|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
1
|
|
kenmerken van een levend wezen verduidelijken. |
|
2
|
|
illustreren dat een levend wezen als een
geheel moet worden beschouwd en dat er samenhang is tussen de
verschillende organisatieniveaus (cel, weefsel, orgaan,
stelsel, organisme). |
|
3
|
|
de cel als structurele eenheid van levende
wezens beschrijven en volgende delen herkennen en benoemen:
celwand, celmembraan, cytoplasma, vacuole, bladgroenkorrel,
kern. |
|
4
|
|
elementen aanhalen voor het feit dat alle
mensen ondanks hun verscheidenheid tot dezelfde soort behoren. |
|
5
|
|
beschrijven hoe de voortplanting bij mensen
verloopt, verduidelijken dat via de bevruchting erfelijk materiaal
van ouders op nakomelingen wordt doorgegeven, de geslachtsorganen
benoemen en de menstruatiecyclus, zaadlozing, bevruchting, zwangerschap
en geboorte beschrijven. |
|
6
|
|
manieren aangeven om de voortplanting te
regelen en om seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen. |
|
7
|
|
lichamelijke en sociaal-emotionele veranderingen
in de puberteit bij jongens en meisjes onderkennen. |
|
8
|
|
het belang van de stofwisseling beschrijven
voor de instandhouding van het menselijk lichaam en verduidelijken
dat het opnemen, het transport en de verwerking van voedingsstoffen
en zuurstofgas hierbij een belangrijke rol spelen. |
|
9
|
|
de bouw en de werking van het spijsverteringstelsel,
het ademhalingsstelsel, het bloed, de bloedsomloop en het uitscheidingsstelsel
bij de mens toelichten en hun onderlinge samenhang bespreken. |
|
10
|
|
het verband aantonen tussen de kwaliteit
en de kwantiteit van de voeding en de gezondheid. Ze kennen
het belang van een goede hygiëne van het spijsverteringsstelsel.
Ze zien in dat ze hun eigen voedingsgewoonte kunnen bepalen en
bijsturen. |
|
11
|
|
illustreren op welke wijze ze de belangrijkste
risico's en gevaren voor de ademhalingswegen en het bloedvatenstelsel kunnen
vermijden. |
|
12
|
|
elementen geven van de werking van het bewegingsapparaat
en aan de hand van voorbeelden het effect van bepaalde houdingen
en bewegingen op de goede ontwikkeling van het geraamte en het
spierstelsel illustreren. |
|
13
|
|
een aantal kenmerkende organismen uit een
biotoop herkennen en benoemen door gebruik te maken van een
eenvoudige determineersleutel. |
|
14
|
|
duidelijk maken dat groene planten onder
invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de lucht organische
stoffen produceren voor eigen gebruik en daarbij zuurstofgas
aanmaken (fotosynthese). De leerlingen kunnen eveneens duidelijk
maken dat organismen door dit proces direct of indirect van
die groene planten afhankelijk zijn. |
|
15
|
|
de delen van een zaadplant benoemen en de
bouw van een zaadplant beschrijven in relatie met de fotosynthese,
de opneming van stoffen en de voortplanting. |
|
16
|
|
verduidelijken dat de organismen van een
biotoop een levensgemeenschap vormen waarin voedselrelaties
voorkomen. Ze kunnen in dit verband de begrippen voedselketen
en voedselweb hanteren en kennen het belang van producenten, consumenten
en reducenten. |
|
17
|
|
met voorbeelden illustreren dat de omgeving
het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd. |
|
18
|
|
met voorbeelden illustreren dat levende wezens
aangepast zijn aan hun omgeving. |
|
19
|
|
voorbeelden geven waaruit blijkt dat de mens
natuur en milieu beïnvloedt en dat hierdoor het biologisch evenwicht
kan gewijzigd worden. |
|
20
|
|
voorbeelden geven van toepassingen van hun
biologische kennis in het dagelijks leven. |
|
21
|
|
eenvoudige grafische voorstellingen en tabellen
interpreteren. |
|
22
|
|
eenvoudige microscopische preparaten maken
en bij microscopie-oefeningen de relatie leggen tussen waargenomen afmetingen
en de werkelijke grootte. |
|
23
|
|
in een biotoop gerichte waarnemingen verrichten. |
|
|
|
De leerlingen |
|
24*
|
|
leren de individuele verscheidenheid en de
groepsdiversiteit van de mens aanvaarden en die niet gebruiken
om een rangorde te bepalen. |
1 De eindtermen moeten gerealiseerd worden, ongeacht de keuze
die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II
maken.
* Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes
met een asterisk (*) aangeduid.
|