Secundair onderwijs, eerste graad B-stroom: ontwikkelingsdoelen Nederlands

1 Algemeen

De leerlingen
1 gebruiken Nederlands als communicatiemedium.


2 Visualiteit

De leerlingen kunnen
2 woorden en teksten correct van het bord overnemen.


3 Auditiviteit

De leerlingen
3 horen het verschil tussen een korte en een lange klank.
4 kunnen selectief luisteren naar kernwoorden en kernklanken in een eenvoudige tekst.


4 Schrijfmotoriek

De leerlingen hebben
5 een goede schrijfhouding.
6 een duidelijk en goed leesbaar handschrift.


5 Decoderen

De leerlingen
7 herkennen in woordvormen de samenstellende delen.
8 lezen foutloos en zonder herhalingen frequent voorkomende woorden.
9 schrijven foutloos frequent voorkomende onveranderlijke woorden.


6 Woordenschat

De leerlingen
10 breiden hun actieve en passieve basiswoordenschat uit.


7 Technisch lezen

De leerlingen
11 kunnen foutloos en zonder herhalingen eenvoudige studieteksten met minder frequente woorden in zinnen, met een gemiddelde zinslengte van 12 woorden luidop lezen.
12 lezen en begrijpen zelfstandig eenvoudige studieteksten en gebruikshandleidingen, met zinnen met een gemiddelde zinslengte van 15 woorden.


8 Luisteren

De leerlingen
13 kunnen de informatie achterhalen in voor hen bestemde tekstsoorten zoals in informatieve radioen TV-uitzendingen, instructies van leraren of medeleerlingen, telefoongesprek, mededelingen, informatieve teksten en dramatische vormen (verwerkingsniveau: beschrijven).
14 kunnen beoordelend luisteren naar interactie met leeftijdgenoten zoals, een discussie, een gesprek, een oproep en een dramatisering (verwerkingsniveau: beoordelen).
15 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
  • luisterdoel bepalen;
  • aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
  • zich concentreren;
  • belangrijke informatie noteren;
  • vragen stellen bij onduidelijkheid.
16 leren in het kader van de in 13, 14 en 15 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
  • reflecteren over het taalgebruik met betrekking tot de bedoeling van de spreker;
  • reflecteren over de tekstsoort;
  • reflecteren over het eigen luistergedrag;
  • luisterconventies naleven.


9 Spreken

De leerlingen
17 kunnen het gepaste taalregister hanteren:
  • in verschillende situaties zoals tegenover leerlingen, gekende volwassenen, in telefoongesprekken en in dramatische vormen;
  • op onderscheiden verwerkingsniveaus:
    • beschrijvend zoals informatie verschaffen en vragen, verslag uitbrengen en informatie uitwisselen;
    • beoordelend zoals kritisch reageren en passend argumenteren
18 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
  • spreekdoel bepalen;
  • informatie verzamelen;
  • spreekplannetje opstellen;
  • bedoeling duidelijk formuleren.
19 verwerven expressievaardigheid. Ze kunnen:
  • zich in een herkenbare situatie inleven en zich soepel en natuurlijk uitdrukken en bewegen;
  • door middel van mimiek en gebaren bepaalde gevoelens uitdrukken;
  • de klas bekijken en toespreken in eigen woorden.
20 ontwikkelen in het kader van de in 17, 18 en 19 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
  • spreekdurf, dit wil zeggen een positieve bereidheid om het woord te nemen;
  • bereidheid om te reflecteren op het eigen spreekgedrag;
  • een positieve houding ten overstaan van na te leven gespreksconventies;
  • respect voor de gesprekspartner;
  • voldoende weerbaarheid om voor de eigen mening op te komen.


10 Lezen

De leerlingen
21 kunnen de informatie achterhalen in voor hen bestemde tekstsoorten zoals instructies, schema's, informatieve en fictionele teksten en gedichten (verwerkingsniveau: beschrijven).
22 kunnen de informatie op een overzichtelijke wijze ordenen in voor hen bestemde en gestructureerde tekstsoorten zoals schoolen studieteksten, instructies bij schoolopdrachten (verwerkingsniveau: structureren).
23 kunnen de informatie beoordelen die voorkomt in verschillende voor hen bestemde brieven, jeugdkranten, tijdschriften, encyclopedieën en themaboeken voor jongeren, oproepen en reclameteksten (verwerkingsniveau: beoordelen).
24 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
  • leesdoel bepalen;
  • aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
  • zich concentreren;
  • gericht informatie zoeken;
  • onduidelijke passage herlezen.
25 leren in het kader van de in 21, 22, 23 en 24 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
  • reflecteren over de bedoeling waarmee de schrijver zich tot zijn lezerspubliek richt zoals informatie geven, instructies geven, uitnodigen tot;
  • reflecteren over het eigen leesgedrag;
  • leesplezier verwerven zoals voor jeugdliteratuur, historische verhalen, hobby-lectuur, stripverhalen.


11 Schrijven

De leerlingen
26 kunnen overzichten, aantekeningen, mededelingen op- en overschrijven (verwerkingsniveau: kopiëren).
27 kunnen een oproep, een uitnodiging, een instructie richten aan leeftijdgenoten (verwerkingsniveau: beschrijven).
28 kunnen hun boodschap op een overzichtelijke wijze neerschrijven in verschillende tekstsoorten zoals een persoonlijke brief, een verslag, een formulier en een antwoord op vragen (verwerkingsniveau: structureren).
29 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
  • schrijfdoel bepalen;
  • informatie verzamelen;
  • schrijfplan opstellen;
  • woordenboek gebruiken;
  • eigen tekst herwerken
30 kunnen voor het realiseren van de in 26, 27, 28 en 29 opgesomde ontwikkelingsdoelen bovendien:
  • hun teksten verzorgen rekening houdend met handschrift en lay-out;
  • spellingafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van:
    • woorden met vast woordbeeld:
      • klankzuivere woorden;
      • hoogfrequente niet klankzuivere woorden;
    • woorden met veranderlijk woordbeeld (regelwoorden):
      • werkwoorden;
      • klinker in open / gesloten lettergreep;
      • verdubbeling medeklinker;
      • niet klankzuivere eindletter;
    • hoofdletters;
    • interpunctietekens (. , ? ! :).
31 leren met het oog op het realiseren van de in 26, 27, 28, 29 en 30 vermelde ontwikkelingsdoelen reflecteren over:
  • het taalgebruik in formele en informele geschreven teksten;
  • de stappen in het schrijfproces;
  • het gebruik van hulpmiddelen;
  • het schrijfdoel.

naar boven