| |
|
Zelfredzaamheid in kindgerichte
bewegingssituaties
|
|
|
Lichaams- en bewegingsbeheersing
|
|
|
De leerlingen |
| 1.1 |
|
kunnen de motorische basisbewegingen op
een voldoend flexibele en verfijnde wijze aanwenden in gevarieerde en complexe
bewegingssituaties. |
|
|
Verantwoord en veilig bewegen
|
|
|
De leerlingen |
| 1.2 |
|
kunnen veiligheidsafspraken naleven. |
| 1.3 |
|
kennen de gevaren en risico's van
bewegingssituaties en kunnen deze inschatten en signaleren. |
|
|
Voorkeurlichaamszijde, lichaamsopbouw, lichaamsbesef
|
|
|
De leerlingen |
| 1.4 |
|
kennen hun voorkeurhand en -voet en kunnen
deze ook efficiënt gebruiken. |
| 1.5 |
|
kennen en gebruiken hun voorkeurzijde om
te wenden en te draaien rond de lengteas. |
| 1.6* |
|
tonen in het bewegen een intuïtief, maar
ook een bewust kennen, aanvoelen, omgaan en rekening houden met de eigen
lichaamskenmerken, -mogelijkheden en -beperkingen. |
|
|
Rustervaringen
|
|
|
De leerlingen |
| 1.7 |
|
hebben in rust controle
over ademhaling en spieren. |
| 1.8* |
|
zijn bereid om een sfeer
van rust te creëren. |
|
|
Groot-motorische vaardigheden en acties in gevarieerde situaties
|
|
|
Variante vormen van basisbewegingen, al dan niet gebruik makend van toestellen
|
|
|
De leerlingen |
| 1.9 |
|
kunnen balanceren op de
grond en over diverse soorten toestellen. |
| 1.10 |
|
kunnen in omgekeerde
houding hangen en steunen. |
| 1.11 |
|
kunnen vrije sprongen en
steunsprongen uitvoeren. |
| 1.12 |
|
kunnen verschillende vormen
van rollen uitvoeren. |
| 1.13 |
|
kunnen aan een toestel
draaibewegingen rond de breedte-as uitvoeren. |
| 1.14 |
|
kunnen diverse
klimtoestellen opklimmen en veilig ervan afdalen. |
| 1.15 |
|
kunnen hun loopstijl en
-tempo aanpassen aan de afstand. |
| 1.16 |
|
kunnen op verschillende manieren en met
diverse tuigen werpen. |
|
|
Spel en sportspelen
|
|
|
De leerlingen |
| 1.17 |
|
beheersen fundamentele
bewegingsvaardigheden die nodig zijn om een eenvoudig bewegingsspel zinvol te kunnen
spelen in eenvoudige sport- en spelsituaties. |
| 1.18 |
|
kunnen eenvoudige spelideeën uitvoeren in
eenvoudige bewegingsspelen. |
| 1.19 |
|
kunnen zich in een spel inleven en hierbij
verschillende rollen waarnemen. |
| 1.20 |
|
kennen elementaire tactische principes,
kunnen ze toepassen in verwante spelen en kunnen een eenvoudig tactisch plannetje
afspreken en uitvoeren. |
| 1.20bis |
|
passen de afgesproken spelregels toe en
aanvaarden de sancties bij overtredingen. |
|
|
Ritmisch en expressief bewegen
|
|
|
De leerlingen |
| 1.21 |
|
kunnen bewegingsvormen uitvoeren op een
opgelegd ritme. |
| 1.22 |
|
kunnen een danscombinatie (een aantal
bewegingspatronen achter elkaar) onthouden en zonder aanwijzingen uitvoeren. |
|
|
Bewegen in verschillende milieus
|
|
|
De leerlingen |
| 1.23 |
|
bewegen op een aangepaste manier in de
vrije natuur. |
| 1.24 |
|
kunnen ongeremd en spelend bewegen in het
water. |
| 1.25 |
|
voelen zich veilig in het water en kunnen
zwemmen. |
|
|
Klein-motorische vaardigheden in gevarieerde situaties
|
|
|
De leerlingen |
| 1.26 |
|
kunnen klein-motorische vaardigheden in
verschillende situaties voldoende nauwkeurig gedoseerd en ontspannen uitvoeren. |
| 1.27 |
|
kunnen de functionele grepen
gedifferentieerd gebruiken voor het hanteren van voorwerpen. |
|
|
Oplossen van kind-aangepaste bewegingsproblemen
|
|
|
De leerlingen |
| 1.28* |
|
kunnen geconcentreerd bezig zijn met een
bewegingstaak. |
| 1.29 |
|
zoeken zelfstandig en op een creatieve
manier naar een oplossing voor een bewegings- of spelprobleem. |
| 1.30 |
|
kunnen zelfstandig materiaal kiezen en
opstellen. |
| 1.31 |
|
zijn in staat gekende oefen- en spelvormen
zelfstandig op te starten en in gang te houden. |
| 1.32* |
|
de leerlingen zijn bereid zichzelf vragen
te stellen over hun aanpak voor, tijdens en na het oplossen van een bewegingsprobleem en
willen op basis hiervan een aanpak (bij)sturen. |
| 1.33 |
|
kunnen onder verschillende sensorische
prikkels die gelijktijdig worden waargenomen de relevante prikkel selecteren. |