Secundair onderwijs, eerste graad A-stroom: vakgebonden eindtermen Nederlands

1 Luisteren

1 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten (verwerkingsniveau: structureren):
  • een uiteenzetting door de leraar over een leerstofonderdeel in de klas;
  • een dialoog, polyloog met medeleerlingen met betrekking tot het school- en klasgebeuren;
  • een jeugdprogramma op radio en tv;
  • instructies in verband met het uitvoeren van handelingen voor onbekende leeftijdgenoten;
  • een telefoongesprek met een onbekende volwassene.
2 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten (verwerkingsniveau: beoordelen):
  • uitspraken in een discussie;
  • oproepen en uitnodigingen tot een activiteit;
  • mondeling aangeboden ontspannende teksten;
  • reclameboodschappen in de media.
3 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 18 opgesomd zijn.
4* De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties een bereidheid om:
  • te luisteren;
  • een ander te laten uitspreken;
  • een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;
  • te reflecteren over hun eigen luisterhouding;
  • het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.
 

2 Spreken

5 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren):
  • vragen en antwoorden met betrekking tot leerstofonderdelen in de klas;
  • instructies aan bekende leeftijdgenoten;
  • uitnodigingen aan een bekende volwassene tot deelname aan een activiteit;
  • (telefoon)gesprekken: een onbekende volwassene inlichtingen geven of erom vragen;
  • mededelingen: de informatie die ze met betrekking tot een bepaald onderwerp, thema of opdracht hebben verzameld aan de leraar en klasgenoten aanbieden;
  • mededelingen: gevoelens, gewaarwordingen, verwachtingen in verband met het klasgebeuren tegenover een bekende volwassene verwoorden.
6 De leerlingen kunnen aan een gedachtewisseling in de klas deelnemen, daarin een standpunt onder woorden brengen en toelichten (verwerkingsniveau: beoordelen).
7 Bij de planning, uitvoering, en beoordeling van hun spreektaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 19 opgesomd zijn.
8* De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties (zie eindtermen 5 en 6) een bereidheid om:
  • te spreken;
  • Algemeen Nederlands te spreken;
  • een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen communicatiegedrag.
 

3 Lezen

9 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau: structureren):
  • schema's en tabellen;
  • de ondertiteling bij informatieve en ontspannende televisieprogramma's;
  • studieteksten;
  • fictionele teksten.
10 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau: beoordelen):
  • brieven;
  • schriftelijke oproepen of uitnodigingen tot actie;
  • instructies;
  • reclameteksten en advertenties;
  • informatieve teksten, inclusief informatiebronnen.
11 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 18 opgesomd zijn.
12* De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste situaties een bereidheid om:
  • te lezen;
  • te reflecteren over de inhoud van een tekst;
  • de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen;
  • zich in te leven in fictionele tekstsoorten;
  • hun persoonlijke waardering en voorkeur voor bepaalde teksten uit te spreken.
 

4 Schrijven

13 De leerlingen kunnen in een voorgestructureerd kader notities maken.
14 De leerlingen kunnen voor hun leeftijd bestemde formulieren invullen.
15 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren):
  • een oproep, een uitnodiging aan bekende leeftijdgenoten;
  • een instructie aan bekende leeftijdgenoten;
  • een stuk met informatie over henzelf voor al of niet nader bekenden;
  • een informatief stuk voor bekende leeftijdgenoten;
  • antwoorden op vragen van bekende volwassenen over op school verwerkte inhouden;
  • een verslag aan bekende volwassenen over een gegeven schoolse opdracht.
16 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken kunnen de leerlingen de strategieën gebruiken die in eindterm 19 opgesomd zijn. Bij het schrijven houdt dat ook verzorging in van de geschreven tekst op het gebied van handschrift, spelling, indeling en lay-out.
17* De leerlingen ontwikkelen binnen de gepaste situaties (zie eindterm 15) een bereidheid om:
  • te schrijven;
  • te reflecteren over hun eigen schrijven;
  • taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.
 

5 Strategieën

18 De leerlingen kunnen bij de eindtermen luisteren, lezen, spreken en schrijven de volgende strategieën inzetten:
  • zich oriënteren op aspecten van de luister-, lees-, spreek- en schrijftaak: doel, teksttype en eigen kennis, en voor spreken en schrijven ook op de luisteraar of lezer en op andere bronnen van kennis;
  • hun manier van luisteren, lezen, spreken en schrijven afstemmen op het luister-, lees-, spreek- of schrijfdoel, en voor spreken en schrijven ook op de luisteraar of lezer;
  • tijdens het luisteren, lezen, spreken en schrijven hun aandacht behouden voor het bereiken van het doel;
  • het resultaat beoordelen in het licht van het luister-, lees-, spreek- of schrijfdoel;
  • het resultaat bijstellen.
   

6 Taalbeschouwing

Overkoepelende attitudes

19* De leerlingen zijn bereid om op hun niveau:
  • bewust te reflecteren op taalgebruik en taalsysteem;
  • van de verworven inzichten gebruik te maken in hun talig handelen.
20 Bij het reflecteren op taalgebruik en taalsysteem tonen de leerlingen interesse in en respect voor de persoon van de ander, en voor de eigen en andermans cultuur.
   

Taalgebruik

21 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in een ruim gamma van voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties reflecteren op de belangrijkste factoren van een communicatiesituatie: zender, ontvanger, boodschap, bedoeling, effect , situatie, kanaal.
22 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties reflecteren op:
  • Standaardnederlands en andere standaardtalen;
  • nationale, regionale, sociale en situationele taalvariëteiten;
  • in onze samenleving voorkomende talen;
  • normen, houdingen, vooroordelen en rolgedrag via taal;
  • hun taalhandelingen, zoals beweren, meedelen, beloven, om informatie vragen, verzoeken, dreigen, waarschuwen, groeten, bedanken;
  • taalgedragsconventies;
  • de gevolgen van hun taalgedrag voor anderen en henzelf;
  • talige aspecten van cultuuruitingen in onze samenleving.
   

Taalsysteem

23 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot:
  • klanken, woorden, zinnen, teksten;
  • spellingvormen;
  • betekenissen.
   

Strategieën

24 De leerlingen kunnen op hun niveau reflecteren op de door hen gebruikte luister-, spreek-, lees- en schrijfstrategieën, en daarbij de attitudes, kennis en vaardigheden van de eindtermen Nederlands inzetten.
   

Begrippen en termen

25 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen uit de tweede kolom gebruiken, nl.:

 

Hoofdcategorie Eindtermen 1ste graad so A-stroom
1 fonologisch domein - klanken
klank klank
  klinker
  medeklinker
  rijm
  uitspraak
  intonatie
2 orthografisch domein - spellingvormen
alfabet alfabet
  letter
  klinker
  medeklinker
  eindletter
  hoofdletter
  kleine letter
diakritische tekens koppelteken
  apostrof
  trema
uitspraaktekens accent
leestekens leesteken
  punt
  vraagteken
  uitroepteken
  komma
  dubbele punt
  spatie
  aanhalingsteken
afkortingen afkorting
3 morfologisch domein - woorden
woord woord
  grondwoord
woordvorming samenstelling
  afleiding
affix voorvoegsel
  achtervoegsel
woordsoort -
zelfstandig naamwoord zelfstandig naamwoord
  eigennaam
  verkleinwoord
getal getal
  enkelvoud
  meervoud
genus mannelijk
  vrouwelijk
  onzijdig
lidwoord lidwoord
  bepaald lidwoord
  onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord bijvoeglijk naamwoord
werkwoord werkwoord
werkwoordvormen stam
  uitgang
vervoegde vormen persoonsvorm
  persoon
  eerste persoon (ik - wij)
  tweede persoon (jij - jullie)
  derde persoon (hij, zij, het - zij)
  enkelvoud
  meervoud
niet-vervoegde vormen infinitief
  voltooid deelwoord
tempus tijd
  tegenwoordige tijd
  verleden tijd
  toekomende tijd
  onvoltooide tijd
  voltooide tijd
werkwoordsoorten hulpwerkwoord
voornaamwoord voornaamwoord
  persoonlijk voornaamwoord
  bezittelijk voornaamwoord
  aanwijzend voornaamwoord
  vragend voornaamwoord
voorzetsel voorzetsel
telwoord telwoord
4 syntactisch domein - zinnen
zin zin
zinsdeel zinsdeel
  onderwerp
  persoonsvorm
  lijdend voorwerp (enkel aan de hand van prototypische zinnen omwille van Frans)
  meewerkend voorwerp (enkel aan de hand van prototypische zinnen omwille van Frans)
woordgroep woordgroep
5 semantisch domein - betekenissen
betekenisrelaties synoniem
  homoniem
  letterlijk
  figuurlijk
metaforisch taalgebruik spreekwoord
  uitdrukking
6 tekstueel domein - teksten
tekst tekst
tekstsoort fictie
  non-fictie
  context
tekstopbouw inleiding
  midden
  slot
  hoofdstuk
  alinea
  regel
  kopje
  titel
  bladzijde
structuuraanduiders signaalwoord
(materiële) vormgeving lay-out
  cursief
  vetjes
  inhoudsopgave
status van uitspraken feit
  mening
7 pragmatisch domein - taalgebruik
factoren in de communicatiesituatie zender
  spreker
  schrijver
  ontvanger
  luisteraar
  lezer
  boodschap
  bedoeling
  situatie
  effect
  kanaal
8 sociolinguïstisch domein - taalgebruik
taal Nederlands
  Frans
  Duits
  Engels
taalvariëteiten Standaardnederlands
  standaardtaal
  dialect
  moedertaal
  vreemde taal

 

7 (Inter)culturele gerichtheid

26* De leerlingen tonen bij de eindtermen Nederlands een (inter)culturele gerichtheid op het vlak van kennis en inzichten, vaardigheden en attitudes. Dat houdt in dat ze:
  • verschillende cultuuruitingen met een talige component in onze samenleving exploreren en er betekenis aan geven;
  • hun gedachten, belevingen en emoties bij ervaringen met de eigen culturele leefwereld in vergelijking met die van anderen verwoorden;
  • uitgaande van hun eigen referentiekader enige kennis over de diversiteit in het culturele erfgoed met een talige component verwerven en er waardering voor krijgen.
   
* De attitudes werden met een asterisk (*) aangeduid.

naar boven