| 1ste graad |
2de graad |
3de graad |
| Opvattingen over leren |
Opvattingen over leren |
Opvattingen over leren |
| 1 |
De leerlingen werken ordelijk |
1 |
De leerlingen werken planmatig. |
1 |
De leerlingen werken systematisch. |
| 2 |
De leerlingen weten dat kennis en
vaardigheden via verschillende leerstrategieën kunnen verworven worden. |
2 |
De leerlingen reflecteren over hun
leeropvattingen, leermotieven en leerstrategieën.
|
2 |
De leerlingen kiezen hun leerstrategieën
gericht met het oog op te bereiken doelen. |
| Informatieverwerving |
Informatieverwerving |
Informatieverwerving |
| 3 |
De leerlingen kunnen gegevens memoriseren
door gebruik te maken van hulpmiddelen. |
3 |
De leerlingen kunnen uit gegeven
informatiebronnen en -kanalen kritisch kiezen en deze raadplegen met het
oog op te bereiken doelen.
|
3 |
De leerlingen kunnen diverse
informatiebronnen en -kanalen kritisch kiezen en raadplegen met het oog
op te bereiken doelen. |
| 4 |
De leerlingen oriënteren zich in
overzichtelijke informatie door gebruik te maken van vormkenmerken zoals
titels, ondertitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen. |
|
|
|
|
| 5 |
De leerlingen maken adequaat gebruik van
inhoudstafel en register. |
|
|
|
|
| 6 |
De leerlingen raadplegen adequaat een
documentatiecentrum, bibliotheek en multimedia.
|
|
|
|
|
| Informatieverwerking |
Informatieverwerking |
Informatieverwerking |
| 7 |
De leerlingen zoeken bij het instuderen van
een behandelde leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw op in
leerboek, werkboek of notities. |
|
|
|
|
| 8 |
Bij het leren van samenhangende informatie:
- stellen de leerlingen vragen bij de leerstof en beantwoorden
deze;
- brengen in korte, gestructureerde teksten tekstmarkeringen aan;
- vervolledigen een schema aan de hand van geboden informatie;
- leggen verbanden tussen elementen van de leerstof.
|
4 |
De leerlingen kunnen zinvol inoefenen en
herhalen. |
4 |
De leerlingen kunnen verwerkte informatie
vakoverstijgend en in verschillende situaties functioneel toepassen. |
| 9 |
De leerlingen kunnen samenhangende
informatie begrijpen en analyseren door de betekenis van woorden,
begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context af te leiden of op te
zoeken.
|
5 |
De leerlingen kunnen gegeven informatie
onder begeleiding kritisch analyseren en samenvatten. |
5 |
De leerlingen kunnen informatie
samenvatten. |
| Problemen oplossen |
Problemen oplossen |
Problemen oplossen |
| 10 |
Bij het oplossen van een probleem:
- herformuleren de leerlingen het probleem;
- bedenken zij onder begeleiding een oplossingsweg en lichten die
toe;
- passen zij de gevonden oplossingsweg toe.
|
6 |
De leerlingen herkennen strategieën om
problemen op te lossen en evalueren ze. |
6 |
De leerlingen kunnen op basis van
hypothesen en verwachtingen mogelijke oplossingswijzen realistisch
inschatten en uitvoeren. |
| |
|
|
|
7 |
De leerlingen evalueren de gekozen
oplossingswijze en de oplossing en gaan eventueel op zoek naar een
alternatief.
|
| Regulering van het
leerproces |
Regulering van het
leerproces |
Regulering van het
leerproces |
| 11 |
De leerlingen selecteren en ordenen het
nodige materiaal en plannen onder begeleiding hun werktijd. |
7 |
De leerlingen kunnen een realistische
werkplanning op korte termijn maken. |
8 |
De leerlingen kunnen een realistische
werkplanning op langere termijn maken. |
| 12 |
De leerlingen kunnen werken met een
antwoordblad en correctiesleutel en houden rekening met
lesdoelstellingen of aanwijzingen van de leraar. |
8 |
De leerlingen kunnen onder begeleiding hun
leerproces sturen, beoordelen op doelgerichtheid en zonodig aanpassen. |
9 |
De leerlingen sturen hun leerproces,
beoordelen het op doelgerichtheid en passen het zonodig aan. |
| 13 |
De leerlingen vergelijken de eigen
werkwijze met die van anderen en geven vervolgens aan waarom iets fout
gegaan is en hoe fouten vermeden kunnen worden. |
9 |
De leerlingen trekken conclusies uit eigen
leerervaringen en die van anderen. |
10 |
De leerlingen kunnen feedback geven en
ontvangen over hun leerervaringen. |
| |
|
10 |
De leerlingen beseffen dat er verschillende
oorzaken zijn voor slagen en mislukken. |
11 |
De leerlingen kunnen het eigen aandeel in
slagen en mislukken inschatten. |
| |
|
11 |
De leerlingen beseffen dat interesses en
waarden het leerproces beïnvloeden. |
12 |
De leerlingen erkennen de invloed van hun
interesses en waarden op hun motivatie.
|
| Studie – en beroepsgerichte
keuzebekwaamheid |
Studie – en beroepsgerichte
keuzebekwaamheid |
Studie – en beroepsgerichte
keuzebekwaamheid |
| 14 |
De leerlingen hebben inzicht in de algemene
structuur van het secundair onderwijs. |
12 |
De leerlingen verwerven een zinvol
overzicht over studie- en beroepsmogelijkheden. |
13 |
De leerlingen verwerven een zinvol
overzicht over studie- en beroepsmogelijkheden, dienstverlenende
instanties met betrekking tot de arbeidsmarkt of de verdere
studieloopbaan. |
| 15 |
De leerlingen zijn bereid alle
studierichtingen en beroepen naar waarde te schatten. |
13 |
De leerlingen zijn bereid alle
studierichtingen en beroepen naar waarde te schatten. |
14 |
De leerlingen zijn bereid alle
studierichtingen en beroepen naar waarde te schatten. |
| 16 |
De leerlingen kunnen hun interesses en
mogelijkheden inschatten met het oog op een studiekeuze. |
14 |
De leerlingen kunnen rekening houden met
hun interesses en mogelijkheden bij hun studie- of beroepskeuze. |
15 |
De leerlingen houden rekening met hun
interesses en mogelijkheden bij hun studie- of beroepskeuze. |
| 17 |
De leerlingen wenden eenvoudige strategieën
aan voor het maken van een studiekeuze. |
15 |
De leerlingen kunnen de consequenties
inschatten van hun keuzen inzake studie of beroep. |
16 |
De leerlingen kunnen reflecteren over hun
studie- of beroepskeuze. |