Lager Onderwijs: Uitgangspunten Nederlands

Voor Nederlands gelden de volgende, meer algemene doelstellingen:

  • de kinderen kunnen mondeling en schriftelijk informatie overdragen en verschillende mondelinge en schriftelijke boodschappen van anderen verwerken in relevante situaties in en buiten de school;
  • ze kunnen kritisch nadenken over taal en over eigen en andermans gebruik van die taal;
  • ze weten welke factoren bij communicatie van belang zijn en kunnen ermee rekening houden;
  • ze hebben een positieve bereidheid om:
    • taal te gebruiken in verschillende situaties om zichzelf te ontplooien en om informatie te geven en te krijgen;
    • na te denken over taal en taalgebruik;
  • ze hebben een onbevooroordeelde houding tegenover taalverscheidenheid en taalvariatie;
  • ze vinden plezier in de omgang met taal en in talige expressie.

1 Kerngedachten

Taal leren in het algemeen

Kinderen verwerven en gebruiken taal doordat ze opgroeien in communicatieve situaties. Al voor kinderen school lopen, voltrekt zich een indrukwekkend taalleerproces. Kenmerken daarvan vindt men terug in alle vormen van leren.

Een kind gebruikt voortdurend taal in zijn omgang met anderen: om iets te vertellen, ruzie te maken, iets te beloven, te protesteren, te fantaseren, ... Al heel vroeg is een kind bekwaam in een bepaalde situatie een taalregister te kiezen. Zo gebruikt een kind telkens een ander taalregister om aan leeftijdgenoten, familieleden, de leerkracht, onbekenden, enz. iets mee te delen, iets te vragen, om ze tot iets te bewegen, om voor zichzelf iets te fantaseren of gewoon uit plezier, om ermee te 'spelen'. Het maakt daarbij gebruik van zijn intuïtieve kennis (begrippen, inzichten, taalelementen) en doet nieuwe kennis en ervaringen op. Hierdoor gaat de taal die het kind al verworven heeft, functioneren in nieuwe situaties. Op die manier ontwikkelt het zijn taal en persoonlijkheid.

Als kinderen taal gebruiken of horen gebruiken, gaat dat vaak gepaard met een vorm van reflectie over die taal en dat taalgebruik: "Waarom zeggen wij ‘opa’ en mijn vriendjes ‘bompa’ of ‘grootva?’ of nog: "Papa, jij heet Frans. Zijn er ook papa's die Engels heten?"

Taal leren op school

Bij hun intrede in de basisschool hebben de meeste kinderen al belangrijke elementen van hun taalvaardigheid ontwikkeld. De school sluit het best bij dit natuurlijk ontwikkelingsproces aan. Het specifieke van het onderwijs is dat het kinderen bewust in situaties brengt die hen uitnodigen om taal te gebruiken. Daarbij kenmerkt het onderwijs in de Nederlandse taal zich, meer dan vroeger, door aandacht voor taalvaardigheden die nodig zijn voor het gewone leven. Voorts worden de onderwerpen gekozen uit de leefwereld van kinderen. Taalvaardigheid staat centraal. Dat wil zeggen dat het belangrijker is wat kinderen in natuurlijke situaties met taal kunnen doen dan wat ze theoretisch over taal weten. Het betekent ook dat het accent op communicatie ligt.

Er zijn kinderen die van huis uit standaard-Nederlands spreken. Hun taal verschilt minder van de taal die ze op school leren dan bij kinderen die van huis uit een dialect of een vreemde taal spreken. Voor deze laatsten is de taalkloof groter en moet het taalonderwijs in een aantal extra stappen voorzien.

Steeds meer groeit ook het inzicht dat taalonderwijs een ondersteunende functie heeft bij het onderwijs in andere leergebieden. Zo moet het kind voldoende taalvaardigheid bezitten om in Wereldoriëntatie, Wiskunde, Muzische Vorming, enz. de gegeven informatie te begrijpen.

Anderzijds komen veel inhouden, en dus ook doelen, van taalonderwijs aan de orde buiten het eigenlijke taalonderwijs. In alle leergebieden doen kinderen immers een beroep op hun taalvaardigheid om te spreken, te luisteren, te lezen en te schrijven. Hierdoor groeit het besef dat ook in de andere leergebieden meer aandacht moet gaan naar de talige aspecten van luisteren, spreken, lezen en schrijven.

Hedendaags taalonderwijs sluit ook aan bij het ontluikend nadenken van jonge kinderen over taal en over eigen en andermans taalgebruik. Dit noemt men taalbeschouwing. Het specifieke van het onderwijs in taalbeschouwing is dat het kinderen alert leert zijn om in natuurlijke situaties over taal en taalgebruik na te denken, te reflecteren. In het lager onderwijs is taalbeschouwing een belangrijk domein dat systematische aandacht vraagt.

Behalve taalvaardigheid en taalbeschouwing wil men door taalonderwijs ook houdingen of attitudes ontwikkelen. Voor een goede persoonlijke ontwikkeling en om behoorlijk te functioneren in de maatschappij hebben mensen inderdaad bepaalde attitudes nodig. Voorbeelden daarvan zijn: bereid zijn om naar anderen te luisteren, voor de eigen mening uitkomen en zin hebben in lezen.

De eindtermen taal en de beschrijvingscriteria

Het taalgebruik is het algemene uitgangspunt voor de formulering van eindtermen Nederlands. De situatie waarin het kind zich kan bevinden en de taken die het daarin moet kunnen vervullen, zijn daarbij essentiële gegevens. Om beide gegevens te beschrijven, werd gekozen voor teksttypes die van betekenis zijn voor de kinderen. Voorbeelden daarvan zijn brieven, verhalen, uitnodigingen, toetsvragen en instructies. Het gaat erom dat kinderen zich de situaties moeten kunnen voorstellen waarin ze met die bepaalde tekst worden geconfronteerd. Bovendien moet men redelijkerwijze kunnen verwachten dat ze met de informatie in die tekst kunnen omgaan.

Tekst verwijst in dit verband naar elke boodschap, mondeling of schriftelijk, die door het kind geproduceerd of verwerkt moet worden, bijvoorbeeld de inhoud van een brief, een mondelinge instructie, een telefoongesprek, ...

Met informatie worden alle inhouden bedoeld, die door middel van taal kunnen worden uitgedrukt (meningen, gedachten, gevoelens, ...).

Om te beschrijven wat kinderen op een bepaald niveau nu precies moeten kunnen doen met taal worden met betrekking tot de moeilijkheid van teksten twee criteria gebruikt:

  • het publiek
  • het verwerkingsniveau.

Criterium: publiek

Men gaat ervan uit dat elke tekst, in de betekenis die hierboven werd aangegeven, voor een bepaald publiek bedoeld is. Een kleuterboek is geschreven voor kinderen binnen een bepaalde leeftijdscategorie, een vraag wordt gericht tot een bepaald persoon. Men gaat er ook van uit dat de moeilijkheid van teksten van dezelfde soort groter wordt naarmate diegene voor wie zij bedoeld zijn (publiek), verder van het kind af staan. Dat heeft enerzijds te maken met de mate waarin het kind het publiek kent, en anderzijds met het leeftijdverschil. Zo komen we tot de volgende ordening van teksten, van gemakkelijker naar moeilijker.

Tekst bedoeld voor:

  • mezelf
  • bekende leeftijdgenoten
  • onbekende leeftijdgenoten
  • bekende volwassenen
  • onbekend publiek.

Een tekst voor een onbekend publiek is volgens dit criterium moeilijker dan een tekst van dezelfde soort voor bekende leeftijdgenoten. Dat betekent dan ook dat kinderen die in staat zijn een bepaalde tekst te verwerken of te produceren voor een 'onbekend publiek', dat ook zullen kunnen voor 'bekende leeftijdgenoten'. Men mag ervan uitgaan dat kinderen die bijvoorbeeld een brief moeten kunnen schrijven aan een bekende volwassene, ook een brief aan een klasgenoot kunnen schrijven. In de lijst werd enkel het als eindterm hoogst bereikbare publieksniveau opgenomen. De onderliggende niveaus worden als beheerst verondersteld.

Een soort teksten waarmee kinderen geconfronteerd worden, maar waarvoor eigenlijk geen publiek aan te wijzen valt, zijn teksten waarin het kind tot zelfexpressie komt. Expressief met taal bezig zijn betekent in taal uiting geven aan gevoelens, verwachtingen, emoties, enz. Het doel van deze vorm van taalgebruik is het taalgebruik zelf en niet zozeer hoe het publiek dit taalgebruik verwerkt. Sterker nog, bij dit expressieve taalgebruik wordt met geen publiek rekening gehouden. Dit betekent dat zelfexpressie in taal veeleer een kwestie van attitude is dan een kwestie van vaardigheid die op een bepaald niveau kan worden toegepast.

Het is heel belangrijk dat kinderen ertoe worden aangezet om taal als expressiemiddel te ontdekken. Uitgangspunt is echter dat men geen uitspraken kan doen over het niveau van taalvaardigheid waarop expressie plaats moet vinden. Daarom werd geoordeeld dat deze specifieke invulling van expressie het best tot uiting komt in de attitudinale eindtermen.

Voor alle duidelijkheid dient gezegd dat 'expressie' in vormen als expressief spreken en expressief voorlezen van een andere aard is dan wat in het kader van de geformuleerde eindtermen wordt bedoeld met expressief taalgebruik. Expressief spreken en lezen, zijn duidelijk gericht op een publiek. Het gaat om varianten binnen communicatief taalgebruik.

Criterium: verwerkingsniveau

Om te beschrijven wat kinderen op een bepaald niveau precies moeten kunnen doen met taal blijkt nog een tweede beperkend criterium nodig. Een kind kan bijvoorbeeld op elk moment in zijn schoolloopbaan 'een instructie' geven die bedoeld is voor 'leeftijdgenoten'. Nochtans zijn de eisen die aan een dergelijke instructie gesteld worden erg verschillend voor een zesjarige en een elfjarige. Om dit verschil aan te geven, werd als tweede criterium het verwerkingsniveau gehanteerd. Dat is het niveau waarop de leerlingen talige inhouden moet verwerken om de gestelde taaltaak goed uit te voeren.

Bij alle teksttypes in de eindtermen wordt niet enkel het beoogde publiek, maar ook het verwerkingsniveau omschreven. Men vindt die aanduidingen in de eindtermenlijst, telkens voorafgaand aan de eindtermen waarvoor ze gelden. We onderscheiden vier grove categorieën van verwerking:

  • kopiërend: vrij letterlijk weergeven van informatie;
  • beschrijvend: de informatie zoals die in teksten is opgebouwd in grote lijnen achterhalen;
  • structurerend: de informatie zoals die in teksten voorkomt op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen;
  • beoordelend: de informatie op een persoonlijke wijze ordenen en die op basis van hetzij de eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen beoordelen.

In de lijst van eindtermen werd enkel het als eindterm hoogst bereikbare verwerkingsniveau opgenomen.

2 Domeinen

De eindtermen Nederlands zijn geordend in zes domeinen. In navolging van de gangbare praktijk zijn de eerste vier domeinen de vier vaardigheden: luisteren, spreken, lezen en schrijven. Om de eindtermen voor luisteren, spreken, lezen en schrijven te realiseren moeten kinderen adequate strategieën kunnen hanteren. De (belangrijke) eindterm die verwijst naar deze ondersteunende strategieën wordt apart vermeld in een vijfde domein. Om uiting te geven aan het belang van nadenken over taal en over taalgebruik wordt taalbeschouwing als zesde domein onderscheiden.

Samengevat betekent dit dat de eindtermen Nederlands geordend worden in de volgende domeinen:

  • Luisteren
  • Spreken
  • Lezen
  • Schrijven
  • Vaardigheden/strategieën
  • Taalbeschouwing.

Merk op dat vele communicatieve situaties enkel op een min of meer kunstmatige wijze aan één van de domeinen kunnen worden toegewezen. Zo kan men in een gesprek luisteren en spreken moeilijk van elkaar scheiden. Zo kan men zich ook de vraag stellen of het vertellen over een boek nu een spreek- of een leesactiviteit is. Het niet onderscheiden van deze domeinen zou echter voor grote moeilijkheden zorgen.

naar boven