Uitgangspunten bij de vakoverschrijdende eindtermen/ontwikkelingsdoelen globaal voor het secundair onderwijsSitueringVakoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van diverse vakken, onderwijsprojecten en andere activiteiten worden nagestreefd. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de vakoverschrijdende eindtermen bij de leerlingen na te streven (inspanningsverplichting). De school toont bij een doorlichting aan dat ze met een eigen planning aan de vakoverschrijdende eindtermen werkt. De eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs werden in september 1997 ingevoerd. Vanaf 1 september 2002 werden de eindtermen voor de vakken van de basisvorming en de vakoverschrijdende eindtermen voor de tweede en derde graad ingevoerd. In de vakoverschrijdende eindtermen legt de overheid voor scholen een aantal opdrachten vast die ze voor onderwijs en samenleving belangrijk vindt. Zo vindt de samenleving het belangrijk dat de leerlingen burgerzin wordt bijgebracht, dat ze gezond leven en zorg dragen voor elkaar en hun omgeving. De eerste generatie vakoverschrijdende eindtermen is geordend in een aantal thema’s. Voor de eerste graad zijn dat: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie en milieueducatie. Bijkomende thema’s in de tweede en derde graad zijn muzisch-creatieve vorming en, voor het algemeen secundair onderwijs, technisch-technologische vorming. Het initiatief om vakoverschrijdende eindtermen in te voeren had onder meer te maken met een accentverschuiving van vakgerichte ordening naar meer totaliteitsonderwijs. Daarnaast was er de vaststelling dat niet alle inhouden en vormingscomponenten die belangrijk zijn voor een voldoende brede basisvorming, ten minste gedeeltelijk in de vakken terug te vinden waren. De vakoverschrijdende eindtermen creëerden daarom een soort ‘vangnet’ waarin waardevolle en maatschappelijk relevante inhouden op gestructureerde wijze konden worden behandeld. In de periode van de invoering van de vakoverschrijdende eindtermen evolueerde ook de onderwijsvisie in Vlaanderen naar een grotere aandacht voor het functioneren van de school als geheel. Dit ging gepaard met het concept van kwaliteitsbewaking waarin de onderwijsinspectie de overstap maakte van het controleren van vakken bij individuele leraren naar een doorlichting van de school als geheel. Het introduceren van vakoverschrijdende eindtermen was een uiting van dezelfde visie. De motieven voor het invoeren van vakoverschrijdende eindtermen blijven anno 2008 nog steeds relevant. Toch zijn er intussen ook andere maatschappelijke en onderwijskundige evoluties, zoals het groeiend belang dat wordt gehecht aan het beleidsvoerend vermogen van scholen. Ook is er een aantal jaren ervaring opgebouwd met de ‘eerste generatie’ vakoverschrijdende eindtermen. Deze ervaring leert dat er een vrij sterke consensus is over het te grote aantal vakoverschrijdende eindtermen. Er gingen ook stemmen op over onduidelijk geformuleerde, gedateerde of moeilijk haalbare eindtermen. Mede onder druk van organisaties, politiek, economie en maatschappelijke ontwikkelingen, werden de vakoverschrijdende eindtermen stilaan een al te omvangrijk pakket. En ten slotte was er feedback over enkele ontbrekende elementen. Vooral de hoeveelheid vakoverschrijdende eindtermen was van bij het begin van de huidige legislatuur een belangrijke zorg. De beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004-2009 zegt hierover: ‘Met de jaren is de diversiteit van de vakoverschrijdende eindtermen toegenomen. Dit wijst erop dat er vanuit de maatschappij steeds meer een beroep wordt gedaan op het onderwijs om jongeren competenties in zeer uiteenlopende domeinen bij te brengen. Toch kan het onderwijs niet op alle maatschappelijke en educatieve vragen ingaan.’ Aan deze vaststelling werd meteen de opdracht gekoppeld om de vakoverschrijdende eindtermen te actualiseren: ‘Daarom zullen we de vakoverschrijdende eindtermen evalueren. Via een bevraging van verschillende groepen zullen we het maatschappelijk belang, de onderwijskundige relevantie en de haalbaarheid van vakoverschrijdende thema's en hun uitwerking in eindtermen nagaan. De evaluatie zal als basis dienen voor het herwerken van de vakoverschrijdende eindtermen. We willen ervoor zorgen dat het onderwijs zijn verantwoordelijkheid opneemt in het realiseren van de doelstellingen die zowel vanuit maatschappelijk als onderwijskundig standpunt prioritair beoordeeld worden. Anderzijds hoeven niet alle maatschappelijke claims meteen een algemeen geldende vertaling te vinden in onderwijs.‘ De in de beleidsnota aangekondigde evaluatie van de vakoverschrijdende eindtermen werd via een OBPWO-project (onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek) uitgevoerd. De eindtermen werden in dit onderzoek geëvalueerd naar hun maatschappelijke en onderwijskundige relevantie en naar hun haalbaarheid. Minister van Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke kondigde in zijn beleidsbrief 2007-2008 aan dat de vakoverschrijdende eindtermen zouden worden geactualiseerd op basis van de tussentijdse resultaten van dit onderzoek. Deze voorlopige onderzoeksresultaten bevestigen onder meer de eerder vermelde feedback over het aantal eindtermen en over de onduidelijke formulering en/of moeilijke haalbaarheid van sommige eindtermen. 1 Accenten bij de actualisering1.1 DoelstellingenDe eerste doelstelling bij het actualiseren van de vakoverschrijdende eindtermen is het reduceren van het totale aantal voor de drie graden, zonder afbreuk te doen aan de belangrijke functie van deze eindtermen om een voldoende brede basisvorming te garanderen. Het totale pakket haalbaar maken voor scholen en leerkrachten is een tweede doelstelling. Een derde doelstelling heeft te maken met het verduidelijken van eindtermen die volgens de respondenten in het onderzoek moeilijk, vaag of ingewikkeld geformuleerd zijn. Ten vierde worden de vakoverschrijdende eindtermen ook inhoudelijk geactualiseerd. Een aantal doelstellingen is gedateerd of niet meer voldoende relevant. Soms ontbreken (inmiddels) belangrijk geachte inhouden, vaardigheden of houdingen. De geactualiseerde eindtermen moeten bovendien ook mikken op een toepassing in het onderwijs gedurende de komende tien tot vijftien jaar. Dit betekent niet dat alle vakoverschrijdende eindtermen wijzigen of verdwijnen. Wat haalbaar, relevant en duidelijk blijkt, wordt in de mate van het mogelijke behouden. 1.2 VisieActualisering van de vakoverschrijdende eindtermen moet ook een toekomstgerichte uitwerking zijn van de basisvorming. In het decreet tot bekrachtiging van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs (1996) wordt basisvorming inhoudelijk gedefinieerd vanuit een maatschappelijk perspectief en vanuit het perspectief van de persoonlijke ontwikkeling. De Europese Unie biedt een belangrijk referentiekader voor een maatschappelijke invulling van basisvorming. In december 2006 werd een aanbeveling van het Europees Parlement goedgekeurd inzake kerncompetenties voor levenslang leren. Dit Europees referentiekader is ontwikkeld met de bedoeling “de lidstaten te ondersteunen in hun inspanningen alle jongeren en volwassenen de mogelijkheid te bieden om hun kerncompetenties zodanig te ontwikkelen dat zij toegerust zijn voor het leven als volwassenen”. Geïnspireerd door deze Europese aanbeveling en aanleunend bij ideeën uit het OESO-project ‘The definition and selection of key competences’, moet de actualisering van de eindtermen in eerste instantie een antwoord bieden op de vraag welke minimumcapaciteiten elke burger in Vlaanderen nodig heeft om actief aan de samenleving te kunnen participeren en om een persoonlijk leven uit te bouwen. Om de vakoverschrijdende eindtermen te actualiseren wordt teruggegrepen naar de definitie zoals bepaald in het hoger vermeld bekrachtigingsdecreet van de eindtermen, waar in de uitgangspunten voor de eindtermen van de eerste graad secundair onderwijs, een actuele en werkbare visie op basisvorming wordt geformuleerd: Iedere leerling heeft recht op een relevante basisvorming. Basisvorming bereidt een lerende voor op kritisch-creatief functioneren in de samenleving en de uitbouw van een persoonlijk leven. 1.3 StructuurOm aan deze ideeën vorm te geven is een nieuw ordeningskader ontworpen, waaraan de bestaande eindtermen worden getoetst. Dit kader operationaliseert die visie op basisvorming in zeven contexten of toepassingsgebieden:
Het onderbrengen van de vigerende eindtermen in deze rubrieken maakte echter meteen duidelijk dat bepaalde ‘voorwaarden’ voor zelfontplooiing en maatschappelijke participatie een aantal keren werden herhaald. Essentiële vaardigheden als autonoom denken en handelen, communicatie en samenwerking, positief zelfbeeld en veerkracht, sociaal functioneren, exploratie, initiatief en creativiteit, enz. worden in elk pakket meer dan een keer verwoord en zijn daardoor mee de oorzaak van hinderende overlap en complexe zinsconstructies. Om tot meer transparantie en eenvoud te komen wordt een gemeenschappelijke stam gecreëerd. Op die manier komt een tweeledigheid tot stand van enerzijds een stam en anderzijds zeven contexten, die in hun samenhang moeten worden gelezen én gehanteerd.
Op die manier ontstaat een overzichtelijk en samenhangend geheel van één stam en zeven contexten dat bovendien niet langer graadgebonden wordt aangeboden. Leren leren blijft daarbij, in samenhang met stam en contexten, behouden als een eigen pakket, omwille van het specifiek karakter van deze vakoverschrijdende eindtermen. (Zie verder) De indeling in stam, (onderscheiden) contexten en leren leren is daarbij enkel een ordeningskader dat het mogelijk maakt om overzicht te behouden en het totaalpakket inhoudelijk te controleren op essentie, volledigheid en aantal. Het is met andere woorden niet bedoeld om het ontwikkelingsproces van de basisvorming op te splitsen in verschillende delen. Daarvoor is die indeling te artificieel en wellicht te arbitrair. Stam, contexten en leren leren moeten in hun samenhang gelezen worden, zodat ze hun dynamiek blijven behouden en niet worden verengd, maar tot zinvolle gehelen kunnen worden gehergroepeerd naar de keuze van de school en leerkracht. (Zie 3) Schematisch kan de bedoeling en samenhang van deze nieuwe structuur worden geïllustreerd met de metafoor van een boom. Figuur 1: schematische voorstelling structuur vakoverschrijdende eindtermen
Sinds de invoering van de eerste generatie vakoverschrijdende eindtermen hebben scholen heel wat ervaring opgedaan met de implementatie ervan. Feedback vanuit scholen over de haalbaarheid van de eindtermen, gecombineerd met hun wens om, meer dan nu het geval is, de eigen missie en visie gestalte te geven, leidde tot het voorstel om deze tweede generatie vakoverschrijdende eindtermen niet langer graadgebonden aan te bieden. Ontwikkelingspsychologische
aspecten en de steeds wisselende omstandigheden waarin het leerproces zijn loop
kent, zullen hoe dan ook leiden tot gedifferentieerde keuzemomenten en een
geïntegreerde en herhaalde aanpak. Het nieuwe
ordeningskader voor de vakoverschrijdende eindtermen vraagt van de school om
haar beleid autonoom uit te bouwen en dit in het perspectief van
responsabilisering en beleidsvoerend vermogen. De deskundigheid van directie en
leerkrachten, de samenwerking, overleg en schoolplanning bieden voldoende
garantie om recht te doen aan het principe van de subsidiariteit. Dat betekent
dat veel beslissingen inzake implementatie van de vakoverschrijdende eindtermen
kunnen worden genomen op schoolniveau en niet op een hoger echelon. 1.4 BronnenEnkele belangrijke bronnen en rapporten hebben de uitwerking van deze reeks vakoverschrijdende eindtermen sterk geïnspireerd.
1.5 Wat is er veranderd?[1]Dit zijn de belangrijkste wijzigingen ten aanzien van de eerste generatie vakoverschrijdende eindtermen.
De
vakoverschrijdende eindtermen voor stam en contexten en de eindtermen voor
leren leren kwamen tot stand in aparte ontwikkelcommissies van
onderwijsdeskundigen uit de praktijk (leraars en directeurs, coördinatoren,
pedagogisch begeleiders, lerarenopleiders en academici). 2 Inleidingen: stam en contexten en leren lerenOm een brede en
harmonische basisvorming te waarborgen waarin essentiële kennis, vaardigheden
en houdingen hun plaats krijgen, moeten de eindtermen van de stam, de zeven
contexten en leren leren in hun samenhang worden beschreven én behandeld. 2.1 Een gemeenschappelijke stamDe stam is eigenlijk een lijst van essentiële vaardigheden of sleutelvaardigheden, waarvoor eindtermen werden geformuleerd. Deze eindtermen moeten voldoen aan volgende vereisten:
De eindtermen in de
stam vinden hun oorsprong in de visie op basisvorming die ook de invulling
van de contexten schraagt: iedere
leerling heeft recht op een relevante basisvorming. Basisvorming bereidt een
lerende voor op kritisch-creatief functioneren in de samenleving en de uitbouw
van een persoonlijk leven. Hieronder worden deze sleutelvaardigheden (in vetjes) omschreven. De eindtermen van de stam zijn zodanig gekozen dat ze, ondanks (en dankzij) hun algemene formulering, dekkend zijn voor wat bedoeld wordt met elk van deze sleutelvaardigheden. Met andere woorden, werken aan de eindtermen van de stam is werken in de richting van de onderliggende omschrijvingen.
2.2 ContextenAansluitend bij de
definitie van gezondheid door de Wereldgezondheidsorganisatie, wordt in
contexten 1, 2 en 3 gefocust op lichamelijke gezondheid in samenhang met het
mentaal en sociorelationeel welbevinden. De eindtermen die betrekking hebben op
de verschillende gebieden van het maatschappelijk leven, komen aan bod in
contexten 5, 6 en 7. Context 4 besteedt aandacht aan de relaties tussen
gezondheid en omgeving en tussen duurzame ontwikkeling en politiek-juridische,
socio-economische en socioculturele aspecten. 2.2.1 Lichamelijke en mentale gezondheid en sociorelationele ontwikkelingGezondheid wordt
door de Wereldgezondheidsorganisatie als volgt geformuleerd: “gezondheid is een toestand van een zo
optimaal mogelijk fysiek, mentaal en sociaal welzijn, waarbij iedereen de kans
moet hebben om als mens capaciteiten te ontwikkelen en te gebruiken met een
maximum aantal vrijheidsgraden en keuzemogelijkheden.” (WHO, 2007) De invulling van gezondheid is dus
ruim, dynamisch, relatief en emancipatorisch. Deze algemeen aanvaarde en
internationaal gehanteerde definitie van gezondheid ligt aan de basis van het
gezondheidsbeleid van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen. De eindtermen werden geformuleerd rond volgende subthema’s:
Al deze thema’s komen in hun verwevenheid aan bod in de drie contexten. Bovendien mogen de eindtermen uit de gemeenschappelijke stam niet uit het oog verloren worden, want zij krijgen pas echt betekenis doorheen het werken aan bovenstaande thema’s en, vice versa, de thema’s kunnen verdiepend worden aangepakt wanneer de eindtermen uit de stam worden meegenomen. De eindtermen uit de stam zorgen er immers voor dat volgende aandachtspunten tot hun recht komen:
Mede door het niet-graadgebonden aanbod van de vakoverschrijdende eindtermen, wordt de school de vrijheid gelaten haar gezondheidsbevorderend beleid waar te maken. De school kiest wanneer, bij welke gelegenheden, door wie, hoe, in welke combinaties en hoe vaak de eindtermen van stam en diverse contexten in samenhang worden aangepakt. 2.2.2 Omgeving en duurzame ontwikkelingSedert het
verschijnen van het Rapport ‘Our Common Future’ van de ‘World Commission on the
Environment and Development’ (WCED, 1987), beter bekend als het ‘Brundtland-rapport’,
is men tot het besef gekomen dat duurzaamheidsvraagstukken erg complex zijn
door de innige verwevenheid van economische, ecologische en sociale aspecten.
Deze aspecten zijn vaak wel van elkaar te onderscheiden, maar kunnen bij het
zoeken naar oplossingen niet van elkaar worden gescheiden. Deze definitie bevat de volgende kernideeën:
Zoeken naar mogelijke oplossingswegen voor duurzaamheidsvraagstukken (opwarming van de aarde, uitputting van fossiele energiebronnen, afname van de biodiversiteit, ongelijke welvaartsverdeling, verlies van lokale ambachten, voedingsgewoonten en -producten, samenlevingsvormen, …) vereist inzicht in de samenhang en de wederzijdse beïnvloeding van de economische, de sociale en ecologische aspecten die verbonden zijn aan het vraagstuk. Dit vereist een zekere vorm van systeembenadering, waarbij behalve kennis en inzicht ook het waardeoordeel van de gebruiker een bepalende rol speelt bij het daadwerkelijk en doelgericht werken aan duurzame oplossingen. Zoals de VLOR en de MINA-raad in een gezamenlijk advies aan de minister van Onderwijs formuleren, moet ‘duurzame ontwikkeling’ beschouwd worden als een ‘regulatief idee’ waarnaar men streeft bij het nemen van beslissingen (VLOR - Mina, 2007). De klemtoon komt sterk te liggen op ‘nastreven’ omdat ‘duurzame ontwikkeling’ als eindtoestand niet gekend is en omdat elke wijziging van een bestaande toestand een nieuwe toestand creëert die nieuwe uitdagingen inhoudt. ‘Duurzame ontwikkeling’ houdt daarom per definitie een continu leerproces in. De indruk mag niet
ontstaan dat scholen er zijn om duurzaamheidsvraagstukken op te lossen; men mag
wel verwachten dat ze de leerlingen kansen bieden tot een mate van
zelfontplooiing die hen handelingsbekwaam maakt om samen met anderen naar oplossingen
te zoeken. Het principe van participatie aan maatschappelijke discussies en
fora bij het zoeken naar oplossingen wordt immers in alle beleidsdocumenten
over duurzame ontwikkeling cruciaal geacht. Rekening houdend met de kenmerken van duurzaamheidsvraagstukken en van het zoeken naar wegen die naar een mogelijke oplossing leiden, dient educatie voor duurzame ontwikkeling zich vooral te richten op:
De eindtermen
binnen deze context hebben zowel betrekking op de persoonlijke leefstijl als op
de gevolgen van duurzaam of niet duurzaam handelen, op het eigen welzijn, op
het welzijn van anderen, hier en elders, vandaag en morgen. Bovendien worden
lichamelijke en mentale gezondheid, evenals het sociorelationeel welzijn van
mensen sterk beïnvloed door de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving.
Context 4 sluit in die zin sterk aan bij de contexten 1, 2 en 3. 2.2.3 Politiek-juridische, socio-economische en socioculturele samenlevingDe eindtermen die bedoeld zijn om te leren samenleven en actief te participeren aan de samenleving - in al haar aspecten - kregen hun specifieke plaats in het ordeningskader, analoog met de werkwijze voor de eindtermen in contexten 1, 2 en 3. Een samenleving is voortdurend in beweging
en samenleven is een dynamisch gegeven. Het is echter niet mogelijk naar een nieuw denken en handelen te zoeken zonder een initiatie in bestaande denkkaders en handelingspatronen. Wat het politiek-juridisch aspect van een democratische samenleving betreft, wordt bijzondere aandacht besteed aan vier onderling samenhangende thema’s, met name actief burgerschap, mensenrechten, democratie en de Europese/internationale dimensie.
De eindtermen in de context socio-economische samenleving handelen over de maatschappelijke aspecten van de economie. Ze zijn uiteraard niet bedoeld om de economie als wetenschap te bestuderen. Zoals bij de politiek-juridische en sociaal-culturele dimensies van het maatschappelijk leven, zijn er ook een aantal essentiële socio-economische verschijnselen en mechanismen waarmee jongeren vertrouwd moeten zijn met het oog op maatschappelijke participatie en zelfontplooiing. Het gaat hierbij om thema’s als:
Deze eindtermen
zijn gericht op het dynamisch karakter van de socio-economische samenleving
dat veroorzaakt wordt door een permanente wisselwerking tussen economische en
sociale mechanismen. Het sociocultureel samenleven kan worden beschreven in thema’s die uitdrukkelijk verwijzen naar hetgeen maatschappelijk en onderwijskundig belangrijk wordt geacht voor deze specifieke context. Voor elk van de vier onderstaande thema’s werden eindtermen geformuleerd.
Een samenleving staat of valt echter met het ‘zijn’ van haar burgers. De vakoverschrijdende eindtermen in deze drie contexten werden zorgvuldig geselecteerd, zodat ze gestalte kunnen geven aan de thema’s die essentieel worden geacht voor een gedegen hedendaagse en toekomstgerichte basisvorming. 2.3 Leren lerenLevenslang leren is een belangrijk aspect van zelfontplooiing. Bovendien is het zo dat participatie en actief burgerschap in een democratische samenleving vragen om autonoom handelende en denkende burgers die bereid zijn hun hele leven lang bij te leren. Dit betekent o. a. dat zij over de nodige kennis en vaardigheden beschikken om het eigen leren, denken en handelen te plannen, te sturen, te evalueren en bij te sturen. Het ‘leren leren’-concept houdt dus meer in dan ‘leren studeren’. Leerlingen verwerven bekwaamheid in een breed gamma van houdingen, inzichten en vaardigheden, die hen in staat stellen om doelgericht en efficiënt te leren. De aandacht voor leren leren ondersteunt niet alleen het leren op school, maar heeft vooral als bedoeling leerlingen te vormen om zelfstandig te kunnen leren en te kunnen kiezen in wisselende contexten. Leren leren is dus veruit de belangrijkste component van basisvorming en kan zowel overkoepelend als inherent worden genoemd waar het basisvorming betreft. Leren is een actief
proces en gaat uit van een actieve deelname van de leerling: hij onderzoekt de
leerinhoud of het werkstuk, selecteert zelf informatie, bouwt begrippen op,
luistert actief, oefent, herbegint, herstelt, zoekt naar alternatieve
oplossingen, … De selectiecriteria
voor de vakoverschrijdende eindtermen leren leren zijn eigenlijk niet veranderd
sinds de invoering ervan in 1997. Sterker nog, deze selectiecriteria zijn in de
afgelopen jaren zelfs nog relevanter geworden dan ze al waren.
3 CoördinatieIn de realiteit komen de verschillende delen, die in het ordeningskader worden onderscheiden, weer bij elkaar. De vakoverschrijdende eindtermen worden dan in hun onderlinge samenhang en als geheel gezien. Hieronder volgen enkele mogelijke combinaties van eindtermen. Door vanuit een bepaalde invalshoek te vertrekken, legt men andere accenten. 3.1 Eindtermen binnen één context worden geclusterd en samen behandeld in samenhang met eindtermen van de stamZo hangen in context 1 (lichamelijke gezondheid en veiligheid) de kennis van eigen lichaam en de vaardigheid daar rekening mee te houden (ET 2), sterk samen met het vinden van een evenwicht in zijn dagelijkse bezigheden (ET 3). Tijd nemen voor lichaamsbeweging (ET 7) en neen zeggen tegen genotsmiddelen en sommige medicijnen (ET 8) zijn een onderdeel van beide. In het streven naar deze eindtermen ontwikkelt men kritisch denken en zelfredzaamheid (stam). Er is ook de mogelijkheid om communicatief vermogen en mediawijsheid (stam) aan te kaarten via de vermelde eindtermen uit context 1. Vertrekkend vanuit context 1 ligt het accent op deze eindtermen, maar de eindtermen uit de stam worden tegelijk nagestreefd omdat ze een noodzakelijke voorwaarde zijn om de ontwikkeling van de beoogde doelen te stimuleren. De leerlingen zetten bij het nastreven van bovenvermelde eindtermen verschillende aspecten van leren leren in. Kritisch informatie verwerven en verwerken is essentieel om nieuwe kennis op te bouwen. Probleemoplossende strategieën hanteren en evalueren zijn eveneens noodzakelijk tijdens het proces zelf. Maar ook na de uitgevoerde activiteiten voor deze eindtermen, kan een moment van reflectie ingebouwd worden waarbij leerlingen nagaan wat ze geleerd hebben, hoe dat in zijn werk gegaan is en of er in dat leerproces verbetering mogelijk is. 3.2 Eindtermen van verschillende contexten worden gebundeld en samen behandeld, in samenhang met de stamLeerlingen leren
democratische procedures toepassen in de school (context 5, ET 2) door mee te
werken aan het uitbouwen van een gezondheids-en veiligheidsbeleid (context 1,
ET 10). In dat proces kunnen ze hun ongelijk toegeven, indien nodig (context 3,
ET 4) en zoeken ze mee naar constructieve oplossingen bij conflicten, die zich
tijdens het overleg kunnen voordoen (context 3, ET 9). Deze situatie geeft hen
bovendien de gelegenheid om uit te testen op welke manier men constructief kan
omgaan met verschillen tussen mensen en levensopvattingen (context 7, ET 2).
Vertrekkende vanuit deze verschillende contexten, ligt het accent op bovenvermelde
eindtermen. Dat neemt niet weg dat ook hier eindtermen uit de stam meegenomen
worden in het ontwikkelproces, zoals bijvoorbeeld: kritisch denken, een open en
constructieve houding, exploreren en creatief zijn. 3.3 Men vertrekt vanuit de eindtermen van de stam en behandelt deze in samenhang met eindtermen uit één of meerdere contextenEen ander perspectief ontstaat wanneer men één of meer eindtermen uit de stam kiest om expliciet aan te werken met de leerlingen. Men wenst bijvoorbeeld respectvol gedrag bij de leerlingen te beklemtonen (stam, ET 18.). Afhankelijk van de activiteiten, die men daartoe ontplooit, kan ook ET 5 uit de stam ermee gecombineerd worden. Respect voor anderen houdt immers een zekere mate van empathie in. De eindtermen uit context 3 (sociorelationele ontwikkeling) zijn dan de meest voor de hand liggende keuze om te werken aan respectvol gedrag en empathie. Maar ook eindtermen in de andere contexten, die slechts indirect met relaties te maken hebben, kunnen aangewend worden. Elke vorm van participatie (context 4, ET 1; context 1, ET 10; context 5, ET 2) of overleg en samenwerking (context 7, ET 2 en 3) context 6, ET 2) vereist een respectvolle en empathische houding en geeft leerlingen de gelegenheid zich daarin te oefenen. De layout van de geactualiseerde vakoverschrijdende eindtermen weerspiegelt het nieuwe ordeningsconcept. 4 Geraadpleegde werkenBamford, A. (2007). Kwaliteit en Consistentie - Arts and Cultural Education in Flanders. Brussel: Ministry of Education Flanders, CANON Cultural Unit. Belgische Senaat, Platform Democratie en Burgerzin. http://democratie.senaat.be; geraadpleegd op 9 juni 2008. Blokhuis, F., Coeck, G., Vilters, I. & Vermeesch, F. (1999). Sleutelvaardigheden in het beroepsgerichte onderwijs in Nederland en Vlaanderen (GENT IV) (bijlage 14). Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Dienst voor Onderwijsontwikkeling / ’s-Hertogenbosch: CINOP. Boogaard, M. & Roede, E. (2006). Meten van waarden en normen in interculturele context. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut. Boonen, H. (red.). (2005). Vrede kan je leren! Praktijkboek voor vredeseducatie. Brussel: Departement Onderwijs (Canon Cultuurcel), Kleur Bekennen, V-dag vzw, Jeugd en Vrede vzw. Bosma, H. (2004). Identiteitsontwikkeling In J. de Wit, W. Slot en M. van Aken, Psychologie van de adolescentie, 125-142. Baarn: HB Uitgevers. Brewerton, M. (2004). Reframing the Essential Skills: Implications of the OECD Defining and Selecting Key Competencies Project. Wellington: Ministry of Education. Bron, J. (2006). Een basis voor burgerschap. Een inhoudelijke verkenning voor het funderend onderwijs. Enschede: SLO Projectgroep Burgerschapsvorming, Studies in leerplanontwikkeling. Burssens, D., De Groof, S., Huysmans, H., Sinnaeve, I., Stevens, F., Van Nuffel, K., Vettenburg, N., Elchardus, M., Walgrave, L. & De Bie, M. (red.) (2004). Jeugdonderzoek belicht. Voorlopig syntheserapport van wetenschappelijk onderzoek naar Vlaamse kinderen en jongeren (2000-2004). Onuitgegeven onderzoeksrapport, K.U.Leuven, VUB & Ugent. Claeys, J., Elchardus, M. & Vandebroeck, D. (2005). De smalle toegang tot cultuur. Een empirische analyse van cultuurparticipatie en van de samenhang tussen sociale participatie en cultuurparticipatie. In Vlaanderen gepeild, 7-35. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Commissie van de Europese Gemeenschappen (2005). Voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad inzake kerncompetenties voor levenslang leren. COM(2005)548 definitief; 2005/0221 (COD). Brussel: Europese Gemeenschap. Consortium of institutions for development and research in education in Europe. (1998). Across the Great Divides. Report of the CIDREE Collaborative Project on Cross-curricular Themes. Dundee: Secretariat of CIDREE, SCCC. Consortium of institutions for development and research in education in Europe. (2005). Different faces of citizenship. Development of citizenship education in European Countries. Brussels: CIDREE/DVO. Council of Europe. (2004). All-European Study on Education for Democratic Citizenship Policies. Strasbourg: Council of Europe Publishing. de Graaf, H. (2004). Psychoseksuele ontwikkeling. In J. de Wit, W. Slot en M. van Aken (2004). Psychologie van de adolescentie, 110-124. Baarn: HB Uitgevers. Departement Onderwijs, Dienst voor Onderwijsontwikkeling (2001). Definitie en selectie van (sleutel)competenties in Vlaanderen. Een stand van zaken anno 2001. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Departement Onderwijs, Secundair Onderwijs (1996). Eindtermen en ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs. Decretale tekst en uitgangspunten, september 1996. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Desloovere, Karl (2008). Een buitenlandse kritische blik op kunst en cultuur in het Vlaamse onderwijs. Impuls voor Onderwijsbegeleiding, 38(3), 131-139. Dienst voor Onderwijsontwikkeling (1997). Doelen voor heel de school. De vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?get=NL&nr=32&i=241; geraadpleegd op 10 juni 2008. Dienst voor Onderwijsontwikkeling (2002). Over de grenzen. Vakoverschrijdende eindtermen in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/?get=NL&nr=141&i=241; geraadpleegd op 10 juni 2008. Elchardus, M., Duquet, F., Op De Beeck, S. & Roggemans, L. (2007). Vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs: een analyse naar de haalbaarheid en de maatschappelijke en onderwijskundige relevantie (OBPWO 06.01). Tussentijds rapport. Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, TOR 2007.42. Elchardus, M., Duquet, F., Op De Beeck, S. & Roggemans, L. (2008). Tussentijds rapport vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs (OBPWO 06.01). Opvattingen van de leerkrachten: deel 2. Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, TOR 2008.1. Elchardus, M., Duquet, F., Op De Beeck, S. & Roggemans, L. (2008). Tussentijds rapport vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs (OBPWO 06.01). Opvattingen van de directieleden. Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, TOR 2008.1. Elchardus, M., Duquet, F., Op De Beeck, S. & Roggemans, L. (2008). Tussentijds rapport over de vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs (OBPWO 06.01). Opvattingen van de leerlingen. Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, TOR 2008.5. Elchardus, M., Duquet, F., Op De Beeck, S. & Roggemans, L. (2008). Tussentijds rapport over de vakoverschrijdende eindtermen in het secundair onderwijs (OBPWO 06.01). Opvattingen van de stakeholders van het onderwijs. Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, TOR 2008.12. Ellis, A. (2005). Active Citizens in School: Evaluation of the DfES Pilot Programme. Nottingham: The Institute for Volunteering Research, Department for Education and Skills, Research Report 620. Eurydice. (2005). Citizenship Education at School in Europe. Brussels: European Commission, Directorate-General for Education and Culture, Eurydice, The Information Network on education in Europe. Europese Commissie, Groep intellectuelen voor interculturele dialoog (2007). Een heilzame uitdaging. http://ec.europa.eu/education/policies/lang/doc/maalouf/report_nl.pdf; geraadpleegd op 19 juni 2008. Frans, E. (2000). Goede minnaars, what’s in a word? In CSGO (Red.). In: Werkmap Goede Minnaars. Gent: CSGO. Germeijs, V. (2006). High School Students’ Choice of a Study in Higher Education: The Decision-Making process, Antecedents and Consequences for Choice Implementation. Proefschrift aangeboden tot het verkrijgen van de graad van Doctor in de Psychologische Wetenschappen, Promotor Prof. Dr. Karine Verschueren (KULeuven). http://hdl.handle.net/1979/373; geraadpleegd op 23 juni 2008. Gundara, Jagdish S. (2000). Intercultural Europe. London: Paul Chapman Publishing Ltd. Gundara, Jagdish S. (2000). Interculturalism, Education and Inclusion. Basingstoke: Ashgate. Hofstede, G & Hofstede, G.J. (2005). Allemaal andersdenkenden. Omgaan met cultuurverschillen (2e, geheel herziene druk). Amsterdam: Uitgeverij Contact. Jolles, J. (2007). Neurocognitieve ontwikkeling en adolescentie: enkele implicaties voor het onderwijs. Onderwijsinnovatie, 9(1), 30-32. Kabinet van Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming (2004). Beleidsnota 2004 - 2009. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs. http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/nota/2004-2009.pdf; geraadpleegd op 12 juni 2008. Kavadias, D. (2005). Leren voor het politieke leven? De invloed van scholen op de politieke houdingen van leerlingen secundair onderwijs in Vlaanderen. School en samenleving, Afl. 8, 13-30. Klaï, T. & Ponjaert-Kristoffersen, I. (2005). Kinderen en seksualiteit. In CSGO Trefpunt (Red.). In: Jaarboek seksualiteit, relaties, geboorteregeling. Gent: CSGO. Kuyper, L. (2006). Seksualiteit en seksuele gezondheid bij homo en biseksuelen. In F. Bakker & I. Wesenbeeck (Red.), Seksuele gezondheid in Nederland, 167-188. Delft: Eburon. Lombaerts, Herman (2008). Scholen voor het Europa van de toekomst. De rol van schoolbesturen op een kruispunt. Impuls voor Onderwijsbegeleiding, 38(3), 107-118. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs (2001). Ontwerp van decreet tot bekrachtiging van de eindtermen van de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs. Deel 2, 22 januari 2001, Stuk 536 (2001), 4 delen. Brussel: Vlaams Parlement. http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2000-2001/g536-1.pdf.; geraadpleegd op 23 juni 2008. Parekh, Bhikhu (2000). Rethinking multiculturalism: cultural diversity and political theory. Basingstoke: Palgrave. Pinto, David (2000). Intercultural communication. A three-step method for dealing with differences. Leuven: Garant. Rokeach, Milton (1973). The Nature of Human Values. New York: Free Press. Sercu, L. (2007). Omgaan met multiculturaliteit en religieus pluralisme in het onderwijs. Leuven: Acco. Sitskoorn, M. (2006). Het maakbare brein. Amsterdam: Bert Bakker. Smeyers, P. (2005). Taalfilosofie: op weg naar een wijsgerige pedagogiek als een filosofie van de praxis. In P. Smeyers en B. Levering (Red.), Grondslagen van de wetenschappelijke pedagogiek. (p. 127). Amsterdam: Boom Standaert, R. & Troch, F. (2006). Leren en onderwijzen. Inleiding tot de algemene didactiek. Leuven: Acco. Standaert, R. (2008). Globalisering van het onderwijs in contexten. Leuven: Acco. The Belgian presidency of the European Union. (2002). Cross-curricular themes. Vakoverschrijdende thema’s. Conference proceedings. Brussels, 11-12 October 2001. UNECE. (2005). UNECE Strategy for Education for Sustainable Development adopted at the High-level meeting. http://www.unece.org/env/documents/2005/cep/ac.13/cep.ac.13.2005.3.rev.1.e.pdf; geraadpleegd op 16 juni 2008. Vandenbroucke, F. (2006) Voortbouwen en vooruitzien. Beleidsbrief Onderwijs en Vorming 2006-2007. Brussel: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/brief/2006-2007.pdf; geraadpleegd op 20 juni 2008 Verbiest, E. (2005). Ontwikkeling van het beleidsvoerend vermogen van scholen: ontwikkeling van schoolinterne capaciteiten. In: Vlaamse Onderwijsraad (2005) Beleidsvoerend vermogen van scholen ontwikkelen; een verkenning. Antwerpen/Apeldoorn: Garant. Vereniging Educaties Nederland (VEN). Venster op nme. Adviezen voor de rijksnota nme. Beschikbaar op http://www.venmail.info; geraadpleegd op 16 juni 2008. Vlaams decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid (2003) http://www.zorg-en-gezondheid.be/defaultRegelgeving.aspx?id=6750; geraadpleegd op 9 juni 2008. Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Departement Onderwijs (2007). Ontwerp van decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 betreffende het beroepsprofiel van de leraar. (Memorie van toelichting). Brussel: Vlaams Parlement. http://jsp.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2007-2008/g1338-1.pdf; geraadpleegd op 23 juni 2008. Vlaamse gezondheidsdoelstellingen (1998-2002). http://www.zorg-en-gezondheid.be/preventiedecreet.aspx; geraadpleegd op 9 juni 2008. Vlaamse Regering (2004). Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen. Regeringsbrochure, hoofdstuk IV, pp.32-35. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaamseoverheid/regeringsbrochure2004.pdf; geraadpleegd op 9 juni 2008. VLOR-Mina (2007). Advies over educatie voor duurzame ontwikkeling in het leerplichtonderwijs. Afl. 2007/12. Brussel: VLOR, Mina. http://www.minaraad.be/persberichten/2007/minaraad-en-vlor-pleiten-voor-educatie-voor-duurzame-ontwikkeling/07-12-advies-vlor-minaraad-over-edo-in-leerplichtonderwijs.pdf; geraadpleegd op 16 juni 2008. Werkgroep Gezondheidsconferentie (2004). Epidemiologie van depressie en suïcide in Vlaanderen. Verslagboek Gezondheidsconferentie 2002, hoofdstuk 4, p.179 e.v. WHO Wereldgezondheidsorganisatie (2007). Health 21: health for all in the 21st century. http://www.who.int/mediacentre/factsheets/fs220/en/; geraadpleegd op 9 juni 2008. World Commission on Environment and Development (1987). Our Common Future. Published as Annex to General Assembly document A/42/427. http://www.un-documents.net/wced-ocf.htm; geraadpleegd op 23 juni 2008. [1] De recent ingevoerde eindtermen ict voor de eerste graad secundair onderwijs, evenals de eindtermen technisch technologische vorming voor 2de en 3de graad ASO blijven ongewijzigd. De laatste dienen in de toekomst voort te bouwen op de geactualiseerde eindtermen techniek voor de eerste graad. [2] Cpr is de afkorting voor cardio-pulmonaire resuscitatie (een combinatie van hartmassage en beademing). [3] UNECE: United Nations Economic Commission for Europe, één van de vijf regionale economische commissie binnen de Verenigde Naties. |