1 Getallen
|
| |
|
De kleuters
kunnen |
|
1.1 |
|
handelend
en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken
met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken
zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen. (evenveel/niet
evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen,
dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst
dingen). |
|
1.2 |
|
met aanwijzing
vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel
dingen er geteld zijn (resultatief). |
|
1.3 |
|
een rangorde
(tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin
en richting zijn afgesproken. |
|
1.4 |
|
in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking
tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen
verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren ( evenveel
maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen,
verdelen). |
|
1.5 |
|
door handelend
en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde
hoeveelheid dingen dezelfde blijft, hoe ze ook geplaatst of
geordend zijn in de ruimte. |
2 Meten
|
| |
|
De kleuters
kunnen |
|
2.1 |
|
handelend
en verwoordend twee dingen op hun kwalitatieve eigenschap vergelijken. |
|
2.2 |
|
dingen
kwalitatief vergelijken en samenbrengen op basis van één of
twee gemeenschappelijke kenmerken. |
|
2.3 |
|
dingen
rangschikken volgens de toenemende of afnemende mate van een
welbepaald kwalitatief kenmerk. |
|
2.4 |
|
in concrete
situaties handelingen uitvoeren met vormen, grootheden en figuren,
in functie van een kwalitatief kenmerk. |
|
2.5 |
|
handelend
en verwoordend, aangeven dat een bepaalde grootheid (lengte,
inhoud, volume, gewicht, oppervlakte) van een ding dezelfde
blijft, hoe dit ook geplaatst of geordend is in de ruimte. |
|
2.6 |
|
bij benadering
een voorwerp "meten" met een zelfgekozen maateenheid. |
|
2.7 |
|
verandering,
beweging, (snelheid) die ze met hun eigen lichaam ervaren of
die ze bij voorwerpen, verschijnselen of bij andere mensen
waarnemen, verwoorden. |
|
2.8 |
|
bij vergelijking
van twee voor hen bekende activiteiten en bij voldoende duidelijke
verschillen, verwoorden welke activiteit het langst en
welke het kortst duurt. |
|
2.9 |
|
aan de
hand van een kalender de dagen aftellen tussen het nu en een
speciale gebeurtenis waarvan de dag is aangegeven binnen
de periode van een week. |
3 Ruimte (initiatie op meetkunde)
|
| |
|
De kleuters
kunnen |
|
3.1 |
|
handelend,
in concrete situaties de begrippen "in, op, boven, onder,
naast, voor, achter, eerste, laatste, tussen, schuin, op elkaar,
ver weg, dicht bij, binnen, buiten, omhoog en omlaag" in
hun juiste betekenis gebruiken. Zij kunnen pictogrammen in verband
met "richtingen" als symbolen hanteren. |
|
3.2 |
|
vanuit
verschillende gezichtspunten die ze zelf concreet innemen, verwoorden
hoe eenzelfde voorwerp, gebouw of persoon er telkens anders
uitziet. |
|
3.3 |
|
in een
concrete situatie oplossingen vinden voor een ruimtelijk probleem.
|
|
3.4 |
|
vanuit
een patroon een rij of een reeks dingen verder zetten. In het
patroon kunnen aantallen (beperkt tot 5) en/of kwalitatieve
kenmerken (beperkt tot twee gemeenschappelijke) voorkomen. |