|
De leerlingen kunnen
|
Systemen
|
|
1 |
|
illustreren dat er in een organisme
een samenhang is tussen verschillende organisatieniveaus (cel,
weefsel, orgaan, stelsel, organismen); |
|
2 |
|
bij de mens de bouw, de werking en
de onderlinge samenhang van het spijsverteringsstelsel, het
ademhalingsstelsel, het bloed, de bloedsomloop en het
uitscheidingsstelsel beschrijven; |
|
3 |
|
bij een bloemplant de functies van
de wortel, de stengel, het blad en de bloem aangeven; |
|
4 |
|
de cel als bouwsteen van een
organisme herkennen en haar structuur op lichtmicroscopisch
niveau herkennen; |
|
5 |
|
bij de mens de delen van het voortplantingsstelsel benoemen,
beschrijven hoe de voortplanting verloopt, manieren aangeven om
de voortplanting te regelen en om seksueel overdraagbare
aandoeningen te voorkomen; |
|
6 |
|
met concrete voorbeelden aangeven dat organismen op
verschillende manieren aangepast zijn aan hun omgeving; |
|
7 |
|
in een concreet voorbeeld van een biotoop aantonen dat
organismen een levensgemeenschap vormen waarin voedselrelaties
voorkomen; |
|
8 |
|
in concrete voorbeelden aantonen dat de omgeving het
voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd; |
|
9 |
|
in een concreet voorbeeld aantonen dat de mens natuur en
milieu beïnvloedt en dat hierdoor ecologische evenwichten kunnen
gewijzigd worden; |
Interactie
|
|
10 |
|
in concrete voorbeelden aantonen dat er verschillende
soorten krachten kunnen voorkomen tussen voorwerpen en dat een
kracht de vorm of de snelheid van een voorwerp kan veranderen; |
|
11 |
|
waarneembare stofomzettingen met concrete voorbeelden uit de
niet levende natuur illustreren; |
|
12 |
|
het belang van stofwisseling
beschrijven voor de instandhouding van het menselijk lichaam; |
|
13 |
|
uit waarnemingen afleiden dat in planten stoffen gevormd
worden onder invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de
lucht; |
|
14 |
|
waarneembare fysische veranderingen van een stof in verband
brengen met temperatuursveranderingen; |
|
15 |
|
zichtbare en onzichtbare straling in verband brengen met
verschijnselen en toepassingen uit het dagelijks leven; |
|
16 |
|
warmtetransport (geleiding,
convectie, straling) met concrete voorbeelden illustreren; |
Materie
|
|
17 |
|
de massa en het volume van materie bepalen; |
|
18 |
|
volgende begrippen aan de hand van het deeltjesmodel
hanteren: atoom, molecule, zuivere stof, mengsel, temperatuur,
aggregatietoestand en faseovergangen; |
Energie
|
|
19 |
|
in concrete voorbeelden uit het
dagelijks leven aantonen dat energie in verschillende vormen kan
voorkomen en kan omgezet worden in een andere energievorm; |
Wetenschappelijke vaardigheden
|
|
20 |
|
onder begeleiding, een
natuurwetenschappelijk probleem herleiden tot een
onderzoeksvraag, en een hypothese of verwachting over deze
vraag formuleren; |
|
21 |
|
onder begeleiding, bij een onderzoeksvraag gegevens
verzamelen en volgens een voorgeschreven werkwijze een
experiment, een meting of een terreinwaarneming uitvoeren; |
|
22 |
|
onder begeleiding, bij een eenvoudig onderzoek, de
essentiële stappen van de natuurwetenschappelijke methode
onderscheiden; |
|
23 |
|
onder begeleiding, verzamelde en beschikbare data hanteren,
om te classificeren of om te determineren of om een besluit te
formuleren; |
|
24 |
|
onder begeleiding resultaten uit een experiment, een meting
of een terreinstudie weergeven. Dit kan gebeuren in woorden, in
tabel of grafiek, door aan te duiden op een figuur of door te
schetsen. De leerlingen gebruiken daarbij de correcte namen en
symbolen; |
|
25 |
|
van de grootheden massa, lengte,
oppervlakte, volume, temperatuur, tijd, druk, snelheid, kracht
en energie de eenheden en hun symbolen in contexten en
opdrachten toepassen; |
Wetenschap en samenleving
|
|
26 |
|
gehanteerde wetenschappelijke concepten verbinden met
dagelijkse waarnemingen, concrete toepassingen of
maatschappelijke evoluties; |
|
27 |
|
het belang van biodiversiteit, de schaarste aan grondstoffen
en aan fossiele energiebronnen verbinden met een duurzame
levensstijl. |
* Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes
met een asterisk (*) aangeduid.
|