Luisteren |
|
In teksten met de volgende kenmerken
|
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- functioneel
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante
taalgebruikssituaties
- zonder storende achtergrondgeluiden
- meestal met visuele ondersteuning
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- korte enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen,
met de meest frequente verbindingswoorden
- elementaire tekststructuur
- zeer korte teksten
- met expliciete informatie
- ook met redundante informatie
- Uitspraak, articulatie, intonatie
- heldere uitspraak
- zorgvuldige articulatie
- duidelijke, natuurlijke intonatie
- standaardtaal
- Tempo en vlotheid
- langzaam tempo met pauzes waar nodig
- Woordenschat en taalvariëteit
- zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste
frasen en standaarduitdrukkingen
- eenduidig in de context
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
|
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren: |
|
1 |
het onderwerp bepalen in informatieve en narratieve teksten; |
|
2 |
de hoofdgedachte achterhalen in informatieve en narratieve
teksten; |
|
3 |
de inhoudslijn volgen van informatieve en narratieve teksten; |
|
4 |
de inhoud opvolgen van prescriptieve teksten; |
|
5 |
herkenbare informatie selecteren uit informatieve en
narratieve teksten. |
|
6 |
Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën
toe: |
|
|
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles begrijpen;
- het luisterdoel bepalen;
- gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief
materiaal;
- de vermoedelijke betekenis van transparante woorden
afleiden;
- voorbijgaan aan een woord, fragment of klankstroom die
zij niet begrijpen.
|
Lezen |
|
In teksten met de volgende kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- functioneel
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante
taalgebruikssituaties
- meestal met visuele ondersteuning
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- korte enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen,
met de meest frequente verbindingswoorden
- elementaire tekststructuur
- korte teksten
- met expliciete informatie
- ook met redundante informatie
- Woordenschat en taalvariëteit
- frequente woorden
- eenduidig in de context
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
|
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren: |
|
7 |
het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten; |
|
8 |
de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten; |
|
9 |
de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten; |
|
10 |
informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve en
narratieve teksten. |
|
11 |
Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën
toe: |
|
|
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles begrijpen;
- het leesdoel bepalen;
- gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;
- het onderwerp van de tekst voorspellen;
- de vermoedelijke betekenis van transparante woorden
afleiden;
- de vermoedeliijke betekenis van onbekende woorden
afleiden uit de context;
- herlezen wat onduidelijk is;
- een woordenlijst of een eenvoudig woordenboek
raadplegen.
|
Spreken |
|
In teksten met de volgende kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- functioneel
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante
taalgebruikssituaties
- met en zonder visuele ondersteuning
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde
zinnen met de meest frequente verbindingswoorden
- elementaire tekststructuur
- zeer korte teksten
- Uitspraak, articulatie, intonatie
- met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige
articulatie en natuurlijke intonatie
- standaardtaal
- Tempo en vlotheid
- met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
- langzaam tempo
- Woordenschat en taalvariëteit
- zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste
frasen en standaarduitdrukkingen
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
|
kunnen de leerlingen volgende taken kopiërend uitvoeren: |
|
12 |
vooraf beluisterde woorden en zinnen nazeggen; |
|
13 |
een vooraf beluisterde en gelezen tekst luidop lezen; |
|
14 |
een vooraf gelezen tekst luidop lezen. |
|
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren: |
|
15 |
aan de hand van sleutelwoorden een verwerkte tekst bondig
weergeven; |
|
16 |
met een vorm van ondersteuning iets of iemand beschrijven; |
|
17 |
gebruik maken van elementaire omgangsvormen en
beleefdheidsconventies. |
|
18 |
Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën
toe: |
|
|
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles kunnen uitdrukken;
- het spreekdoel bepalen;
- gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
- gebruik maken van ondersteunend materiaal.
|
Mondelinge interactie |
|
In teksten met de volgende kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- functioneel
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante
taalgebruikssituaties
- met en zonder visuele ondersteuning
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- korte enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde
zinnen met de meest frequente verbindingswoorden
- elementaire tekststructuur
- zeer korte teksten
- Uitspraak, articulatie, intonatie
- met een aanzet tot heldere uitspraak, zorgvuldige
articulatie en natuurlijke intonatie
- standaardtaal
- Tempo en vlotheid
- met eventuele herhalingen en langere onderbrekingen
- langzaam tempo
- Woordenschat en taalvariëteit
- zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste
frasen en standaarduitdrukkingen
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
|
kunnen de leerlingen volgende taken uitvoeren: |
|
19 |
deelnemen aan een gesprek door:
- vragen, antwoorden en uitspraken te begrijpen;
- erop te reageren;
- zelf vragen te stellen, antwoorden te geven en
uitspraken te doen;
|
|
20 |
gebruik maken van elementaire omgangsvormen en
beleefdheidsconventies. |
|
21 |
Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën
toe: |
|
|
- zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet
alles begrijpen of kunnen uitdrukken;
- gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal;
- te kennen geven dat ze iets niet begrepen hebben, vragen
om langzamer te spreken;
- iets aanwijzen om wederzijds begrip na te gaan.
|
Schrijven
|
|
In teksten met de volgende kenmerken |
- Onderwerp
- concreet
- eigen leefwereld en dagelijks leven
- functioneel
- Taalgebruikssituatie
- concrete en voor de leerlingen vertrouwde, relevante
taalgebruikssituaties
- Structuur/ Samenhang/ Lengte
- korte eenvoudige zinnen
- elementaire tekststructuur
- zeer korte teksten
- Uitspraak, articulatie, intonatie
- Tempo en vlotheid
- Woordenschat en taalvariëteit
- zeer frequente woorden uit de woordvelden, vaste
frasen en standaarduitdrukkingen
- standaardtaal
- informeel en formeel
|
|
kunnen de leerlingen volgende taken kopiërend uitvoeren: |
|
22 |
een tekst foutloos overschrijven; |
|
23 |
inlichtingen verstrekken op eenvoudige
formulieren. |
|
kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren: |
|
24 |
aan de hand van aangereikte
standaarduitdrukkingen en vaste frasen een tekstje samenstellen. |
|
25 |
Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën
toe: |
|
|
- zich blijven concentreren op de schrijftaak;
- het schrijfdoel bepalen;
- de eigen tekst nakijken;
- principes van lay-out toepassen.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Kennis |
| |
|
| 26 |
Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de
leerlingen de volgende lexicale en grammaticale elementen
functioneel inzetten, eventueel met ondersteuning van
hulpmiddelen: |
| |
|
| a) |
vorm, betekenis en reëel gebruik in context van woorden
en woordcombinaties uit de woordvelden die de taaltaken en de
taalgebruikssituaties vereisen:
- persoonlijke gegevens zoals naam, leeftijd,
adres, telefoon, dichte familie, kleding, gezondheid,
lichaamsdelen, uiterlijke kenmerken, huisdieren
- dagelijks leven zoals huis,
vrijetijdsbesteding, school, klas, de klasafspraken en
-instructies, schoolmateriaal, verplaatsingen, boodschappen
doen
- relatie tot de anderen zoals zich voorstellen,
iemand voorstellen, begroeten, bedanken, feliciteren,
beleefdheidsrituelen, gevoelens uitdrukken
- eten en drinken: wat men eet of drinkt, de
maaltijden
- tijd, ruimte, natuur: het jaar, de seizoenen,
maanden, dagen, uuraanduidingen, tijdsmarkeerders, feesten,
dieren
- het weer
- functiewoorden: voorzetsels en voegwoorden
- hoeveelheidsaanduidingen: hoofdtelwoorden en
frequente rangtelwoorden
|
| b) |
grammaticale constructies:
- morfologisch domein
- zelfstandige naamwoorden: genus, getal, overeenkomst
- lidwoorden
- bijvoeglijk gebruikte woordsoorten
- bijvoeglijke naamwoorden
- bezittelijke voornaamwoorden
- aanwijzende voornaamwoorden
- infinitieven
- werkwoordsvormen en de tijdsmarkeerders i.f.v.
communicatie in de tegenwoordige tijd en de “futur proche”
- zeer frequente vormen van de “passé composé”
- syntactisch domein
- eenvoudige bevestigende, ontkennende en vragende
zinnen
- persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp
|
| De leerlingen
werken aan de volgende attitudes: |
| 27* |
tonen bereidheid en durf om te luisteren, te
lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het
Frans; |
| 28* |
tonen bereidheid tot taalverzorging; |
| 29* |
tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in
hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socioculturele
wereld van de taalgebruikers. |