Lager Onderwijs: Uitgangspunten lichamelijke opvoeding

Lichamelijke opvoeding wil in en door bewegingssituaties:

  • een bijdrage leveren tot de motorische en fysieke ontwikkeling van kinderen en jongeren
  • de zelfredzaamheid en het weerbaar functioneren in uiteenlopende omstandigheden verhogen
  • bijdragen tot persoonlijkheidsvorming en sociale vorming

1 Kerngedachten

Onze huidige samenleving kent een sterke afname van de lichaamsbeweging in het dagelijkse leven. Daartegenover staat een groeiende belangstelling voor recreatie, gezondheid en sportbeoefening, een evolutie die haar wortels vindt in de toenemende vrije tijd en het herontdekken van lichaam en natuur.

Het onderwijs in lichamelijke opvoeding kan een belangrijke rol spelen, wil men kinderen op een gezonde manier leren omgaan met de verschillende aspecten van onze hedendaagse bewegingscultuur. Onder bewegingscultuur verstaan we de spel- en sportcultuur, de danscultuur en ook de lichaams- en fitnesscultuur. Ze kan een even belangrijke rol spelen om bij kinderen verantwoorde attitudes te ontwikkelen tegenover actuele maatschappelijke ontwikkelingen.

Lichamelijke opvoeding heeft twee belangrijke opdrachten. Ten eerste moet het de kinderen bewegingsgebonden basiscompetenties bijbrengen waarmee ze in de maatschappij kunnen functioneren. Ten tweede moet het de kinderen de vereiste bekwaamheden meegeven om deel te nemen aan de bewegingscultuur en er hun weg in te vinden. Het gaat er daarbij niet enkel om dat ze zich probleemloos inpassen in die bewegingscultuur, maar ook dat ze die met voldoende kritische zin benaderen.

Onderwijs in lichamelijke opvoeding vertrekt vanuit bewegingssituaties. De kinderen leren op een efficiënte wijze handelen in relatie met de omgeving en met medebewegers. Op die manier bouwen ze competenties op die belangrijk zijn om verschillende bewegingsproblemen op te lossen. Ze kunnen die competenties ook overhevelen naar andere situaties en ze daar gebruiken, dit noemt men transfer.

In probleemgeoriënteerd onderwijs krijgen de leerlingen de kans om een bepaald bewegingsprobleem zelfstandig op te lossen en leren ze kiezen uit verschillende mogelijke oplossingen. Kunnen deelnemen aan bewegingssituaties veronderstelt bewegingsvaardigheden, maar vraagt ook kennis en inzicht in bewegen, in de bewegings- en sportcultuur, in eigen en andermans kunnen. Dit laatste vereist bovendien een aantal attitudes en sociale vaardigheden.

Om dit alles waar te maken moet men in bewegingssituaties op een geïntegreerde manier motorische, psycho-motorische, cognitieve, dynamisch-affectieve en sociale vaardigheden ontwikkelen, bij kinderen van elke leeftijd, aangepast aan hun ontwikkelingsniveau en sociale achtergrond.

In de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen werd gekozen voor een meervoudige en veelzijdige bewegingsbekwaamheid. Van hieruit kan men namelijk op een gepaste manier inspelen op de huidige tendensen in de maatschappij en de totale persoonlijkheid van het kind ontwikkelen.

Meervoudige bewegingsbekwaamheid heeft als doel dat kinderen bewegingssituaties kunnen benaderen vanuit verscheidene invalshoeken: gezondheid, recreatie, ontspanning, competitie, verkeerssituaties, Deze invalshoeken vragen telkens een andere ingesteldheid en een ander gebruik van de motorische vaardigheden. Zo leren de kinderen zich aan te passen aan een bepaalde bewegingscontext. Veelzijdige bewegingsbekwaamheid houdt in dat het onderwijs bewegingssituaties aanbiedt die kinderen een basis geeft om te kunnen functioneren in de verschillende domeinen van het menselijk bewegen of van de bewegingscultuur.

Welke activiteitsgebieden of bewegingscultuurgebieden zijn momenteel belangrijk in de maatschappij? We zetten ze op een rijtje: sport en spel, dans, zwemmen, gymnastiek, atletiek, zelfverdediging en natuurgebonden activiteiten. Deze activiteitsgebieden worden niet ervaren als duidelijk van elkaar gescheiden domeinen. Als kinderen bewegen, vertrekken ze namelijk van natuurlijke basisbewegingen. Van daaruit uiten ze zich in allerlei variante vormen van deze basisbewegingen. Ze maken daarbij al of niet gebruik van toestellen, spel en sportspelen, ritmisch en expressief bewegen, bewegen in verschillende milieus, ...

Bij de eindtermen lichamelijke opvoeding is gekozen voor een brede waaier van activiteitsgebieden. Bedoeling is de totale persoonlijkheid van het kind zo breed mogelijk te ontwikkelen.

Het zou verkeerd zijn lichamelijke opvoeding louter te zien als functietraining. Via bewegingssituaties ervaren kinderen op hun niveau dat gezond en veilig bewegen belangrijk is en dat ze daarvoor, binnen hun eigen mogelijkheden, een verantwoordelijkheid dragen. De nadruk ligt dan ook op blijvende attitudevorming, niet op een tijdelijk fysiek resultaat. Andere aandachtspunten zijn: blessures en overbelastingsverschijnselen vermijden, een fysieke weerstand opbouwen onder andere door buitenactiviteiten en maximale veiligheid garanderen bij bewegingssituaties. Gezond en veilig bewegen en een gezonde en veilige levensstijl in het algemeen zijn daarenboven niet alleen het werk van het leergebied lichamelijke opvoeding, maar maken deel uit van het globale schoolgebeuren.

Sport is een belangrijk cultureel en maatschappelijk gegeven dat inspirerend kan werken voor lichamelijke opvoeding én dat motiverend kan zijn voor het kind. Lichamelijke opvoeding moet een kritische selectie maken van wat al of niet uit de sport kan worden gebruikt om de vooropgestelde doelen te bereiken. Sport als middel of sport als doel? In het basisonderwijs is het duidelijk een middel dat de kinderen een idee laat krijgen over de mogelijkheden van verschillende sporten.

2 Domeinen

De eindtermen lichamelijke opvoeding vallen onder drie groepen van doelstellingen:

1 De motorische competenties ontwikkelen

Dit houdt in: de bewegingsmogelijkheden van kinderen uitbouwen, basisvaardigheden ontwikkelen en specifieke vaardigheden leren in activiteiten die deel uitmaken van onze bewegingscultuur.

2 Een gezonde en veilige levensstijl ontwikkelen

Het gaat hier onder meer om eindtermen waardoor kinderen een fysieke basisconditie kunnen opbouwen en onderhouden. Men kan daarbij gebruik maken van de activiteitsgebieden zoals die beschreven staan bij de motorische competenties. Men kan ook een beroep doen op de motorische vaardigheden die daar ontwikkeld worden. Daarom worden sommige eindtermen die betrekking hebben op een gezonde en veilige levensstijl ook vermeld bij de motorische competenties.

Omdat een gezonde en veilige levensstijl verwerven ruimer is dan het bewegen of het trainen van de fysieke conditie, is coördinatie met Wereldoriëntatie - Gezondheidseducatie noodzakelijk. De integratie in andere leergebieden maakt dat leerlingen meer inzicht krijgen in wat een gezonde en veilige levensstijl inhoudt. Zo kan men efficiënter werken aan de vereiste attitudes.

3 Het zelfconcept en sociaal functioneren ontwikkelen

Via bewegingssituaties leert men zichzelf en anderen kennen en aanvaarden. Men leert bovendien samenwerken, elkaar helpen en steun verlenen. Ook dit gebeurt niet los van motorische taken. Vandaar dat men binnen het deel 'motorische competenties' al bepaalde aspecten van het zelfconcept en/of sociaal functioneren zal terugvinden. Ten slotte sluiten de eindtermen voor Wereldoriëntatie - domein Mens - en de eindtermen Sociale Vaardigheden hier goed bij aan.

naar boven