1 De klas en de school |
|
|
De leerlingen |
| 1 |
|
kunnen aan de hand van het schoolreglement
hun rechten en plichten concreet illustreren. |
| 2 |
|
kennen de functies en verantwoordelijkheden
van al wie bij de school betrokken is en kunnen gebruik maken
van de middelen die er bestaan om hun vragen, problemen, ideeën
of meningen kenbaar te maken. |
| 3 |
|
kunnen op een verdraagzame manier omgaan
met verschillen in sexe, huidskleur en etniciteit. |
| 4 |
|
kunnen voor conflicten in de omgang met leeftijdgenoten
oplossingen bedenken en zijn bereid om ze uit te voeren. |
| 5 |
|
zijn bereid zich in te zetten voor solidariteits-
en andere acties in de klas of op school. |
2 Gezinsvormen en eigen leefkring
|
|
|
De leerlingen |
| 6 |
|
kunnen verschillende gezinsvormen en gezinsculturen
beschrijven en er begrip voor opbrengen. |
| 7 |
|
kunnen zich een beeld vormen van het gedrag
van mannen en vrouwen in de maatschappij in het algemeen en
het gezin in het bijzonder en dit toetsen in de eigen leefkring. |
| 8 |
|
weten waar ze terecht kunnen bij problemen
in hun eigen leefkring. |
3 Media
|
|
|
De leerlingen |
| 9 |
|
kunnen de invloed van de media op hun eigen
denken en handelen illustreren en kennen de mogelijkheden van
het gebruik ervan ten voordele van de eigen vorming. |
| 10 |
|
kunnen een kritische houding aannemen ten
aanzien van allerlei vormen van berichtgeving. |
4 Democratische vormen van bestuur
|
|
|
De leerlingen kunnen |
| 11 |
|
de basiselementen (verkiezingen, groeperingen,
overleg en compromissen, meerderheid en oppositie) van het functioneren van
ons democratisch bestel op een eenvoudige wijze uitleggen: |
|
|
op schoolniveau
op het politieke niveau
|
| 12 |
|
met voorbeelden uitleggen hoe een overheid
haar inkomsten verwerft en hoe zij die inkomsten aanwendt. |
| 13 |
|
illustreren dat elk beleid rekening moet
houden met ideeën, standpunten en belangen van diverse betrokkenen. |