1 Luisteren |
|
1
|
|
De leerlingen kunnen luisteren
naar de volgende tekstsoorten (verwerkingsniveau: structureren): |
|
|
|
- een uiteenzetting door de leraar over een leerstofonderdeel
in de klas;
- een dialoog, polyloog met medeleerlingen met betrekking
tot het school- en klasgebeuren;
- een jeugdprogramma op radio en TV;
- instructies in verband met het uitvoeren van handelingen
voor onbekende leeftijdgenoten;
- een telefoongesprek met een onbekende volwassene.
|
|
2
|
|
De leerlingen kunnen luisteren
naar de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten (verwerkingsniveau:
beoordelen): |
|
|
|
- uitspraken in een discussie;
- oproepen en uitnodigingen tot een activiteit;
- mondeling aangeboden ontspannende teksten;
- reclameboodschappen in de media.
|
|
3
|
|
Bij de planning, uitvoering
en beoordeling van hun luistertaken kunnen de leerlingen de
middelen gebruiken die in 20.1 opgesomd zijn. |
|
4*
|
|
De leerlingen ontwikkelen binnen
gepaste communicatiesituaties een bereidheid om: |
|
|
|
- te luisteren;
- een ander te laten uitspreken;
- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;
- te reflecteren over hun eigen luisterhouding;
- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.
|
2 Spreken |
|
5
|
|
De leerlingen kunnen de volgende
tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren): |
|
|
|
- vragen en antwoorden met betrekking tot leerstofonderdelen
in de klas;
- instructies aan bekende leeftijdgenoten;
- uitnodigingen aan een bekende volwassene tot deelname
aan een activiteit;
- (telefoon)gesprekken: een onbekende volwassene inlichtingen
geven of erom vragen;
- mededelingen: de informatie die ze met betrekking tot
een bepaald onderwerp, thema of opdracht hebben verzameld
aan de leraar en klasgenoten aanbieden;
- mededelingen: gevoelens, gewaarwordingen, verwachtingen
in verband met het klasgebeuren tegenover een bekende volwassene
verwoorden.
|
|
6
|
|
De leerlingen kunnen aan een
gedachtenwisseling in de klas deelnemen, daarin een standpunt
onder woorden brengen en toelichten (verwerkingsniveau:
beoordelen). |
|
7
|
|
Bij de planning, uitvoering,
en beoordeling van hun spreektaken kunnen de leerlingen de middelen
gebruiken die in 20.2 opgesomd zijn. |
|
8*
|
|
De leerlingen ontwikkelen binnen
gepaste communicatiesituaties (zie eindtermen 5 en 6) een bereidheid
om: |
|
|
|
- te spreken;
- Algemeen Nederlands te spreken;
- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen
communicatiegedrag.
|
3 Lezen |
|
9
|
|
De leerlingen kunnen de volgende
tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau:
structureren): |
|
|
|
- schema's en tabellen;
- de ondertiteling bij informatieve en ontspannende televisieprogramma's;
- studieteksten;
- fictionele teksten.
|
|
10
|
|
De leerlingen kunnen de volgende
tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau:
beoordelen): |
|
|
|
- brieven;
- schriftelijke oproepen of uitnodigingen tot actie;
- instructies;
- reclameteksten en advertenties;
- informatieve teksten, inclusief informatiebronnen.
|
|
11
|
|
Bij de planning, uitvoering
en beoordeling van hun leestaken kunnen de leerlingen de middelen
gebruiken die in 20.3 opgesomd zijn. |
|
12*
|
|
De leerlingen ontwikkelen binnen
gepaste situaties een bereidheid om: |
|
|
|
- te lezen;
- te reflecteren over de inhoud van een tekst;
- bij het lezen de middelen toe te passen die in 20.3 opgesomd
zijn;
- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te
toetsen;
- zich in te leven in fictionele tekstsoorten;
- hun persoonlijke waardering en voorkeur voor bepaalde
teksten uit te spreken.
|
4 Schrijven |
|
13
|
|
De leerlingen kunnen in een
voorgestructureerd kader notities maken. |
|
14
|
|
De leerlingen kunnen voor hun
leeftijd bestemde formulieren invullen. |
|
15
|
|
De leerlingen kunnen de volgende
tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren): |
|
|
|
- een oproep, een uitnodiging aan bekende leeftijdgenoten;
- een instructie aan bekende leeftijdgenoten;
- een stuk met informatie over henzelf voor al of niet nader
bekenden;
- een informatief stuk voor bekende leeftijdgenoten;
- antwoorden op vragen van bekende volwassenen over op school
verwerkte inhouden;
- een verslag aan bekende volwassenen over een gegeven schoolse
opdracht.
|
|
16
|
|
Bij de planning, uitvoering
en beoordeling van hun schrijftaken kunnen de leerlingen de
middelen gebruiken die in 20.4 opgesomd zijn. Bij het schrijven
houdt dat ook verzorging in van de geschreven tekst op het gebied van
handschrift, spelling, indeling en lay-out. |
|
17*
|
|
De leerlingen ontwikkelen binnen
de gepaste situaties (zie eindterm 15) een bereidheid om: |
|
|
|
- te schrijven;
- te reflecteren over hun eigen schrijven;
- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.
|
5 Taalbeschouwing |
|
18
|
|
Met het oog op een efficiënte
communicatie kennen de leerlingen de essentiële elementen van
de communicatiesituatie (zender, ontvanger, boodschap, kanaal). |
|
19
|
|
Met het oog op een efficiënte
communicatie hebben de leerlingen weet van het bestaan van:
|
|
|
|
- standaardtalen en van regionale, sociale en situationele
taalvarianten;
- normen, vooroordelen en rolgedrag.
|
|
20
|
|
De leerlingen hebben weet van
volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat
ze die op hun niveau kunnen toepassen: |
20.1 luisteren: |
|
|
|
luisterdoel bepalen;
|
|
|
|
aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
|
|
|
|
aandacht concentreren;
|
|
|
|
belangrijke informatie noteren;
|
|
|
|
vragen stellen bij onduidelijkheid;
|
20.2 spreken: |
|
|
|
spreekdoel bepalen;
|
|
|
|
informatie verzamelen;
|
|
|
|
spreekplannetje opstellen;
|
|
|
|
bedoeling duidelijk formuleren;
|
20.3 lezen:
|
|
|
|
leesdoel bepalen;
|
|
|
|
aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
|
|
|
|
aandacht concentreren;
|
|
|
|
gericht informatie zoeken;
|
|
|
|
onduidelijke passages herlezen;
|
|
|
|
niet bekende woorden: context bevragen c.q. woordenboek
raadplegen;
|
20.4 schrijven: |
|
|
|
schrijfdoel bepalen;
|
|
|
|
informatie verzamelen;
|
|
|
|
schrijfplan opstellen;
|
|
|
|
woordenboek gebruiken;
|
|
|
|
eigen tekst reviseren.
|
|
21
|
|
Met betrekking tot tekstsoorten
hebben de leerlingen de kennis verworven die nodig is om de
opgenoemde taaltaken bij luisteren, spreken, lezen en schrijven,
uit te voeren. |
|
22
|
|
Binnen concrete taalgebruiksituaties
herkennen de leerlingen de volgende taalverschijnselen: |
|
|
|
- verbindings- en verwijswoorden;
- enkelvoudige en samengestelde zinnen;
- samenstelling en afleiding (vormingsproces).
|
|
* Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een asterisk (*) aangeduid.
|