Kleuteronderwijs: Uitgangspunten Nederlands

U hebt ongetwijfeld al opgemerkt dat jonge kinderen er al heel vroeg in slagen contact te leggen met anderen. Ze geven bepaalde signalen om te protesteren als iets niet naar hun zin is, om iets te pakken te krijgen of om allerlei andere redenen. "Ik wil een koekje" zal een kind eerst nog duidelijk maken door bijvoorbeeld naar de koekjestrommel te wijzen en "koek" te zeggen. Handeling en taal worden nog sterk met elkaar verbonden. Dat gebeurt in heel concrete situaties. Kinderen zijn daar vaak met hun hele persoontje bij betrokken (motorisch, emotioneel, verstandelijk). Een kleuter springt, glundert en juicht als de koekjestrommel opengaat. Geleidelijk echter komt de taal op het voorplan. De kleuter kan een koekje vragen zonder dat hij daarvoor nog een gebaar of de koekjestrommel in zijn blikveld nodig heeft.

Zo voltrekt zich, nog voor kinderen school lopen, een indrukwekkend taal-leerproces. Door voortdurende omgang met anderen en in gevarieerde situaties komen de kinderen ertoe aan iemand iets te vertellen, ruzie te maken met broer of zus, te protesteren als ze zich tekort gedaan voelen, Kinderen maken gebruik van wat ze al weten, voelden, deden om nieuwe kennis en ervaringen op te doen en daarover te praten.

Als kinderen taal gebruiken of horen gebruiken, gaat dat vaak gepaard met een vorm van nadenken over die taal en dat taalgebruik. Een voorbeeld:

Volwassene: "Ik kom juist uit mijn bad."
Kind: "Nee, dat is het bad van iedereen." (Gerrit, 3j.4m.)

Als ze naar de kleuterschool komen, hebben de meeste kinderen al belangrijke elementen van hun taalvaardigheid ontwikkeld. Aansluiten bij dit natuurlijk ontwikkelingsproces is dan de boodschap. U helpt uw kleuters taalvaardiger worden door ze bewust in situaties te brengen die hen uitnodigen om taal te gebruiken. De vele dagelijkse klasactiviteiten lenen zich daar uitstekend toe. De kinderen ontwikkelen hun luister- en spreekvaardigheid bij verhalen, bij het vertellen aan de hand van prenten, tekeningen, schilderwerk, bij het spel in de zandtafel en bij het vrije spel. Ze krijgen zin om in prentenboeken te kijken en verhalen na te vertellen. Ze ontdekken dat boodschappen visueel kunnen worden bewaard en daardoor opnieuw kunnen worden opgeroepen. Door hun ervaringen via de taal aan elkaar mee te delen en door naar elkaars ideeën en commentaren te luisteren, leren de kinderen dat hun persoonlijke manier van spreken doeltreffend is en gerespecteerd wordt.

Kinderen zijn actief. Als ze de kans krijgen, nemen ze het vaardig leren omgaan met taal in eigen handen. Kleuters praten graag en spontaan over ervaringen die een persoonlijke betekenis voor hen hebben. Op die manier gebruiken ze de taal om ideeën en problemen, die voor hen belangrijk en echt zijn, te verkennen. Zo brengen ze ook zelf woordbetekenissen aan, bijvoorbeeld 'bellentrommel' voor een tamboerijn. Ze leren die betekenissen geleidelijk verfijnen en in de juiste context gebruiken. Ze nemen actief deel aan het ontwikkelen van hun taalvaardigheid.

In uw klas zijn er ongetwijfeld kleuters die van huis uit standaard-Nederlands spreken. Hun taal verschilt minder van de taal die ze op school leren. Bij andere kinderen die van huis uit niet het standaard-Nederlands spreken maar een dialect of een vreemde taal is de taalkloof groter. Hen zult u meer tijd moeten geven en meer moeten helpen om die kloof te overbruggen. Ook zij moeten voldoende taalvaardig worden om zich verder te kunnen ontwikkelen.

Het zal u dan ook wel duidelijk zijn dat de ontwikkelingsdoelen voor spreken, luisteren, 'lezen', 'schrijven' en taalbeschouwing (nadenken over taal en taalgebruik) in voortdurende samenhang in al de klasactiviteiten voorkomen. De indeling in de vier vaardigheden en taalbeschouwing is dus niet bedoeld om er aparte onderdelen van te maken in de klas.

naar boven