1 Wereldoriëntatie - Natuur
|
Levende natuur
|
|
|
|
De leerlingen |
|
1.1
|
|
kunnen in een
beperkte verzameling van mensen, dieren en planten gelijkenissen
en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium
een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden. |
|
1.2
|
|
kennen in hun
omgeving een paar biotopen en kunnen erin enkele veel voorkomende
dieren en planten herkennen en benoemen. |
|
1.3
|
|
kunnen bij organismen
kenmerken aangeven waaruit hun aangepastheid blijkt aan hun
voeding, aan bescherming tegen vijanden en aan omgevingsinvloeden. |
|
1.4
|
|
kunnen illustreren
dat de mens de aanwezigheid van planten en dieren in zijn omgeving
beïnvloedt. |
|
1.5
|
|
kunnen de wet
van eten en gegeten worden illustreren aan de hand van de voedselketen. |
|
1.6
|
|
kunnen de functie
van belangrijke organen die betrokken zijn bij de levensprocessen
van de mens en de functie van de zintuigen, het skelet en de
spieren op een eenvoudige wijze verwoorden. |
|
1.7
|
|
kunnen lichamelijke
veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdgenoten waarnemen,
herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling. |
Niet-levende natuur
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
1.8
|
|
kunnen de weersituatie
op een bepaald moment en over een beperkte periode meten en
beschrijven. |
|
1.9
|
|
kunnen het verband
illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat
waarin ze leven. |
|
1.10
|
|
kunnen tonen
hoe de aarde om zichzelf en de aarde, de zon en de maan ten
opzichte van elkaar bewegen. |
|
1.11
|
|
kunnen van courante
voorwerpen uit hun omgeving zeggen uit welke materialen en grondstoffen
ze gemaakt zijn. |
Algemene vaardigheden natuur
|
|
|
|
De leerlingen |
|
1.12
|
|
kunnen gericht
waarnemen met al hun zintuigen en kunnen waarnemingen op een
systematische wijze noteren. |
|
1.13
|
|
kunnen minstens
één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig
onderzoekje toetsen aan een hypothese. |
Gezondheidseducatie
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
1.14
|
|
kunnen gezonde
levensgewoonten in verband brengen met wat ze weten over het
functioneren van het eigen lichaam en ze weten dat bepaalde
ziekteverschijnselen of handicaps niet altijd kunnen worden
vermeden. |
|
1.15*
|
|
beseffen
dat het nemen van voorzorgen de kans op besmettelijke ziekten,
parasieten of schimmels vermindert of uitsluit. |
|
1.16
|
|
kunnen passende
elementaire hulp toedienen bij lichte schaafwonden en brandwonden.
|
Milieueducatie
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
1.17
|
|
kunnen bij de
verzorging van dieren en planten uit hun omgeving zelfstandig
basishandelingen uitvoeren. |
|
1.18*
|
|
tonen
zich in hun gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig
om te gaan met papier, water, afval en energie. |
|
1.19
|
|
kunnen met concrete
voorbeelden uit hun eigen omgeving illustreren hoe mensen op
negatieve maar ook op positieve wijze omgaan met het milieu
en dat aan een milieuprobleem vaak tegengestelde belangen ten
grondslag liggen. |
2 Wereldoriëntatie - Technologie
|
Basisinzichten techniek
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
2.1
|
|
herkennen in
hun directe omgeving toepassingen van hefbomen, katrollen en
bewegingsoverbrenging via tandwielen. |
|
2.2
|
|
kunnen van voorzieningen
of voorwerpen uit hun omgeving aangeven welke de energiebron
is die verantwoordelijk is voor de waargenomen beweging, verwarming
of verlichting. |
|
2.3
|
|
kunnen in hun
omgeving informatieverwerkende toepassingen herkennen. |
|
2.3bis
|
|
leren effectief
met informatica en informatieverwerking omgaan. |
Technisch proces
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
2.4
|
|
kunnen van een
bestaande constructie en van een constructie die ze zelf willen
maken, zeggen aan welke eisen ze moeten voldoen. |
|
2.5
|
|
kunnen materialenkennis
en kennis van constructie- en bewegingsprincipes aanwenden bij
het plannen en maken van een eigen constructie. |
|
2.6
|
|
kunnen aan de
hand van een al dan niet zelfgemaakte eenvoudige werktekening
of handleiding het geschikte materiaal en gereedschap kiezen
en daarmee de constructieactiviteit stap voor stap juist en
veilig uitvoeren. |
|
2.7
|
|
kunnen bij het
monteren/demonteren van een constructie hun materialenkennis
en hun kennis van constructie- en bewegingsprincipes functioneel
toepassen. |
|
2.8
|
|
kunnen eigen
werkwijzen vergelijken met andere werkwijzen en een oordeel
geven daarover. |
Attitudes
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
2.9*
|
|
brengen waardering
op voor eenvoudige, inventieve technieken en voor esthetische
aspecten van technische constructies en voorwerpen. |
|
2.10*
|
|
tonen zich bereid
nauwkeurig en veilig te werken, geen materiaal te verkwisten
en zorg te dragen voor hun gereedschap. |
3 Wereldoriëntatie
- Mens
|
Ik en mezelf
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
3.1*
|
|
drukken in een
niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens,
gedachten en waarderingen spontaan uit. |
|
3.2
|
|
kunnen beschrijven
wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie en kunnen
illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden
zijn. |
|
3.3*
|
|
tonen in concrete
situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van
het eigen kunnen. |
Ik en de ander
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
3.4
|
|
kunnen in concrete
situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen,
erover praten en aangeven dat deze op elkaar inspelen. |
|
3.5*
|
|
tonen de bereidheid
zich te oefenen in omgangswijzen met anderen waarin ze minder
sterk zijn. |
|
3.6*
|
|
tonen in een
eenvoudige conflictsituatie in de omgang met leeftijdgenoten
de bereidheid om te zoeken naar een geweldloze oplossing. |
Ik en de anderen: in groep
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
3.7*
|
|
hebben aandacht
voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een
groep typeren en zijn bereid er rekening mee te houden. |
4 Wereldorientatie
- Maatschappij
|
Sociaal-economische verschijnselen
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
4.1
|
|
kunnen illustreren
dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk
zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden. |
|
4.2
|
|
kunnen met een
zelf gekozen voorbeeld illusteren hoe de prijs van een product
tot stand komt. |
|
4.3
|
|
kunnen met een
zelf gekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een
collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt. |
|
4.4
|
|
kunnen illustreren
dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld
als in België ongelijk verdeeld is. |
|
4.5*
|
|
beseffen dat
hun gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media. |
|
4.6*
|
|
tonen zich bereid
om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken
en te evalueren. |
Sociaal-culturele verschijnselen
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
4.7*
|
|
kunnen er in
hun omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee
houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen
als zijzelf. |
|
4.8
|
|
kunnen illustreren
dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende
waarden en normen bezitten. |
|
4.9
|
|
kunnen voorbeelden
geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor
de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap. |
|
4.10
|
|
weten dat ze
in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn
voor de noden en verwachtingen van deze mensen. |
|
4.11
|
|
kunnen illustreren
dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol
hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele
samenleving. |
|
4.12
|
|
zien in dat racisme
vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde. |
Politieke en juridische verschijnselen
|
|
|
|
De leerlingen |
|
4.13
|
|
kunnen het belang
illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten
van het Kind. Ze zien daarbij in dat de rechten en plichten
complementair zijn. |
|
4.14
|
|
kunnen op een
eenvoudige wijze uitleggen dat verkiezingen een basiselement
zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen.
|
|
4.15
|
|
kunnen illustreren
op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om
het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen. |
|
4.16
|
|
weten dat Vlaanderen
één van de gemeenschappen is van het federale België en dat
België deel uitmaakt van de Europese Unie. Ze weten daarbij
dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen. |
|
4.17
|
|
kennen de erkende
symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen,
vlag, volkslied en memoriaal). |
5 Wereldoriëntatie - Tijd
|
Dagelijkse tijd
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
5.1
|
|
kunnen de tijd
die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid realistisch
schatten. |
|
5.2
|
|
kunnen een kalender
gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd
te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct
te bepalen. |
|
5.3
|
|
kunnen in een
kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling
en planning in de tijd opmaken. |
|
5.4
|
|
kunnen tijdsaanduidingen
op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren. |
Historische tijd
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
5.5
|
|
kunnen belangrijke
gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen
en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria
vinden. |
|
5.6
|
|
kunnen hun afstamming
aangeven tot twee generaties terug. |
|
5.7
|
|
kennen de grote
periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische
elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren
en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste
tijdsperiode aan de hand van een tijdband. |
|
5.8
|
|
kunnen aan de
hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand,
die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis
beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden
evolueert. |
|
5.9*
|
|
tonen belangstelling
voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders. |
Algemene vaardigheden tijd
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
5.10*
|
|
beseffen dat
er een onderscheid is tussen een mening over een historisch
feit en het feit zelf. |
6 Wereldoriëntatie
- Ruimte
|
Oriëntatie- en kaartvaardigheid
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
6.1
|
|
kunnen aan elkaar
een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente
of stad beschrijven. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op
een plattegrond. |
|
6.1bis
|
|
kunnen aan de
hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen
berekenen en beschrijven. |
|
6.2 |
|
kunnen in een praktische toepassingssituatie
op een gepaste kaart en op de globe evenaar, de polen, de
oceanen , de landen van de Europese Unie en de
werelddelen opzoeken en aanwijzen. |
|
6.3
|
|
kunnen bij een
oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen)
bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas. |
|
6.3bis
|
|
kunnen begrippen
zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad,
provincie, gemeenschap, land en continent in een juiste context
gebruiken. |
|
6.4
|
|
hebben een voorstelling
van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische
toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen
kunnen aanwijzen. |
Ruimtebeleving
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
6.5
|
|
kunnen aan de
hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen beleefde
en absolute afstand illustreren. |
|
6.6
|
|
kunnen suggesties
geven voor het inrichten van hun eigen omgeving. |
Ruimtelijke ordening/bepaaldheid
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
6.7
|
|
kunnen in de
realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische
en industriële omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden. |
|
6.8
|
|
kunnen hun eigen
streek en twee andere streken in België situeren op een kaart
en de relatie beschrijven tussen de omgeving en aspecten van
het dagelijks leven van de mensen. |
|
6.9
|
|
kunnen aspecten
van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied
vergelijken met het eigen leven. |
Algemene vaardigheden ruimte
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
6.10
|
|
kunnen in een
landschap gericht waarnemen en ze kunnen op een eenvoudige wijze
onderzoeken waarom het er zo uitziet. |
|
6.11
|
|
kunnen een atlas
raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik
makend van de legende, windrichting en schaal. |
Verkeer en mobiliteit
|
|
|
|
De
leerlingen |
|
6.12
|
|
kunnen de gevaarlijke
verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren. |
|
6.13
|
|
beschikken over
voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie
en ze kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers,
om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een
voor hen vertrouwde route. |
|
6.14*
|
|
tonen zich in
hun gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers. |
|
6.15
|
|
kennen de belangrijkste
gevolgen van het groeiende autogebruik en kunnen de voor- en
nadelen van mogelijke alternatieven vergelijken. |
|
6.16
|
|
kunnen een eenvoudige
route uitstippelen met het openbaar vervoer. |
7 Brongebruik
|
|
7
|
|
De leerlingen
kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen. |