|
| |
Secundair
onderwijs, eerste graad A-stroom: vakgebonden eindtermen moderne vreemde talen Frans-Engels
Taaltaken, verwerkingsniveaus, tekstsoorten, tekstkenmerken en strategieën
Luisteren
|
| In teksten met de volgende
kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante
taalgebruikssituaties
- zonder storende achtergrondgeluiden
- met en zonder visuele ondersteuning
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen
- elementaire tekststructuur
- korte teksten
- ook met redundante informatie
- Uitspraak, articulatie, intonatie
- heldere uitspraak
- zorgvuldige articulatie
- duidelijke, natuurlijke intonatie
- standaardtaal
- Tempo en vlotheid
- Woordenschat en taalvariëteit
- frequente woorden
- eenduidig in de context
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
| kunnen de leerlingen volgende
taken beschrijvend uitvoeren: |
| 1 |
het onderwerp bepalen in informatieve, narratieve en
artistiek-literaire teksten; |
| 2 |
de hoofdgedachte achterhalen in informatieve en narratieve
teksten; |
| 3 |
de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten; |
| 4 |
informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten; |
| 5 |
de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve
en narratieve teksten. |
| 6 |
Indien nodig passen de
leerlingen volgende strategieën toe: |
| |
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles begrijpen;
- het luisterdoel bepalen;
- gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief
materiaal;
- hypothesen vormen over de inhoud van de tekst;
- de vermoedelijke betekenis van transparante woorden
afleiden;
- de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden
afleiden uit de context.
|
| |
|
Lezen
|
| In teksten met de volgende
kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
- met en zonder visuele ondersteuning
- ook met socioculturele aspecten van de Franstalige/Engelstalige wereld
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen
- elementaire tekststructuur
- vrij korte teksten
- ook met redundante informatie
- Woordenschat en taalvariëteit
- frequente woorden
- eenduidig in de context
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
| kunnen de
leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren: |
| 7 |
het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve,
narratieve en artistiek-literaire teksten; |
| 8 |
de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve,
narratieve en artistiek-literaire teksten; |
| 9 |
de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten; |
| 10 |
informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten; |
| 11 |
de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve
en narratieve teksten. |
| 12 |
Indien nodig passen de
leerlingen volgende strategieën toe: |
| |
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles begrijpen;
- herlezen wat onduidelijk is;
- het leesdoel bepalen;
- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;
- een woordenlijst of een woordenboek raadplegen;
- de vermoedelijke betekenis van transparante woorden
afleiden;
- de vermoedeliijke betekenis van onbekende woorden
afleiden uit de context.
|
| |
|
Spreken
|
| In teksten met de volgende
kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
- met en zonder visuele ondersteuning
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- eenvoudige zinnen
- elementaire tekststructuur
- korte teksten
- Uitspraak, articulatie, intonatie
- met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
- standaardtaal
- Tempo en vlotheid
- met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
- langzaam tempo
- Woordenschat en taalvariëteit
- relevante woorden uit de woordvelden
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
| kunnen de
leerlingen volgende taken kopiërend uitvoeren: |
| 13 |
vooraf beluisterde en gelezen informatieve,
prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten luidop
lezen; |
| 14 |
vooraf gelezen informatieve, prescriptieve,
narratieve en artistiek-literaire teksten luidop lezen. |
| kunnen de
leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren: |
| 15 |
vooraf gekende informatie uit informatieve en
narratieve teksten meedelen; |
| 16 |
uit informatieve en narratieve teksten een
gebeurtenis, een verhaal navertellen met ondersteuning van
sleutelwoorden of met visuele ondersteuning; |
| 17 |
een spontane mening geven; |
| 18 |
een gebeurtenis, een verhaal, iets of iemand
beschrijven met ondersteuning van sleutelwoorden of met visuele
ondersteuning; |
| 19 |
gebruik maken van elementaire omgangsvormen en
beleefdheidsconventies. |
| kunnen de
leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren: |
| 20 |
aan de hand van sleutelwoorden een verwerkte
tekst bondig weergeven; |
| 21 |
aan de hand van sleutelwoorden bondig verslag
uitbrengen over een gebeurtenis; |
| 22 |
een voorbereide informatie presenteren aan de
hand van een format. |
| 23 |
Indien nodig passen de
leerlingen volgende strategieën toe: |
| |
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles kunnen uitdrukken;
- het spreekdoel bepalen;
- gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;
- iets op een andere wijze zeggen;
- de boodschap beperken tot of aanpassen aan wat zij echt
kunnen uitdrukken.
|
| |
|
Mondelinge interactie
|
| In teksten met de volgende
kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante taalgebruikssituaties
- met en zonder visuele ondersteuning
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- eenvoudige zinnen
- elementaire tekststructuur
- korte teksten
- Uitspraak, articulatie, intonatie
- met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige articulatie en natuurlijke intonatie
- standaardtaal
- Tempo en vlotheid
- met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
- langzaam tempo
- Woordenschat en taalvariëteit
- relevante woorden uit de woordvelden
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
| kunnen de
leerlingen volgende taken uitvoeren: |
| 24 |
deelnemen aan een gesprek door:
- vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen;
- erop te reageren;
- zelf vragen te stellen, antwoorden te geven en
uitspraken te doen;
|
| 25 |
een eenvoudig gesprek beginnen, voeren en afsluiten; |
| 26 |
gebruik maken van elementaire omgangsvormen en
beleefdheidsconventies. |
| 27 |
Indien nodig passen de
leerlingen volgende strategieën toe: |
| |
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
- het doel van de interactie bepalen;
- gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
- ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte
boodschap overbrengen;
- vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen, iets
aan te wijzen;
- iets op een andere wijze zeggen;
- gedeeltelijk herhalen wat iemand zegt of iets aanwijzen
om wederzijds begrip na te gaan.
|
| |
|
Schrijven
|
| In teksten met de volgende
kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante
taalgebruikssituaties
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- eenvoudige zinnen
- eenvoudige en duidelijke tekststructuur
- korte teksten
- Woordenschat en taalvariëteit
- relevante woorden uit de woordvelden
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
| kunnen de
leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren: |
| 28 |
inlichtingen verstrekken op eenvoudige
formulieren; |
| 29 |
een tekst schrijven over een in de klas
behandeld onderwerp met behulp van sleutelwoorden; |
| 30 |
een bericht opstellen met behulp van een
voorbeeld; |
| 31 |
een gebeurtenis, een verhaal, iets of iemand
beschrijven door middel van een opsomming in korte zinnen; |
| 32 |
gebruik maken van elementaire omgangsvormen en
beleefdheidsconventies. |
| kunnen de
leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren: |
| 33 |
persoonlijke, ook digitale correspondentie
voeren met behulp van een voorbeeld. |
| 34 |
Indien nodig passen de
leerlingen volgende strategieën toe: |
| |
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles kunnen uitdrukken;
- het schrijfdoel bepalen;
- gebruik maken van een model of van een in de klas
behandelde tekst;
- gebruik maken van een woordenlijst of een woordenboek;
- principes van lay-out toepassen;
- de eigen tekst nakijken.
|
Kennis en attitudes
| Kennis |
| 35 |
Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de
leerlingen de volgende lexicale en grammaticale elementen
functioneel inzetten: |
| |
|
| VOOR ENGELS: |
| a) |
vorm, betekenis en reëel gebruik in context van woorden
en woordcombinaties uit de woordvelden die de taaltaken en de
taalgebruikssituaties vereisen:
- persoonlijke gegevens
- dagelijks leven
- relatie tot de anderen
- eten en drinken
- tijd, ruimte, natuur
- het weer
- winkelen
- diensten en beroepen
|
| b) |
De grammaticale en complementaire lexicale kennis om …
- Personen, dieren en zaken te benoemen
- Te verwijzen naar personen, dieren en zaken: Wat? /Wie?
- Zelfstandige naamwoorden: getal
- Lidwoorden: bepaald en onbepaald
- Voornaamwoorden: persoonlijk en bezittelijk
- Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven
- Uitspraken te doen
- Te bevestigen, te vragen en te ontkennen
- Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
- Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord
- Vragende woorden
- Te situeren in de tijd
- Werkwoordsvormen en hulpwerkwoorden voor de communicatie in de tegenwoordige tijd
|
|
|
|
VOOR FRANS |
| a) |
vorm, betekenis en reëel gebruik in context van woorden en
woordcombinaties uit de woordvelden die de taaltaken en de
taalgebruikssituaties vereisen:
- persoonlijke gegevens: naam, leeftijd, adres,
telefoon, dichte familie, kleding, gezondheid,
lichaamsdelen, uiterlijke kenmerken, huisdieren
- dagelijks leven: huis, vrijetijdsbesteding,
huishoudelijke taken, boodschappen doen, school, klas, de
klasafspraken en -instructies, schoolmateriaal, het
schoolleven, verplaatsingen, vakantie
- relatie tot de anderen: zich voorstellen, iemand
voorstellen, begroeten, bedanken, feliciteren,
beleefdheidsrituelen, gevoelens uitdrukken, excuses
- eten en drinken: wat men wel of niet graag eet of
drinkt, de maaltijden, prijzen, menu’s, dranken, gerechten
- tijd, ruimte, natuur:
- jaar, seizoenen, maanden, dagen, uuraanduidingen,
tijdsmarkeerders, frequentie, chronologie van
gebeurtenissen, feesten
- reizen en verplaatsingen, landen, regio’s
- vervoermiddelen, verkeer
- vegetatie, dieren
- lokaliseren in tijd en ruimte
- hoofdtelwoorden en rangtelwoorden
- voorzetsels
- voegwoorden
- het weer
- winkelen: soorten winkels, artikelen kopen, prijs,
gewicht, hoeveelheid, maten, vorm, geld
- diensten en beroepen: post, bank, politie,
gemeentehuis, ziekenhuis,…
|
| b) |
grammaticale constructies:
- morfologisch domein
- zelfstandige naamwoorden: genus, getal, overeenkomst
- lidwoorden
- bijvoeglijk gebruikte woordsoorten
- bijvoeglijke naamwoorden
- bezittelijke voornaamwoorden
- aanwijzende voornaamwoorden
- vragende voornaamwoorden
- infinitieven
- werkwoordsvormen en de tijdmarkeerders i.f.v. communicatie in de tegenwoordige, verleden en toekomende tijd
- zeer frequente vormen van de “passé composé”
- de imperatief enkel receptief
- hulpwerkwoorden
- syntactisch domein
- eenvoudige samengestelde bevestigende, ontkennende en vragende zinnen
- persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp
- persoonlijke voornaamwoorden als lijdend en meewerkend voorwerp
|
| 36 |
De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik
binnen de vermelde taalgebruikssituaties om zo hun functionele
en ondersteunende kennis uit te breiden. |
| De leerlingen
werken aan de volgende attitudes: |
| 37* |
tonen bereidheid en durf om te luisteren, te
lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het
Frans en in het Engels; |
| 38* |
tonen bereidheid tot taalverzorging; |
| 39* |
tonen belangstelling voor de aanwezigheid van
moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school,
en voor de socioculturele wereld van de taalgebruikers; |
| 40* |
stellen zich open voor de esthetische
component van teksten. |
naar boven |