U bent hier: Onderwijs en Vorming > Edulex

Omzendbrief

datum laatste wijziging: 29/07/2013 inhoudstafel
Geïntegreerd onderwijs
referentie : GD/2003/05
publicatiedatum : 11/09/2003
wettelijke basis : Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 art 11 en art 16 en art 155
contact : Codex Secundair Onderwijs artikel 294 en art 351 tot en met art 357 en art. 304 § 4 en art 312 §4
contact : Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap art 57bis tot en met art 57sexies.
contact : Basisonderwijs personeel : uw werkstation
contactpersoon : Basisonderwijs : Luc Van Beeumen, 02/553.92.47
contactpersoon : Secundair Onderwijs : Els Exter, 02/553.97.76
contactpersoon : Secundair Onderwijs : Tine Debruyne, 02/553.87.18
contactpersoon : Personeel : Marc Leunis, 02/553.89.41
contactpersoon : Personeel : Pascal Elet, 02/553.91.03
  • Voor het basisonderwijs en het secundair onderwijs is het begrip “BO-attest” vervangen door het “attest bij het inschrijvingsverslag”.
  • Aangezien het koninklijk besluit van 28 juni 1978, houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, niet meer geldt voor het basisonderwijs, hoeft het model-attest bij het ministerieel besluit van 19 september 1978 niet meer gebruikt te worden.
  • Het ministerieel besluit van 19 september 1978 wordt geactualiseerd aan de huidige regelgeving, dit betekent dat vanaf 1 december 2012 enkel de inhoud van het attest wordt vastgelegd bij het ministerieel besluit, en niet meer het model zelf. Dit laat toe om het oude model van attest te vereenvoudigen en aan te passen aan de kwaliteitsvereisten van een formulier. Het nieuwe model voor het attest bij het inschrijvingsverslag wordt daarom opgenomen in bijlage 1. Dit betekent dat voor 1 december het oude attest nog gebruikt mag worden, in GON (en het buso) maar vanaf 1 december voor nieuwe leerlingen in het GON (en het buso) het nieuwe model attest gebruikt dient te worden. Uiteraard blijven de oude BO-attesten die reeds eerder opgemaakt werden eveneens geldig.
  • Voor de leerlingen met ASS is een verduidelijking toegevoegd ivm het attest.
  • Conform de regelgeving van het basisonderwijs, wordt als bijlage 5 een aangepast “attest bij het inschrijvingsverslag” aangeboden.
  • Het aanspreekpunt GON-coördinatie voor het OVSG is gewijzigd. Zie bijlage 4.

1. Toepassingsgebied.

Het geïntegreerd onderwijs is een samenwerking tussen het gefinancierd/ gesubsidieerd gewoon en buitengewoon onderwijs.

Het is bedoeld om jongeren met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig de lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs met hulp vanuit het buitengewoon onderwijs.

De school voor buitengewoon onderwijs krijgt hiervoor aanvullende lestijden en/of aanvullende uren (het GON-pakket). Via het werkingsbudget wordt een integratietoelage toegekend.

In deze omzendbrief wordt met “scholen” bedoeld : “gesubsidieerde of gefinancierde” scholen.

Het geïntegreerd onderwijs kan georganiseerd worden op niveau kleuter-, lager- , secundair en hoger onderwijs, met uitzondering van het universitair onderwijs.

Het hoger beroepsonderwijs, ingericht door instellingen voor voltijds secundair onderwijs, wordt vanaf 2010-2011 als hoger onderwijs gezien, waar dit tot nu toe niet het geval was voor de 4e graad BSO.

D.w.z. dat de leerlingen van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs opnieuw recht kunnen hebben op twee jaar GON-begeleiding.

Studenten in academische opleidingen die met ingang van academiejaar 2013-2014 overgedragen worden van de hogeschool naar de universiteit, kunnen, indien ze GON-begeleiding kregen in 2012-2013, of recht hadden op deze GON-begeleiding in het hoger onderwijs 2012-2013, deze GON begeleiding behouden zolang ze een overgedragen opleiding volgen (en uiteraard beantwoorden aan de overige voorwaarden om GON te kunnen krijgen).

Samengevat : de student moet :

1/ in academiejaar 2012-2013 in een academische hogeschoolopleiding ingeschreven zijn die in academiejaar 2013-2014 wordt overgedragen naar de universiteit;

2/ in academiejaar 2012-2013 binnen die opleiding GON-begeleiding krijgen of in academiejaar 2012-2013 recht hebben op GON in die opleiding;

3/ in academiejaar 2013-2014 (en de daaropvolgende jaren) ingeschreven zijn in één van die overgedragen opleidingen;

4/ in academiejaar 2013-2014 (en de daaropvolgende jaren) beantwoorden aan de (algemene) voorwaarden om in aanmerking te komen voor GON-begeleiding.

Studenten in deze overgedragen academische opleidingen die niet aan die vier voorwaarden beantwoorden (zoals bijvoorbeeld studenten die in het academiejaar 2012-2013 nog ingeschreven waren in het secundair onderwijs en pas in 2013-2014 of daarna ingeschreven zijn in deze overgedragen academische opleidingen), komen niet in aanmerking voor GON-begeleiding.

2. Toelatingsvoorwaarden.

2.1. Toelatingsvoorwaarden en vereiste documenten bij samenstelling GON-dossier :

- de leerlingen die geïntegreerd onderwijs volgen moeten voldoen aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden die gelden in het gewoon onderwijs (zie BaO/2001/10 van 10/08/2001 en SO 64 van 25/06/1999).

- de GON-leerling moet in het bezit zijn van een inschrijvingsverslag (= attest en protocol).

- voor de GON-leerling moet een integratieplan opgemaakt worden, zoals bepaald onder punt 2.3 ev.

Een model van het integratieplan vindt u als bijlage 2.

- de GON-leerlingen die georiënteerd worden naar de types 1, 3 en 8 moeten het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds, in het desbetreffende type, buitengewoon onderwijs gevolgd hebben.

2.2. Inschrijvingsverslag.

2.2.1. Algemeen.

De GON-leerling moet in het bezit zijn van een inschrijvingsverslag (= attest en protocol), dat hem toelaat tot het buitengewoon onderwijs.

Informatie over de toelatingsvoorwaarden vindt u terug in de omzendbrief : Toelatingsvoorwaarden en inschrijvingsverslag leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs

en voor het BuSO zoals uiteengezet in artikel 294 van de Codex Secundair onderwijs.

Indien er sprake is van een "ernstige" handicap, (zie punt 2.3.1 of bijlage 3), moet de motivering terug te vinden zijn in het protocol. Dit zal door de verificatie vastgesteld worden.

2.2.2. ASS

Voor leerlingen met ASS 'moet' de diagnosestelling ASS gebeuren door een kinderpsychiater, een psychiater, een Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen (COS) of een referentiecentrum “autisme”.

(Adressenlijst COS en referentiecentra zie bijlage 6).

De verificatie zal nagaan of er een ASS-diagnose is en of ze werd gesteld door één van de vier bovenvermelde diagnosestellers. Bij het verificatiebezoek hoeft de school voor buitengewoon onderwijs geen integraal diagnosedossier voor te leggen. Een attest van de diagnosesteller, waaruit de ASS-diagnose blijkt, volstaat.

Een ASS-diagnose is vereist voor alle nieuwe GON-leerlingen die op 1 september 2007 of later voor de eerste keer instappen in het GON.

Welke leerlingen worden niet als nieuwe GON-leerlingen beschouwd?

- Vb. GON-leerlingen met kwalificatie “matig” die vóór 1 september 2007 al een jaar begeleiding genoten, het tweede jaar opspaarden en na 1 september 2007 opnieuw instappen.

- Vb. GON-leerlingen die veranderen van niveau zijn evenmin nieuwe GON leerlingen.

Voor deze GON-leerlingen blijft de bestaande diagnose gelden, ook al werd ze niet gesteld door een (kinder)psychiater, een COS of een referentiecentrum.

Leerlingen met ASS in BuBaO en BuSO die beschikken over een attest dat hen oriënteert naar de Types 4, 6 of 7, kunnen voor hun ASS enkel de kwalificatie 'matig' krijgen. Leerlingen die een kwalificatie 'ernstig' hadden in het schooljaar 2005/2006 of eerder mogen deze kwalificatie behouden.

Zie ook omzendbrief NO/2006/02 : Afwijkingslestijden, -lesuren en -uren en bijkomende lestijden en uren of extra lesuren en uren voor leerlingen met een autismespectrumstoornis in het kader van het geïntegreerd onderwijs begeleid door het buitengewoon onderwijs.

2.2.3. Het attest bij het inschrijvingsverslag.

2.2.3.1. BuBaO.

Een attest bij het inschrijvingsverslag (BuBaO) voor de jongeren in het kleuter- en lager onderwijs vindt u als bijlage 5.

Dit attest (BuBaO) maakt deel uit van het inschrijvingsverslag ( attest + protocol) en wordt afgeleverd door een CLB of een gemachtigde instantie.

Opmerking :

Het attest bij het inschrijvingsverslag wordt enkel aangepast bij wijziging van type. Dit attest wordt niet aangepast bij overgang van kleuter naar lager onderwijs..

2.2.3.2. BuSO.

2.2.3.2.1. BuSO Algemeen.

Een attest bij het inschrijvingsverslag (BuSO) voor de jongeren in het secundair- en het hoger onderwijs vindt u als bijlage 1.

Aangezien buitengewoon onderwijs niet bestaat op het niveau hoger onderwijs gebeurt de oriëntering van de GON-leerlingen op niveau hoger onderwijs, buiten de universiteit, naar het buitengewoon secundair onderwijs.

In tegenstelling tot het buitengewoon basisonderwijs tekenen de geneesheer-specialist het attest bij het inschrijvingsverslag wél.

Een oog-specialist (type 6-attest) of een NKO-arts (type 7-attest) zijn betrokken bij de diagnose betrokken en tekenen het attest bij het inschrijvingsverslag. Het is echter ook mogelijk om de handtekening van de geneesheer-specialist blanco te laten op het nieuwe model van attest, bij een oriëntering naar type 6 of 7, indien voorafgaand aan de opmaak van dit attest bij het inschrijvingsverslag reeds een 'attest van de diagnosesteller' werd opgemaakt. Dit 'attest van de diagnosesteller' dient dan wel voorgelegd te worden samen met het nieuwe model van attest. De bevestiging door het CLB/de gemachtigde instantie dient echter wel op het nieuwe model van attest ingevuld te worden, het CLB/de gemachtigde instantie vult in dat geval, bij wijze van uitzondering, ook het luikje van de geneesheer-specialist in, maar laat dus de handtekening blanco. (voor ASS zie punt 2.2.3.2.2).

Op het attest moet voor leerlingen van het secundair onderwijs ook de opleidingsvorm ingevuld worden. Indien de leerling nooit les heeft gevolgd in het buitengewoon secundair onderwijs, moet opleidingsvorm 4 ingevuld worden.

2.2.3.2.2. BuSO ASS.

Een oog-specialist (type 6-attest) of een NKO-arts (type 7-attest) zijn 'niet' meer bij de ASS-diagnose betrokken en tekenen het attest bij het inschrijvingsverslag 'niet' meer.

Echter vanaf het gebruik van de nieuwe model attest is zowel voor GON als voor doorverwijzing naar het buso de geneesheer-specialist de invuller en dus ook de ondertekenaar van het attest.

Voor leerlingen met ASS in het type 7 is de geneesheer-specialist, d.w.z. in geval van ASS de (kinder)psychiater, ook de invuller van het attest bij het inschrijvingsverslag) (bijlage 1) en hij/zij moet dit attest ook tekenen.

Indien dit niet het geval is (bv. als er al GON is geweest en er is geen handtekening is, omdat dit toen nog niet vereist was, bij het ‘oude’ model van attest), is de handtekening van de diagnosesteller op het ‘attest van de diagnosesteller’, waaruit de ASS-diagnose blijkt, eveneens voldoende. Dit ‘attest van de diagnosesteller’ dient dan wel voorgelegd te worden samen met het ‘oude’ model van attest.

Het is ook mogelijk om de handtekening van de geneesheer-specialist blanco te laten op het nieuwe model van attest, bij een ASS-diagnose en een oriëntering naar type 7, indien voorafgaand aan de opmaak van dit attest bij het inschrijvingsverslag reeds een 'attest van de diagnosesteller' werd opgemaakt. Dit 'attest van de diagnosesteller' dient dan wel voorgelegd te worden samen met het nieuwe model van attest. De bevestiging door het CLB/de gemachtigde instantie dient echter wel op het nieuwe model van attest ingevuld te worden, het CLB/de gemachtigde instantie vult in dat geval, bij wijze van uitzondering, ook het luikje van de geneesheer-specialist in, maar laat dus de handtekening blanco.

Uiteraard blijven ook de ‘oude’ model attesten bij ASS, getekend door de NKO-arts, geldig. 

2.3. Het integratieplan.

Het integratieplan is een basisdocument, een handelingsgerichte engagementsverklaring die essentiële gegevens bevat en voor een bepaalde periode wordt opgesteld.

Een leerling in het geïntegreerd onderwijs is pas financier- of subsidieerbaar indien er een integratieplan is opgemaakt.

Een integratieplan kán worden opgesteld voor leerlingen die geen GON-pakket en/of integratietoelage genereren.(zie punt 5.5).

Een nieuw integratieplan wordt gemaakt bij :

- wijzigingen van de aard van integratie

- wijzigingen in de aard (type, begaafdheid) of ernst van de handicap

- wijziging van onderwijsniveau ( met inbegrip van het beroepenveld, de studierichting, de afdeling of de opties).Vb. : bij overgang van kleuter naar lager onderwijs

- wijziging van de samenstelling van het integratieteam

- wijziging van de betrokken partner(s) (indien de nieuwe contractant(en), de inhoud van het bestaande integratieplan goed vinden, volstaat het om het bestaande integratieplan te bevestigen en enkel een nieuw voorblad te maken )

2.3.1. Welke gegevens bevat het integratieplan?

1) Gegevens betreffende de leerling.

1.1.) Algemene gegevens :

De identificatiegegevens van de leerling.

Het onderwijsniveau, het beroepenveld, de studierichting, de afdeling, de opties van het gewoon onderwijs waarin de leerling geïntegreerd wordt.

Het instellingsnummer van de school waar de leerling is ingeschreven. Dit kan ook het instellingsnummer zijn van de school voor buitengewoon onderwijs.

1.2) Aard van integratie :

Volledige en gedeeltelijke integratie.

Bij volledige integratie volgt de leerling alle lessen en activiteiten in het gewoon onderwijs.

Bij de gedeeltelijke integratie volgt de leerling minstens twee halve dagen per week gewoon onderwijs.

Bij gedeeltelijke integratie worden het aantal lesuren/lestijden en de gevolgde leervakken en activiteiten in de gewone school vermeld.

Permanente of tijdelijke integratie.

Men spreekt van permanente integratie wanneer de leerling ten minste vanaf 1 oktober tot en met 30 juni de lessen in het gewoon onderwijs volgt.

De integratie is tijdelijk wanneer dit niet het geval is.

1.3) De aard en ernst (type, begaafdheid) van de handicap :

Het onderscheid tussen "normaal begaafd", "lichte mentale handicap" en "matige of ernstige mentale handicap" is gebaseerd op criteria voor oriëntering naar het type 1 of 2 van buitengewoon onderwijs die worden gehanteerd door de oriënterende instanties.

Ernstige fysieke handicap= een handicap ten gevolge van een neuro-motorische stoornis sinds de geboorte, na ziekte of na ongeval (o.a. hersenverlamming, post traumatisch letsel); syndromen of ziektes die een beenderige, musculaire of gewricht- aandoening veroorzaken (o.a. arthrogryposis multiplex congenita, ernstige kinderreuma); spierziekte; spina-bifida, in zoverre die handicap een zeer ernstige beperking qua schrijf- en spraakmotorisch functioneren met zich meebrengt.

Ernstige visuele handicap = een gezichtsscherpte, na optische correctie, van maximaal één tiende voor elk oog, en/of aangewezen zijn op brailleschrift.

Ernstige auditieve handicap = een gemiddeld hoorverlies van minstens 90 dB aan beide oren bepaald volgens de Fletcher-index en niet meer bereiken dan 40% foneemdiscriminatie in spraakaudiometrie, dit alles afgenomen zonder hoorapparatuur.

Matige handicap wordt omschreven als 'een handicap lichter dan een ernstige'.

Het is vooral de arts die de 'ernst' van de handicap zal bepalen.

Omtrent de criteria voor de bepaling van de ernst van de handicap is er NIETS veranderd.
Concreet betekent dit dat de motivering voor de bepaling "ernstig" in het protocol moet terug te vinden zijn (bvb. een audiogram, doktersattest ...).
Het integratieteam kan zelf niet beslissen dat een kind met gehoorverlies van 60 dB ernstig gehandicapt is en dit op nemen in het integratieplan.

2) Gemeenschappelijk akkoord van het integratieteam (zie 2.3.2).

3) Een omschrijving van de problematiek en de hulpvragen van de leerling, de ouders en het schoolteam.

4) De verschillende instanties (revalidatiecentrum, thuisbegeleidingsdienst, MPI, therapeuten, vrijwilligers...) die naast het Geïntegreerd Onderwijs betrokken zijn of worden bij de begeleiding van de leerling.

5) Het voorstel tot additionele hulp :

- inhoud van de collegiale ondersteuning (teamgerichte werking).

- inhoud van de leerlinggerichte werking.

- inhoud van de oudergerichte werking.

- planning (intensiteit, evolutie doorheen het schooljaar, betrokken disciplines, plaats...)

- materiaalaanpassingen.

- materiële ondersteuning (speciale onderwijsleermiddelen).

6) Een aanduiding van de leervakken of de leervakonderdelen die de leerling, door zijn/haar problematiek niet kan volgen en een beschrijving van de vervangende lessen of activiteiten. De klassenraad beslist, in overleg met het integratieteam, autonoom over de vervangende lessen en activiteiten. De toestemming van de onderwijsinspectie is niet meer nodig.

De wijze waarop de leerling over de verschillende vakken geëvalueerd zal worden, indien dit afwijkt van de wijze waarop de andere leerlingen geëvalueerd worden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de mondelinge taalevaluatie, voor een kind met een spraakhandicap, vervangen wordt door een gelijkwaardige schriftelijke evaluatie(bvb. Tekstverwerking)

Studiebekrachtiging
Voor de volledig permanent geïntegreerde leerlingen gelden voor de studiebekrachtiging dezelfde bepalingen als voor de andere leerlingen van de school voor gewoon onderwijs, rekening houdend met het gelijkwaardig verklaarde programma. Voor de volledig tijdelijk geïntegreerde leerlingen geldt dit ook, voor zover ze tot het einde van het schooljaar in het gewoon onderwijs blijven.

2.3.2. Het integratieteam.

Het integratieplan komt bij consensus tot stand na gemeenschappelijk overleg binnen het integratieteam.

Dit integratieteam bestaat uit :

- de leerling en/of zijn ouders.

- de directeur van de school voor gewoon onderwijs waar de leerling de lessen en activiteiten volgt of zijn afgevaardigde.

- de directeur van het C.L.B. dat de leerling begeleidt in de school voor gewoon onderwijs of zijn afgevaardigde.

- de directeur van de dienstverlenende school(d.i. de school voor buitengewoon onderwijs die de additionele hulp geeft) of zijn afgevaardigde.

- de directeur van het CLB van de begeleidende BO-school (de dienstverlenende school)of zijn afgevaardigde, als de betrokken leerling in het voorafgaande schooljaar naar het buitengewoon onderwijs ging. Indien de betrokken leerling van meet af aan naar de school voor gewoon onderwijs gaat, hoeft het CLB van de begeleidende BO-school geen deel uit te maken van het integratieteam.

Bij Volledige en Permanente integratie draagt het C.L.B. van de school voor gewoon onderwijs de verantwoordelijkheid over het multidisciplinair dossier. Zie art. 10 van het decreet C.L.B. én besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 2001 betreffende het multidisciplinair dossier.

3. De additionele hulp.

3.1. Wat wordt bedoeld met additionele hulp?

a) Een financiële tegemoetkoming onder de vorm van een integratietoelage. Hiermee worden o.a. de verplaatsingen van de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs betaald.

b) Een GON-pakket voor het aanstellen van de GON-begeleiders wordt toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs. Het Gon-pakket wordt besteed aan begeleiding van leerkrachten (collegiale consultatie) en/of begeleiding van de leerlingen en/of de ouders in het gewoon onderwijs.

3.2. Criteria voor het berekenen van de additionele hulp.

3.2.1. Teldag.

Voor de berekening van de additionele hulp (eenheden en integratietoelage) worden de regelmatige leerlingen van het geïntegreerd onderwijs in aanmerking genomen op de eerste schooldag van de maand oktober van het lopende schooljaar.

3.2.2. Aard van de handicap.

Voor verdere toelichting, zie 2.3.1 onder 1.3 of bijlage 3.

3.2.3. Aard van de integratie.

Voor verdere toelichting, zie 2.3.1 onder 1.2 of bijlage 3.

3.2.4. De leeftijd.

Belangrijk voor type 8. Voor verdere toelichting, zie bijlage 3.

3.3. Begeleidende BO-school.

De additionele hulp wordt bij voorkeur gegeven door een school die het type van buitengewoon onderwijs organiseert waarnaar de leerling georiënteerd is. Vermits het bij de leerlingen met een type 1, 3 of 8 attest gaat om reïntegratie, is het aangewezen dat de begeleiding van deze leerlingen gebeurt vanuit de school die de leerlingen voordien bezochten. De additionele hulp kan evenwel ook vanuit een andere school voor buitengewoon onderwijs komen.

De additionele hulp kan ook verstrekt worden vanuit een school behorend tot een ander net dan datgene waartoe de school voor gewoon onderwijs behoort.

Voor de leerlingen die Gedeeltelijk hetzij Tijdelijk, hetzij Permanent geïntegreerd onderwijs volgen, wordt de additionele hulp bij voorkeur verleend door de school voor buitengewoon onderwijs waar de overige lessen en activiteiten worden gevolgd.

Gedeeltelijke integratie kan nooit eenheden voor het GON-pakket genereren.

De betrokken scholen kunnen wel overeenkomen, in verband met de flexibele inzet van bestaande GON lestijden/uren, om eventueel ook voor deze kinderen begeleiding te voorzien.

4. Waar telt de betrokken GON-leerling voor de berekening van de personeelsomkadering en werkingsmiddelen en heeft hij recht op leerlingenvervoer?

Dit is afhankelijk van de school waar de betrokken GON-leerling is ingeschreven en dit is op zijn beurt afhankelijk van de aard van de integratie.

4.1. Volledige Permanente integratie :

a) in de school voor gewoon onderwijs : voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en alle andere voorzieningen, zoals alle andere regelmatige leerlingen van de school voor gewoon onderwijs;

b) in de dienstverlenende school : uitsluitend voor de integratietoelage en het GON-pakket volgens de bepalingen in bijlage bij de omzendbrief.

Deze leerlingen komen niet in aanmerking voor het leerlingenvervoer van het buitengewoon onderwijs.

4.2. Volledige Tijdelijke integratie :

a) de leerlingen worden tot hun overgang naar de school voor gewoon onderwijs op dezelfde wijze in rekening gebracht als de leerlingen die voltijds buitengewoon onderwijs volgen : voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en de andere voorzieningen van de school voor buitengewoon onderwijs en voor het leerlingenvervoer;

b) de leerlingen worden, indien voldaan is aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden, vanaf hun overgang naar de school voor gewoon onderwijs op dezelfde wijze en volgens dezelfde wettelijke en reglementaire bepalingen in rekening gebracht als de leerlingen van de school voor gewoon onderwijs voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en de andere voorzieningen.

Uiteraard moet voor het voorafgaande steeds rekening gehouden worden met de respectieve teldata. Het is niet de bedoeling dat de leerling op twee plaatsen in rekening gebracht wordt.

Voorbeeld :

Een leerling volgt tot op 18 november 2004 alle lessen in een school voor buitengewoon onderwijs, waar hij ook het voorgaande schooljaar de lessen volgde. Vanaf 21 november volgt deze leerling de lessen volledig in het gewoon onderwijs.

Deze leerling is op 1 oktober 2004 in het buitengewoon onderwijs en komt er in aanmerking voor de rationalisatienormen.

Op 1 februari 2004 was de leerling in het buitengewoon onderwijs, hij wordt voor de personeelsomkadering, de werkingstoelagen... voor het schooljaar 2004 - 2005 in deze school verrekend.

Op 1 februari 2005 is de leerling in de school voor gewoon onderwijs, hij wordt voor de personeelsomkadering, de werkingstoelagen... voor het schooljaar 2005 - 2006 in de school voor gewoon onderwijs verrekend.

4.3. Gedeeltelijke integratie :

Leerlingen die Gedeeltelijk geïntegreerd onderwijs volgen, hetzij Permanent, hetzij Tijdelijk :

a) worden in de school voor buitengewoon onderwijs in rekening gebracht zoals de andere regelmatige leerlingen van de school voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en de andere voorzieningen.

Ze kunnen eveneens genieten van het recht op leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs behalve voor de verplaatsingen naar de school voor gewoon onderwijs.

b) komen in de school voor gewoon onderwijs niet in aanmerking voor de berekening van de personeelsomkadering en de werkingsmiddelen.

5. Aanwending GON-pakket.

5.1. Aanvullende lestijden of uren.

Het GON-pakket kan u aanwenden voor de oprichting van een betrekking in een ambt van onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, orthopedagogisch, psychologisch en sociaal personeel. Het schoolbestuur/De inrichtende macht beslist jaarlijks over de aanwending van de aanvullende lestijden of uren uit het GON-pakket.

Bij de aanstelling in het betrokken ambt past u de bestaande reglementering inzake de bekwaamheidsbewijzen en weddenschalen toe.

U kan in de opgerichte betrekking een tijdelijk personeelslid aanstellen, maar u kan ook rechtstreeks een vastbenoemd personeelslid aanstellen in deze betrekking.

Deze keuze heeft bepaalde consequenties voor de personeelsleden. Eéns gekozen over de wijze waarop de aanvullende lestijden of uren uit het GON-pakket worden aangewend, moet het schoolbestuur/de inrichtende macht de regels toepassen betreffende de verdeling van de betrekkingen onder de vastbenoemde titularissen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de regels betreffende tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De aanvullende lestijden of uren komen in aanmerking voor vacantverklaring met het oog op vaste benoeming. Meer informatie over deze procedure en over de vaste benoeming vindt u in de omzendbrief 13CC/VB/Ml van 29/11/1999 - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het Departement Onderwijs.

5.2. Hoe wordt het eenhedenpakket gedefinieerd?

De eenheden voor additionele hulp worden gelijkgesteld met :

a) Indien de additionele hulp onderwijskundig is :

- in het buitengewoon basisonderwijs : lestijden ASV

- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 1 : lesuren ASV

- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvormen 2 en 3 : lesuren ASV of lesuren BGV (met vermelding van de specialiteit wanneer de leraar BGV een opdracht heeft in de opleidingsvorm 3)

- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 : lesuren algemene vakken, technische vakken of praktische vakken.

b) Indien de additionele hulp niet onderwijskundig is :

- uren afhankelijk van de discipline.

Hiervoor kunnen uit het GON-pakket de volgende disciplines worden geput : psycholoog, arts, verpleger, logopedist, kinesitherapeut, maatschappelijk werker, ergotherapeut, orthopedagoog en kinderverzorger.

5.3. Hoe wordt het GON-team samengesteld?

Het aantal eenheden dat voor een voltijdse betrekking dat in een bepaald ambt/discipline uit het GON-pakket moet worden geput bedraagt :

- voor een arts, psycholoog of orthopedagoog : 40 eenheden

- voor een kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger en maatschappelijk werker : 32 eenheden

- voor een logopedist : 30 eenheden

- voor een leerkracht ASV : 22 eenheden

- voor een leerkracht BGV : 24 eenheden

* In het buitengewoon secundair onderwijs (OV 4) geldt hetzelfde principe als in het gewoon secundair onderwijs :

- voor een leraar AV, TV en PV in de eerste graad : 22 eenheden

- voor een leraar AV en TV in de tweede graad en derde graad : 21 of 20 eenheden

- voor een leraar PV in de tweede en derde graad : 29 eenheden.

Voorbeeld :

Een BuBaO-school beschikt over een GON-pakket van 120 eenheden. In dit GON-pakket kan de school het volgende GON-team aanstellen :

Een voltijdse leerkracht (22 eenheden)

Een voltijdse logopedist (30 eenheden)

Een halftijdse kinesitherapeut (16 eenheden)

Drie halftijdse ergotherapeuten (48 eenheden)

Een deeltijdse orthopedagoog (4 eenheden)

5.4. Overdracht GON.

In het kader van de overdracht van lestijden en uren kunnen ook GON-eenheden overgedragen worden naar een andere BO-school van het zelfde onderwijsniveau.

Bo

Raadpleeg in dit verband voor het basisonderwijs omzendbrief BaO/2005/09 van 29/06/2005 en voor het secundair onderwijs of artikel 305 §2 en artikel 313 §2 van de Codex Secundair Onderwijs. Voor het secundair is de overdracht enkel mogelijk naar een andere school van secundair onderwijs binnen hetzelfde net of binnen dezelfde scholengemeenschap.

GON lesuren/uren overdragen naar een volgend schooljaar is onmogelijk.

De overdracht moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren in het basisonderwijs en tot uiterlijk 1 november van het lopende schooljaar gebeuren in het secundair onderwijs.

5.5. Flexibiliteit van het GON-pakket.

Het GON-pakket wordt bepaald aan de hand van het aantal GON-leerlingen die de school voor buitengewoon onderwijs begeleidt op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Dit GON-pakket dient zo efficiënt mogelijk ingezet te worden in het belang van en volgens de wisselende behoeften van de GON-leerlingen en hun scholen.

Om dit te bereiken kan, in overleg met de GON-partners, het GON-pakket flexibel worden aangewend.

Deze flexibiliteit kán tweeledig zijn :

1. Op schooljaarbasis voor de samenstelling van het GON-team van de school.

De school stelt op basis van het toegekende GON-pakket het GON-team samen voor een volledig schooljaar om de verschillende integratieplannen te realiseren.

Hierbij wordt uiteraard rekening gehouden met het feit dat de betrekkingen die worden opgericht binnen het GON-pakket onderworpen zijn aan de decreten rechtspositie (zie 5.1).

2. Tijdens het schooljaar t.a.v. de leerlingen.

Afhankelijk van de behoeften én mogelijkheden van de GON-leerlingen en de scholen voor gewoon onderwijs, kan de begeleiding in de loop van het schooljaar van intensiteit en inhoud verschillen. Dit houdt in dat er in de loop van een schooljaar verschuivingen qua ondersteuning en ondersteuner kunnen zijn. Ook de integratie van leerlingen die geen eenheden voor het GON-pakket genereren (bvb. omwille van een matige handicap) kan begeleid worden.

Zonder integratieplan kan er echter nooit sprake zijn van GON-begeleiding.

6. Prestatieregeling.

Het aantal eenheden dat voor een voltijdse betrekking uit het pakket wordt geput, houdt verband met de loonkost maar staat los van de inhoud van hoofdopdracht.

De inhoud van deze hoofdopdracht is dezelfde als deze voor het personeel in de scholen voor buitengewoon onderwijs.

Zie omzendbrieven :

- BaO/97/8 Prestatieregeling van 17/06/1997.

- PERS/2002/12 Maatregel vanaf het schooljaar 2002-2003 betreffende de oprichting van ambten in het paramedisch, medisch, orthopedagogisch, psychologisch en sociaal personeel in het buitengewoon secundair onderwijs van 10-07-2002.

- SO/2007/04(pers) Prestatieregeling van de personeelsleden aangesteld in een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs.

7. Doorsturen van de GON - gegevens.

Scholen voor buitengewoon onderwijs sturen de gegevens van de GON-leerlingen, die zij begeleiden, via elektronische weg naar het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Opgelet!

De leerlingen die enkel begeleid worden in het kader van afwijkingslestijden,-lesuren,-uren GON-ASS worden niet opgenomen in de GON-zending.

De verschillende softwareleveranciers zijn verantwoordelijk voor het tijdig aanreiken van een aangepast programma dat voldoet aan de technische vereisten om een correcte zending te kunnen aanmaken.

Informatie in verband met de zending van de leerlingengegevens vindt u terug in volgende omzendbrieven :

Voor het basisonderwijs :

Zending van leerlingengegevens in het basisonderwijs ref : BaO/2008/03.

Voor het secundair onderwijs :

Ministeriële omzendbrief van 30 augustus 2007 betreffende de zendingen van leerlingengegevens in het secundair onderwijs en in de centra deeltijdse vorming ref : SO/2007/05

Tegen uiterlijk 9 oktober stuurt de BO-school zijn zending naar het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Voor informatie in verband met de elektronische zending kunt u terecht bij :

Voor het basisonderwijs :

Agentschap voor Onderwijsdiensten

Scholen Basisonderwijs en CLB

T.a.v. Mario Van Doorslaer

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

Tel : 02/ 553 92 40

E-mail : mario.vandoorslaer@ond.vlaanderen.be

Voor het secundair onderwijs :

Agentschap voor Onderwijsdiensten

Scholen Secundair Onderwijs en DKO

T.a.v. Mieke Van De Casteele

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

Tel : 02/ 553 87 40

E-mail : Annemarie.vandecasteele@ond.vlaanderen.be

Vanaf begin september kunnen BO-scholen bezocht worden door de verificateur die de controle van de documenten uitvoert.

Na controle wordt het dossier, door de verificateur, naar het Schoolbeheerteam Buitengewoon onderwijs (Basis of Secundair) gestuurd.

Dit schoolbeheerteam berekent het eenhedenpakket en het puntengewicht van de integratietoelage.

Scholen die beroep wensen te doen op de ondersteuning van de netcoördinatoren vinden in bijlage 4 hun adressen.

8. Controle van de documenten in de school

In overleg met de verificatie en de Onderwijsinspectie moeten volgende documenten aanwezig zijn :

a) In de school voor gewoon onderwijs :

Voor de verificatie (telling) : Geen specifieke GON-documenten

Voor de inspectie : Voor de kwaliteitscontrole door de onderwijsinspectie moet er een integratieplan én een uurrooster van de GON-begeleider(s) aanwezig zijn.

b) In de school voor buitengewoon onderwijs :

Voor de verificatie :

- de inschrijvingsverslagen buitengewoon onderwijs

- de integratieplannen

- het stamboekregister op de eerste schooldag van oktober

9. Melden van de GON-aanstellingen :

Scholen die hun berichten via EDISON doorsturen doen dit volgens de principes van de gebruikershandleiding. Voor de vermelding van de lestijden GON wordt de daartoe voorziene GON-code (vakcode 595) gebruikt.

Voorbeeld 1 (basisonderwijs) :

Een voltijds vastbenoemde onderwijzer ASV wordt voor 4 lestijden aangesteld in GON ; de elektronische zending ziet er als volgt uit :

U maakt één bericht met daarin twee opdrachten :

RL 1 / onderwijzer ASV / ATO 4 / 18 u / einddatum oneindig

RL 1 / onderwijzer ASV / ATO 4 / 4 u / GON (vakcode 595) / einddatum oneindig

Voorbeeld 2 ( geldig voor basis- en secundair onderwijs) :

Een voorrangsgerechtigde logopediste krijgt een tijdelijke aanstelling voor een voltijdse opdracht ; van deze 30u staat zij 15u ter vervanging van een vastbenoemde collega die met halftijdse loopbaanonderbreking is, 6u in een vacante betrekking GON en 9u in een gewone vacante betrekking; de elektronische zending ziet er als volgt uit :

U maakt één bericht met daarin :

RL 1 / logopedist / ATO 1 / 15 u / TADD / ter vervanging van mevr. X, afwezig wegens GLBO /einddatum 31.08.......

RL 1 / logopedist / ATO 2 / 6 u / GON (vakcode 595) / TADD / einddatum 31.08.......

RL 1 / logopedist / ATO 2 / 9 u / TADD / einddatum 31.08. ......

Merk op : vermits de GON-uren telkens voor één schooljaar worden toegekend, mag de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) slechts tot 31 augustus gemeld worden.

Voorbeeld 3 (secundair onderwijs) :

Een leraar BGV die voor 20 lesuren vastbenoemd is, wordt bijkomend benoemd voor 4 lesuren GON; de elektronische zending ziet er als volgt uit :

Eén bericht met daarin twee opdrachten :

RL 1 / leraar BGV / ATO 4 / 20 u / einddatum oneindig

RL 1 / leraar BGV / ATO 4 / 4 u / GON (vakcode 595) /einddatum oneindig

De opdracht wordt steeds uitgedrukt met de noemer verbonden aan het ambt in kwestie.

Voorbeelden Basisonderwijs

Onderwijzer ASV 12/22

Orthopedagoog 16/40

Logopedist 15/30

Kinesist 12/32

Voorbeelden secundair onderwijs

Leraar ASV 8/22

Leraar BGV 6/24

Orthopedagoog 16/32

Logopedist 15/30

Kinesist 12/32

10. Bijlagen

Bijlage 1 - Attest bij het inschrijvingsverslag secundair onderwijs
http://ond.vlaanderen.be/doc/dl.ashx?nr=686 (FORM00686)

Bijlage 2 - Integratieplan
http://ond.vlaanderen.be/doc/dl.ashx?nr=685 (FORM00685)

Bijlage 3 - GON kleuteronderwijs - lager onderwijs - secundair onderwijs - hoger onderwijs
http://ond.vlaanderen.be/doc/dl.ashx?nr=683 (FORM00683)

Bijlage 4 - Adressen netcoördinatoren
http://ond.vlaanderen.be/doc/dl.ashx?nr=725 (FORM00725)

Bijlage 5 - Attest bij het inschrijvingsverslag basisonderwijs
http://ond.vlaanderen.be/doc/dl.ashx?nr=3019 (FORM003019)

Bijlage 6 - Lijst van referentiecentra voor Autismespectrumstoornissen
http://ond.vlaanderen.be/doc/dl.ashx?nr=3020 (FORM003020)