Identiteit in tijden van eenzaamheid: alles megatop!
Paul Verhaeghe
Over de koppeling tussen onderwijs en identiteit enerzijds en onderwijs
en cultuur anderzijds bestaat er vandaag de dag in toenemende mate een
bepaalde consensus, ook bij de beleidsvoerders. Zoiets is alles behalve
vrijblijvend en heeft heel duidelijke effecten op wat er in ons onderwijs
gebeurt. Vandaar dat ik van wal steek met een explicitering van die
opvattingen, ook al omdat ze te vaak impliciet gehanteerd worden.
Eerst en vooral over het verband tussen onderwijs en identiteit. De
stilzwijgende aanname is dat onderwijs niets te maken heeft met
identiteitsontwikkeling bij jongeren, laat staan met identiteitsproblemen.
Dat is iets voor thuis, voor de ouders, dat die hun verantwoordelijkheid
daarvoor opnemen en dit niet doorschuiven naar de school, zo luidt de
boodschap. De koppeling tussen onderwijs en cultuur wordt meestal in het
kielzog daarvan verzopen. Cultuur, dat is hoogstens een bijvak waar men best
niet al teveel rekening mee houdt bij de inroostering, laat staan bij de
deliberaties, hoogstens iets om de humane wetenschappen de illusie te geven
dat ze ook nog meetellen.
Deze beide meningen gaan terug op eenzelfde onderliggende gedachte: de
kerntaak van modern onderwijs heeft niets te maken met de Humboldthiaanse
Bildung, vorming van weleer, maar alles met het aanleren van vaardigheden
waarmee we onze jongeren klaarstomen voor het competitieve beroepsleven
binnen onze steeds sneller vooruithollende kenniseconomie. Het woordje
‘kennis’ is daarbij zeer relatief – wie maalt er nu nog om kennis – het gaat
toch vooral over de ‘competences’, de vaardigheden die immer flexibel
toegepast moeten kunnen worden. Voor cultuur is er al helemaal geen plaats
meer, dat brengt toch niks op.
Mijn stellingen staan daar lijnrecht
tegenover. Identiteitsontwikkeling gebeurt voor een flink stuk op school en
de leerkrachten spelen daarin een doorslaggevende rol. Cultuur in de ruime
betekenis van het woord is daarbij dé bepalende factor, waarbij onderwijs
slechts een onderdeel is van die cultuur en nooit omgekeerd, cultuur als een
klein vakje in het ruimere gamma van onderwijs. Als wij vandaag de dag vanaf
de kleuterklas tot en met de universiteit, de boodschap doorgeven dat enkel
vaardigheden van belang zijn, dat het aanwenden daarvan binnen een
maatschappelijke competitie gebeurt met winnaars en verliezers, en dat je
winnen of verliezen uitsluitend aan jezelf te danken hebt, dan is dit zonder
de minste twijfel een identiteitsbepalende boodschap. Dit zijn stuk voor
stuk kerninhouden van het nieuwe Verhaal, met hoofdletter, waarmee onze
jeugd vandaag volwassen moet zien te worden.
Die stellingen wil ik in de rest van mijn betoog uitwerken. Achtereenvolgens
bespreek ik vier verschillende thema’s. Ten eerste, wat is identiteit, in de
betekenis van psychologische identiteit? Ten tweede, welke rol speelt de
Ander daarbij en wie of wat is die Ander eigenlijk? Ten derde, wat zijn de
huidige problemen op dat vlak van die identiteitsontwikkeling en de rol van
de Ander? Last but not least, wat is daarin de plaats van het onderwijs? De
algemene leidraad van mijn betoog wil ik ook vanaf het begin meegeven. De
vraag is niet of onderwijs een effect heeft op de identiteitsontwikkeling –
dat is simpelweg een feit. De vraag is of we dit bewust doen of niet, en in
welke richting we die ontwikkeling willen sturen.
Wat is
identiteit, in de psychologische betekenis van het woord? Meestal begrijpen
we daaronder ons ik of onze persoonlijkheid, wie wij zijn, met bovendien een
flink stuk dat verborgen blijft voor de buitenwereld. Vandaar ook
uitdrukkingen zoals ‘het ware zelf’ of ‘authentieke ik’ versus ‘het valse
zelf’. Dit schept het beeld van een zowel unieke als intieme kern die we
alleen blootgeven aan wie dicht bij ons staat. Veel mensen zullen het met
deze romantische opvatting min of meer eens zijn, maar ik moet jullie
teleurstellen. Onze psychologische identiteit komt volledig, maar dan ook
volledig van de Ander. Het wetenschappelijk bewijs daarvoor is zeer
eenvoudig: adoptie. Neem een baby vanaf de geboorte weg van bij zijn ouders,
weg vanuit zijn cultuur, laat het opgroeien in een andere culturele
omgeving, met andere ouders, en het krijgt een volledig andere identiteit.
Een Indiase baby die opgroeit bij West-Vlaamse ouders zal een West-Vlaamse
identiteit ontwikkelen. Was dezelfde baby geadopteerd door Britse ouders,
dan zou hij of zij een Britse identiteit aangemeten gekregen hebben. Wanneer
die baby als volwassene zijn zogezegd oorspronkelijke roots probeert terug
te vinden, dan is dat steevast een illusie: die zijn er simpelweg niet, en
in zijn geboorteland is hij evenzeer een vreemde als een andere West-Vlaming
of Brit dat is.
De vraag is dan hoe die identiteit tot stand komt en wat er nodig is om die
op een normale manier uit te bouwen. Dit is een centraal hoofdstuk uit de
ontwikkelingspsychologie waarop ik hier slechts kort kan ingaan. Vanaf onze
babytijd krijgen wij quasi constant boodschappen te horen die ons vertellen
wat we voelen, waarom we dat voelen, hoe we daarmee wel of niet moeten
omgaan. We horen dat we braaf zijn of stout, mooi of lelijk, even koppig als
onze grootmoeder, enzovoort. Tezelfdertijd horen we boodschappen die ons
vertellen hoe we met ons lichaam en met dat van een ander moeten omgaan: zit
nu toch eens stil, ga nu toch eens buiten spelen, laat je broertje met rust,
nee je mag geen piercing zetten, en nu al seks is veel te vroeg, enzovoort.
Dit allemaal samen leidt tot een definiëring van wie we zijn, wie we zouden
moeten zijn en wie we niet mogen zijn. In de klassieke terminologie: het
ego, het ideaal ego en het superego.
In die ontwikkeling zijn er twee tegengestelde processen aan het werk, met
name identificatie versus separatie. In het eerste geval nemen wij de
boodschappen van de ander over, zowel positieve als negatieve, zodat die
deel gaan uitmaken van onze identiteit – dit is letterlijk het identiek
worden aan, het samenvallen met wat er van de ander komt. Identiteit en
identificatie hebben dezelfde woordstam, en dat zegt al genoeg.
Daartegenover staat de separatie, het afstand nemen of zelfs het ronduit
weigeren van die boodschappen, vaak genoeg in een context van verzet. Een
dergelijke afscheiding is even belangrijk voor onze identiteit, omdat we op
die manier iemand worden door ons af te zetten tegen iets wat opgedrongen
wordt en een keuze te maken voor een andere invulling. De wisselwerking
tussen die twee processen bepaalt dan de uitbouw van wie we zijn.
De
belangrijkste conclusie is dus de volgende: wij bouwen onze identiteit uit
via de woorden, ruimer, via de verhalen die de ander ons aanreikt. In die
uitbouw worden er nog twee belangrijke zaken mee geconstrueerd. Meer
bepaald: onze basisverhouding tegenover de ander en onmiddellijk daarbij
aansluitend: ons normen en waardensysteem. Als we bijvoorbeeld voortdurend
te horen krijgen dat seks vies is en dat vrouwen en vreemdelingen
minderwaardige wezens zijn, dan zullen we ons daar ook naar gedragen.
Wij ontwikkelen onze identiteit ten volle via de spiegel die de ander ons
voorhoudt. Dat gebeurt natuurlijk niet zomaar, een dergelijke verhouding is
enkel werkzaam als wij van de ander een erkenning krijgen, als de ander ons
letterlijk en figuurlijk ziet staan. Het is geen toeval dat Hegel de basis
van ons zelfbewustzijn in de blik van de ander legt. Het woord “respect” is
daarbij zeer belangrijk: het betekent letterlijk telkens opnieuw zien en
gezien worden, re - spicere. Een kind dat niet gezien wordt, dat alleen maar
onverschilligheid ervaart, dat wordt een bodemloos kind, omdat er geen
fundament is waarop het iets kan bouwen. Als het wèl gezien wordt binnen een
zogenaamd dragende verhouding, dan pas kan het een identiteit ontwikkelen.
Anders gezegd: wij nemen niet zomaar woorden en beelden over, wij nemen
enkel iets over op grond van een bepaalde relatie die uiteindelijk neerkomt
op een liefdesverhouding. Freud verwijst naar het verbindende effect
daarvan: wij willen samenvallen met wie we liefhebben (‘Ik zou je kunnen
opeten!’). In het omgekeerde geval zullen we niet alleen weigeren iets over
te nemen, we zullen het zelfs actief afwijzen (‘Ik kots van jou!’). Later
zal Lacan daar nog een substantieel gegeven aan toevoegen: dat de ouder
bovendien een positie van autoriteit moet kunnen innemen,
In mijn
ervaring is het die combinatie tussen autoriteit en liefde die de
werkzaamheid van een dragende verhouding en dus van de identiteitsuitbouw
bepaalt. Als je even nadenkt, dan is het niet zo moeilijk om hetzelfde te
zien in elke onderwijssituatie. De mate waarin een jongere leert, hangt niet
af van de aantrekkelijkheid van de leerstof, noch van de handigheid met
powerpoint van de leerkracht. Wel van de mate waarin die leerkracht
autoriteit weet te combineren met passie en wederzijds respect. Als die er
zijn, dan wordt het aangebodene spelenderwijs overgenomen. Als die
ontbreken, dan leert men niets.
Als besluit voor mijn eerste punt – wat
is identiteit? – kan ik dus stellen dat wij geen aangeboren identiteit
hebben, dat wij iemand worden in een voortdurende interactie met de anderen,
waarbij we bepaalde dingen overnemen en andere afwijzen. Als resultaat
ontwikkelen we een identiteit die uit meerdere lagen bestaat en die
bovendien nooit af is. In deze redenering zit er een zeer belangrijk
gegeven: de inhoud van wat er doorgegeven wordt, staat nauwelijks vast. Het
enige wat we op voorhand over die inhoud kunnen zeggen is dat het steeds
betekenissen zijn die als het ware over ons lichaam gedrapeerd worden, zodat
dit lichaam een persoon wordt die een bepaalde verhouding aanleert tegenover
andere personen.
Dit brengt mij bij mijn tweede vraag: de inhoud van
onze identiteit en dan vooral de rol van de Ander daarbij. In eerste
instantie is dat natuurlijk de moeder, ruimer onze ouders, als eerste
sprekende en corrigerende spiegel. De identiteit van een pasgeborene ligt
besloten in de fantasieën en angsten van de moeder, die op grond daarvan
voortdurend identiteitsbepalende boodschappen geeft, zelfs reeds voor de
geboorte. Vergelijk even de twee volgende reacties: een vrouw die zeven
maand zwanger is en haar nog niet geboren baby vaak voelt schoppen, kan
reageren met “’Het is nogal een fel kind, er zit temperament in, helemaal
mijn grootvader, die zal het ver brengen!”. Ze kan ook reageren met “’Het is
nu al een ambetante ADHD-er, hij laat mij nooit met rust, wat zal dat straks
zijn”. Eens de baby geboren, zal zijn gedrag zonder twijfel in dezelfde
richting benoemd worden, en meteen zijn identiteit en zelfwaardegevoel gaan
bepalen.
Dergelijke boodschappen komen natuurlijk niet uit de lucht vallen. De
verwachtingen die ouders koesteren over hun kinderen halen zijzelf ook uit
een bepaalde spiegel, meer bepaald de spiegel van hun familie, ruimer, van
de cultuur waarin zij leven. In eerste instantie betreft dat het familiale
verhaal, dat heel dikwijls mythische proporties aanneemt. Het merendeel van
ons groeit op met verhalen over bepaalde grootouders of zelfs
overgrootouders, hun successen en mislukkingen, met vaak daaraan gekoppelde
familiegeheimen waarover alleen maar gefluisterd mag worden. Op die manier
leren we niet alleen onze oorsprong kennen, maar krijgen we ook de
verwachtingen en zelfs de opdrachten te horen voor onze toekomst en worden
we een plaats aangemeten in de lijn van de generaties wiens verhaal we later
aan onze eigen kinderen zullen doorgeven.
Een dergelijk familiaal verhaal is inhoudelijk volledig ingebed in een
ruimer cultureel verhaal dat zowel letterlijk als figuurlijk, inhoudelijk en
vormelijk, onze identiteit nog verder gaat bepalen. Dit kunnen we het best
begrijpen als we de bepalende elementen van de huidige cultuur vergelijken
met deze van pakweg twee generaties terug. Eén voorbeeldje: in die
tijd was een sportief iemand een man (zelden een vrouw) die naar de koers of
de voetbal ging kijken, pint in de hand en sigaar in de mond. Vandaag gaan
we allemaal naar de fitness, moeten mannen er als eeuwige adolescenten
uitzien en vrouwen als een plank met borsten. Dit uiterlijk én de
bijbehorende innerlijke ervaring én de omgangsvormen worden ten volle
gedetermineerd door de boodschappen die we te horen krijgen.
Al die verhalen en beelden vanuit onze familie, de sociale klasse waartoe we
behoren, de cultuur waarvan we deel uitmaken, die vormen de grote Ander, als
verzamelnaam voor het narratief geheel dat door een ruimere groep gedeeld
wordt met als resultaat een min of meer gemeenschappelijke identiteit. Het
is precies dat narratief geheel dat aan ieder van ons antwoorden geeft op de
belangrijke vragen. Wat is een ‘echte’ man, een ‘echte’ vrouw? Wat is
de juiste verhouding tussen die twee? Wat is de plaats en het belang van
carrière en ouderschap, en is dat verschillend voor mannen en vrouwen? Hoe
moet je je verhouden tegenover autoriteit? Hoe ga je om met lichamelijkheid,
met seks, met ziekte en dood? Dit zijn stuk voor stuk existentiële vragen
zonder definitieve antwoorden. Het feit dat er meerdere en vaak zeer
verschillende antwoorden denkbaar zijn, betekent meteen dat er verschillende
identiteiten mogelijk zijn. In Gent worden er andere antwoorden gegeven dan
in Mumbai. Maar ook in Gent zelf krijgen opgroeiende jongeren zeer
verschillende antwoorden, afhankelijk van de buurt en de sociale klasse
waarin ze opgroeien. Dit betekent meteen ook dat mensen tot op zekere hoogte
de mogelijkheid hebben om te kiezen voor andere identiteiten gebaseerd op
andere verhalen met andere antwoorden. En hoe rijker de cultuur, zowel in de
brede als in de enge betekenis van het woord cultuur, des te rijker de
keuzemogelijkheden voor die antwoorden en voor die identiteiten.
Daarmee kan ik een belangrijk besluit formuleren: identiteit ligt nooit
definitief vast en wordt heel sterk bepaald door de cultuur. Als deze
laatste verandert, dan zal ook de identiteit mee veranderen. Daarmee kom ik
tot mijn derde vraag: wat is er vandaag verkeerd aan het lopen op dit vlak?
De vorige eeuw werd door Ellen Key uitgeroepen tot de eeuw van het
kind. De huidige kunnen we nu al benoemen als die van het gevaarlijke, of
minstens het gestoorde kind. Zogenaamde dubbeldiagnoses swingen de pan uit:
ADHD, ODD, CD, ASS, en natuurlijk obesitas en anorexie. Als we dan naar de
volwassenen kijken, dan vinden we ook daar ernstige stijgingen op het vlak
van de zogenaamde persoonlijkheidsstoornissen, depressie en sociale angst.
En overal hoor je klagen over het verlies aan normen en waarden. Van zodra
je wat dieper op die problemen ingaat, kom je heel snel tot de vaststelling
dat dit stuk voor stuk identiteitsproblemen zijn. We weten nog nauwelijks
wie we zijn, waarvoor we staan en hoe we met ons lichaam moeten omgaan. Met
enige overdrijving kan ik zeggen dat we overal pubers van 25 en adolescenten
van 35 op het lijf lopen. De vraag is: hoe komt dit?
De makkelijke verklaring legt de schuld bij de al te losse zeden, als
erfenis van mei 68. In die redenering is de oplossing simpel: terug naar de
goeie ouwe tijd, die van de rijkswacht en de bisschop. Een minder makkelijke
verklaring legt de oorzaak bij het verdwijnen van de Grote Verhalen, met
name de religie en de ideologie. Er is niets waarin de moderne mens nog kan
geloven, er zijn geen ankerpunten meer voor de identiteit, dus is het niet
zo vreemd dat er zoveel problemen zijn. De daarbij aansluitende oplossing is
dan de constructie van een nieuw groot verhaal waarin we met zijn allen
kunnen geloven en waaruit we een identiteit kunnen putten. Probleem is dat
niemand goed weet hoe daaraan te beginnen.
Ik heb zelf ook een tijdlang geloof gehecht aan die laatste verklaring,
ondertussen weet ik dat dit niet klopt. Integendeel: er is al pakweg 25 jaar
een nieuw verhaal dat in toenemende mate onze identiteit en onze sociale
verhoudingen bepaalt, en deze zijn essentieel anders dan 25 jaar terug. Het
feit dat wij dit niet beseffen, is niet zo vreemd, dat komt omdat we er
midden in zitten. Bekeken van op afstand is het beter zichtbaar.
Niet zo lang geleden werd onze cultuur en dus onze identiteit bepaald door
een wisselwerking tussen vier vertogen: politiek, religieus-ideologisch,
economie en kunst. Vandaag zijn politiekers voer voor Geert Hoste, over
religie zwijgen we beter en iedereen is kunstenaar. Enkel de economie telt
nog en het neoliberale economische vertoog determineert alles. Het huidige
dwingende narratief luidt als volgt:
Mensen zijn competitieve wezens die
vooral uit zijn op hun eigen profijt. Als dit maatschappelijk gekaderd
wordt, dan is dat in het voordeel van ons allemaal, want iedereen zal in die
competitie zijn uiterste best doen om aan de top te geraken. Daardoor
krijgen we dan betere producten en een efficiëntere dienstverlening binnen
een ééngemaakte wereldmarkt. Bovendien hangt het slagen of mislukken van een
individu binnen die competitie volledig af van diens eigen inspanningen, en
is iedereen bijgevolg zelf verantwoordelijk voor het eigen succes of
mislukking. Vandaar dat onderwijs heel erg belangrijk is, want onze wereld
is een razendsnel evoluerende kenniseconomie die hoogopgeleide mensen met
flexibele competenties vraagt. Eén diploma hoger onderwijs is goed, twee is
beter en levenslang leren een must, iedereen moet blijven groeien. Immers,
de competitie is bikkelhard, vandaar ook de dwingende noodzaak aan
functioneringsgesprekken en constante evaluaties, dit alles geleid door de
onzichtbare hand vanuit een centraal management.
Dit is de korte
samenvatting van het grote verhaal dat vandaag onze cultuur beheerst en
bijgevolg onze identiteit vormt. Cultuur in de ruime betekenis, want dit
verhaal heeft ondertussen alle sectoren ingenomen, ook de wetenschap, ook de
zorgsector en ook het onderwijs. Dit betekent dat het niet alleen onze
identiteit determineert, maar ook onze verhouding tegenover de anderen en de
daarbij gehanteerde normen en waarden. Wat dat laatste betreft: het
neoliberale narratief produceert zijn eigen uitgangspunt, met name een
universeel egoïsme. Je moet er geraken, je moet beter zijn dan de ander die
sowieso een concurrent is. Niemand is te vertrouwen, iedereen is enkel op
eigen profijt uit. Snelheid en flexibiliteit zijn een must, en bovendien
moet je jezelf voortdurend promoten. En er is slechts één criterium voor
succes: carrière en geld. Vergeet kunst, tenzij als belegging, vergeet
literatuur, dat is tijdverlies.
De geschiedenis toont hoe elke maatschappij de afwijkingen krijgt die ze
verdient. De victoriaanse maatschappij produceerde seksueel gefrustreerde
burgers, met hysterie en dwangneurose als uitvergrotingen daarvan. De
neoliberale economie produceert ADHD-individuen die van de ene job én
partner naar de andere hoppen, met als afval een steeds groter wordende
groep mensen die zich mislukt voelen: depressies, burn outs, en bepaalde
persoonlijkheidsstoornissen. En die zijn inderdaad gestoord en vaak zelfs
gevaarlijk, want datzelfde neoliberale verhaal heeft de normen en waarden
van tafel geveegd en vervangen door de combinatie tussen de verplichting om
te consumeren en contracten.
Daarmee kom ik bij mijn vierde en
laatste vraag – wat is de rol van het onderwijs hierbij? In mijn inleiding
heb ik reeds gesteld dat onderwijs centraal staat in de
identiteitsontwikkeling. Naast het thuismilieu en de werkvloer is de school
één van de drie determinerende omgevingen voor onze identiteit, ook al
omwille van de gevoelige leeftijdsperiodes waarin mensen onderwijs volgen.
Daarbij is de leerkracht letterlijk en figuurlijk de spreekbuis van de
cultuur.
Bijgevolg wordt het dominante neoliberale verhaal vandaag op school ten
volle gedicteerd. Lees de beleidsnota’s, en je botst voordurend op buzz
words zoals onderwijsconsumenten, output financiering, performance funding,
accreditering, accountability, benchmarks, stakeholders, menselijk kapitaal,
enzovoort. En het is niet alleen de organisatie van ons onderwijs die
daarvan doorkankerd is, het betreft ook de ziel ervan, de inhoud. Vanaf de
kleuterklas worden er nu al motorische competenties geoefend. Ouders uit
mijn vriendenkring kregen van de kleuterjuf te horen dat de knipvaardigheden
van hun kleuter niet volgens de normen waren. De knipvaardigheden, dat ziet
er echt niet goed uit voor die kleine.
Immers: alle kinderen moeten vandaag hooggeschoold worden, anders zullen ze
‘het’ niet halen. Het laatste buzz word is ‘top’: topsport, topscholen,
topleerkrachten, topuniversiteiten, toponderzoek, als volwassen spiegelbeeld
van het jongerenwoordje ‘mega’. Bij dezes stel ik voor: megatop, kwestie van
de generaties te verzoenen. Alles megatop.
De onvermijdelijke keerzijde hiervan is een groeiende groep mensen die zich
mislukt voelen, meestal reeds vanaf de leeftijd van tien jaar – en die
daarmee hun verdere identiteit moeten uitbouwen. Sommigen komen in opstand,
maar het merendeel wordt sociaal angstig, autistiform, depressief, en altijd
hyperconsumerend. Ze moeten opgevangen worden door leerkrachten die zichzelf
vaak genoeg als mislukt beschouwen – ze zijn maar onderwijzer, typische
mislukkelingen binnen het diploma-watervalsysteem, tenzij je op een
topschool met topleerlingen werkt.
Nogal wat mensen zullen mijn kritiek aarzelend bevestigen, maar
tezelfdertijd zeggen dat er geen andere mogelijkheid is. Een kenniseconomie
heeft nu eenmaal competentiegericht onderwijs nodig als sleutel tot
economisch succes. Mijn antwoord daarop is even kort als duidelijk: dit is
ronduit larie. Eén: het opleidingsniveau is overal ernstig gedaald, iedereen
die langer dan twintig jaar in het onderwijs staat, weet dat. Twee: dit is
voor de huidige economie geen enkel probleem, want binnen alle hedendaagse
beroepen, van arts tot schrijnwerker, is er vandaag minder kennis dan
vroeger nodig en er is ongeveer overal sprake van een de-skilling. De
techniek en de computers hebben overgenomen en zelfs geneesheren moeten
braaf een opgelegd behandelingsprotocol uitvoeren. De functie van onderwijs
binnen een neoliberale maatschappij is niet het hoog opleiden van mensen,
wel het uitsorteren en kneden van mensen tot een bepaald profiel dat binnen
dit systeem de hoogste productiviteit waarborgt. Wat ze dan effectief op de
werkvloer moeten doen, dat worden ze op diezelfde vloer wel aangeleerd en
niet op school.
Bij wijze van besluit keer ik terug op het verband
tussen cultuur, onderwijs en identiteit. Cultuur in de betekenis van kunst
bevat een veelheid aan verhalen waaraan wij ons kunnen spiegelen en waar we
antwoorden kunnen vinden en desgevallend troost bij gebrek aan definitieve
antwoorden. Onderwijs en cultuur moeten mensen daarin binnen leiden, zodat
ze hun identiteit kunnen inkleuren via het palet van de geschiedenis. Onze
cultuur vandaag is eng economisch en produceert enge mensen, in meerdere
betekenissen van het woord. Het wordt tijd dat onze cultuur weer cultuur
wordt, en onderwijs weer onderwijs.
P.V.
