Kleuteronderwijs: Uitgangspunten lichamelijke opvoedingDe meeste kinderen bewegen graag uit zichzelf. Ze klimmen en klauteren, lopen en hinkelen, trekken en duwen, zwaaien en werpen met voorwerpen. Kinderen proberen eigenlijk voortdurend nieuwe bewegingsvormen uit. De mate waarin ze dat doen, wordt bepaald door de bewegingsituaties en spelmaterialen die ze aangeboden krijgen en door de voorbeelden van andere kinderen en volwassenen. Een rij van paaltjes van ongelijke hoogte op een speelplaats is voor heel wat kinderen een uitdaging. Tegelijk kunnen ze er nieuwe bewegingen mee uitproberen en oefenen. Zo zullen ze proberen op de hoogste paaltjes te klauteren zonder hun evenwicht te verliezen, ze zullen van de paaltjes afspringen en hierbij een zekere afstand overbruggen, enz. Sommige kinderen laten daar geen gras over groeien. Anderen zullen eerst de kat uit de boom kijken. Ze kijken eerst even toe hoe hun vriendjes de zaak aanpakken alvorens het zelf te proberen. Hoe dan ook, het is belangrijk dat men die natuurlijke bewegingsdrang van kinderen in het kleuteronderwijs in stand houdt en verder stimuleert. Het is de bedoeling dat kinderen steeds bewegingsvaardiger worden en meer en meer vertrouwd raken met veel verschillende bewegingsvormen. Dat kan in eerste instantie door hen in bewegingssituaties te brengen waarin ze kunnen exploreren, experimenteren en oefenen. Exploreren vindt plaats wanneer kleuters in een totaal nieuwe bewegingssituatie worden gebracht. Denk maar aan driejarigen die voor het eerst naar de gymzaal gaan. Voorzichtig tasten de kinderen de nieuwe situatie met de ogen af om vervolgens behoedzaam voorwerpen of toestellen aan te raken. Dan gaan ze na wat ze met de voorwerpen of met de nieuwe situatie kunnen doen. Wanneer ze dat doorhebben, gaan kinderen over tot experimenteren. Ze gaan nu uitgebreid en op een speelse manier de nieuwe materialen, toestellen, uitproberen. Kinderen gaan over tot oefenen wanneer ze op een bepaald moment een vaardigheid echt onder de knie willen krijgen, zoals hinkelen of fietsen. Bewegingsvaardigheid wordt in tweede instantie ook gestimuleerd door kinderen in spelsituaties te brengen waarbij bewegingsvormen op verschillende manieren moeten worden gebruikt. De bewegingsvormen worden dan geïntegreerd in het spel. Beide vormen van bewegingssituaties willen kinderen motorische ontwikkelingskansen geven en dit op verschillende vlakken: zich bewegen in de ruimte en in de tijd, de voorkeurslichaamszijde en de eigen lichaamsopbouw ontdekken, rust ervaren na een inspanning, groot-motorische en klein-motorische vaardigheden beheersen, zelf oplossingen vinden voor een bewegingsprobleem, veilig bewegen, enz. Deze ontwikkelingsdoelen worden samengebracht in het domein Motorische competenties. Spelen vraagt van kleuters ook een zekere uithouding, kracht, snelheid en lenigheid. Door te spelen verbetert de fysieke conditie van de kinderen. Voorts worden de kinderen tijdens het spelen geconfronteerd met ervaringen als 'het warm hebben', 'buiten adem zijn', ... Deze ervaringen kunnen een aanleiding zijn om te wijzen op gezonde leefgewoontes. Het tweede domein bevat doelen die de ontwikkeling van een gezonde en veilige levensstijl beogen. Bij bewegingsspelen komt echter nog meer kijken. Hier worden niet alleen motorische competenties op een geïntegreerde manier tot ontwikkeling gebracht, kinderen worden ook geconfronteerd met andere aspecten. Bij het spelen komen gevoelens naar boven (plezier, spanning en opluchting, zich uitleven), leren kinderen omgaan met afspraken en spelregels, kunnen ze zichzelf een prestatie opleggen, enz. Ze krijgen zicht op hun eigen mogelijkheden en worden vaardig in het leggen van contacten. Het derde domein heet zelfconcept en sociaal functioneren. |