1 Lucht en
water |
|
|
|
De leerlingen
|
|
1
|
|
kunnen voorbeelden van lucht- of waterverontreiniging in
de eigen leefomgeving aanwijzen.
|
|
2
|
|
kunnen voorstellen formuleren om in de eigen leefomgeving
de kwaliteit van lucht of water te behouden of te verbeteren.
|
|
3
|
|
gaan zorgzaam om met lucht en water in de eigen leefomgeving.
|
2 Levende wezens en milieu
|
|
|
|
De leerlingen
|
|
4
|
|
kunnen meewerken aan activiteiten die bijdragen tot het behoud
of de verbetering van de natuurlijke verscheidenheid aan levende
wezens in de eigen leefomgeving.
|
|
5
|
|
illustreren hoe mensen uit verschillende culturen op verschillende
wijzen met planten en dieren omgaan.
|
|
6
|
|
gaan respectvol en zorgzaam om met planten en dieren.
|
3 Samenleving en ruimtegebruik
|
|
|
|
De leerlingen
|
|
7
|
|
kunnen in de eigen leefomgeving aanwijzen op welke manier
ruimtegebruik een invloed heeft op het milieu.
|
|
8
|
|
zijn bereid om mee te ijveren voor natuurbescherming en het
behoud van waardevolle landschappen.
|
4 Afval
|
|
|
|
De leerlingen kunnen
|
|
9
|
|
aard en hoeveelheid van afvalstoffen in de eigen leefomgeving
beschrijven.
|
|
10
|
|
voorbeelden geven van de manier waarop de eigen leefomgeving
door voorkomen van afval en door hergebruik kan bijdragen
tot de beperking van de afvalproduktie en passen dit toe.
|
|
11
|
|
uitleggen op welke manier het afval in de eigen gemeente
wordt verwerkt.
|