Secundair onderwijs, eerste graad A-stroom: vakgebonden eindtermen aardrijkskunde

1 Landschap en kaart

De leerlingen kunnen

1

een reëel landschap en beelden ervan met elementaire geografische termen beschrijven en deze op een overeenstemmende kaart aanwijzen.

2

kaarten en plattegronden lezen door gebruik te maken van legende, schaal en oriëntatie.

3

een kaart en een aardrijkskundig element in een atlas vinden en lokaliseren aan de hand van de inhoudstafel en het namenregister.

4

op werkkaarten van Vlaanderen of België en van andere bestudeerde gebieden diverse landschapscomponenten benoemen, zijnde reliëfgebieden, rivieren, landbouwgebieden, industriegebieden, agglomeraties en steden, zeehavens, transportassen, toeristische streken en toeristische centra.


De leerlingen

5*

leren spontaan de passende kaart raadplegen.


2 Bevolking en multiculturele samenleving

De leerlingen kunnen

6

elementaire begrippen aangaande de bevolking, inclusief culturele aspecten, verwoorden en desbetreffende bevolkingsgegevens aflezen van kaarten en grafieken.

7

elementen van andere culturen in de eigen omgeving beschrijven.


De leerlingen

8*

leren respect opbrengen voor de eigenheid en de specifieke leefwijze van mensen uit andere culturen, ook in onze multiculturele samenleving.


3 Het natuurlijk milieu

3.1 Bodem en ondergrond

De leerlingen kunnen

9

enkele gesteenten op monsters benoemen op basis van proefondervindelijke waarnemingen.

10

bodem en ondergrond in een ontsluiting of op een afbeelding onderscheiden.

11

in de eigen omgeving bouwmaterialen in verband brengen met gesteenten of de verwerking ervan.


3.2 Reliëf

De leerlingen kunnen

12

in een landschap en op beeld de belangrijkste elementen van het reliëf aanwijzen alsook reliëfvormen herkennen en benoemen.

13

in een landschap en op beeld de werking van stromend water verwoorden.

14

op kaarten hoogten en hoogtezones aflezen aan de hand van hoogtepunten, hoogtelijnen en kleuren.

15

de vervuilingsgraad van enkele Belgische rivieren van een kaart aflezen en de belangrijkste oorzaken ervan opnoemen.


De leerlingen

16*

leren respect opbrengen voor de waarde van zuiver water.


3.3 Weer en klimaat

De leerlingen kunnen

17

de overeenkomsten en verschillen tussen weer en klimaat verwoorden.

18

voor enkele factoren uitleggen hoe ze weer en klimaat beïnvloeden.

19

met voorbeelden illustreren dat weer en klimaat de plantengroei en de activiteiten van dier en mens beïnvloeden.

20

gegevens over weer en klimaat van een gebied uit cijfers, grafische voorstellingen en kaarten aflezen.


4 De mens en het landschap

4.1 Het landelijk landschap

De leerlingen kunnen

21

een landelijk landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een landelijk landschap elders.

22

milieueffecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met landbouwactiviteiten.


De leerlingen

23*

leren open ruimten als waardevol, duurzaam, maatschappelijk bezit waarderen.


4.2 Het industrielandschap

De leerlingen kunnen

24

een industrielandschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een industrielandschap elders.

25

milieueffecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met industriële activiteiten.


4.3 Het stedelijk landschap

De leerlingen kunnen

26

een stedelijk landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een stedelijk landschap elders.

27

milieueffecten en samenlevingsaspecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met het stedelijk landschap.


De leerlingen

28*

leren aandacht hebben voor en dragen bij tot de leefkwaliteit van de eigen omgeving.


4.4 Het verkeer in het landschap

De leerlingen kunnen

29

de landschappelijke invloed van het verkeer beschrijven.

30

een havenlandschap herkennen en beschrijven naar uitzicht en functies.

31

voor de eigen omgeving de drukke verkeersknooppunten aanbrengen op kaart of stadsplan.

32

milieueffecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met het verkeer.


De leerlingen

33*

ontwikkelen een kritische houding tegenover de verkeerssituatie in de eigen omgeving.


4.5 Het toeristische en recreatieve landschap

De leerlingen kunnen

34

een toeristisch en recreatief landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een toeristisch landschap elders.

35

effecten van toerisme en recreatie op het landschap en de economie verwoorden.


De leerlingen

36*

leren als toerist en recreant respect opbrengen voor het milieu, het patrimonium en de bewoners.


5 De eigen leefruimte

De leerlingen kunnen

37

de eigen leefruimte herkennen als een gedifferentieerd geheel van landschappen.

38

de eigen leefruimte in een regionaal kader plaatsen en daarvan enkele hoofdkenmerken verwoorden.


* Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een asterisk (*) aangeduid.

naar boven