarom ook ligt bij geschiedenis de nadruk niet op het reproduceren van overgedragen kennis, maar op inzichtsverwerving en op het productief toepassen van die kennis en inzichten. Deze productieve toepassing wordt bestempeld als het betonen van een 'historische attitude'.

Leerlingen dienen zich daartoe vaardigheden eigen te maken waarmee ze uiteenlopende informatie kunnen oproepen, hanteren en interpreteren en toepassen. Daarbij worden ze verondersteld historische begrippen en probleemstellingen in een breed tijds- en ruimtelijk kader aan elkaar te kunnen relateren. In de eindtermen wordt dit omschreven als de integratie van de opbouw van een historisch referentiekader en de studie van afzonderlijke samenlevingen.

Volgende vragen stellen zich daarbij (zie ook schema):

  • Welke zijn de fundamentele dimensies van waaruit geschiedenis en historische informatie kunnen worden opgebouwd?
  • Via welke categorieŽn worden die fundamentele dimensies geconcretiseerd?
  • Welke begrippen karakteriseren deze dimensies?
  • Welke zijn de maatschappelijke domeinen van de historische werkelijkheid waarin die fundamentele dimensies en hun categorieŽn gerealiseerd worden?
  • Welke begrippen karakteriseren deze domeinen?

Om dergelijk schema te leren beheersen en zodoende inzicht te verwerven in gestructureerde historische informatie, dienen methodologische vragen te worden gesteld. Met name:

  • Hoe komen leerlingen tot het beheersen van het begrippenapparaat?
  • Hoe komen zij tot inzicht in verbanden en problemen?
  • Hoe komen zij tot integratie van de verschillende dimensies: over welke delen uit de historische werkelijkheid moeten zij kennis verwerven en door middel van welke vaardigheden?
  • Welke principes die het handelen in de historische discipline sturen, moeten zij beheersen?
  • Hoe komen de leerlingen tot aanwending van die principes?

Aansluitend bij de behoeften van de maatschappij moet men zich afvragen hoe het beheersen van dergelijk schema attitudeverwerving kan bevorderen die relevant is voor het maatschappelijk gedrag.

1.1.1 Specificiteit van de discipline

Geschiedenis heeft als algemeen studiedomein de diverse aspecten van de interpersoonlijke relaties (individu-individu, individu-groep, groep-groep, groep-samenleving, samenleving-samenleving). Dit resulteert in haar socialiteitsdimensie.

Geschiedenis beperkt zich evenwel niet tot de beschrijving van een statische werkelijkheid. Zij probeert inzicht te verschaffen in historische processen. Aldus kan de hedendaagse werkelijkheid verhelderd en begrepen worden. Eigen aan processen is de ontwikkeling van situaties in de tijd (principe van temporaliteit) waarbij brutaal of langzaam, diepgaande of oppervlakkige veranderingen plaatsgrijpen. De beschrijving van een proces geeft de relatie weer tussen de aanvangssituatie en de diverse fasen waarin zich veranderingen voltrekken. Van die veranderingen worden ťťn of meer oorzaken en een of meer uitwerkingen aangeduid (principe van causaliteit). Historisch besef stelt inzicht voorop in de principes van causaliteit en temporaliteit.

In de geschiedenis zijn veranderingen veelal toe te schrijven aan handelingen van individuen en groepen, ingegeven door bepaalde motieven. Vandaar het belang van het verwerven van inzicht in de mechanismen die daarbij tot stand komenen in de globale structuur van de maatschappelijke domeinen waarin deze processen plaatsgrijpen. Daartoe moet men het verleden op een adequate wijze bevragen, wat de toepassing van de principes van onderzoek en historische kritiek vereist, met aandacht voor de gebondenheid aan tijd en plaats van zowel de gegevens als de interpretatie van die gegevens.

Het specifiek studiedomein van de geschiedenis is de mens en de samenleving, vanuit en in het verleden. De specificiteit van dit studiedomein wordt gegenereerd door de dimensie socialiteit te relateren aan de dimensie tijd en de dimensie historische ruimte, rekening houdend met de implicaties van hun interactie, zoals hierboven gesteld.

1.1.2 Historische dimensies en categorieŽn

De dimensie socialiteit omvat het geheel van mogelijke vormen van sociaal-zijn. Zij wordt opgebouwd vanuit openbare en private sociale relaties en gerealiseerd in maatschappelijke domeinen. Naargelang van de sfeer waarin deze relaties worden aangegaan (levensonderhoud, inwerking op de omgeving, cultuur, groepsverhoudingen ) worden een aantal specifieke begrippen gegenereerd. Besef van het sociaal-zijn stelt de verwerving voorop van die begrippen en inzicht in de spanningsvelden en problemen die de gevoelens, gedachten, motieven en handelingen bij de verschillende vormen van sociaal-zijn oproepen.

De verschillende maatschappelijke domeinen waarin de dimensie socialiteit kunnen worden gesitueerd, zijn o.a.:

  • het sociaal-economische,
  • het demografische,
  • het politieke,
  • het juridische,
  • het militaire,
  • het sociaal-culturele,
  • het levensbeschouwelijke,
  • het ecologische,
  • het technologische,
  • ...

De dimensie tijd wordt opgebouwd via een aantal categorieŽn waaronder:

  • opvolging in de tijd (eerder-later; ten opzichte van een referentiepunt): ongelijktijdigheid, diachronie;
  • duur (van ... tot): kort, middellang, lang;
  • tempo: relatieve snelheid waarmee gebeurtenissen elkaar opvolgen;
  • ritme; periodiciteit in het terugkeren van een verschijnsel of een vaste reeks verschijnselen;
  • gelijktijdigheid: synchronie.

Om tijdsbesef te laten verwerven volstaat het niet te laten memoriseren wanneer iets gebeurt. Het is nodig dat de leerlingen inzicht verwerven in de verschillende categorieŽn die samen de tijdsdimensie uitmaken. Deze vaststelling leidt tot de formulering van een aantal eindtermen inzake de dimensie tijd.

De dimensie historische ruimte kan worden omschreven als de plaatsbepaling van historische gegevens. Onder de categorieŽn van deze dimensie kunnen worden vermeld:

  • lokalisatie,
  • schaal (lokaal, regionaal, nationaal, Europees, mundiaal),
  • afstand (dichtbij, veraf),
  • stedelijk - ruraal,
  • gesloten ruimten (met eigen culturele ontwikkelingen) - open ruimten (met veel contacten en wisselwerkingen),
  • centrum en periferie,
  • continentaal en maritiem.

Historisch ruimtelijk besef houdt veel meer in dan het lokaliseren van historische gegevens op de kaart. Daarom werden ook voor de verwerving van de categorieŽn van de dimensie historische ruimte eindtermen geformuleerd.

De dimensie socialiteit kan worden ingevuld via de categorieŽn:

  • maatschappelijke gebeurtenissen,
  • relaties en sociale netwerken,
  • mechanismen,
  • processen,
  • structuren,
  • systemen.

Om socialiteitsbesef tot stand te brengen volstaat het dus zeker niet gebeurtenissen te laten memoriseren.

Voor elk van deze categorieŽn geldt, zoals gezegd, dat ze doorheen de tijd aan verandering onderhevig zijn. Wanneer men de dimensies socialiteit, historische ruimte en tijd in relatie tot elkaar brengt, duiken de noties op van continuÔteit en discontinuÔteit, van verandering en status quo op basis van overeenkomsten en verschillen. Deze noties zijn essentieel voor het verwerven van historisch besef en de historische attitude. Vandaar ook hun aanwezigheid in de eindtermen.

Vermits in geschiedenis het verwerven van inzicht in verbanden voorop staat, is het procedureel belangrijk de studie van de maatschappelijke domeinen te benaderen via het associŽren en assimileren van begrippen en netwerken van begrippen.

Een representatiemodel van deze historische dimensies en categorieŽn kan er als volgt uitzien.

D I M E N S I E S

TIJD

RUIMTE

SOCIALITEIT

C A T E G O R I E E N

loka-
li-
satie

tijds-
op-
vol-
ging

duur

gelijk-
tijdig-
heid

onge-
lijk-
tijdig-
heid

rit-
me


tem-
po

lokali-
satie

schaal

af-
stand

o-
pen


ge-
slo-
ten

stede-
lijk


ru-
raal

cen-
trum


peri-
ferie

conti-
nen-
taal

mari-
tiem

maat-
schap-
pe-
lijke
 ge-
beur-
tenis-
sen

rela-
ties


net-
wer-
ken

me-
cha-
nis-
men

pro-
ces-
sen

struc-
tu-
ren

sys-
te-
men

 

R E L A T I E S

verhouding mens en levensonderhoud

individu en groep / groepsverhoudingen

verhouding mens - cultuur

verhouding mens en omgeving

 

M A A T S C H A P P E L I J K E    W E R K E L I J K H E I D: D O M E I N E N

sociaal-economisch

demografisch

politiek

juridisch

militair

sociaal-cultureel

levensbeschouwelijk

ecologisch

1.1.3 Methodologische onderbouwing voor het vak geschiedenis

Het doel van het SO is ook de leerlingen vaardig te laten worden in het aanwenden van de vakspecifieke methodes. De onderzoeksmethode van de geschiedenis als discipline verwijst naar de manier waarop men tot kennis komt. Daarnaast is er de methodologie om de kennis voor te stellen. Wegens het specifiek studiedomein, met name het verleden en zijn relatie tot het heden, is kritische bronnenstudie fundamenteel. Dit gebeurt via opsporing, ordening en selectie, analyse, verbinding (vergelijking) en evaluatie van gevarieerd materiaal. Daarbij worden onderzoekshypothesen geformuleerd, interpretaties van anderen geŽvalueerd en een eigen verklaring met argumenten gestaafd.

Leerlingen uit het secundair onderwijs worden daarom liefst zo snel mogelijk vertrouwd gemaakt met de principes van deze onderzoeksmethode. Voor de ontwikkeling van hun historisch besef en hun vermogen een historische attitude aan de dag te leggen, is het immers nodig dat ze een aantal vaardigheden en bijzondere attitudes inzake de verwerving, verwerking en voorstelling van de informatie progressief opbouwen.

Het gaat hierbij dus zowel om vaardigheden die gericht zijn op het zoeken naar de historische werkelijkheid als om vaardigheden die gericht zijn op de presentatie ervan. Tot die vaardigheden behoren chronologisch en historisch-ruimtelijk situeren, historische informatie interpreteren, deze informatie evalueren en toepassenen het presenteren van de informatie in een samenhangend beeld. De leerlingen verwerven hierbij ook het inzicht dat dit beeld de voorstelling is van een onderstelde werkelijkheid.

Bevragen, beschrijven, verklaren, relateren, confronteren en toepassen zijn belangrijke denkactiviteiten die in vrijwel alle wetenschappen en vakken terug te vinden zijn, maar alleszins centraal staan in geschiedenis. Concreet betekent dit dat leerlingen termen kunnen definiren, in begrippen kunnen classificeren, oorzaak-gevolg- en middel-doel-relaties kunnen onderkennen, een evolutie in korte- en lange-termijnperspectief kunnen uittekenen. Ze kunnen ten slotte ook een methode schetsen en toepassen om een historisch probleem te benaderen.

1.2 Vormende waarde van het vak geschiedenis

Tot nog toe werd het belang van geschiedenis uitgetekend vanuit het belang van inzicht in en aanwending van haar dimensies en categorieŽn en vanuit haar methodologische betekenis. Wat daarbij verder moet worden verduidelijkt is de wijze waarop het vak, naar het onderwijs vertaald, ten dienste staat van de leerlingen als leden van de maatschappij. Dat geschiedenis voor hen vanuit dit oogpunt een onontbeerlijke functie vervult, kan worden aangetoond aan de hand van vier fundamentele bijdragen.

1.2.1 Ontwikkeling van historisch besef en de historische attitude

De ontwikkeling van historisch besef en het tot stand brengen van een historische attitude houden in dat de leerlingen zich ervan bewust zijn dat de historische en hedendaagse werkelijkheid grotendeels het gevolg zijn van processen van verandering en evolutie in verschillende maatschappelijke domeinen. Hiervoor is het noodzakelijk dat de leerlingen leren denken over de verscheidenheid aan relaties tussen individu en samenleving (socialiteitsdimensie), met gebruik van de dimensies tijd en ruimte.

Geschiedenisonderwijs wordt functioneel wanneer de leerlingen erin slagen het verleden in relatie te brengen met het heden en de toekomst. Het is de studie van de generaties die aan hen vooraf gegaan zijn en van de spanningsvelden waarin deze leefden. Hierdoor leren de leerlingen inzien welke oplossingen werden geformuleerd, welke middelen daarbij werden gebruikt, waartoe die hebben geleid, welke verwezenlijkingen er reeds bereikt zijn en wat er nog moet worden gedaan. Geschiedenis werkt dus aan het leggen van relaties tussen verleden en heden en aan het openen van denkrichtingen naar de toekomst.

Besef van veranderlijkheid en veranderbaarheid zijn daarbij fundamentele gegevens die bijdragen tot de ontwikkeling van het relativeringsvermogen van de leerlingen.

1.2.2 Culturele vorming

Ontwikkeling van historisch besef en de historische attitude impliceert het tot stand brengen van een culturele vorming in de breedste betekenis van het woord. Het leren inzien van de bepalende rol van een culturele erfenis voor zelfbegrip leidt tot de vraag naar de wijze waarop mensen uit Europese en niet-Europese samenlevingen hun werkelijkheid ervaarden en er vanuit hun perceptie van die werkelijkheid verder vorm aan gaven. Dit creatieve proces dat blijkt uit de ontwikkeling van verschillende wereldbeelden verhoogt de innerlijke cohesie van de aspecten van de socialiteit. De studie van wereldbeelden vereist zo een benadering van de historische realiteit dat het geÔntegreerd denken dat er wordt aangeleerd, kan uitmonden in een vakoverschrijdend beleven van de historische dimensie van de werkelijkheid.

1.2.3 Identiteitsvorming

De historische vorming levert een essentiŽle bijdrage tot de vorming van persoonlijke en sociale identiteiten. Leerlingen hebben immers historisch besef nodig om zich te situeren in de historische evolutie en om zich een opinie te kunnen vormen omtrent de toekomst: waar komen we vandaan, wie zijn we, waar gaan we naartoe, zijn fundamentele vragen die door het geschiedenisonderwijs kunnen worden verhelderd. Dit onderwijs moet leerlingen bij deze persoonlijke en maatschappelijke zoektocht ondersteunen zodat de studie van de geschiedenis leerlingen de gelegenheid biedt om eigen en andere identiteiten te ontdekken en te begrijpen. Dit wil zeggen: een vorming die leerlingen toelaat de geÔntegreerde samenhang van menselijke activiteiten in een bepaalde samenleving te vatten. Dit houdt ook in dat de eigen cultuur wordt gerelateerd aan andere culturen.

1.2.4 Vorming tot sociale weerbaarheid

Geschiedenis zoekt ook naar verklaringen voor machtsstructuren en andere maatschappelijke spanningsvelden. De historische vorming leidt tot bewustwording van deze gevaren en legt op die manier een grondslag voor de opbouw van sociale weerbaarheid. Ze geeft immers inzicht in continuÔteit en verandering van de historische en actuele werkelijkheid. Dat sluit expliciete aandacht in voor verhoudingen en verschuivingen in de huidige samenleving.

Weerbaarheid is geÔnformeerd zijn. Geschiedenisonderwijs vervult daarin een belangrijke functie: ze leert de draagwijdte van termen inschatten, informatiestromen structureren en interpreterenen een persoonlijk standpunt formuleren.

Historische vorming is noodzakelijk omdat de geschiedenis vaak ook misbruikt wordt. Door informatie kritisch te benaderen, leren jongeren immers relativeren, demystifiŽren, afstand nemen van valse voorstellingen en vooroordelen, zodat ze een geargumenteerd standpunt kunnen innemen.

2. Funderende doelstellingen

De funderende doelstellingen concretiseren de elementen van de vakvisie en worden verder geoperationaliseerd in de eindtermen.

Ze gaan uit van de dimensies tijd, historische ruimte en socialiteit, zoals ze in een reeks maatschappelijke domeinen aan bod komen en van hun onderlinge relaties.

  1. Vakspecifieke termen, begrippen en concepten, nodig om zich van het eigen verleden en dat van anderen een beeld te vormen, kennen en kunnen gebruiken.
  2. Weten dat uitspraken over het verleden gebaseerd zijn op een diversiteit van bronnen. Bronnen kritisch kunnen analyseren.
  3. Inzicht hebben in de verschillende categorieŽn van de historische dimensies tijd, ruimte en socialiteit. Er nieuwe informatie kunnen in verwerken.
  4. Beseffen dat verandering en veranderlijkheid het resultaat zijn van de creatieve kracht die elke samenleving vanuit haar verwerking van de traditie aanwendt, bij het formuleren van divergerende oplossingen voor problemen.
  5. Begrijpen dat historische problemen multicausaal zijn en het resultaat van een groeiproces. Aandacht hebben voor processen waarbij men door vergelijking overeenkomsten en verschillen kan onderkennen.
  6. Zich realiseren dat historische problemen binnen een samenleving pluridimensioneel zijn en een internationaal karakter vertonen.
  7. Inzien dat maatschappelijke problemen verankerd zijn in een structuur, systeem of mentaliteit. Door vergelijking overeenkomsten en verschillen in structuren, systemen en mentaliteiten kunnen onderkennen.
  8. Belangstelling opbrengen voor het verleden.
  9. Een open geesteshouding hebben, nodig om zichzelf, de eigen tijd, de eigen mentaliteit en de kennis van het verleden te relativeren. Zin voor het toevallige en het gewilde in de geschiedenis ontwikkelen.
  10. Bereid zijn zich te situeren ten opzichte van het verleden en van daaruit eerbied opbrengen voor het culturele erfgoed van de mensheid.
  11. Openstaan voor de persoonlijkheid van 'de andere'. Alle ideeŽn in vraag kunnen stellen en het eigen standpunt kunnen verdedigen met argumenten.
  12. Verantwoordelijkheid leren opnemen in de huidige maatschappij en naar de toekomst toe, op grond van de beginselen van de burgerlijke, politieke, sociale, economische en culturele rechten van de mens.

3. Selectiecriteria en structurering van de eindtermen

Zoals voor de eerste graad zijn de eindtermen geschiedenis geconstrueerd rond onderstaande componenten.

  • De opbouw van een historisch referentiekader bestaande uit de dimensies tijd, historische ruimte en socialiteit. Het referentiekader omvat een begrippenkader en een kader van maatschappelijke probleemstellingen die het niveau van de afzonderlijke samenlevingen overstijgen.
  • De grondige studie van verschillende ontwikkelingsfasen uit de samenleving tot ca. 1800 waarbij de verschillende categorieŽn van de dimensies tijd en historische ruimte en een begrippenkader over socialiteit aan bod komen. Hierdoor moet inzicht verworven worden in de samenhang en wisselwerking tussen maatschappelijke domeinen, in evoluties binnen deze samenleving en de rol daarbij van individuen en groepen.
  • De integratie tussen het historisch referentiekader en de bestudeerde samenleving. De bedoeling hiervan is dat:
    • de bestudeerde ontwikkelingsfasen worden gesitueerd in een tijdskader en in een ruimtelijk kader met aandacht voor verandering;
    • algemene historische begrippen worden gepreciseerd en verruimd;
    • inzicht wordt verworven in de band tussen algemene problematieken in het referentiekader en de meer specifieke problematieken uit de bestudeerde samenlevingsfasen, in gelijkenissen en verschillen tussen samenlevingsfasenen in de eigenheid van deze samenlevingsfasen en hun relatie met het heden;
    • een eerder diachronische benadering bij het historisch referentiekader wordt gecombineerd met een meer synchronische bij de bestudeerde samenlevingsfasen.

4. CoŲrdinatie

4.1 Verticale samenhang

In het lager onderwijs kwamen de leerlingen tijdens de lessen 'wereldoriŽntatie' in contact met bepaalde aspecten van de geschiedenis. Ze hebben leren omgaan met tijd, historische ruimte en veranderlijkheid. Ze hebben kennis gemaakt met zowel cyclische als lineaire tijd. Ze hebben de historische tijd leren structureren door hem in te delen in drie samenlevingsvormen (nomadisch, agrarisch en industrieel) en in vier tijdperken. Het beperkt cognitief schema in verband met het verleden, dat verworven werd in het lager onderwijs, wordt in de eerste graad verder uitgebouwd en verfijnd. In de tweede en derde graad zal dit cognitief schema verder uitgediept, verruimd en gepreciseerd worden.

Het geschiedenisonderwijs is een geschikte leeractiviteit om leerlingen tot een zinvolle en actieve beleving van de sociale dimensie van de mens te brengen. Het vormingsproces dat leidt tot de integratie van deze fundamentele dimensie draagt bij tot zelfbezinning, bezinning over de maatschappij en het bewust bepalen van een eigen houding. Ook inzake deze dimensie werden in het lager onderwijs reeds categorieŽn (sociaal-economisch, sociaal-cultureel, politiek-juridisch) aangebracht. In de eerste graad secundair onderwijs worden deze categorieŽn sterker genuanceerd en ingevuld. Hierop verder bouwend zullen de eindtermen voor de tweede en derde graad de sociale dimensie verder vorm geven door een groeiend inzicht te verschaffen in historische en actuele spanningsvelden, relaties, netwerken, mechanismen, processen, structuren en systemen.

In het lager onderwijs hebben de leerlingen een aantal historische vaardigheden verworven, zoals het ontdekken van sporen uit het verleden, het observeren van bronnen, het plaatsen op een tijdlijn. In de eerste graad en in sterkere mate in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs bouwen de vaardigheden i.v.m. de methodologische ondersteuning progressief verder op deze vaardigheden. De ontwikkeling van kennis en vaardigheden geven aldus een lijn aan die van het lager onderwijs via de eerste graad naar de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs loopt.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is en die door de geschiedenis beÔnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert. (Lager onderwijs: wereldoriŽntatie, eindterm 5.8.)

    De leerlingen vergelijken de bestudeerde samenlevingen met elkaar en met probleemstellingen van de hedendaagse samenleving. (Eerste graad SO: geschiedenis, eindterm 16.)

    De leerlingen lichten uit de bestudeerde samenlevingen enkele elementen toe die in latere samenlevingen of vandaag invloed uitoefenen. (Tweede graad SO: geschiedenis, eindterm 13.)

    De leerlingen stellen vragen aan het verleden om actuele spanningsvelden te verhelderen. (Derde graad SO: geschiedenis, eindterm 13.)

  2. De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen. (Lager onderwijs: wereldoriŽntatie, eindterm 7.)

    De leerlingen kunnen informatie opzoeken over het verleden en het heden op basis van concrete opdrachten, zoals raadplegen van inhoudstafels van handboeken, gebruiken van een geschiedenisatlas, opzoeken van trefwoorden in referentiewerken, gebruiken van interactieve media, gebruiken van databanken. (Eerste graad SO: geschiedenis, eindterm 17.)

    De leerlingen kunnen doelgericht informatie opzoeken over het verleden en het heden op basis van duidelijk afgebakende opdrachten met gevarieerd en gedifferentieerd leermateriaal. (Tweede graad SO: geschiedenis, eindterm 14.)

    De leerlingen kunnen hun selectie van informatie kritisch verantwoorden. (Derde graad SO: geschiedenis, eindterm 15.)

4.2 Horizontale samenhang

4.2.1 Interdisciplinaire benadering

Vermits de leerlingen betrokken zijn bij complexe actuele maatschappelijke vraagstukken is het onontbeerlijk dat ze van deze verschijnselen en problemen een bruikbaar, geÔntegreerd beeld ontwikkelen. Geschiedenis houdt zich naast andere vakken bezig met mens en maatschappij, meer in het bijzonder vanuit de dimensie tijd. Omdat eenzelfde werkelijkheidsdomein vanuit verschillende vakeigen perspectieven belicht wordt, is er voor de tweede graad coŲrdinatie mogelijk met andere vakken.

Voorbeeld

De leerlingen formuleren per ontwikkelingsfase van de westerse samenleving een samenhangende beeld, met aandacht voor verbanden tussen en wisselwerkingen binnen maatschappelijke domeinen. (Tweede graad SO: geschiedenis: eindterm 6.)

De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen levenswijze, cultuur en leefmilieu. (Tweede graad SO: aardrijkskunde, eindterm 12.)

4.2.2 Vakoverschrijdende benadering

De erkenning en de bescherming van de rechten van de mens is ťťn van de hoekstenen van de democratie. De bestuursapparaten, besluitvormingsprocessen en controlemechanismen moeten daarom in de vorming van jongeren ruim aan bod komen.

Uit de studie van de interpersoonlijke en interstatelijke betrekkingen in het verleden en het heden blijkt de noodzaak tot het vestigen en het bestendigen van een rechtvaardige vrede, een internationale verstandhouding en een mundiale samenwerking. Een initiatie in de activiteiten van supranationale organisaties en de problemen waarmee ze geconfronteerd worden, moet een onderdeel zijn van de vorming van de jongeren.

Geschiedenis leert hoe andere mensen voelden, dachten en handelden, hoe andere samenlevingen zich organiseerden en hoe de verhouding er was tussen het individu en de gemeenschap. Zo brengt geschiedenis een open geesteshouding bijen maakt ze de leerlingen gevoelig voor genuanceerde en pluridimensionele benaderingen.

Voorbeeld

De leerlingen brengen waardering op voor de manier waarop individuen en emancipatiebewegingen strijd voer(d)en tegen machtsstructuren en gevestigde orden voor de realisatie van de rechten van de mens. (Tweede graad SO: geschiedenis, eindterm 30.)

De leerlingen hebben belangstelling en respect voor mensenrechten en zijn bereid zich actief en opbouwend in te zetten voor hun eigen rechten en die van anderen. (Tweede graad SO: opvoeden tot burgerzin, eindterm 7.)

 

naar boven

Laatst gewijzigd op: 05/12/2014