Lager Onderwijs: Uitgangspunten Frans

We kunnen de belangrijkste doelstelling voor Frans op de lagere school in algemene termen als volgt formuleren: de kinderen moeten vaardigheden ontwikkelen waarmee ze Frans op een beperkt niveau kunnen gebruiken als communicatiemiddel.

Concreet wil dit zeggen dat ze:
  • eenvoudige informatie kunnen verwerven via geschreven en gesproken taal;
  •  eenvoudige informatie kunnen geven en vragen in mondeling contact met Franssprekenden.
Dit kan slechts door het ontwikkelen van bepaalde taalattitudes, namelijk:
  • de bereidheid tot communicatie;
  • de durf tot communiceren met beperkte taalmiddelen.
Door de succeservaring te laten primeren ontwikkelen leerlingen voldoende zelfvertrouwen en worden ze aangespoord om verder te leren.

Doelgroep

Deze eindtermen hebben betrekking op alle scholen die het onderwijs in de tweede taal Frans in de derde graad organiseren. In de gemeenten van het arrondissement Brussel-Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten is het onderwijs in de tweede taal verplicht vanaf het derde leerjaar. Bovendien zijn er in het lessenrooster in het arrondissement Brussel-Hoofdstad en in de taalgrensgemeenten meer lestijden voor Frans. Vermits het om minimumdoelstellingen gaat, gelden deze eindtermen voor alle scholen.

1 Kerngedachten

Taal leren in het algemeen

Door de stijgende mobiliteit in onze maatschappij worden de kinderen al op jeugdige leeftijd frequent geconfronteerd met moderne vreemde talen. De media en andere communicatiemiddelen en -technieken zijn daar niet vreemd aan. Het contact met andere talen vindt niet enkel plaats buiten de grenzen van onze Vlaamse gemeenschap, maar ook binnen de grenzen van de leefwereld van de jonge kinderen, zowel door rechtstreeks als onrechtstreeks contact met anderstaligen.

Een andere taal leren, kan gezien worden als een basisvorming in de lijn van de multiculturele verstandhouding. Een andere taal begrijpen en spreken is een goed uitgangspunt om begrip op te brengen voor leef- en denkgewoonten van mensen met een andere taal en cultuur.

Elkaar ontmoeten neemt in de kinderwereld een belangrijke plaats in. Jonge kinderen voelen zich daarin weinig geremd. Het vreemde, het onbekende oefent op hen een grote aantrekkingskracht uit. De spontane leergierigheid en de intrinsieke motivatie van de kinderen zijn uitstekende middelen om een andere taal aan te leren.

Het is van groot belang dat de kinderen het als aangenaam ervaren om Frans te leren. Slechts op die manier kunnen hun interesse en spontaneïteit worden gestimuleerd. Een voorbeeld: leerlingen imiteren graag. Waarom dan niet allerhande activiteiten organiseren waarbij ze zich al spelend en imiterend de typische Franse klanken, intonatie en zinsritme eigen kunnen maken? Of men creëert situaties waarbij de leerlingen al spelend de prijs van iets leren vragen (verkoopster-klant), de weg vragen (agent-wandelaar), allerlei beleefdheidsformules gebruiken (aan tafel), enz. De kinderen zullen het leren van een andere taal aantrekkelijk blijven vinden als ze er succes bij ervaren.

Een andere taal leert men vooral om te communiceren. Communicatie hoort dan ook het bepalende doel voor het onderwijs ervan te zijn. Om die redenen zijn de eindtermen Frans opgesteld rond de communicatieve vaardigheden.

Met communicatieve aanpak bedoelen we dat de kinderen bepaalde taalhandelingen (iets vragen, iets meedelen, ) moeten kunnen verrichten in bepaalde, voor hen relevante situaties (op straat, aan de kassa, ). Ze maken daarbij gebruik van de daarvoor geëigende woordenschat en zinsstructuren. Frans in het lager onderwijs richt zich op communicatie en toepassing in alledaagse situaties, rekening houdend met het niveau en de leeftijd van de kinderen. Zo is het belangrijk dat leerlingen in het Frans de weg kunnen vragen. Ze hoeven daarom niet noodzakelijk zelf de weg kunnen uitleggen. Ze moeten wel iemand kunnen begrijpen die hun de weg toont en die persoon vervolgens bedanken. Of nog: leerlingen kunnen vragen leren stellen in het Frans zonder daarom het hele grammaticale item van de vraagstelling te doorworstelen. Ze kunnen leren zeggen: "Je voudrais un coca", zonder dat de leerkracht daarom de Conditionnel Présent met zijn uitzonderingen moet behandelen.

Zo komen we tot een uitgangspunt van twee vragen:
  • In welke communicatieve situaties kunnen kinderen van 10 - 12 jaar terechtkomen? Wat moeten ze dan in die bepaalde situaties kunnen begrijpen en wat moeten ze zelf kunnen zeggen?
  • In het taalgebruik vloeien de verschillende taalvaardigheden harmonisch in elkaar. De kinderen ervaren het geïntegreerd karakter ervan via de luister-, spreek-, lees- en schrijf-momenten in de klas.
Om het overzicht te bewaren, behandelen we de vier taalvaardigheden hierna in afzonderlijke domeinen. Hieruit blijkt ook dat de communicatie zowel receptief (luisteren en lezen) als productief (spreken en schrijven) en zowel mondeling (luisteren en spreken) als schriftelijk (lezen en schrijven) kan gebeuren.

2 Domeinen

Luisteren

Luisteren houdt in dat de kinderen eenvoudige boodschappen op hun niveau kunnen begrijpen en in een gesprek de vragen en antwoorden van Fransprekenden kunnen begrijpen.

Luisteren is een uiterst actief proces. Het kan bovendien leiden tot een aantal doe-activiteiten.

Op het einde van het lager onderwijs moeten de kinderen voldoende woordenschat en zinsstructuren begrijpen in duidelijk omlijnde leefsituaties. Het ligt voor de hand dat zij daarbij ervaring opdoen in aspecten van de Franse uitspraak, intonatie en zinsritme.

Belangrijk bij dit alles is dat de leerkracht de spontane luisterbereidheid van de kinderen kan stimuleren door verschillende vormen van eenvoudige gesproken taal aan te bieden.

Lezen

Het schriftbeeld kan het leerproces ondersteunen en efficiënter maken.Het is belangrijk bij het kind het verlangen op te wekken graag te lezen, ook in de Franse taal. Zoals bij luisteren kan ook lezen aanleiding geven tot een groot aantal doe-activiteiten. De leerkracht kan lezen introduceren door prettige eenvoudige tekstjes aan te bieden. Wat de kinderen bij het lezen niet begrijpen, moeten ze kunnen opzoeken.

Spreken

Niet alles wat de kinderen kunnen begrijpen, moeten ze ook zelf kunnen zeggen. De concrete inhouden van de spreekvaardigheden liggen uitsluitend binnen de eigen leefsituatie van de kinderen. Zij moeten bijvoorbeeld op een zeer eenvoudige manier kunnen verwoorden waar zij wonen, wat zij graag eten. De basiswoordenschat die ze daarbij hanteren, blijft beperkt tot wat functioneel is in die concrete situaties.

Spreken vergt een zekere correctheid in taalgebruik, zoniet komt de communicatie in het gedrang. Om dit probleem te ondervangen, is veelvuldig oefenen met beperkt maar onmisbaar materiaal nodig. Herhalend, voorbereid en begeleid spreken leidt tot succeservaring en verhoging van de spreekvaardigheid. De vereiste spreekdurf zal ermee verhogen. Zo komt het kind geleidelijk tot zelfstandig spreken.

Schrijven

Gezien de jeugdige leeftijd van de kinderen en het beperkt aantal uren Frans in het basisonderwijs is het oefenen van de schrijfvaardigheid zeker niet prioritair. Het kopiëren dient louter om de andere taalvaardigheden te ondersteunen.

naar boven