|
| |
Secundair
onderwijs, eerste graad
A-stroom: vakgebonden eindtermen geschiedenis
1 Criteria |
|
|
|
De te behandelen historische werkelijkheid,
zowel uit het referentiekader als uit de bestudeerde samenlevingen,
mag vrij gekozen worden en wordt derhalve niet in concrete eindtermen
geformuleerd. De benaderingswijze van het gekozen referentiekader,
de bestudeerde samenlevingen en de integratie van de bestudeerde
samenlevingen en het gekozen referentiekader moet evenwel beantwoorden
aan criteria. |
|
|
|
Voor het historisch referentiekader, de gekozen
samenlevingen, de integratie van beide en voor een aantal specifieke
eindtermen zijn voorbeelden gegeven die enkel ter verduidelijking
dienen. Zij zijn cursief gedrukt. |
1.1 Criteria in verband met het historisch
referentiekader
|
1.1.1 Algemeen |
|
|
|
Het referentiekader is een instrument voor
de structurering van historische informatie dat geleidelijk
wordt aangevuld.
|
|
1
|
|
Het begrippenkader en de probleemstellingen
aangebracht in het lager onderwijs worden herhaald, gepreciseerd en
verruimd. |
|
|
|
In de eindtermen lager onderwijs gaat het om volgende begrippen:
(De begrippen die voor de leerlingen uit het basisonderwijs
reeds een bepaalde invulling hebben, maar daarom nog niet tot
hun woordenschat behoren, staan cursief gedrukt.)
|
|
|
|
-
tijd
cyclische en lineaire, relatieve en absolute tijd, tijdmeting,
tijdverschillen, tijdrekening, tijdsperiode, tijdsgebruik,
tijdsbeleving, verandering in de tijd, chronologie, evolutie,
duur, generatie, kalender, historische bron,
-
ruimte
natuur, klimaat, milieu, platteland, stad, land, continent,
derde wereld, grens, ruimtelijke inrichting en spreiding,
ruraal, stedelijk, industrieel landschap, verandering
in de ruimte, zorg om water, beleefde en absolute afstand,
schaal lokaal-mundiaal, verkeer, kaart legende - windrichting,
oriëntatie
-
socialiteit
politieke verschijnselen:
staat, bestuur, overheid, macht, verkiezing, democratie,
meerderheid, oppositie, koninkrijk, internationale organisaties,
EU, rechten en plichten, wetgeving, mensenrechten
economische verschijnselen:
arbeid, taakverdeling, beroep, arbeidsmarkt, prijs, winst,
kapitaal, vraag, aanbod, produktiekost, consument, landbouw,
veeteelt, groot- en kleinhandel, industrie, grondstoffen,
energiebronnen, techniek, verkeer, reclame
sociale verschijnselen:
individu, gezinspatroon, groep, samenhorigheid, samenleving,
nomadische agrarische en industriële samenlevingsvorm, fabrikant,
groothandelaar, arbeider, welvaart, tekort, arm, rijk, werkloosheid,
vierde wereld, rollenpatroon, collectieve voorzieningen,
migratie, vluchteling, racisme, groepsinteracties
culturele verschijnselen:
cultuurgebied, taalgroepen, godsdienst, levensbeschouwing,
ethiek, waarden, normen, feesten, levenswijze, leefgewoonten,
woning, kleding, voeding, hygiëne, kunst, esthetische zingeving,
media, wetenschappen, communicatie.
|
| 2 |
|
Het historisch referentiekader is tevens een ordeningsinstrument
voor verworven buitenschoolse informatie. |
1.1.2 Tijdskader
|
|
3
|
|
Het tijdskader bevat de geschiedenis van prehistorie
tot heden.
|
|
4
|
|
Het wordt opgebouwd met de klemtoon op opeenvolging
en verandering.
|
|
5
|
|
De periodisering gebeurt aan de hand van de
grote fasen in de evolutie van mens en maatschappij.
|
|
6
|
|
Er wordt aan ten minste één andere jaartelling
dan de christelijke aandacht besteed.
|
1.1.3 Ruimtelijk kader
|
| 7 |
|
In het ruimtelijk kader is duidelijk een mundiale dimensie aanwezig, ingevuld op het niveau van imperia,
grootschalige regio's en invloedssferen. |
| 8 |
|
Er wordt aandacht besteed aan de relaties
tussen en binnen deze grote entiteiten. |
1.1.4 Socialiteit
|
| 9 |
|
Voor alle ontwikkelingsfasen van het referentiekader
worden maatschappelijke domeinen gekarakteriseerd via algemene historische
begrippen. |
|
|
|
Voorbeelden van begrippen:
- expansie, invloedssfeer, machtsblok, oorlog, onderwerping,
(vreedzame) coëxistentie;
- staatsvorm, imperium, regeringsvorm, bestuur, politiek,
machtsverwerving en machtsuitoefening, revolutie, vrijheden,
mensenrechten, (mede)zeggenschap, ideologie, democratie,
dictatuur, totalitarisme, corporatisme;
- produktie, accumulatie van kapitaal, markt, distributie,
transport, consumptie, investering, geldwezen, conjunctuur,
crisis, energiebronnen, technologie, industrialisatie, prijs,
loon;
- samenlevingsvorm, stand, klasse, kaste, slavernij, horigheid,
proletarisering;
- nederzettingspatroon, urbanisatie, migratie;
- natie, taalgroep, levenswijze, communicatie, acculturatie;
- godsdienst, mens- en wereldbeeld, wijsgerig stelsel, humanisme,
secularisatie, pluralisme, schrift, druk, kunst- en expressievorm,
opvoeding en onderwijs, wetenschap, civilisatie.
|
| 10 |
|
Probleemstellingen worden algemeen gekarakteriseerd; ze worden
onderzocht op hun vergelijkbaarheid in een tijds- en een
ruimtelijk perspectief. |
1.1.5 Benaderingswijze
|
| 11 |
|
De te behandelen historische werkelijkheid
uit het referentiekader mag vrij gekozen worden. Deze keuze
kan vanuit verschillende invalshoeken gebeuren, zoals opeenvolgende
tijdperken, samenlevingsvormen, historische systemen, cultuurkringen,
wereldbeelden, mijlpalen. |
| 12 |
|
In de eerste graad is de invulling van de
ontwikkelingsfasen qua begrippen nog beperkt in omvang en reikwijdte. |
| 13 |
|
Essentieel is dat voor elke ontwikkelingsfase
fundamentele problemen in verband met mens en maatschappij voor de
leerlingen concreet en herkenbaar zijn. |
|
|
|
"Fundamentele problemen" zijn problemen die in verschillende
samenlevingen voorkomen en die een belangrijke weerslag hebben
gehad op hun ontwikkeling. Zij kunnen worden gegroepeerd
onder rubrieken als:
- verhouding mens en produktie,
- mens en groep / groepsverhoudingen,
- verhouding mens, waarden en waardenoverdracht,
- verhouding mens en omgeving.
|
Twee voorbeelden die aan de gestelde criteria
beantwoordenVoorbeeld 1
| TIJD |
RUIMTE |
ONTWIKKELINGSFASEN |
| PREHISTORIE |
Afrika |
1 Het langzaam
wordingsproces van de homo sapiens. |
eigen regio
Europa
wereld |
2 De ongelijktijdige
overgang van nomadische op sedentaire levenswijze. |
NABIJE OOSTEN
3de - 2de mill.v.C. |
Azië
Afrika
Europa |
3 Irrigatielandbouw
en de overgang van de eerste steden naar rijken. |
KLASSIEKE
OUDHEID
8ste eeuw v.C. - 5de eeuw n.C. |
Europa
Afrika
Azië |
4 Vorming en
evolutie van stadstaten in de Middellandse-Zeewereld.
8ste - 4de eeuw v.C. |
eigen regio
Europa
Afrika
Azië |
5 Vorming en
organisatie van rijken in de Middellandse-Zeewereld.
6de eeuw v.C. - 5de eeuw n.C. |
MIDDELEEUWEN
5de - 15de eeuw |
eigen regio
Europa
Azië |
6 Migraties
in de Euraziatische ruimte, oude en nieuwe rijken, feodaliteit.
4de - 15de eeuw |
eigen regio
Europa |
7 Ontwikkeling
van steden en feodaal-stedelijke monarchieën in Europa.
11de - 15de eeuw |
NIEUWE
TIJD
15de - 18de eeuw |
Europa
wereld |
8 Expansie vanuit
Europa en vormen van contacten met gemeenschappen in Afrika,
Amerika, Azië.
ca. 1450 - ca. 1750 |
eigen regio
Europa |
9 Tegenstellingen
binnen en tussen Europese staten.
16de - 18de eeuw |
NIEUWSTE
TIJD
19de - 20ste eeuw |
Amerika
Europa |
10 De eerste
industriële revolutie, nieuwe politieke en sociale emancipatiebewegingen.
ca.1750 - 1870 |
eigen staat
Europa
wereld |
11 Europese
wereldoverheersing en rivaliteit, nieuwe machten, Eerste
Wereldoorlog.
1871 - 1918 |
eigen staat
Europa
wereld |
12 Het interbellum
en de Tweede Wereldoorlog: totalitaire en democratische
regimes.
1919 - 1945 |
EIGEN
TIJD
na 1945 |
wereld |
13 Vorming en
evolutie van tegengestelde machtsblokken.
1945 - heden |
| wereld |
14 De overgang van koloniaal naar gedekoloniseerd statuut.
1945 - heden
|
Voorbeeld 2 |
|
|
- Het hominisatieproces.
- Het eerste gebruik van grafische symbolen.
- De "neolithische" veranderingen.
- Politieke en culturele verworvenheden van agrarische
rijken in Eurazië.
- Politieke en culturele ontwikkelingen in de stedelijke
gemeenschappen van de Middellandse - Zeewereld.
- De spreiding van de stedelijke organisatievorm en culturele
veranderingen in het Romeinse rijk.
- Monotheïstische wereldgodsdiensten en hun relatie tot
de wereldlijke macht.
- Migraties en acculturatie.
- De materieel-culturele nalatenschap van de westerse
Middeleeuwen.
- De culturele verworvenheden van de pre-koloniale Afrikaanse,
Aziatische, Midden- en Zuidamerikaanse beschavingen.
- De moderniteit van Europa en de "uitvinding"
van de moderne mens.
- De planetaire spreiding van Westeuropese modellen.
- Totalitarisme versus democratie.
- De postmoderne wereld
|
1.2 Criteria in verband met de bestudeerde
samenlevingen
|
1.2.1 Algemeen |
| 14 |
|
Men kiest uit het referentiekader ten minste
twee samenlevingen die historisch worden uitgediept en geconcretiseerd
aan de hand van de onderscheiden maatschappelijke domeinen.
|
1.2.2 Tijdskader
|
| 15 |
|
De categorieën van de dimensie Tijd komen
in de gekozen samenlevingen voor.
|
| 16 |
|
Er wordt vooral aandacht besteed aan de synchronie
vanuit de onderscheiden maatschappelijke domeinen van een
samenleving.
|
| 17 |
|
Er is oog voor de gelaagdheid van de tijd,
en dus voor tempoverschillen in de evolutie van de maatschappelijke
domeinen, zoals politieke ontwikkelingen geplaatst tegenover
economische golfbewegingen en sociale ontwikkelingen geplaatst
tegenover de evolutie in mentaliteit.
|
1.2.3 Ruimtelijk kader
|
| 18 |
|
Aandacht wordt besteed aan de invloed van
de categorieën van de dimensie Ruimte op de bestudeerde samenlevingen.
|
| 19 |
|
Er is oog voor de geografische determinanten.
|
1.2.4 Socialiteit
|
| 20 |
|
De verschillende maatschappelijke domeinen
waarin de dimensie Socialiteit wordt gesitueerd, komen in
de bestudeerde samenlevingen voor.
|
| 21 |
|
Er is aandacht voor:
|
|
|
- onderlinge samenhang, wisselwerking en evolutie;
- structuren, mechanismen en processen;
- relaties en spanningsvelden tussen individuen en groepen,
en tussen groepen onderling.
|
| 22 |
|
Er is aandacht voor de contacten van de bestudeerde
samenleving met andere samenlevingen.
|
1.2.5 Benaderingswijze
|
| 23 |
|
De studie getuigt van een probleem- en actualiteitsgerichte
benadering.
|
| 24 |
|
De bestudeerde problematiek dient voor de
leerling herkenbaar en verstaanbaar te zijn.
|
1.3 Criteria in verband met de integratie tussen het historisch
referentiekader en de bestudeerde samenlevingen
|
1.3.1 Algemeen |
| 25 |
|
De bedoeling van de integratie tussen het
historisch referentiekader en de bestudeerde samenlevingen
is dat de leerlingen een verband leggen tussen problemen uit
een bepaalde samenleving en belangrijke probleemstellingen
uit andere fasen van het referentiekader, met inbegrip
van de huidige werkelijkheid. Dit gebeurt met eerbiediging
van de respectieve historische context.
|
| 26 |
|
Vertrekkend vanuit het lager onderwijs wordt
een algemeen historisch begrippenkader gepreciseerd en verruimd.
|
1.3.2 Tijdskader |
| 27 |
|
Omwille van de aansluiting bij de meer diachronische
benadering van het historisch referentiekader wordt bij de
bestudeerde samenlevingen aandacht besteed aan elementen van
respectievelijk continuïteit en discontinuïteit, lange duur
en verandering.
|
1.3.3 Ruimtelijk kader
|
| 28 |
|
Het kader bestrijkt de lokale,
regionale, nationale, Europese en mundiale ruimte, zodanig dat
alle categorieën van de dimensie Ruimte bij de integratie tussen
referentiekader en samenlevingen minstens één keer aan bod zijn
gekomen. Niet alle categorieën kunnen bij elke ontwikkelingsfase
of samenleving worden behandeld. |
1.3.4 Socialiteit
|
| 29 |
|
De socialiteitsdimensie wordt
opgebouwd vanuit de verschillende maatschappelijke domeinen,
via het vergelijken van samenlevingen. |
| 30 |
|
De klemtoon wordt gelegd op
het zoeken naar analogieën en verschillen met vroegere en latere
samenlevingen, en vooral met de hedendaagse. |
1.3.5 Benaderingswijze
|
| 31 |
|
Naarmate begrippen en maatschappelijke
problemen aan bod komen, worden zij gerelateerd aan de voorkennis
uit het lager onderwijs en aan het referentiekader. |
| 32 |
|
De invulling van begrippen,
hun precisering en veralgemening verdienen bijzondere aandacht.
Dit wordt gerealiseerd door de inhoud van begrippen in één samenleving
te vergelijken met de inhoud ervan in andere samenlevingen.
Streefdoel is geleidelijk te komen tot inzicht in algemene historische
begrippen. |
| 33 |
|
Eigen aan het streven naar
integratie in de studie van de geschiedenis is het leggen van
relaties tussen: |
|
|
- de historische dimensies Tijd, Ruimte en Socialiteit;
- maatschappelijke problemen uit verschillende samenlevingen.
|
|
|
Vanuit deze relaties tracht
men tot algemene begrippen te komen, zoals de macht in de Griekse
samenlevingen relateren aan de invulling van het algemeen begrip
"democratie" en de verhouding groothandelaar - corporaties
- thuiswerker in de Nieuwe Tijd relateren aan het algemeen begrip
"kapitalisme". |
2 Concrete eindtermen
|
2.1 Kennis en inzicht |
2.1.1 Kennis en inzicht in
verband met het historisch referentiekader |
|
|
Voor de eindtermen van 1
tot en met 6 moet rekening worden gehouden met de criteria vermeld
onder 1.1. |
|
|
De leerlingen |
|
1
|
|
verduidelijken de begrippen
generatie, decennium, eeuw, millennium aan de hand van historische
evoluties, vertrekkend van het heden. |
|
2
|
|
kennen de gebruikelijke Westerse
periodisering: |
|
|
|
- Prehistorie,
- Oude Nabije Oosten,
- Klassieke Oudheid,
- Middeleeuwen,
- Nieuwe Tijd,
- Nieuwste Tijd,
- Eigen Tijd.
|
|
3
|
|
kennen scharnierdata en de
betekenis ervan en zij duiden het verschil in duur aan tussen
die perioden. |
|
4
|
|
geven verschillen aan tussen
preïndustriële en geïndustrialiseerde samenlevingen op basis
van kenmerken uit de socialiteitsdimensie. |
|
5
|
|
formuleren voor elk van de
ontwikkelingsfasen van het gekozen referentiekader één fundamentele
maatschappelijke probleemstelling. |
|
|
|
Voorbeeld (op basis van referentiekader
1): |
|
|
|
- De technologische evolutie en het probleem van de aanwending
van produktiemiddelen.
- Het probleem van de afhankelijkheid van de natuur: waarom
zijn mensengroepen overgegaan van een nomadische op een
sedentaire levenswijze? Waarom gebeurde dat op verschillende
tijdstippen?
- Het probleem van de rol van grondstoffen en water in samenlevingen:
waarom werd eerst in de "vruchtbare" stroomgebieden
overgegaan op de vorming van rijken? Welke rol speelt het
controleren van het water vandaag nog in die gebieden?
- Het probleem van de verhouding tussen politiek mondigen
en onmondigen en van de verhouding tussen vrijen en onvrijen.
- Het probleem van de relatie tussen volkeren bij imperiumvorming.
- Het probleem van de confrontatie tussen verschillende
culturen: tot welke veranderingen in de eigen cultuur leidde
de confrontatie met de Grieks-Romeinse erfenis in de samenlevingen
van de vroege Middeleeuwen?
Het probleem van het naast elkaar bestaan van verschillende
staatsvormen.
- Het probleem van de tegenstelling tussen kerkelijke en
wereldlijke macht bij de staatsvorming in de late Middeleeuwen.
- Het probleem van het ondersteunen van een groeiende markt.
Het probleem van de confrontatie tussen verschillende culturen.
- Het probleem van de verhouding tussen centraliserende
en decentraliserende krachten.
- Het probleem van het verband tussen demografische groei
en economische en technologische evolutie.
Het probleem van de relaties tussen en binnen sociale groepen
bij het streven naar maatschappelijke verandering.
- Zie 8.
- Het probleem van de vorm van de verhouding tussen bestuurders
en onderdanen.
- Het probleem van het vinden van machtsevenwichten in de
mundiale relaties.
- Het probleem van de relatie centrum - periferie.
|
|
6
|
|
preciseren en verruimen doorheen
de gekozen probleemstellingen algemene historische begrippen. |
2.1.2 Kennis en inzicht in verband met de bestudeerde samenlevingen
|
|
|
Voor de eindtermen van 7
tot en met 11 moet rekening worden gehouden met de criteria
vermeld onder 1.2. |
|
|
|
De leerlingen |
|
7
|
|
verduidelijken belangrijke
kenmerken van onderscheiden maatschappelijke domeinen. |
|
8
|
|
tonen aan dat er onderlinge
verbanden en wisselwerkingen binnen en tussen die domeinen bestaan. |
|
9
|
|
geven een voorbeeld van: |
|
|
|
- het verschil tussen aanleiding en oorzaken;
- een oorzaak-gevolg relatie;
- een doel-middel verhouding.
|
|
|
|
illustreren mogelijke
tempoverschillen in de ontwikkeling van maatschappelijke domeinen. |
|
|
|
leggen ten minste één
probleem uit in verband met mens en maatschappij waarmee die
samenlevingen werden geconfronteerd. |
2.1.3 Kennis en inzicht in verband met de integratie tussen
het referentiekader en de samenlevingen |
|
|
|
Voor de eindtermen
van 12 tot en met 16 moet rekening worden gehouden met de criteria
vermeld onder 1.3. |
|
|
|
De leerlingen |
|
12
|
|
situeren de bestudeerde
samenlevingen in de ontwikkelingsfasen van het referentiekader
inzake |
|
|
|
- tijd,
- ruimte,
- socialiteit.
|
|
13
|
|
geven voorbeelden van
vergelijkbaar maatschappelijk gedrag in de geschiedenis, zoals
bij migratie, sedentarisatie, verstedelijking, staatsvorming,
kolonisatie, expansie en onderwerping, ontvoogdingsstrijd, revolutie. |
|
14
|
|
maken het onderscheid
tussen lokaal, regionaal, nationaal, Europees, mundiaal en hebben
kennis van de cultuur en geschiedenis van Vlaanderen. |
|
15
|
|
geven aan de hand van
het referentiekader en/of de bestudeerde samenlevingen een voorbeeld
van: |
|
|
|
- open en gesloten ruimte
- stedelijke en rurale samenleving
- continentaal en maritiem perspectief
- centrum en periferie
- korte en verre afstand
|
|
16
|
|
vergelijken de bestudeerde
samenlevingen met elkaar en met probleemstellingen van de hedendaagse
samenleving. |
2.2 Vaardigheden
|
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
17
|
|
informatie opzoeken over
het verleden en het heden op basis van concrete opdrachten,
zoals raadplegen van inhoudstafels van handboeken, gebruiken
van een geschiedenisatlas, opzoeken van trefwoorden in
referentiewerken, gebruiken van interactieve media, gebruiken
van databanken. |
|
18
|
|
materiële en landschappelijke
historische getuigen observeren en beschrijven aan de hand van
een eenvoudig observatieprotocol. |
|
19
|
|
eenvoudige tekstuele,
auditieve, visuele en audiovisuele informatie ordenen inzake: |
|
|
|
- tijdskader
- ruimtelijk kader
- dimensie socialiteit
|
|
20
|
|
aan de hand van gerichte
vragen kaarten lezen en de essentie ervan interpreteren, zoals
het gebruik van het register van de geschiedenisatlas,
het gebruiken van de legende, oriëntatie en schaal, het in verband
brengen met elkaar van titel en inhoud van een kaart. |
|
21
|
|
diverse informatiebronnen
identificeren en in verband brengen met hun ontstaan in tijd
en ruimte. |
|
22
|
|
aan de hand van gerichte
vragen eenvoudige historische informatie kritisch analyseren. |
|
23
|
|
aan de hand van een geleide
opdracht het onderscheid tussen feit en mening toepassen op
die informatie. |
2.3 Attitudes
|
|
|
|
De leerlingen |
|
24*
|
|
leren nauwkeurig zijn
bij het verzamelen, ordenen, analyseren en interpreteren van
historische gegevens. |
|
25*
|
|
leren belangstelling aan
de dag leggen voor het historisch-cultureel erfgoed. |
|
26*
|
|
leren belangstelling aan
de dag leggen voor de problemen van een samenleving. |
* Met het oog op de controle door
de inspectie werden de attitudes met een asterisk (*) aangeduid.
naar boven |