Lager Onderwijs: Eindtermen Nederlands

1 Nederlands - Luisteren


De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in

1.1

een voor hen bestemde mededeling met betrekking tot het school- en klasgebeuren.

1.2

een voor hen bestemde informatieve radio-uitzending.

1.3

een uiteenzetting of instructie van een medeleerling, bestemd voor de leerkracht.

1.4

een telefoongesprek.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen bij

1.5

een uiteenzetting of instructie van de leerkracht.

1.6

een voor hen bestemde instructie voor een buitenschoolse situatie.

1.7

een voor hen bestemde informatieve t.v.-uitzending.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beoordelen) op basis van, hetzij de eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen, de informatie beoordelen die voorkomt in

1.8

een discussie met bekende leeftijdgenoten.

1.9

een gesprek met bekende leeftijdgenoten.

1.10

een door leeftijdgenoten geformuleerde oproep.


2 Nederlands - Spreken


De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) het gepaste taalregister hanteren als ze:

2.1

aan leeftijdgenoten over zichzelf informatie verschaffen.

2.2

aan iemand om ontbrekende informatie vragen.

2.3

over een op school behandeld onderwerp aan de leerkracht verslag uitbrengen.

2.4

in een telefoongesprek informatie uitwisselen.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) het gepaste taalregister hanteren als ze

2.5

vragen van de leerkracht in verband met een behandeld onderwerp beantwoorden.

2.6

van een behandeld onderwerp of een beleefd voorval een verbale/non-verbale interpretatie brengen, die begrepen wordt door leeftijdgenoten.

2.7

bij een behandeld onderwerp vragen stellen die begrepen en beantwoord kunnen worden door leeftijdgenoten.

2.8

een instructie geven zodat iemand die vertrouwd is met de situatie, ze kan uitvoeren.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beoordelen) het gepaste taalregister hanteren als ze op basis van vergelijking, hetzij met hun eigen mening, hetzij met andere bronnen

2.9*

in een gesprek kritisch reageren op de vragen en opmerkingen van bekende volwassenen.

2.10*

tijdens een discussie met bekende volwassenen over een behandeld onderwerp passende argumenten naar voren brengen.


3 Nederlands - Lezen


De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in

3.1

voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard.

3.2

de gegevens in schema's en tabellen ten dienste van het publiek.

3.3

voor hen bestemde teksten in tijdschriften.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie ordenen die voorkomt in

3.4

voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten.

3.5

voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften en jeugdencyclopedieën.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beoordelen) op basis van , hetzij de eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen, informatie beoordelen die voorkomt in

3.6

verschillende voor hen bestemde brieven of uitnodigingen.

3.7

reclameteksten die rechtstreeks verband houden met hun leefwereld.


4 Nederlands - Schrijven


De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = kopiëren)

4.1

overzichten, aantekeningen, mededelingen op- en overschrijven.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven)

4.2

een oproep, een uitnodiging, een instructie richten aan leeftijdgenoten.

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren)

4.3

een brief schrijven aan een bekende om een persoonlijke boodschap of belevenis over te brengen.

4.4

voor een gekend persoon een verslag schrijven van een verhaal, een gebeurtenis, een informatieve tekst.

4.5

een formulier invullen met informatie over henzelf.

4.6

schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden.

4.7

De leerlingen kunnen voor het realiseren van bovenstaande eindtermen bovendien:
  • hun teksten verzorgen rekening houdende met handschrift en lay-out
  • spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van
    • woorden met vast woordbeeld:
      • klankzuivere woorden
      • hoogfrequente niet klankzuivere woorden
    • woorden met veranderlijk woordbeeld (regelwoorden):
      • werkwoorden
      • klinker in open/gesloten lettergreep
      • verdubbeling medeklinker
      • niet-klankzuivere eindletter
    • hoofdletters
    • interpunctietekens . , ? ! :

4.8*

De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor spreken, luisteren, lezen en schrijven de volgende attitudes:
  • spreek-, luister-, lees- en schrijfbereidheid
  • plezier in luisteren, spreken, lezen en schrijven
  • bereidheid tot nadenken over het eigen luister-, spreek-, lees en schrijfgedrag
  • bereidheid tot het naleven van luister-, spreek-, lees- en schrijfconventies
  • weerbaarheid


5 Nederlands - Vaardigheden/Strategieën

5 De leerlingen kunnen vaardigheden/strategieën in verband met luisteren, spreken, lezen en schrijven aanwenden die nodig zijn om de respectievelijke eindtermen te realiseren. Zij houden daarbij onder meer rekening met
  • de totale luister-, spreek-, lees- en schrijfsituatie
  • de tekstsoort
  • het verwerkingsniveau
  • zoals die aangegeven zijn in de desbetreffende eindterm.


6 Nederlands - Taalbeschouwing


6.1*


De leerlingen zijn bereid binnen een concrete taalcontext te reflecteren over:
  • het gebruik van standaardtaal, regionale en sociale taalvariëteiten
  • bepaalde houdingen, vooroordelen en rolgedrag in taal
  • taalgedragsregels
  • bepaalde taalhandelingen
  • hoe via taal bepaalde standpunten ingenomen en/of kenbaar worden gemaakt.

6.2*

De leerlingen zijn bereid te reflecteren over gebruikte luister-, spreek-, lees- en schrijfstrategieën.

6.3*

De leerlingen zijn bereid om vanuit een concrete context te reflecteren over de volgende aspecten van taal:
  • klankniveau
  • woordniveau (woordvorming)
  • zinsniveau (woordvolgorde)
  • tekstniveau (eenvoudige structuren).

6.4

De leerlingen kunnen bij de bovenstaande eindtermen de geëigende termen gebruiken:
  • zender, ontvanger, boodschap, bedoeling, situatie
  • zelfstandig naamwoord (+ lidwoord), verkleinwoord, werkwoord, stam, uitgang, voor- en achtervoegsel, andere woorden
  • onderwerp, persoonsvorm, zinsdeel
  • kopje, alinea.

6.5*

De leerlingen zijn bereid om te reflecteren over taal en over taalgebruik.

* De attitudes werden met een asterisk (*) in de kantlijn aangeduid.

naar boven