|
| |
Uitgangspunten bij de eindtermen en ontwikkelingsdoelen Moderne vreemde
talen voor het lager en het secundair onderwijs
Overzicht
De tekst is als volgt opgebouwd:
1 Situering
2 Accenten bij de eindtermen en ontwikkelingsdoelen MVT
3 Funderende doelstellingen op basis van een leerlijn
4 Structurering eindtermen/ontwikkelingsdoelen
4.1 Vijf vaardigheden
4.2 Taaltaak en tekst
4.3 Tekstsoorten
4.4 Tekstkenmerken
4.5 Verwerkingsniveaus
4.6 Strategieën en attitudes
4.7 Ondersteunende kennis
4.8 Cultuur
5 Het Europees Referentiekader MVT (als toetsingskader) ERK
1 Situering
Het belang van meerdere talen te kennen neemt toe naarmate de samenleving
meer multicultureel wordt en naarmate landen geconfronteerd worden met de
nevenverschijnselen van de globalisering. Een land dat erin slaagt zijn
bevolking op een minimaal niveau van meertaligheid te brengen voorkomt het
gevaar dat eentaligheid een risicofactor wordt van maatschappelijke
uitsluiting voor het individu en van isolement in de wereldgemeenschap.
Vandaar de bezorgdheid van de overheid om meer aandacht te besteden aan een
talenbeleid.
Op 8 februari 2007 stelde minister Vandenbroucke zijn talenbeleidsnota ‘De Lat
hoog voor Talen in iedere school'. Goed voor de Sterken en Sterk voor de
Zwakken’ voor aan de Commissie voor Onderwijs, Vorming, Wetenschap en
Innovatie in het Vlaamse Parlement. De nota werd in het parlement in zijn
geheel positief ontvangen, en het departement Onderwijs en Vorming stelde
een actieplan op voor de uitvoering ervan.
Zowel voor Nederlands als voor de moderne vreemde talen bevat deze nota
eindtermenwerk, onder meer de herziening van bestaande eindtermen.
De Talennota is niet los te zien van het beleid van de Europese Unie. Nu de EU
27 lidstaten telt en 23 officiële talen erkent, is meertaligheid een
belangrijk agendapunt geworden. Een commissaris werd aangesteld om het
gebruik van deze talen in de Unie op te volgen en er een beleid rond te
voeren.
Het EU-meertalenbeleid gaat terug tot de Lissabonakkoorden van 2000,
gespecifieerd op de top van Barcelona in 2002 en ligt vervat in de
Lissabonstrategie. In maart 2002 hebben de staatshoofden en
regeringsleiders van de Europese Unie op de Europese Raad van Barcelona[1]
aangedrongen op het onderwijzen van ten minste twee vreemde talen en dat
vanaf zeer jonge leeftijd. De langetermijndoelstelling van de Commissie
bestaat erin de individuele meertaligheid te bevorderen opdat alle burgers
beschikken over praktische vaardigheden in ten minste twee talen (de
moedertaal niet meegerekend)[2].
In een eerste mededeling van de commissaris wordt de gevoerde
kaderstrategie toegelicht en wordt een omschrijving gegeven van wat de
Commissie onder meertaligheid verstaat. “Meertaligheid betekent zowel het
vermogen om verschillende talen te gebruiken als het samenleven van
verschillende taalgemeenschappen in hetzelfde geografische gebied.” M.a.w.
de EU is voornamelijk bekommerd om de maatschappelijke meerwaarde van
meertaligheid. Het is aan de onderwijsdeskundigen en
beleidsverantwoordelijken om deze beleidsoptie inhoud en vorm te geven.
Het bevorderen van taalvaardigheid is, na een raadpleging van enkele jaren, in
2005 één van de twintig kernindicatoren geworden waarrond gewerkt wordt om
de doelstelling van Lissabon te kunnen verwezenlijken dat Europa “de
meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld dient te
worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere
banen en een hechtere sociale samenhang”.
Ook de sleutelcompetenties die in december 2006 door het Europees Parlement
werden goedgekeurd, hechten zeer veel belang aan de competenties voor talen[3].
2 Accenten bij de eindtermen en ontwikkelingsdoelen MVT
Tien jaar geleden is na een maatschappelijk debat vastgelegd welke kennis,
inzicht, vaardigheden en attitudes wenselijk en haalbaar zijn voor onze
leerlingen. Dat zijn de eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Die nemen de
inrichtende machten op herkenbare wijze in hun leerplannen op. En ook
uitgeverijen gaan met eindtermen en leerplannen aan de slag om leermiddelen
te ontwikkelen die het onderwijzen van leraren en het leren van leerlingen
ondersteunen.
Het huidig curriculum voor de basisvorming moderne vreemde talen ziet
er als volgt uit:
- In het lager onderwijs is Frans als verplicht leergebied
aanwezig. Het decreet basisonderwijs maakt een onderscheid tussen
talensensibilisering en taalinitiatie (Frans).
Talensensibilisering is al spelend, zingend zich gewennen aan de
tonaliteit van een andere taal. Taalinitiatie is een
aan formeel talenonderwijs voorafgaand aanbod van 'talige activiteiten'.
Soms kan het qua woordenschat al wat verder gaan dan een occasionele
aanpak.(tellen van dagen van de week, maanden, populaire aftelrijmpjes). Als
men aan taalinitiatie doet, moet het verplicht in de eerste plaats om Frans
gaan. In de volgende schematische balkvoorstelling is aangeduid dat er een
duidelijk verschil bestaat tussen het formele systematische onderwijs in het
Frans en de voorafgaande activiteiten.
| Talensensibilisering |
Taalinitiatie (Frans) |
Formeel talenonderwijs |
- In de A-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs zijn
Frans en Engels in de basisvorming opgenomen; de te bereiken
minimumdoelstellingen zijn in eindtermen vastgelegd. De vigerende eindtermen
gaan echter nog uit van de situatie dat Frans geen verplicht leergebied was
in het basisonderwijs. Hier is een aanpassing en een betere aansluiting
nodig als gevolg van de nieuwe situatie die is ontstaan na de wijziging van
het decreet basisonderwijs.
- In de B-stroom van de eerste graad is geen enkele vreemde taal
opgenomen in de basisvorming. Er zijn wel ontwikkelingsdoelen voor Frans
ontworpen ten dienste van scholen die het vak Frans willen aanbieden via het
complementaire gedeelte van de lessentabel. De afwezigheid van een vreemde
taal in de basisvorming van de B-stroom is problematisch in het licht van de
Europese aanbevelingen en van de vaststelling dat in de ons omringende
landen de eerste vreemde taal (meestal) als een verplicht vak in de
basisvorming is opgenomen voor alle leerlingen van het lager secundair
onderwijs (zowel in comprehensieve als in categoriale onderwijsstructuren).
- In de tweede en in de derde graad van het beroepssecundair onderwijs
is momenteel geen enkele vreemde taal in de basisvorming opgenomen; er zijn
dus ook geen eindtermen voorhanden. Daardoor gelden dezelfde bedenkingen als
voor de B-stroom van de eerste graad. Daarenboven is het om sociale en
economische redenen van belang dat leerlingen in deze onderwijsvorm zich bij
het einde van hun secundair onderwijs op een persoonlijk en maatschappelijk
redzaamheidsniveau kunnen uitdrukken in ten minste één vreemde taal.
- In de tweede en in de derde graad van het technisch en het
kunstsecundair onderwijs is één vreemde taal (Frans of Engels, naar
keuze) opgenomen in de basisvorming. De beschikbare eindtermen zijn voor
beide vakken dezelfde.
- In ASO tweede en derde graad zijn twee MVT verplicht.
Het herziene curriculum voor moderne vreemde talen (MVT):
- sluit aan bij de doelstellingen van het MVT-aanbod in het
basisonderwijs (talensensibilisering, eindtermen Frans), zoals dit is
vastgelegd in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd op
7 mei 2004;
- geeft, overeenkomstig de Europese aanbevelingen, iedereen bij het einde
van het leerplichtonderwijs - met uitzondering van BSO - de mogelijkheid
persoonlijke en professionele contacten te leggen in twee vreemde talen op
een minimaal beheersingsniveau;
- is omwille van de transparantie voor de onderwijsverstrekkers en
-gebruikers, voor de basisvorming van alle structuuronderdelen
(onderwijsvormen en graden) vastgelegd in operationele
ontwikkelingsdoelen/eindtermen, met een herkenbare aanduiding van het
gewenste beheersingsniveau, getoetst aan het Europees Referentiekader voor
moderne vreemde talen (ERK).
De eindtermen Frans in het basisonderwijs zijn herzien.
Engels en Frans behoren decretaal tot de verplichte vakken in de A-stroom
van de eerste graad secundair onderwijs. Dat is zo gebleven. De
eindtermen Frans moeten verder bouwen op de eindtermen Frans van het
basisonderwijs. Ze werden in die optiek aangepast.
Voor de B-stroom van de eerste graad werden de bestaande
ontwikkelingsdoelen voor Frans herzien in het licht van het nieuwe statuut
van verplicht vak. Zij zijn geherformuleerd als operationele doelstellingen,
op een niveau dat niet hoger ligt dan de eindtermen Frans van het
basisonderwijs, aangezien niet verwacht kan worden dat de meeste leerlingen
bij de start in de B-stroom deze eindtermen hebben gehaald.
Voor de tweede en de derde graad bso zullen Frans of Engels deel
uitmaken van de basisvorming voor alle leerlingen. Dit moet de leerlingen in
staat stellen hun eigen wensen uit te drukken in functioneel, alledaags
Engels of Frans en tegemoet komen aan wat de maatschappij als een strikt
taalvaardigheidsminimum vereist. Door eindtermen te formuleren voor de
B-stroom en bso komen we tegemoet aan de maatschappelijke uitdaging om de
kloof te dichten tussen mensen die wel en andere die niet mee kunnen met de
maatschappelijke meertaligheid.
Het moet de leerlingen in staat stellen hun eigen wensen uit te drukken in
functioneel, alledaags Engels of Frans en tegemoet komen aan wat de
maatschappij als een strikt taalvaardigheidsminimum – zelfredzaamheid –
vereist. De leerlijn van lager onderwijs over 1ste graad naar 3de graad bso
maakt een knik in 2de graad bso. Dit is bewust zo gekozen door de
ontwikkelgroep omwille van de heterogeniteit van de leerlingpopulatie. Er
kan immers van uitgegaan worden dat een deel van de leerlingengroep in 2de
graad bso de eindtermen van 1ste graad A-stroom en zelfs lager onderwijs
niet gehaald heeft. Verder stromen er ook leerlingen in vanuit 1ste graad
B-stroom (ontwikkelingsdoelen) en buitengewoon onderwijs.
In de 2de graad is dus de optie genomen de grootst mogelijke kansen te
bieden op het consolideren van bestaande taalvaardigheden en remediëring van
wat ontbreekt door terug aan te sluiten zowel bij het taalvaardigheids
niveau in de 1ste graad als het basisonderwijs. Na 2de graad loopt de
leerlijn weer lineair stijgend verder tot en met het 3de jaar van de 3de
graad.
Voor de tweede en de derde graad aso blijven Frans én Engels in de
basisvorming opgenomen.
Voor de tweede en de derde graad kso en tso worden Frans én Engels in
de basisvorming opgenomen. Als motivering geldt dat een leerling kso of
tso zonder minimale kennis en vaardigheden in het Frans en in het Engels in
de huidige tijd van internationalisering onvoldoende gekwalificeerd is. Er
wordt op deze wijze aangesloten op de reeds eerder vermelde
sleutelcompetenties (Key Competences), door de EU aanbevolen. Bovendien
stromen deze leerlingen vaak door naar een professionele bachelor, of in de
toekomst naar het hoger beroepsonderwijs, wat kennis en vaardigheden in het
Frans en in het Engels noodzakelijk maakt.
3 Funderende doelstellingen op basis van een leerlijn
Er is een systematische leerlijn ontwikkeld vanaf de start van het
lager onderwijs tot het einde van het secundair onderwijs. Het leren van een
taal volgt immers een ononderbroken ontwikkelingslijn.
Deze leerlijn (basisonderwijs - 1ste graad - 2de
graad - 3de graad) wordt trapsgewijs opgebouwd op
basis van:
- handelingsgerichte taken
- tekstsoorten
- tekstkenmerken
- strategieën
De leerling start in het basisonderwijs met een taaltaak gekoppeld aan een
verwerkingsniveau. Eens een taaltaak, inclusief verwerkingsniveau en
tekstsoort afgebakend is, blijven deze drie elementen aanwezig, maar de
complexiteitsgraad verhoogt. Strategieën helpen dan om een taaltaak
gerichter en efficiënter uit te voeren.
De ‘lat hoog voor talen’ houdt een verticale leerlijn in: zoveel
mogelijk leerlingen voor talen het drempelniveau laten overstijgen. De
ambitie is alle leerlingen uit het aso voor twee vreemde talen én voor alle
vaardigheden naar een B1- niveau (cfr. punt 5: het Europees Referentiekader)
brengen. Ook voor tso en kso mag de lat bepaald hoog liggen. Deze leerlingen
worden best onafhankelijke taalgebruikers.
Ook de overgang van lager onderwijs naar secundair onderwijs is in deze
leerlijn meegenomen. Afstemming tussen beide onderwijsniveaus is cruciaal
voor een succesvolle start in het secundair onderwijs. Ook al was Frans tot
2004 niet verplicht in de basisschool, toch richtten de meeste basisscholen
Frans in de 3e graad in. Sinds 2004 is Frans verplicht vanaf het vijfde
leerjaar in alle lagere scholen in Vlaanderen. De ontwikkelcommissie heeft
in één beweging de eindtermen Frans voor het basisonderwijs en de eerste
graad van het secundair onderwijs herzien en gezorgd voor een geleidelijke
opbouw. Zo zullen leerkrachten van de 1e graad naadloos kunnen aansluiten op
wat de leerlingen in het basisonderwijs al leerden.
Niet enkel is er verticale samenhang maar ook op de horizontale lijn
zijn de (herziene) ET op elkaar afgestemd. Er is de afstemming tussen leer-
en communicatiestrategieën, MVT en Nederlands en hoewel de leraar talen niet
de enige is die met vakoverschrijdende thema's te maken heeft, is hij zeer
goed geplaatst om een aantal vakoverschrijdende eindtermen in zijn vak te
integreren.
Bovendien zijn alle eindtermenpakketten van de verschillende
onderwijsniveaus gelijktijdig en in samenhang ontwikkeld.
De funderende doelstellingen verduidelijken de bovenstaande visie op
het onderwijs moderne vreemde talen en ze worden verder geconcretiseerd in
de eindtermen:
- Moderne vreemde talen receptief en productief, mondeling en
schriftelijk, effectief en interactief gebruiken als
communicatiemiddel in relevante situaties.
- In staat zijn het taalgebruik aan te passen aan het doel van de taaltaak.
- De ondersteunende kennis beheersen die nodig is voor het uitvoeren van de
taaltaak: vorm, betekenis, reële gebruikscontext van woorden en grammaticale
constructies, aspecten van de socioculturele verscheidenheid van de
Franstalige en Engelstalige wereld.
- Via reflectie op de taaltaak de hierboven beschreven functionele kennis
uitbreiden om de doeltreffendheid en de accuraatheid van de communicatie te
verhogen.
- Talige strategieën verwerven om de specifieke taaltaken efficiënter te
kunnen uitvoeren.
- Het belang inzien van en interesse hebben voor het leren van vreemde talen
en gemotiveerd zijn om de taal ook buiten de klascontext te verwerven.
- De gebruiksmogelijkheden van vreemde talen waarderen door gevoel te
ontwikkelen voor effectieve communicatie en door plezier te beleven aan
mondelinge en schriftelijke communicatie.
- Bereid zijn tot intercultureel contact.
4 Structurering eindtermen/ontwikkelingsdoelen
Voor de selectie, de formulering en de structurering van de eindtermen
wordt vertrokken van een aantal uitgangspunten. Het onderwijs moderne
vreemde talen is in essentie gericht op het verwerven van taalvaardigheid.
Het einddoel is leerlingen vlot te leren communiceren. Het hoofddoel is
dus niet wat leerlingen over taal weten, maar wat ze ermee kunnen doen.
4.1 Vijf vaardigheden
In navolging van de talenbeleidsnota werden eindtermen en
ontwikkelingsdoelen voor vijf vaardigheden (luisteren, lezen, spreken,
mondelinge interactie en schrijven) geformuleerd. In de lijn van het
Europese Referentiekader voor Talen wordt de samenzetting
‘spreken/gesprekken voeren’ in de vigerende eindtermen opgesplitst in
‘spreken’ en ‘mondelinge interactie’ zodat er nu vijf vaardigheden zijn in
plaats van vier. Meteen wordt hiermee de communicatieve vaardigheid
meer beklemtoond. Uiteraard kunnen veel communicatiesituaties alleen op een
vrij kunstmatige wijze aan één van deze vaardigheidsdomeinen worden
toegewezen. Zo zijn in een gesprek 'luisteren' en 'spreken' niet van elkaar
te scheiden; een mondelinge synthese van een gelezen tekst is zowel een
lees- als een spreekactiviteit. Omdat interactieve communicatie het
uiteindelijke doel is, moeten leerlingen voldoende het geïntegreerde
karakter van de vijf vaardigheden ervaren. Toch blijkt het nuttig om de vijf
vaardigheden van elkaar te onderscheiden en ze afzonderlijk in eindtermen te
beschrijven; bepaalde vaardigheden kunnen immers ook op zichzelf staan en de
eindtermen/ontwikkelingsdoelen kunnen via de vijf vaardigheden
overzichtelijk worden ingedeeld.
4.2 Taaltaak en tekst
Omdat functioneren in taal centraal staat, is voor de formulering van de
eindtermen/ontwikkelingsdoelen uitgegaan van de taaltaken die
leerlingen in relevante situaties moeten kunnen uitvoeren. De taaltaak
beschrijft wat iemand doet met taal.
Taalvaardigheid staat nooit los van communicatieve situaties en manifesteert
zich doorheen de receptie en productie van teksten. Daarom wordt de
'tekst' gekozen als de eenheid van beschrijving. Zoals dat in de definitie
van de Raad van Europa het geval is, verwijst 'tekst' ook hier naar elke
boodschap die door leerlingen geproduceerd of ontvangen wordt, zowel
mondeling als schriftelijk. Iedere vorm van communicatie leidt immers tot
tekst. Met 'tekst' wordt dus niet enkel verwezen naar geschreven teksten.
Leerlingen moeten enerzijds boodschappen uit gesproken en geschreven teksten
kunnen ophalen en anderzijds sprekend en schrijvend boodschappen in een
geschikte vorm weten te formuleren.
Een essentiële vraag is welke teksten voor welke groep van leerlingen in
aanmerking komen; welke teksten zijn nuttig en zinvol? Een belangrijk
principe is dat de teksten in elk geval relevant moeten zijn. Men moet zich
situaties kunnen voorstellen waarin leerlingen met die bepaalde tekst
geconfronteerd worden en ermee kunnen omgaan. De te ontvangen en te
produceren teksten moeten zo veel mogelijk aansluiten bij de interesse, de
leefwereld en de aanleg van de leerlingen. De leerlingen moeten het
aangeboden materiaal als zinvol ervaren, bijvoorbeeld omdat het aansluit bij
hun specifieke belangstellingssfeer, iets wat onder meer verbonden kan zijn
met de gekozen studierichting. Dit neemt niet weg dat het taalmateriaal er
ook op gericht is het interesseveld van de leerlingen uit te breiden en te
verdiepen.
Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal
factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen
leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de
moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn
en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten
beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van
tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze
elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de
moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van
deze criteria voor voldoende differentiatieruimte.
4.3 Tekstsoorten
Bij het formuleren van de eindtermen wordt aangegeven met welke 'teksten'
leerlingen worden geconfronteerd. Vijf soorten worden onderscheiden:
informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en
artistiek-literaire teksten. Deze tekstsoorten worden omschreven op basis
van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt:
- bij informatieve teksten het overbrengen van informatie;
- bij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de
ontvanger;
- bij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en
gebeurtenissen;
- bij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;
- bij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component
expliciet aanwezig is.
| Tekstsoort |
Omschrijving |
Voorbeelden |
| Informatieve teksten |
het overbrengen van informatie |
schema, tabel, krantenartikel, nieuwsitem,
mededeling, folder, verslag, formulier, brief, e-mail, documentaire,
interview, gesprek, uiteenzetting (door de leerkracht), recensie |
| Prescriptieve teksten |
het rechtstreeks sturen van het handelen van de
ontvanger |
instructie (m.b.t. klasgebeuren), opschrift,
waarschuwing, gebruiksaanwijzing, handleiding, publieke aankondiging,
reclameboodschap |
| Argumentatieve teksten |
het opbouwen van een redenering |
pamflet, betoog, essay, discussie, debat |
| Narratieve teksten |
het verhalend weergeven van feiten en
gebeurtenissen |
reportage, scenario, relaas, interview,
hoorspel, verhaal, film, feuilleton, reisverhaal |
| Artistiek-literaire teksten |
expliciete aanwezigheid van esthetische
component |
gedicht, kortverhaal, roman, toneel,
stripverhaal, chanson/song |
Deze classificatie mag niet absoluut worden geïnterpreteerd. Eenzelfde
tekst kan immers onder verschillende tekstsoorten geklasseerd worden,
afhankelijk van de component die men voor een specifieke taaltaak centraal
stelt. Zonder de opdeling in tekstsoorten te willen hanteren als een
absoluut criterium ter aanduiding van de moeilijkheidsgraad, kunnen we toch
stellen dat bepaalde tekstsoorten meestal moeilijker zijn dan andere. Zo
zijn informatieve en prescriptieve teksten doorgaans gemakkelijker dan
narratieve, argumentatieve of artistiek-literaire teksten. De informatie
ophalen uit een eenvoudig gedicht (artistiek-literair) bijvoorbeeld is in
principe moeilijker dan de informatie ophalen uit een eenvoudig schema
(informatief). En het schrijven van een eenvoudig betoog (argumentatief) is
complexer dan het schrijven van een eenvoudige waarschuwing (prescriptief).
Dat neemt niet weg dat ook binnen eenzelfde tekstsoort de moeilijkheidsgraad
van teksten sterk kan variëren. Zo is in principe een opschrift eenvoudiger
dan een gebruiksaanwijzing (allebei prescriptief) en een mededeling
eenvoudiger dan bijvoorbeeld een verslag (allebei informatief).
4.4 Tekstkenmerken
De moeilijkheidsgraad van een te ontvangen of een te produceren tekst wordt
mede bepaald door intrinsieke kenmerken. Wanneer tekstkenmerken voor teksten
bij een taaltaak van toepassing zijn, worden die geformuleerd onder volgende
items:
- onderwerp (bijvoorbeeld: eigen leefwereld en dagelijks leven);
- taalgebruikssituatie (bijvoorbeeld: met aandacht voor digitale media);
- structuur, samenhang en lengte (bijvoorbeeld: af en toe iets langere
teksten);
- uitspraak, articulatie en intonatie (bijvoorbeeld: zorgvuldige
articulatie);
- tempo en vlotheid (bijvoorbeeld: normaal tempo);
- woordenschat en taalvariëteit (bijvoorbeeld: overwegend eenduidig in de
context).
4.5 Verwerkingsniveaus
Om te beschrijven wat leerlingen met taal moeten kunnen doen, wordt het
verwerkingsniveau als criterium gebruikt. Voor de eindtermen worden vier
verwerkingsniveaus onderscheiden, waarbij het volgende telkens het
voorafgaande insluit:
- kopiërend niveau: teksten of woorden letterlijk weergeven; er gebeurt
hier geen wezenlijke verwerking van de aangeboden informatie;
- beschrijvend niveau: de aangeleverde informatie inhoudelijk opnemen zoals
ze wordt aangeboden of de informatie weergeven zoals ze zich heeft
voorgedaan: in de informatie als zodanig wordt geen "transformatie"
aangebracht;
- structurerend niveau: de informatie achterhalen en op persoonlijke en
overzichtelijke wijze ordenen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen
of te lezen geven;
- beoordelend niveau: de informatie achterhalen, op een persoonlijke wijze
ordenen en beoordelen op basis van informatie uit andere bronnen.
Een verwerkingsniveau wordt beschreven door middel van omschrijvingen met
als kern een operationeel werkwoord.
| |
receptieve vaardigheden
luisteren - lezen |
productieve vaardigheid
spreken |
productieve vaardigheid
schrijven |
mondelinge interactie |
| kopiërend verwerkingsniveau |
|
- woorden en zinnen nazeggen
- teksten luidop voorlezen
|
- woorden en/of een tekst
overschrijven
- standaarduitdrukkingen en vaste frasen overnemen
|
- in een gespreksituatie worden de
taaltaken gerangschikt onder luisteren en spreken uitgevoerd
|
| beschrijvend verwerkingsniveau |
- globale onderwerp bepalen
- hoofdgedachte achterhalen
- spontane mening/appreciatie vormen
- gedachtegang volgen
- relevante informatie selecteren
- tekststructuur en -samenhang herkennen
|
- informatie geven en vragen
- navertellen
- spontane mening/appreciatie geven
- beschrijven
|
- invullen
- inhoud globaal weergeven
- spontane mening/appreciatie geven
- mededeling schrijven
- beschrijven
|
- in een gespreksituatie worden de
taaltaken gerangschikt onder luisteren en spreken uitgevoerd
|
| structurerend verwerkingsniveau |
- informatie op overzichtelijke en
persoonlijke wijze ordenen
|
- samenvatten
- verslag uitbrengen
|
- samenvatten
- verslag/brief schrijven
|
- in een gespreksituatie worden de
taaltaken gerangschikt onder luisteren en spreken uitgevoerd
|
| beoordelend verwerkingsniveau |
|
|
|
- in een gespreksituatie worden de
taaltaken gerangschikt onder luisteren en spreken uitgevoerd
|
Zoals reeds vermeld, komen de vijf vaardigheden vanzelfsprekend
gecombineerd en geïntegreerd aan bod bij het uitvoeren van taaltaken. Daarin
kan uiteraard ook een groeiende complexiteit zitten.
Bij het concreet formuleren van eindtermen door middel van operationele
werkwoorden is van de volgende principes uitgegaan:
- De eindtermen/ontwikkelingsdoelen zijn geformuleerd op basis van
operationele werkwoorden en niet op basis van de abstractere
verwerkingsniveaus omdat de operationele werkwoorden het mogelijk maken ook
binnen een zelfde verwerkingsniveau differentiatie aan te brengen. Zo kan
men er bijvoorbeeld bij het beschrijvend omgaan met artistiek-literaire
teksten van uitgaan dat het voor een bepaalde groep leerlingen (nog) niet
aangewezen is 'relevante informatie te selecteren' of de 'tekststructuur en
-samenhang te herkennen'.
- De operationele werkwoorden van een hoger verwerkingsniveau impliceren
- gecombineerd met een inhoud - de operationele werkwoorden van het
voorafgaande verwerkingsniveau. Wie bijvoorbeeld in staat is een
persoonlijk, goed gedocumenteerd en geordend mondeling 'verslag uit te
brengen' (structurerend spreken), zal ook bekwaam zijn 'iets na te
vertellen' (beschrijvend spreken). Het bijna letterlijk nazeggen en het
letterlijk overschrijven van taalmateriaal, wat zich op het kopiërend
verwerkingsniveau bevindt, is in het beschrijvende verwerkingsniveau
geïmpliceerd.
- Vanzelfsprekend zijn niet noodzakelijk alle operationele werkwoorden van
een bepaald verwerkingsniveau op alle tekstsoorten van toepassing. Zo lijkt
'relevante informatie selecteren' bij een prescriptieve tekst niet erg
zinvol. Alle informatie is hier essentieel. En het 'geven van een spontane
mening/appreciatie' naar aanleiding van de concrete tekst 'formulier' is
wellicht ook niet relevant.
Het is bij dit alles van wezenlijk belang dat de moeilijkheidsgraad van de
eindtermen niet bepaald wordt door één van de hierboven vermelde criteria,
maar dat precies het samenspel van de verschillende parameters -
tekstsoort, tekstkenmerken en verwerkingsniveau - de moeilijkheidsgraad
bepaalt.
Voor echt taalvaardigheidsonderwijs moeten leerlingen immers geconfronteerd
worden met een gevarieerd taalaanbod én met uitdagende taaltaken. Zo kan het
zeer waardevol zijn een moeilijker verwerkingsniveau te verbinden met een
tekst die eenvoudiger is qua tekstsoort en tekstkenmerken. Enerzijds kunnen
leerlingen op die manier bijvoorbeeld geleidelijk aan n.a.v. eenvoudig,
vertrouwd materiaal een argumentatie leren opbouwen in de vreemde taal.
Anderzijds kan men evengoed een eenvoudig verwerkingsniveau verbinden met
een tekst die moeilijker is qua tekstsoort en/of tekstkenmerken.
4.6 Strategieën en attitudes
Voor het uitvoeren van de taaltaken die hierboven voor elk van de vijf
vaardigheden beschreven zijn, is het essentieel dat de leerlingen een aantal
doelen realiseren die te maken hebben met strategieën en attitudes.
Onder strategieën verstaan we het geheel van technieken die de leerling
toepast om de taaltaak zo compleet en zo efficiënt mogelijk uit te voeren.
Het zijn planmatige technieken, procedures, handelwijzen die elke
taalgebruiker min of meer bewust hanteert en die door onderwijs ontwikkeld
en versterkt worden.
Bij het ontvangen/produceren van tekst zijn bepaalde attitudes -
bijvoorbeeld: bereid zijn tot communicatie, lees- en luisterbereidheid… -
onmisbaar. Met het oog op de controle door de inspectie worden de attitudes
met een asterisk (*) aangeduid. Het komt er dus op aan de leerlingen kansen
te bieden om deze attitudes te ontwikkelen door het aanbieden en inoefenen
van daarop gerichte activiteiten.
4.7 Ondersteunende kennis
Vaardigheden en kennis gaan samen en moeten dan ook samen worden
ontwikkeld. Daarom werd in de nieuwe eindtermen niet alleen de pijler
‘vaardigheden’ versterkt, maar ook de pijler ‘kennis’. Zonder een diepgaand
inzicht in de fundamentele bouwstenen van wat een taal is, kan
taalverwerving niet tot op een hoog niveau geraken. Je kunt een taal leren
spreken en communicatief slechts tot op zekere hoogte hanteren door
onderdompeling en nabootsing.
Taalstructurele aandacht moet dus worden geïntegreerd in het
vaardigheidsonderwijs.
Taalstructuren zijn er in engere en in bredere zin. In engere zin
worden er de structuren van het taalsysteem (de ‘grammatica’) mee bedoeld:
woorden, woordvorming, woordsoorten, woordgroepen, zinsdelen, zinstypes,
enkelvoudige en complexe zinnen; soms daarbij ook het klanksysteem, en als
afgeleide het spellingsysteem.
In bredere zin omvat het begrip ‘taalstructuren’ óók de structuren en de
systematiek achter het taalgebruik in allerhande communicatieve situaties:
de contextueel-situationele, stilistische, pragmatische, sociale en
psychologische aspecten van het taalgebruik. ‘Kennis’ is geen simpel,
eenduidig begrip.
Naar aanleiding van taaltaken bouwen de leerlingen geleidelijk hun taalkennis
op.
De relatie tussen deze operationele kennis en taalvaardigheid is geen
eenrichtingsverkeer, waarbij kennis louter ondersteunend zou zijn voor de
vaardigheden. Immers, bij het uitvoeren van de taaltaak kunnen leerlingen
hun kennis niet alleen inzetten; ze kunnen die onder begeleiding ook
uitbreiden via reflectie op de ontvangen of geproduceerde tekst. Inzicht in
allerlei taalverschijnselen en reflectie over eigen en andermans taalgebruik
bevorderen de taalvaardigheid. Gerichte reflectie over wat men wil meedelen
en hoe men een taaltaak uitvoert, versterkt de taalvaardigheid en doet ze
aan doeltreffendheid en accuraatheid winnen. Voorwaarde is wel dat die
reflectie gebeurt op het niveau van abstractie waar de leerlingen op dat
moment aan toe zijn. Taalvaardigheidsonderwijs draagt op die manier ook bij
tot het verhogen van het kennisniveau. In alle eindtermenpakketten wordt
telkens de basistaalkennis aangegeven die een leerling nodig heeft om te
communiceren.
Taalstructuren zijn belangrijk om een taal te leren, maar het moet gebeuren in
aansluiting bij het niveau van cognitieve ontwikkeling en abstractievermogen
waarop de leerlingen zich bevinden. Vanuit die optiek werden de eindtermen
Nederlands taalbeschouwing voor lager onderwijs, de A-stroom van de 1ste
graad secundair onderwijs en de ontwikkelingsdoelen van de B-stroom van de 1ste
graad secundair onderwijs herzien en is een beperkte lijst van begrippen en
termen ontwikkeld en in de eindtermen/ontwikkelingsdoelen Nederlands
opgenomen. Dit houdt in: een nadere concretisering van wat voor leerlingen
op het einde van het basisonderwijs voor taalbeschouwing echt nodig en
haalbaar is en een verbetering van de aansluiting basisonderwijs - secundair
onderwijs op dit vlak.
In de eindtermen MVT van de eerste graad gaat men ervan uit dat de
doeltreffendheid van de communicatie belangrijker is dan de vormcorrectheid.
Ook voor de tweede en de derde graad blijft dit principe gelden. Alleen
kunnen de eisen op vlak van vormcorrectheid voor wat woordenschat,
grammatica, uitspraak en spelling betreft, hoger worden gesteld.
Een laatste kenniscomponent betreft de socioculturele context van de
aangeleerde vreemde taal die functioneel is voor de groei naar
interculturele communicatie. Dit komt verder aan bod.
4.8 Cultuur
Van een heel andere orde zijn de culturele aspecten die met een taal
samengaan. Deze zijn noodzakelijk voor iedereen die in het kader van de
basisvorming een taal leert, om zo gevoelig te worden voor culturele
overeenkomsten en verschillen.
Bij het uitvoeren van een taaltaak is het vaak noodzakelijk te beschikken over
een zekere kennis van de socioculturele aspecten van de Franstalige
respectievelijk Engelstalige wereld. Deze component mag zeker niet worden
beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of
literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is
belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere
culturen.
Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich
concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele
conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook
levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Als zodanig gaat
het zowel om fenomenen uit het dagelijks leven en populaire culturele
producten als om cultuur met de grote C.
Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd: van details in de socioculturele
sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom: cultuur omvat
de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en
emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep
karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere
openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan. Deze
component - openheid voor en gerichtheid op interculturele communicatie - is
geïntegreerd in de eindtermen. Voor alle graden en onderwijsvormen zijn per
taal ontwikkelingsdoelen of eindtermen met betrekking tot cultuuraspecten
geformuleerd.
5 Het Europees Referentiekader MVT (als toetsingskader) ERK
Voor de eindtermen/ontwikkelingsdoelen van de basisvorming - minimumdoelen
- moet de lat juist gelegd worden: niet lager dan nodig, maar ook niet
hoger. In de Talenbeleidsnota is daarom gevraagd de herziene eindtermen
te koppelen aan het Europees Referentiekader, het ERK.
Sinds 2001 kennen we het ‘Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor
Moderne Vreemde Talen: Leren, Onderwijzen, Beoordelen’ (ERK). Het ERK laat
ons toe het niveau van de basistaalvaardigheid te benoemen of duidelijk te
maken en het onderling verband tussen de niveaus of de evolutie binnen de
niveaus te verduidelijken.
Het ERK verschaft een gemeenschappelijke basis voor de uitwerking van
leerdoelen, lesprogramma’s, leerplanrichtlijnen, examens, leerboeken en
dergelijke in heel Europa. Het beschrijft wat taalleerders moeten leren om
een taal te kunnen gebruiken voor communicatie en welke kennis en
vaardigheden zij moeten ontwikkelen om daarbij doeltreffend te kunnen
handelen. Dit gebeurt op een eerste globale schaal van niveaubeschrijving
over de vaardigheden heen. De beschrijving omvat ook de culturele context
van taal. Verder definieert het Referentiekader vaardigheidsniveaus waarmee
de voortgang van leerders levenslang kan worden gemeten in iedere fase van
het leerproces. Dit gebeurt aan de hand van de beschrijving van
beheersingsniveaus per vaardigheid en vervolgens wordt aan de hand van
descriptoren concreet beschreven wat iemand per vaardigheid moet kunnen.
Het ERK onderscheidt zes beheersingsniveaus van een vreemde taal: A1, A2,
B1, B2, C1 en C2. Elk van de zes niveaus wordt beschreven aan de hand
van een reeks descriptoren of zinnen die uitdrukken wat iemand op elk niveau
moet kunnen doen met een taal wanneer hij/zij die beluistert, leest,
spreekt, schrijft of ermee in interactie gaat.
Een koppeling van de basisvorming moderne vreemde talen (MVT) aan die niveaus
van het ERK maakt de taalbeheersingsniveaus voor iedereen transparanter en
zorgt voor een meer eenduidige interpretatie ervan. Zowel in Vlaanderen als
in internationaal verband vergemakkelijkt deze transparantie of
eenduidigheid de aansluiting in het opleidingenaanbod en de inpassing in de
arbeidswereld.
De zes niveaus vertegenwoordigen bij nadere beschouwing ieder een ‘hoge’ en
een ‘lage’ interpretatie van de klassieke verdeling in basisniveau,
middenniveau en gevorderd niveau.
A
Basisgebruiker |
B
Onafhankelijke gebruiker |
C
Vaardige gebruiker |
| A1 |
A2 |
B1 |
B2 |
C1 |
C2 |
Breakthrough
(doorbraak/ absoluut minimum) |
Waystage
(tussenstap/ overlevingsniveau) |
Threshold
(drempel/beperkt talige zelfstandigheid) |
Vantage
(uitzicht/echte talige zelfstandigheid) |
Effective Operational Proficiency
(effectieve operationele vaardigheid/ uitgebreide talige zelfstandigheid) |
Mastery
(beheersing) |
Gemeenschappelijke Referentieniveaus ERK: globale schaal
| Vaardige gebruiker |
C2 |
Kan vrijwel alles wat hij of zij hoort of leest
gemakkelijk begrijpen. Kan informatie die afkomstig is uit verschillende
gesproken en geschreven bronnen samenvatten, argumenten reconstrueren en
hiervan samenhangend verslag doen. Kan zichzelf spontaan, vloeiend en
precies uitdrukken en kan hierbij fijne nuances in betekenis, zelfs in
complexere situaties, onderscheiden. |
| C1 |
Kan een uitgebreid scala van veeleisende, lange
teksten begrijpen en de impliciete betekenis herkennen. Kan zichzelf
vloeiend en spontaan uitdrukken zonder daarvoor aantoonbaar naar
uitdrukkingen te moeten zoeken. Kan flexibel en effectief met taal
omgaan ten behoeve van sociale, academische en beroepsmatige doeleinden.
Kan een duidelijke, goed gestructureerde en gedetailleerde tekst over
complexe onderwerpen produceren en daarbij gebruikmaken van
organisatorische structuren en verbindingswoorden. |
| Onafhankelijke gebruiker |
B2 |
Kan de hoofdgedachte van een ingewikkelde tekst
begrijpen, zowel over concrete als over abstracte onderwerpen, met
inbegrip van technische besprekingen in het eigen vakgebied. Kan zo
vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling met
moedertaalsprekers mogelijk is zonder dat dit voor een van de partijen
inspanning met zich meebrengt. Kan duidelijke, gedetailleerde tekst
produceren over een breed scala van onderwerpen; kan een standpunt over
een actuele kwestie uiteenzetten en daarbij ingaan op de voor- en
nadelen van diverse opties. |
| B1 |
Kan de belangrijkste punten begrijpen uit
duidelijke standaardteksten over vertrouwde zaken die regelmatig
voorkomen op het werk, op school en in de vrije tijd. Kan zich redden in
de meeste situaties die kunnen optreden tijdens reizen in gebieden waar
de taal wordt gesproken. Kan een eenvoudige lopende tekst produceren
over onderwerpen die vertrouwd of die van persoonlijk belang zijn. Kan
een beschrijving geven van ervaringen en gebeurtenissen, dromen,
verwachtingen en ambities en kan kort redenen en verklaringen geven voor
meningen en plannen. |
| Basisgebruiker |
A2 |
Kan zinnen en regelmatig voorkomende
uitdrukkingen begrijpen die verband hebben met zaken van direct belang
(bijvoorbeeld persoonsgegevens, familie, winkelen, plaatselijke
geografie, werk). Kan communiceren in simpele en alledaagse taken die
een eenvoudige en directe uitwisseling over vertrouwde en alledaagse
kwesties vereisen. Kan in eenvoudige bewoordingen aspecten van de eigen
achtergrond, de onmiddellijke omgeving en kwesties op het gebied van
directe behoeften beschrijven. |
| A1 |
Kan vertrouwde dagelijkse uitdrukkingen en
basiszinnen, gericht op de bevrediging van concrete behoeften, begrijpen
en gebruiken. Kan zichzelf aan anderen voorstellen en kan vragen stellen
en beantwoorden over persoonlijke gegevens zoals waar hij/zij woont, wie
hij/zij kent en dingen die hij/zij bezit. Kan op een simpele wijze
reageren, aangenomen dat de andere persoon langzaam en duidelijk praat
en bereid is om te helpen. |
Bij de kadering van de eindtermen/ontwikkelingsdoelen in het ERK moeten een
aantal belangrijke elementen vermeld worden. Vooreerst gaat het hier over de
taalbeheersingsniveaus zoals die blijken uit de eindtermen. Dit zijn de
minimumdoelstellingen voor de basisvorming van een leerlingenpopulatie,
waaruit de minimum beheersingsniveaus afgeleid worden.
De doelstellingen van extra lestijden taal uit de specifieke en complementaire
delen van het lessenrooster zorgen ervoor dat de niveaus van taalbeheersing
soms hoger liggen dan de hier beschreven niveaus. In het ERK zijn er heel
wat tussen- of subniveaus. Op die manier kan de voortgang in de
taalbeheersing fijnmaziger worden weergegeven. De eindtermen zijn en blijven
ook na hun aanpassing per graad uitgeschreven; de fijnmazigere
taalbeheersingsniveaus vallen niet noodzakelijk samen met deze
graadindeling. Het is daarom de taak van de leerplanmakers om de
tussenniveaus uit te werken.
De herziene eindtermen moderne vreemde talen (MVT) werden gelinkt aan een
niveau van het ERK.
| |
Luisteren |
Lezen |
Spreken |
Mondel. interactie |
Schrijven |
Globaal |
| bao |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
| 1 A |
A 1/A 2 |
A 1/ A 2 |
A 2 |
A 2 |
A 1/A 2 |
A 2 |
| 1 B |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
| 2 aso |
A 2/B 1 |
A 2/B 1 |
B 1 |
B 1 |
B 1 |
B 1 |
| 2 bso |
A 1 |
A 1 |
Geen ET |
A 1 |
A 1 |
A 1 |
| 2 kso/tso |
A 2 |
A 2 |
A 2 |
A 2 |
A 2 |
A 2 |
| 3 aso |
B 1 |
B 1 |
B 1 |
B 1 |
B 1 |
B 1 |
| 3 bso (1+2) |
A 1/A2 |
A 1/A2 |
A 1 |
A1/A 2 |
A 1 |
A 1 |
| 3 bso (3) |
A 2 |
A1/A 2 |
A 1 |
A 2 |
A 1 |
A 2 |
| 3 kso/tso |
A 2/B 1 |
A 2/B 1 |
A 2/B 1 |
A 2/B 1 |
A 2 |
A 2/B 1 |
Deze linking werd wetenschappelijk gevalideerd. Daarmee is duidelijk dat
het ERK als toetsingskader kan dienen bij de herschrijving of ontwikkeling
van eindtermen. Bij die herschrijving zijn de attitudes en culturele
elementen van de huidige eindtermen als waardevolle componenten voor de
vorming van onze leerlingen ook opgenomen. Wel dient rekening gehouden te
worden met het volgende:
- De eindtermen zijn op een hoger abstractieniveau geformuleerd dan de
ERK descriptoren om de invulling door leerplannen mogelijk te maken. Dit
heeft voor gevolg dat een strikte linking met de ERK niveaus niet mogelijk
is.
- Aan de leerplanmakers wordt het signaal gegeven om de ET op het gekozen
ERK-niveau te concretiseren. De keuze voor een bepaald ERK-niveau is gemaakt
vanuit de visie op de eindtermen.
- Indien actoren (koepelorganisaties, leerplan- en handboekmakers, scholen,
leerkrachten…) het wenselijk achten een hoger ERK-niveau te bereiken met
bepaalde leerlingengroepen kan dat op voorwaarde dat het minimum (gekozen
ERK-niveau) bereikt wordt voor de betrokken leerlingen.
Op deze wijze is het duidelijker welke beheersingsniveaus voor vreemde
talen Vlaanderen ten minste wil bereiken.
[1] Europese Raad van Barcelona, 15 en 16
maart 2002, Conclusies van het voorzitterschap, deel I, 43.1.
[2] COM(2003) 449: Het leren van talen en de
taalverscheidenheid bevorderen: actieplan 2004 - 2006; COM(1995) 590: Witboek
Onderwijzen en leren.
[3] Aanbeveling van het Europees
Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een
leven lang leren.
naar boven
|