1 Luisteren |
|
|
|
De leerlingen kunnen
|
|
1
|
|
de betekenis begrijpen van duidelijk uitgesproken aanwijzingen,
instructies en waarschuwingen die verwoord zijn in een zeer
eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden
zijn in een traag spreektempo.
|
|
2
|
|
relevante en herkenbare informatie selecteren uit functionele
boodschappen, die verwoord zijn in een zeer eenvoudige taal
qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een
traag spreektempo.
|
|
3
|
|
de hoofdzaak begrijpen uit mondeling aangeboden korte teksten
waarin de informatie duidelijk en expliciet verwoord wordt
in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat
en die aangeboden zijn in een traag spreektempo.
|
|
4
|
|
in een zeer eenvoudig gesprek hun gesprekspartner voldoende
begrijpen om doeltreffend te kunnen reageren.
|
|
5
|
|
in een zeer eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het
bereiken van hun doel vergemakkelijken:
|
|
|
|
- verzoeken om te herhalen;
- verzoeken om langzamer te spreken;
- vragen om iets op te schrijven.
|
|
|
|
De leerlingen
|
|
6
|
|
leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid,
de nodige luisterbereidheid opbrengen om in eenvoudige
communicatieve situaties te functioneren en zich te concentreren
op wat ze willen vernemen.
|
2 Lezen
|
|
|
|
De leerlingen kunnen
|
|
7
|
|
de betekenis begrijpen van aanwijzingen, opschriften en waarschuwingen,
gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur en
woordenschat.
|
|
8
|
|
relevante en herkenbare informatie opzoeken in functionele
teksten, gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur
en woordenschat.
|
|
9
|
|
de hoofdzaken begrijpen van korte teksten waarin de informatie
duidelijk en expliciet wordt verwoord in een zeer eenvoudige
taal qua structuur en woordenschat.
|
|
10
|
|
de samenhang begrijpen in korte teksten, gesteld in een zeer
eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
|
|
11
|
|
strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
|
|
|
|
- herkennen van doorzichtige woorden
- afleiden uit de context;
- raadplegen van een eenvoudig woordenboek of woordenlijst.
|
|
|
|
De leerlingen
|
|
12
|
|
leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid,
de nodige leesbereidheid opbrengen en zich concentreren
op wat ze willen vernemen.
|
3 Spreken
|
|
|
|
De leerlingen kunnen
|
|
13
|
|
zeer eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden op basis
van behandelde onderwerpen.
|
|
14
|
|
zeer eenvoudige en korte bestudeerde teksten en dialogen
bondig navertellen met behulp van sleutelwoorden.
|
|
15
|
|
zeer eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden aan de
hand van zeer eenvoudige documenten.
|
|
16
|
|
op een zeer eenvoudige wijze vragen beantwoorden en informatie
verstrekken omtrent henzelf, hun omgeving en leefwereld.
|
|
17
|
|
op gepaste wijze een aantal zeer eenvoudige taaluitingen
aanwenden die tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig voorkomen.
|
|
18
|
|
in een zeer eenvoudig gesprek compenserende strategieën aanwenden,
zoals het gebruik maken van lichaamstaal.
|
|
|
|
De leerlingen
|
|
19
|
|
leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van
zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -durf
opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
|
4 Schrijven
|
|
|
|
De leerlingen kunnen
|
|
20
|
|
woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met aandacht voor
correcte spelling.
|
|
21
|
|
inlichtingen verstrekken op
zeer eenvoudige invulformulieren.
|