Secundair onderwijs, derde graad: uitgangspunten leren leren

1 Krachtlijnen

Volwaardige vorming is meer dan het bijbrengen van vak- of domeinspecifieke kennis en vaardigheden. Relevante basisvorming is ook gericht op een harmonische ontwikkeling van algemene cognitieve, dynamisch-affectieve en psychomotorische componenten van de persoonlijkheid.

Tegenwoordig wordt algemeen verwacht dat leerlingen, in de loop van hun onderwijsloopbaan, vaardige leerders, denkers en probleemoplossers worden. In het kader van de eis tot levenslang leren dienen leerlingen bekwaamheid te verwerven in een breed gamma van houdingen, inzichten en vaardigheden, die hen in staat stellen om doelgericht en efficiënt te leren. De aandacht voor leren leren dient met andere woorden niet alleen ter ondersteuning van het leren op school, maar heeft vooral als bedoeling leerlingen te vormen om zelfstandig te kunnen leren en te kunnen kiezen in wisselende contexten.

Waar het om gaat is dat leerlingen actiever hun eigen leren ter hand nemen. Leren is immers een proces waarbij degene die leert, kennis, inzichten en vaardigheden "construeert" op basis van wat hij reeds kan en kent. Een vaardig leerder kan dit proces ook zelf sturen en reguleren, alsook de affectieve factoren die daarbij een rol spelen onder controle houden. Hij is er zich bovendien van bewust dat opvattingen over intelligentie en leren het leergedrag beïnvloeden en toont zich bereid deze waar nodig, bij te sturen. Een vaardig leerder kan, afhankelijk van de leerdoelen, de meest geschikte leerstrategie kiezen en toepassen.

Dit geldt niet enkel voor het theoretisch-abstract leren, maar ook voor het leren uit ervaringen en experimenten, voor het reflecterend en probleemoplossend leren.

Dit soort leren wordt niet automatisch verworven maar veronderstelt leersituaties en contexten die bij de leerlingen de vereiste leerprocessen en motivatie kunnen uitlokken.

Binnen deze context en zeker in de derde graad dient leren leren dan ook begrepen te worden als leren zelfstandig te leren en zelfstandig keuzes te maken. Het vermogen tot zelfstandigheid is immers niet als vanzelf bij de leerlingen aanwezig. Waar nodig dienen essentiële vaardigheden, attitudes en overtuigingen verder ontwikkeld te worden.

Voor de derde graad werden dezelfde subthema's aangehouden als voor de tweede graad. Veel inhouden, vaardigheden en attitudes zijn dan ook geformuleerd zoals in de tweede graad. Aangezien de strategieën, de vaardigheden en de attitudes van leren leren toegepast worden op alle vakken of vakgebieden en op leren in het algemeen, ligt de gradatie t.o.v. de tweede graad in de stijgende complexiteit van de inhouden, dus van wat er geleerd moet worden. Ook zullen in de derde graad de contexten waarin geleerd wordt ruimer en complexer zijn. Bovendien zal het geleerde toepasbaar en transferabel moeten zijn op een grotere variëteit van situaties Ook zal het leerproces in de derde graad een groeiende graad van zelfstandigheid vertonen.

2 Funderende doelstellingen

Bij het werken aan de vakoverschrijdende eindtermen kan de school rekening houden met onderstaande funderende doelstellingen.

  1. Zoekstrategieën gebruiken met betrekking tot het kritisch verwerven van informatie.
  2. Strategieën toepassen voor het verwerken van informatie tot bruikbare en functionele kennis en kunde.
  3. Een passend repertorium van probleemoplossingsstrategieën gebruiken.
  4. Passende werkwijzen toepassen om de eigen leeraanpak te plannen, te sturen, te controleren en te evalueren.
  5. De nodige competentie verwerven om over het eigen leren te reflecteren.
  6. Zich een aantal passende leerattitudes eigen maken die in staat stellen om ook buiten de school en in het latere leven actief en constructief te leren.
  7. De affectieve componenten van het leren onderkennen en sturen.
  8. Zich bewust zijn van de eigen leerstijl en bereid zijn deze aan passen aan de beoogde leerdoelen.
  9. Weten dat eigen opvattingen over intelligentie, leren en leersituaties van invloed zijn op het leergedrag en deze, waar nodig, bijsturen.
  10. Keuzebekwaamheid verkrijgen en deze aanwenden bij het uitstippelen van een studie- en beroepskeuze en bij beslissingsmomenten in het dagelijks leven.

3 Selectiecriteria

Zelfstandig leren leren, zelfstandig problemen oplossen, zelfstandig keuzes maken, impliceert het zich eigen maken van strategieën en attitudes waardoor men vaardig wordt in de verschillende domeinen van leren en kiezen. De te ontwikkelen vaardigheden en attitudes worden gegroepeerd in vier subthema's, die hierna omschreven worden. Hierdoor mag duidelijk worden dat strategieën, technieken en attitudes kunnen aangebracht en geoefend worden in een specifieke context. Alhoewel leren een complex geheel is van vaardigheden en attitudes, laat de indeling in subthema's toe inzicht te verwerven in de verschillende dimensies van het leren. In de praktijk is het zo dat bekwame leerders de vaardigheden uit de verschillende dimensies cyclisch herhaald inzetten en zich bij elke stap in het proces evaluatie- en reflectievragen stellen. Binnen het onderwijsleerproces zullen de inzichten, strategieën en attitudes bijgevolg met elkaar in verband moeten worden gebracht.

4 Coördinatie

4.1 Verticale samenhang

Leren zelfstandig leren is een complexe materie. Het gebeurt progressief in de tijd. Een doorlopende ontwikkelingslijn van lager onderwijs doorheen de verschillende graden van het secundair onderwijs is noodzakelijk. Het is de uiteindelijke bedoeling om te komen tot een zelfstandig en levenslang leren.

Bij de leergebiedoverschrijdende eindtermen "leren leren" in het lager onderwijs wordt reeds aandacht besteed aan strategieën voor het verwerven en verwerken van informatie, strategieën voor het oplossen van eenvoudige problemen, het plannen, organiseren, controleren en bijsturen van het eigen leerproces en enkele attitudes en overtuigingen zoals bijvoorbeeld nauwkeurigheid, efficiëntie, zelfvertrouwen, weerbaarheid, kritische zin.

Voor de eerste graad van het secundair onderwijs werden de eindtermen en ontwikkelingsdoelen leren leren gerubriceerd in vier domeinen:

  • het domein van de uitvoering waarbij leerstrategieën aan de orde zijn m.b.t. het leren van losse gegevens, het leren van samenhangende informatie, probleemoplossingsstrategieën en het doelmatig gebruik van informatiebronnen;
  • het domein van de regulering waarbij strategieën aan de orde zijn m.b.t. planning, sturing, controle en bijsturing;
  • het domein van attitudes, leerhoudingen, opvattingen en overtuigingen waarbij ook de affectieve aspecten van het leren aan de orde zijn;
  • het domein van de studiekeuze waar een eerste aanzet gegeven wordt tot horizonverruiming en keuzestrategieën en groeiende zelfkennis.

Voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs worden, via de vier subthema's, gelijkaardige strategieën, technieken en attitudes beoogd. Van groot belang zijn de toenemende complexiteit en de variaties van de context waarin zij aangeboden en geoefend worden. Overeenkomstig het zelfstandigheidsniveau van de leerling in het vakgebied kan de externe sturing sterk of minder sterk zijn en kan minder of meer een beroep gedaan worden op de interne sturing door de leerling zelf.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en overzichtelijke wijze oplossen. (Lager onderwijs: leren leren, eindterm 4.)

    De leerlingen kunnen bij het oplossen van een probleem het probleem herformuleren, onder begeleiding een oplossingsweg bedenken en verwoorden, de gevonden oplossingsweg toepassen en op correctheid inschatten. (Eerste graad SO: leren leren, eindterm 7.)

    De leerlingen kunnen probleemoplossingsstrategieën toepassen en de resultaten evalueren. (Tweede graad SO: leren leren, eindterm 5.)

    De leerlingen kunnen
     
    • op basis van hypothesen en verwachtingen mogelijke oplossingswijzen realistisch inschatten en uitvoeren.
    • de gekozen oplossingswijze en de oplossing evalueren.

    (Derde graad SO: leren leren, eindtermen 7 en 8.)
     

  2. De leerlingen kunnen, eventueel onder begeleiding, hun eigen lessen, taken en opdrachten plannen en organiseren en hun eigen leerproces controleren en bijsturen. (Lager onderwijs: leren leren, eindterm 5.)

    De leerlingen kunnen
     
    • hun werktijd plannen en het nodige materiaal selecteren en ordenen.
    • de eigen werkwijze vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout is gegaan en hoe fouten vermeden kunnen worden.

    (Eerste graad SO: leren leren, eindtermen 8 en 10.)

    De leerlingen kunnen
     

    • een realistische werk- en tijdsplanning op korter termijn maken.
    • hun leerproces beoordelen op doelgerichtheid en zonodig aanpassen.
    • uit leerervaringen conclusies trekken voor een nieuwe leertaak.

    (Tweede graad SO: leren leren, eindtermen 6, 7 en 8.)

    De leerlingen kunnen
     

    • een realistische werk- en tijdsplanning op langere termijn maken.
    • hun leerproces sturen, beoordelen op doelgerichtheid en zonodig aanpassen.
    • toekomstgerichte conclusies trekken uit leerervaringen.

    (Derde graad SO: leren leren, eindtermen 10, 11 en 12.)

4.2 Horizontale samenhang

Veel aspecten van leren leren kunnen in verschillende leercontexten, gevarieerde leersituaties en met leerinhouden uit verschillende vakgebieden aangeleerd en geoefend worden. Om de transferwaarde van strategieën, inzichten en attitudes voor de leerlingen zichtbaar en geleidelijk aan duidelijker te maken, is het belangrijk dat zoveel mogelijk vakken erbij betrokken worden.

Horizontale herkenbaarheid over de vakken heen is daarbij noodzakelijk. Dit betekent dat leerlingen in de context van verschillende leervakken bijvoorbeeld leren problemen analyseren, dat ze vervolgens reflecteren over hun aanpak bij het analyseren van een probleem, dat ze de strategische kennis die ze daarbij hebben opgedaan expliciteren en ordenen en tenslotte dat ze deze kennis toepassen in nieuwe contexten.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen zelfstandig informatie kritisch analyseren en synthetiseren. (Derde graad SO: leren leren, eindterm 4.)

    De leerlingen kunnen doeltreffend informatie selecteren uit gevarieerd informatiemateriaal omtrent een ruim geformuleerde historische of actuele probleemstelling. (Derde graad SO: geschiedenis, eindterm 14.)
  1. De leerlingen kunnen, rekening houdend met de eigen interesses, capaciteiten en waarden, een zinvol overzicht verwerven over studie- en beroepsmogelijkheden, dienstverlenende instanties met betrekking tot de arbeidsmarkt en/of de verdere studieloopbaan. (Derde graad SO: leren leren, eindterm 17.)

    De leerlingen kunnen informatie verzamelen over de maatschappelijke opdracht, het aanbod en de werking van maatschappelijke diensten en instellingen en van specifieke hulp- en informatiediensten voor jongeren. (Derde graad SO: opvoeden tot burgerzin, eindterm 9.)

5 Subthema's

5.1 Opvattingen over leren

5.1.1 Verantwoording

Persoonlijke visies op leren en leersituaties oefenen een sterke invloed uit op het leergedrag. Ook persoonlijke leermotieven, intenties en verwachtingen bepalen de leerstijl. Vermits de onderlinge samenhang tussen de manier van leren, de persoonlijke leermotieven en de opvattingen over leren, toeneemt met de leeftijd, wordt aan deze dimensie uitdrukkelijk aandacht besteed vanaf de tweede graad en verder ontwikkeld en versterkt in de derde graad.

5.1.2 Omschrijving

Het begrip leerstijl verwijst naar de neiging van mensen om, ongeacht variaties in omstandigheden, steeds gebruik te maken van dezelfde leerstrategieën. Een leerstijl is echter geen persoonlijkheidskenmerk. Een leerstijl is het resultaat van een ontwikkeling in leergedrag, gestimuleerd door veel in bepaalde types van leeromgevingen te vertoeven. Als zodanig is de onderlinge samenhang tussen opvattingen, leermotieven en leerstrategieën bij jonge kinderen nog niet zo sterk aanwezig. Die onderlinge samenhang neemt toe met de leeftijd.

Doordat het feitelijk leergedrag bepaald wordt door persoonlijke opvattingen en motieven, is dit niet steeds aangepast aan de leerdoelen of aan wisselende leercontexten. Wie bijvoorbeeld leren opvat als het opnemen van kant en klare informatie zal in hoofdzaak reproductiegericht te werk gaan, ook als inzicht, toepassingsgericht en probleemoplossend leren aan de orde zijn.

5.2 Informatie verwerven en verwerken

5.2.1 Verantwoording

Omdat leren een actief en constructief proces is waarbij degene die leert informatie verwerft en verwerkt, wordt van de lerende een bewuste participatie vereist. Op deze manier immers leidt het leerproces tot de opbouw van echte kennis en kunde met als meerwaarde dat ze voldoende wendbaar en flexibel is en toepasbaar in nieuwe leer- en probleemsituaties.

5.2.2 Omschrijving

Kennis dient hier in zijn ruime betekenis begrepen te worden. Het gaat niet alleen om domeinspecifieke kennis en inzichten maar ook om de vaardigheid die wordt opgebouwd bij het bewust hanteren van strategieën en procedures. Naast het verwerven van kennis, houdt leren m.a.w. ook in dat men vaardigheid verwerft in het omgaan met informatie, in het denken en het oplossen van problemen, in het uitvoeren van onderzoeken en practica.

Van belang is dat bij elk leerproces voldoende rekening gehouden wordt met de voorkennis waarover de lerende al dan niet beschikt. Leren is immers betekenis geven aan nieuwe informatie door ze te spiegelen aan en te integreren in de kennis en kunde die men reeds bezit.

De te verwerken informatie kan allerlei vormen aannemen en via verschillende kanalen verspreid zijn.

5.3 Regulering van het leerproces

5.3.1 Verantwoording

Cognitieve en affectieve reguleringsvaardigheden zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor de verschillen in leerprestaties. Algemeen wordt immers aanvaard dat het hier gaat om de belangrijkste variabele voor het behalen van goede leerresultaten en tevens een belangrijke factor bij het leren.

Waar bij het vorige subthema het accent ligt op de leerder als uitvoerder van een leertaak, wordt hier de aandacht gevestigd op de leerling als manager van zijn eigen leerproces. In de praktijk echter is de leerder tegelijkertijd zowel planner en bewaker als uitvoerder.

5.3.2 Omschrijving

Regulering van het leren houdt in: de leeraanpak plannen, bewaken, sturen, evalueren en bijsturen. Hierbij wordt metacognitieve kennis aangewend en worden metacognitieve en meta-affectieve vaardigheden gebruikt. Metacognitie kan vrij vertaald worden als kennis over het leren en denken in het algemeen en het eigen leren en denken in het bijzonder. Metacognitieve vaardigheden verwijzen naar reguleringsstrategieën die de leerder helpen bij het sturen en bewaken van zijn leerproces. Het gaat om combinaties van activiteiten om het verloop en de resultaten van het leerproces te overdenken en bij te sturen waar nodig. Reguleringsstrategieën hebben zowel betrekking op de leerinhoud als op het leerproces zelf. Wie metacognitief vaardig is, kan over het eigen leren denken en reflecteren en er ook de gepaste conclusies uit trekken.

Niet onbelangrijk is dat leren nooit louter een cognitief proces is. Leren gaat steeds gepaard met emoties en dynamismen die het gedrag in een bepaalde richting sturen. Affectieve karakteristieken leiden naar een gemoedstoestand die het leerproces positief of negatief kan beïnvloeden. Wie meta-affectief vaardig is kan zichzelf motiveren en strategieën aanwenden om de eigen gevoelens onder controle te houden en bij te sturen.

5.4 Keuzebekwaamheid

5.4.1 Verantwoording

Keuzebekwaamheid stelt de mens in staat verantwoordelijkheid op te nemen voor beslissingen. Keuzebekwaamheid is niet enkel een vereiste voor de studie- en beroepskeuze, maar ook voor de vele keuzes die men dagelijks moet maken.

Voorwaarden om tot keuzebekwaamheid te komen zijn een helder zelfconcept, een ruim en objectief zicht op de keuzemogelijkheden, inzicht in keuzeprocessen, inzicht in externe factoren die het keuzeproces kunnen beïnvloeden. Keuzebekwaamheid ontwikkelen, betekent m.a.w. zelfconceptverheldering, horizonverruiming, het hanteren van keuzestrategieën en het zich positioneren ten aanzien van externe invloeden.

5.4.2 Omschrijving

Binnen dit subthema worden inzichten bijgebracht en middelen aangereikt om de keuzebekwaamheid in het algemeen te ontwikkelen. Zeker voor de derde graad verdient de studie- en/of beroepskeuzebekwaamheid in het bijzonder ruime aandacht.

Het zelfconcept omvat de beelden, opvattingen, ideeën en gevoelens die men over zichzelf heeft. Zelfconceptverheldering is een analyse van de eigen sterke en zwakke kanten, niet enkel op intellectueel vlak, maar ook op het gebied van persoonlijkheidskenmerken in het algemeen. Keuzebekwaamheid steunt op een realistisch zelfconcept, maar vraagt ook een positief zelfbeeld en dus positieve waardering vanwege anderen.

Horizonverruiming houdt een stelselmatige en objectieve informatie in over de keuzemogelijkheden, vanuit verschillende invalshoeken.

Kunnen kiezen is kunnen afwegen, prioriteiten kunnen stellen, kunnen beslissen en de consequenties van een beslissing kunnen zien en kunnen aanvaarden. Het vraagt overwinnen van faalangst, doorbreken van besluiteloosheid en afremmen van impulsiviteit. Bij dergelijk keuzeproces is men zich tevens bewust van externe invloeden en cultuurgebonden factoren.

Leren kiezen toegepast op studie- en beroepskeuze omvat inzicht in keuzestrategieën, in het verloop van keuzeprocessen op zich en in de consequenties ervan voor de verdere loopbaan. De eigen capaciteiten, interesses en waarden dienen getoetst aan de eisen gesteld in studierichtingen en op de arbeidsmarkt.

Om het zelfconcept te verhelderen zijn inzichten nodig m.b.t. het belang van een positief en realistisch zelfbeeld, factoren die de ontwikkeling ervan beïnvloeden, mechanismen van faalangst en stress. Hulpmiddelen zijn noodzakelijk om de eigen capaciteiten, interesses en waarden te kunnen onderzoeken.

Horizonverruiming m.b.t. de studie- en beroepskeuze omvat het zelfstandig kunnen verwerven en verwerken van objectieve informatie over de verdere studie- en beroepsmogelijkheden, de arbeidsmarkt en dienstverlenende instanties.

Inzicht in omgevingsinvloeden omvat noties in verband met de invloed van andere mensen en inzicht in verband met de invloed van maatschappelijke en cultuurgebonden factoren. Specifieke aandacht gaat naar vooroordelen en discriminerende rolpatronen.

naar boven