1 Het domein van de uitvoering |
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
1
|
|
losse gegevens ordenen en inprenten
door gepast gebruik te maken van mnemotechnische middeltjes. |
|
2
|
|
zich in goed gestructureerde
samenhangende informatie oriënteren door het aanwenden van vormkenmerken:
titels, subtitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen. |
|
3
|
|
goed gestructureerde samenhangende
informatie inhoudelijk begrijpen en analyseren door de betekenis
van woorden, begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context
af te leiden. |
|
4
|
|
bij het instuderen van een behandelde
leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw opzoeken in leerboek,
werkboek of notities. |
|
5
|
|
bij het leren van samenhangende
informatie verdiepend werken: |
|
|
|
- vragen stellen bij de leerstof en deze vragen beantwoorden;
- in korte, goed gestructureerde teksten tekstmarkeringen
aanbrengen;
- een schema vervolledigen aan de hand van geboden informatie
|
|
6
|
|
bij het oplossen van een probleem,
onder begeleiding: |
|
|
|
- het probleem herformuleren;
- een oplossingsweg bedenken en verwoorden;
- de gevonden oplossingsweg toepassen en op correctheid
inschatten.
|
|
7
|
|
informatiebronnen onder begeleiding
raadplegen: |
|
|
|
- inhoudstafel en register gebruiken;
- elementen uit audiovisuele en geschreven media gebruiken;
- een documentatiecentrum of een bibliotheek raadplegen.
|
2 Het domein van de regulering
|
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
8
|
|
hun werktijd plannen en het
nodige materiaal selecteren en ordenen. |
|
9
|
|
zichzelf sturen met behulp van
een antwoordblad, een correctiesleutel of de aanwijzingen van
de leraar. |
|
10
|
|
onder begeleiding de eigen werkwijze
vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout gegaan
is en hoe fouten vermeden kunnen worden. |
3 Het domein van de attitudes, leerhoudingen, opvattingen
en overtuigingen
|
|
|
|
De leerlingen |
|
11
|
|
zijn bereid zelf naar oplossingen
te zoeken en durven leer- en studieproblemen signaleren en uitleg
of hulp vragen. |
|
12
|
|
zijn bereid ordelijk, systematisch
en regelmatig te werken. |
|
13
|
|
beseffen dat leren reeds in
de klas begint en niet alleen thuis gebeurt. |
4 Het domein van de studiekeuze
|
|
|
|
De leerlingen |
|
14
|
|
hebben inzicht in de algemene
structuur van het secundair onderwijs. |
|
15
|
|
zijn bereid een onbevooroordeelde
houding aan te nemen tegenover studierichtingen en beroepen. |
|
16
|
|
kunnen eenvoudige strategieën
aanwenden voor het maken van een studiekeuze. |
|
17
|
|
tonen zich bereid om bij het
kiezen van een studierichting rekening te houden met hun eigen
(leer)mogelijkheden. |