U bent hier: Onderwijs en Vorming > Edulex

Decreet

datum laatste wijziging: 02/09/2013 inhoudstafel
Decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs
goedkeuringsdatum : 30 APRIL 2009
publicatiedatum : B.S.20/07/2009

COORDINATIE

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 12-7-2013 - B.S. 30-8-2013

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

Dit decreet regelt de programmatie, de kwaliteitszorg en de samenwerking bij de organisatie van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en wijzigt de vigerende regelgeving met betrekking tot de structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs.

HOOFDSTUK I. - Begrippenkader

Art. 3.

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

1° accreditatie : de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten;

2° beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;

3° centrumbestuur : het orgaan van een centrum voor volwassenenonderwijs dat ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;

[Commissie Hoger Onderwijs : de Commissie Hoger onderwijs zoals vermeld in titel I, hoofdstuk I, afdeling 5, onderafdeling 1, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;]³

5° competentie : de bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten;

6° cursist : een deelnemer aan het hoger beroepsonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is. Voor instellingen voor het voltijds secundair onderwijs wordt daaronder de leerling verstaan, vermeld in [artikel 252 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]¹. Voor centra voor volwassenenonderwijs wordt daaronder de cursist verstaan, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Voor hogescholen wordt daaronder de student verstaan, vermeld in artikel II.1, 15°, van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

[schoolbestuur]³ : het orgaan van een instelling voor het secundair onderwijs dat ten aanzien van de school de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;

8° hogeschoolbestuur : het bestuursorgaan van een hogeschool dat door of krachtens de wet, het decreet of de statuten is aangewezen om de door of krachtens dit decreet toegewezen bevoegdheden uit te oefenen;

[ instellingsbestuur : het centrumbestuur, het hogeschoolbestuur of het schoolbestuur dat op basis van een samenwerkingsakkoord tussen een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een secundaire school en een hogeschool er toe gemachtigd is de gezamenlijke hbo5-opleiding te vertegenwoordigen;]³

10° kwalificatieniveau : een onderverdeling van de kwalificatiestructuur, gebaseerd op niveaudescriptoren als bepaald in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;

11° kwalificatiestructuur : de systematische ordening van erkende kwalificaties op basis van het algemeen geldend kwalificatieraamwerk, vermeld in hoofdstuk III van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;

12° kwaliteitszorgsysteem : geheel van processen en procedures die nodig zijn om aan kwaliteitszorg te doen;

13° module : het kleinste te certificeren deel van een modulaire opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud, omvang en een bepaald niveau;

14° onderdeel : een opleidingsonderdeel, een module of een vak;

15° onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties dat noodzakelijk is om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs aangevat kunnen worden of waarmee beroepsactiviteiten uitgeoefend kunnen worden, als vermeld in artikel 9 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;

16° opleiding : een geheel van onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten dat leidt tot een onderwijskwalificatie;

17° studieomvang : het aantal studiepunten, toegekend aan een onderdeel of aan een opleiding. [Voor wat evenwel de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs betreft, wordt de studieomvang in een andere eenheid dan in studiepunten uitgedrukt;]²

18° studiepunt : een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten en waarmee de studieomvang van elke opleiding [, met uitzondering van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs,]² wordt uitgedrukt;

19° stuurgroep : het orgaan belast met de inhoudelijke opvolging van de opdrachten toegekend aan het samenwerkingsverband gericht op kennis- en expertiseontwikkeling tussen het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs en de pedagogische begeleidingsdiensten, als vermeld in artikel 2, 42°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

20° werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is.

[ ]¹ B.Vl.R. 17-12-2010; [ ]² Decr. 1-7-2011; [ ]³ Decr. 12-7-2013

Art. 4.

§ 1. Het hoger beroepsonderwijs, afgekort HBO5, is hoger onderwijs dat beroepsgericht is, dat gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door instellingen voor voltijds secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen.

§ 2. Een opleiding van het hoger beroepsonderwijs leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5. [Indien de onderwijskwalificatie bestaat uit meerdere beroepskwalificaties, moeten deze door de cursist afzonderlijk behaald kunnen worden.]

§ 3.[Vanaf 1 september 2014 wordt het hoger beroepsonderwijs gezamenlijk ingericht door ten minste één Centrum voor Volwassenenonderwijs en één hogeschool.

In afwijking van het eerste lid wordt de hbo5-opleiding verpleegkunde gezamenlijk ingericht door ten minste één school voor voltijds secundair onderwijs en één hogeschool, met onderwijsbevoegdheid voor de professionele bachelor verpleegkunde.]

§ 4. De Vlaamse Regering legt een register aan van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die overeenkomstig dit decreet worden georganiseerd.

[...]

Decr. 12-7-2013

Art. 5.

§ 1. Het voldoende beantwoorden aan de criteria van het beoordelingskader garandeert dat de instellingen een onderwijs aanbieden dat de cursisten bij de voltooiing van de opleiding van het hoger beroepsonderwijs leidt naar een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5, die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5.

§ 2. [Het beoordelingskader voor een "toets nieuwe hbo5-opleiding" omvat de volgende criteria :

1° de onderwijsinhoud, die omvat in ieder geval het kwalificatieniveau van de opleiding, de competenties die in de opleiding worden behaald, welke identiek zijn aan de competenties vervat in de onderwijskwalificatie waartoe de opleiding leidt, voldoende samenhang in het opleidingsprogramma, de studieomvang van de opleiding en de onderdelen ervan uitgedrukt in studiepunten, een duidelijke relatie tussen de doelstellingen en de inhoud van het opleidingsprogramma en een relevant aandeel werkplekleren;

2° het onderwijsproces, dat omvat in ieder geval de aangewezen trajecten om in te stromen in de opleiding, de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in de opleiding van het hoger beroepsonderwijs, de mogelijke verkorte of aangepaste trajecten in aansluitende opleidingen in het hoger onderwijs, voldoende studiebegeleiding en inzichtelijke beoordeling en toetsing van het onderwijs en een flexibele organisatie van de opleiding. Een opleiding is flexibel als ten minste de inhoud en de organisatie van het programma goed aansluiten bij de beoogde doelgroep(en);

3° de materiële voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en de interne kwaliteitszorg.]

[§ 2/1 Het beoordelingskader voor accreditatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs omvat de criteria waaraan de aanwezigheid van volgende generieke kwaliteitswaarborgen getoetst zal worden :

1° het onderwijsproces : de inhoud en de opbouw van het opleidingsprogramma, de samenhang in het opleidingsprogramma, een duidelijke relatie tussen de competenties vervat in een onderwijskwalificatie en de inhoud van het programma, de opleidingsspecifieke onderwijs- en leervormen, het aandeel werkplekleren en de relevantie ervan, de mate waarin de inhoud en de organisatie van het programma aansluiten bij de beoogde doelgroepen, de verbeteracties welke voortkomen uit de instrumenten en processen van kwaliteitsbewaking, de opleidingsspecifieke voorzieningen, het doorstroomrendement en de kwantiteit en kwaliteit van het ingezette personeel;

2° het gerealiseerde eindniveau dat bepaald wordt aan de hand van de deugdelijkheid van de beoordeling, de toetsing en de examinering van de studenten, aan de hand van het diplomarendement als ook aan de hand van de inzetbaarheid van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt of de doorstroming naar een volgende opleiding;

3° de opzet en de organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op een systematische verbetering van de opleiding.]

§ 3. [...]

Decr. 12-7-2013

HOOFDSTUK II. - Institutionele bepalingen

Afdeling I. - Commissie Hoger Beroepsonderwijs

[...]

Decr. 12-7-2013

Afdeling II. - Accreditatieorganisatie

Onderafdeling I. - Aanwijzing en opdracht

Art. 12.

De Vlaamse Regering wordt gemachtigd de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie{edepart}, verder de accreditatieorganisatie genoemd, aan te wijzen om overeenkomstig de bepalingen van dit decreet de "toets nieuwe HBO5-opleiding" uit te voeren en de accreditatie te verlenen voor het hoger beroepsonderwijs.

Onderafdeling II. - Werking

Art. 13.

De accreditatieorganisatie legt in een reglement de volgende bestuursbeginselen op exhaustieve wijze vast :

1° de bestuursbeginselen die van toepassing zijn op de totstandkoming en de uitvoering van de beslissingen en reglementen die betrekking hebben op instellingen voor het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen die opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden. Ten minste worden beginselen opgenomen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zorgvuldigheid en redelijkheid, formele motivering, openbaarheid, en rechtszekerheid, inzonderheid de wijze waarop onregelmatige beslissingen en reglementen kunnen worden ingetrokken;

2° de bestuursbeginselen inzake de behandeling van vragen of bezwaren en opmerkingen van instellingen voor het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, centra voor volwassenenonderwijs en hogescholen die opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden of, in voorkomend geval, van elke andere Belgische rechtspersoon of natuurlijke persoon. Inzonderheid wordt het recht geregeld om zich bij de behartiging van zijn belangen in het verkeer met de accreditatieorganisatie te laten bijstaan door een raadsman.

Art. 14.

§ 1. Elk uitvoerbaar reglement van de accreditatieorganisatie betreffende de procedure volgens dewelke in het hoger beroepsonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap de accreditatie wordt verleend en/of de "toets nieuwe HBO5-opleiding" wordt uitgevoerd en de accreditatiebesluiten, worden openbaar gemaakt.

De accreditatiebesluiten worden bij uittreksel bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel betreft de essentiële elementen van het dispositief. De accreditatiebesluiten en accreditatierapporten van de accreditatieorganisatie worden integraal gepubliceerd op de website van de accreditatieorganisatie.

§ 2. De beroepsprocedure, vermeld in artikel 47, die ingesteld kan worden tegen negatieve accreditatiebesluiten, is van overeenkomstige toepassing op de reglementen, vermeld in § 1, eerste lid. Voor de toepassing van artikel 47, § 2, 2°, wordt als ingangsdatum voor de beroepstermijn bij ontstentenis van betekening evenwel de datum van kennisname door de belanghebbende genomen.

Art. 15.

De accreditatieorganisatie is belast met de bewaring van de volgende documenten :

1° de toetsingsbesluiten en toetsingsrapporten inzake de "toets nieuwe HBO5-opleiding", en de stukken op grond waarvan die zijn uitgebracht;

2° de accreditatiebesluiten en de accreditatierapporten, en de stukken op grond waarvan die zijn uitgebracht.

De documenten, vermeld in het eerste lid, worden in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard voor een periode van ten minste acht jaar.

Onderafdeling III. - Rapportering

Art. 16.

De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over zijn werkzaamheden van het voorgaande kalenderjaar aan het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering.

TITEL II. - Organisatie van het hoger beroepsonderwijs

HOOFDSTUK I. - Programmatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs

Afdeling I. - Algemeen

Art. 17.

§ 1. [Een onderwijsinstelling kan, als lid van een samenwerkingsverband, zoals vermeld in artikel 50, een opleiding van het hoger beroepsonderwijs programmeren als de opleiding in kwestie bij besluit van de Vlaamse Regering erkend is.

De Vlaamse Regering kan dat besluit nemen met inachtneming van de volgende criteria :

1° de "toets nieuwe hbo5-opleiding", vermeld in afdeling II, onderafdeling II, van dit hoofdstuk, die met positief gevolg ondergaan is;

2° de eventuele opmerkingen van het instellingsbestuur naar aanleiding van het toetsingsrapport, vermeld in artikel 23, § 2;

3° de samenwerking met andere onderwijsinstellingen als vermeld in artikel 50 en 51;

4° de beschikbaarheid van middelen om het volledige opleidingstraject te kunnen aanbieden;

5° voldoen aan de bepalingen rond verwantschap zoals vermeld in artikel 20 of het advies over de macrodoelmatigheid zoals bedoeld in artikel 21.

De Vlaamse Regering bezorgt het besluit aan het instellingsbestuur binnen een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst van het rapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling.

Een positief besluit over de aanvraag van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs vervalt op het einde van het vierde schooljaar of academiejaar dat volgt op de dag van de start van de opleiding in kwestie.

Een positief besluit over de aanvraag van een opleiding vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het tweede schooljaar of academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur]

§ 2. Als de programmatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs wordt aangevraagd, moet vanuit die opleiding een verkort of aangepast traject nagestreefd worden in een aansluitende professioneel gerichte bachelor in het hoger onderwijs, indien deze bestaat.

[§ 3. Om een programmatie te kunnen aanvragen moet minstens één van de onderwijsinstellingen van het samenwerkingsverband onderwijsbevoegdheid bezitten in het studiegebied waartoe de hbo5-opleiding behoort. De andere onderwijsinstellingen die deze onderwijsbevoegdheid niet hebben maar de opleiding mee organiseren, krijgen de onderwijsbevoegdheid voor de betrokken hbo5-opleiding door de erkenning van de opleiding door de Vlaamse Regering.]

Decr. 12-7-2013

Afdeling II. - Procedure

Art. 18.

[§ 1. De programmatieprocedure voor hbo5-opleidingen vertrekt steeds van een door de Vlaamse Regering goedgekeurde onderwijskwalificatie van niveau 5 en bestaat uit volgende stappen :

1° bepaling van het verwantschap tussen de onderwijskwalificatie en de opleidingen vermeld in artikel 160, of een onderzoek naar de macrodoelmatigheid van de hbo5-opleiding door de Commissie Hoger Onderwijs;

2° het ontwikkelen van een opleidingsprofiel voor de opleiding, door de samenwerkingsverbanden, zoals vermeld in artikel 50;

3° de aanvraag "Toets nieuwe hbo5-opleiding" bij de accreditatieorganisatie en de administratieve toets, bij de bevoegde administratie;

4° de erkenning van de hbo5-opleiding door de Vlaamse Regering.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de programmatieprocedure voor hbo5-opleidingen.

§ 3. De Commissie Hoger Onderwijs, de accreditatieorganisatie en de bevoegde administratie bepalen in overleg de vorm en inhoud van het dossier in de verschillende stappen.]

Decr. 12-7-2013

Art. 19.

[Voor beroepskwalificaties van niveau 5 die door de Vlaamse Regering werden erkend tussen 1 mei 2013 en 31 augustus 2013 werkt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering haar voorstellen van onderwijskwalificaties, vermeld in artikel 14, 5°, a), uit op basis van de procedure, vermeld in artikel 15/1, en dit uiterlijk op 30 september 2013.]

Decr. 12-7-2013

[Onderafdeling I. - Bepalen van verwantschap - macrodoelmatigheidstoets

Art. 20.

§ 1. De Commissie Hoger Onderwijs bepaalt samen met een vertegenwoordiging van de samenwerkingsverbanden zoals vermeld in artikel 50, of er een verwantschap bestaat tussen de onderwijskwalificatie van niveau 5 en één of meerdere van de opleidingen vermeld in artikel 160.

§ 2. Voor het bepalen van deze verwantschap zullen minimaal volgende criteria in acht worden genomen :

1° de inhoudelijke verwantschap tussen de competenties van de onderwijskwalificatie niveau 5 en bestaande opleidingsprofielen en leerplannen van de opleidingen vermeld in artikel 160;

2° de herinzetbaarheid van het personeel.

§ 3. De Vlaamse Regering kan verdere bepalingen rond de procedure en de vertegenwoordiging vastleggen.

Art. 21.

§ 1. Indien er geen verwantschap, zoals vermeld in artikel 20, wordt vastgesteld, dan zal de Commissie Hoger Onderwijs een advies uitbrengen over de macrodoelmatigheid van de hbo5-opleiding. Dit advies aan de Vlaamse Regering bevat een bepaling van de frequentie en de regionale spreiding van een aanbod hbo5-opleidingen, die leiden tot die onderwijskwalificatie.

§ 2. De Vlaamse Regering kan verdere bepalingen rond de procedure hiervoor vastleggen.]

Decr. 12-7-2013

[Onderafdeling 1/1. - Opleidingsprofiel

Art 21/1.

§ 1. Samenwerkingsverbanden die een hbo5-opleiding willen inrichten op basis van een onderwijskwalificatie waarvoor de verwantschap of de macrodoelmatigheid bepaald is, zoals vermeld in artikel 20 en 21, dienen samen een opleidingsprofiel uit te werken voor die hbo5-opleiding, rekening houdend met de bepalingen in artikel 24bis van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

§ 2. De Vlaamse Regering kan verdere bepalingen rond de procedure hiervoor vastleggen.]

Decr. 12-7-2013

Onderafdeling II. - [Toets nieuwe opleiding - administratieve toets

Art. 22.

§ 1. De accreditatieorganisatie geeft een positief of negatief advies over de "toets nieuwe hbo5-opleiding" van de opleiding in de instelling in kwestie op basis van het voldoende beantwoorden aan de criteria van het beoordelingskader als vermeld in artikel 5, § 2, 1° en 2°. De bevindingen van de accreditatieorganisatie worden neergelegd in een toetsingsrapport.

§ 2. Indien er een verwantschap werd vastgesteld, zoals vermeld in artikel 20, dan beoordeelt de accreditatieorganisatie ook de criteria vermeld in artikel 5, § 2, 4°, met het oog op de verwante opleiding.

Art. 23.

§ 1. De accreditatieorganisatie adviseert over de "toets nieuwe hbo5-opleiding" uiterlijk op 15 april voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 oktober voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend.

§ 2. De accreditatieorganisatie bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de termijn als vermeld in § 1 een ontwerp van toetsingsrapport aan de instelling, die de mogelijkheid krijgt om opmerkingen te formuleren.

§ 3. Het instellingsbestuur kan het onderdeel van de aanvraag voor de "toets nieuwe hbo5-opleiding" intrekken uiterlijk binnen de termijn van twintig kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. Het instellingsbestuur beschikt over een termijn van zestig kalenderdagen om het onderdeel van de aanvraag voor de "toets nieuwe hbo5-opleiding" opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De termijn van zestig kalenderdagen gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag.

De termijnen, lopende vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de Commissie en de accreditatieorganisatie uiterlijk hun advies uitbrengen, als vermeld in § 1, en artikel 21, § 1, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de "toets nieuwe hbo5-opleiding" geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan.

Art. 23/1.

§ 1. De administratieve toets gebeurt door de bevoegde administratie en heeft betrekking op volgende aspecten :

1° het lidmaatschap van een samenwerkingsverband, zoals vermeld in artikel 50;

2° de beschikbaarheid van financiële middelen om het volledige opleidingstraject te kunnen aanbieden.

§ 2. De Vlaamse Regering kan verdere bepalingen rond de procedure hiervoor vastleggen.

Art. 23/2.

In het dossier dat ingediend wordt voor de "toets nieuwe hbo5-opleiding" en de administratieve toets moet het samenwerkingsverband aangeven in welke vestigingsplaatsen, met vermelding van de onderwijsinstelling, de opleiding zal georganiseerd worden.]

Decr. 12-7-2013

HOOFDSTUK II. - Kwaliteitszorg

Afdeling I. - Interne kwaliteitszorg

Art. 24.

De instellingen die opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden zorgen voor de interne kwaliteitszorg van de onderwijsactiviteiten in het kader van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. Ze zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.

Afdeling II. - Externe kwaliteitszorg

Onderafdeling I. - De visitatie

Art. 25.

De visitatie vindt ten minste om de [zes jaar] plaats voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.

Decr. 12-7-2013

Art. 26.

[De visitatie wordt uitgevoerd, naar gelang het geval, per opleiding hoger beroepsonderwijs of per cluster van opleidingen, voor alle samenwerkingsverbanden, zoals vermeld in artikel 50, waarbinnen de opleiding of de cluster van opleidingen georganiseerd wordt. De VLUHR bepaalt de clusters van opleidingen in overleg met de inspectie. In elk geval worden de opleidingen geclusterd binnen eenzelfde studiegebied.]

Decr. 12-7-2013

Art. 27.

§ 1. De visitatie wordt uitgevoerd door een visitatiecommissie die de beoordeling van een opleiding hoger beroepsonderwijs of een cluster van opleidingen voor alle [samenwerkingsverbanden, zoals vermeld in artikel 50] die de opleiding of de cluster van opleidingen organiseren, afrondt binnen een bestek van vierentwintig maanden.

§ 2. De [VLUHR] stelt de visitatiecommissies samen. Ze draagt er zorg voor dat de leden van de visitatiecommissie in onafhankelijkheid kunnen oordelen overeenkomstig het protocol als vermeld in artikel 5, § 3.

Van de visitatiecommissie maakt ten minste één deskundige deel uit die het beroepenveld van de opleiding of cluster van opleidingen vertegenwoordigt.

Van de visitatiecommissie maakt ten minste één cursist deel uit die op het moment van de samenstelling van de commissie ingeschreven is aan een opleiding hoger beroepsonderwijs. Als blijkt dat geen cursist bereid gevonden wordt om zitting te nemen in een visitatiecommissie, kan de visitatiecommissie toch haar taak uitvoeren.

§ 3. [...]

Decr. 12-7-2013

Art. 28.

De [VLUHR bezorgt] aan het instellingsbestuur een ontwerp van een visitatierapport.

Decr. 12-7-2013

Art. 29.

De visitatiecommissie(s) brengt of brengen de uitkomst van hun beoordeling van de opleiding of cluster van opleidingen samen in een openbaar visitatierapport. De datum van vaststelling van het visitatierapport wordt in het rapport vermeld. De visitatierapporten worden door de [VLUHR] integraal openbaar gemaakt.

Decr. 12-7-2013

Onderafdeling II. - Accreditatie

Sectie I. - Aanvraag accreditatie bij het accreditieorgaan, als vermeld in artikel 12

Art. 30.

Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen 60 dagen na de vaststelling van het visitatierapport, vermeld in artikel 29, of, in voorkomend geval, binnen een maand na de accreditatie, verleend door een andere accreditatieorganisatie, als vermeld in artikel 33. De datum van het eerste accreditatiebesluit is richtinggevend voor de overige besluiten in de cohorte in kwestie.

De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt, inbegrepen.

[De aanvraag voor een accreditatie van een gezamenlijk georganiseerde opleiding met een buitenlandse instelling die voltooid wordt met een gezamenlijk diploma wordt ingediend door het Vlaams instellingsbestuur.]

Decr. 12-7-2013

Art. 31.

[...]

Decr. 12-7-2013

Art. 32.

§ 1. De accreditatieorganisatie bepaalt bij reglement de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.

Een instellingsbestuur dat een inhoudelijk bezwaar, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 5°, heeft gemaakt ten aanzien van het ontwerp van de externe beoordeling, kan aan de accreditatieaanvraag een aanvullende nota toevoegen, indien de definitief vastgestelde gepubliceerde externe beoordeling dat bezwaar kennelijk veronachtzaamt.

Als een aanvraag niet voldoet aan de vermelde regelen, biedt de accreditatieorganisatie de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn de onregelmatigheid te herstellen. Als van die gelegenheid niet dan wel op niet afdoende wijze wordt gebruikgemaakt, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen omtrent die procedure vaststellen in het reglement, vermeld in het eerste lid.

§ 2. Het dossier omvat in ieder geval een openbare visitatie van de opleiding en indien van toepassing overeenkomstig het protocol, als vermeld in artikel 5, § 3, het doorlichtingsverslag van de instelling of het visitatierapport van de professionele bacheloropleiding.

Sectie II. - Accreditaties, verleend door andere accreditatieorganen

Art. 33.

De accreditatieorganisatie, als vermeld in artikel 12, kan de accreditatie verlenen op grond van een als equivalent erkende accreditatie, verleend door een andere accreditatieorganisatie. De accreditatieorganisatie gaat daarbij na of de accreditaties worden verleend volgens een vergelijkbare methodologische aanpak als de accreditaties die ter uitvoering van dit decreet worden verleend.

Indien de accreditatieorganisatie meent dat een oordeel van een andere accreditatieorganisatie niet beschouwd kan worden als een accreditatiebesluit, kan de accreditatieprocedure desalniettemin worden voortgezet. Het oordeel wordt in dat geval beschouwd als een visitatie.

Sectie III. - Accreditatiekader

Art. 34.

§ 1. De accreditatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs is afhankelijk van het voldoende beantwoorden aan de criteria van het beoordelingskader, als vermeld in [artikel 5, § 2/1].

§ 2. Het accreditatiekader is afgestemd op het protocol van kwaliteitszorg als vermeld in artikel 5, § 3.

[§ 3. De accreditatieorganisatie legt in het accreditatiekader de volgende zaken vast :

1° de criteria waaraan de aanwezigheid van de hiervoor vermelde generieke kwaliteitswaarborgen getoetst zal worden;

2° de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen 'onvoldoende', 'voldoende', 'goed' en 'excellent' aan de hiervoor vermelde generieke kwaliteitswaarborgen;

3° welke verifieerbare feiten als grondslag kunnen dienen voor het verlenen van de oordelen en hoe de bewijskracht van een feit aangetoond kan worden.

Het accreditatiekader moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden.]

Decr. 12-7-2013

Sectie IV. - Onderzoek

Art. 35.

De accreditatie wordt verleend als de accreditatieorganisatie op basis van het dossier, als vermeld in artikel 32, in redelijkheid meent te kunnen besluiten dat voldoende beantwoord is aan de criteria van het beoordelingskader [, als vermeld in artikel 5, § 2/1].

Decr. 12-7-2013

Art. 36.

De accreditatieorganisatie legt de bevindingen van de toetsing, vermeld in artikel 35, vast in een accreditatierapport dat als motivering geldt van het accreditatiebesluit.

Art. 37.

De accreditatieorganisatie bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de beslissingtermijn, vermeld in artikel 41, een ontwerp van accreditatierapport en accreditatiebesluit aan [het instellingsbestuur]. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om opmerkingen te formuleren. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel 13, de wijze waarop de opmerkingen worden behandeld.

Decr. 12-7-2013

Art. 38.

De accreditatieorganisatie kan in de loop van de accreditatieprocedure aanvullende informatie inwinnen. Ze kan daartoe een hoorzitting organiseren.

Art. 39.

Het instellingsbestuur kan een opleiding terugtrekken uit de accreditatieprocedure.

Sectie V. - Accreditatiebesluit

Art. 40.

[§ 1. De accreditatieorganisatie neemt een positief accreditatiebesluit, een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een periode van ten hoogste drie jaar of een negatief accreditatiebesluit.

§ 2. Zowel in het visitatierapport zoals vermeld in artikel 32, § 2, en het accreditatierapport zoals bedoeld in artikel 36 en het accreditatiebesluit zoals bedoeld in paragraaf 1 wordt in voorkomend geval melding gemaakt van de opleidingsvarianten die op het tijdstip van devisitatie bestonden :

1° de instellingen en de vestigingsplaatsen waar de opleiding aangeboden wordt;

2° de verschillende doelgroepen die de opleiding wil bereiken en de wijze waarop dit wijzigingen in het programma met zich meebrengt.

§ 3. Het visitatierapport zoals vermeld in artikel 32, § 2, en het accreditatierapport zoals bedoeld in artikel 36 en het accreditatiebesluit zoals bedoeld in paragraaf 1 bevatten een beoordeling van elk van de varianten, vermeld in paragraaf 1.]

Decr. 12-7-2013

Art. 41.

§ 1. De accreditatieorganisatie neemt een besluit binnen een termijn van vier maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie is in de termijn begrepen.

Als de accreditatieorganisatie binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen besluit heeft getroffen, wordt de geldigheidsduur van de lopende accreditatie of het positief besluit van de Vlaamse Regering, als vermeld in artikel 19, verlengd tot het einde van het schooljaar of academiejaar waarin het accreditatiebesluit uiteindelijk wordt genomen.

§ 2. Het accreditatiebesluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan het instellingsbestuur.

§ 3. De accreditatie vervalt op het einde van het [zesde] schooljaar of academiejaar dat volgt op de dag van de inwerkingtreding van het accreditatiebesluit.

Decr. 12-7-2013

[Sectie VI. Accreditatiebesluit met beperkte geldigheidsduur

Art. 42.

De accreditatieorganisatie neemt een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een periode van ten hoogste drie jaar, wanneer zij op grond van het visitatierapport besluit dat de opleiding slechts voldoet aan één of twee generieke kwaliteitswaarborgen. Binnen die termijn moet het instellingsbestuur een nieuwe externe beoordeling laten uitvoeren over de generieke kwaliteitswaarborgen waarvoor de opleiding niet als voldoende werd beoordeeld. Op basis van deze nieuwe beoordeling neemt de accreditatieorganisatie een nieuw accreditatiebesluit.

Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen vervalt de accreditatie en wordt het besluit wat de gevolgen betreft, gelijkgesteld met een negatief accreditatiebesluit.

Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, dan neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn, vermeld in artikel 41, § 3, verminderd met de termijn van het beperkte accreditatiebesluit.]

Decr. 12-7-2013

[Sectie VII. - Traject bij niet-instemming met een negatief accreditatiebesluit

Art. 47.

De accreditatieorganisatie neemt een negatief accreditatiebesluit wanneer zij op grond van het visitatierapport tot het besluit is gekomen dat de opleiding aan geen enkele generieke kwaliteitswaarborg voldoet. Het samenwerkingsverband zoals omschreven in artikel 50 moet de opleiding die aan geen enkele generieke kwaliteitswaarborg voldoet, stopzetten en mag vanaf het volgende schooljaar of academiejaar geen nieuwe cursisten meer inschrijven. Het samenwerkingsverband zoals omschreven in artikel 50 kan de opleiding binnen zes jaar niet heropstarten.

Art. 48.

Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, kan het instellingsbestuur bij de Vlaamse Regering een beroep instellen tegen dat negatief accreditatiebesluit. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de betekening van het negatief accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur.

De Vlaamse Regering toetst het betwiste besluit aan de bepalingen van dit decreet en van het in artikel 13 bedoelde reglement. De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een ordetermijn van 60 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de ontvangst van het beroep. Zij vernietigt het negatief accreditatiebesluit wanneer dat kennelijk niet in overeenstemming is met die bepalingen.]

Decr. 12-7-2013

Sectie VIII. - Afbouw van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs

Art. 49.

§ 1. Een opleiding van het hoger beroepsonderwijs wordt afgebouwd in de volgende gevallen :

1° als het instellingsbestuur nalaat een accreditatieaanvraag in te dienen bij de accreditatieorganisatie voor de opleiding overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. De periode van drie schooljaren, vermeld in § 2, begint te lopen vanaf het schooljaar of academiejaar dat volgt op het schooljaar of academiejaar waarbinnen de termijnen, vermeld in artikel 30 [...] verstrijken;

[ in geval van een negatief accreditatiebesluit. De periode van drie schooljaren, vermeld in § 2, begint te lopen vanaf het schooljaar of academiejaar dat volgt op het schooljaar of academiejaar waarbinnen het negatieve accreditatiebesluit is genomen.]

In de gevallen, vermeld in artikel 48, wordt die termijn verlengd met de termijn waarin de opleiding tijdelijk is erkend van rechtswege.

§ 2. De cursisten, ingeschreven in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een onderdeel. De afbouw moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren of academiejaren.

Decr. 12-7-2013

TITEL III. - Samenwerking bij de organisatie van het hoger beroepsonderwijs

Art. 50.

[§ 1. Voor de organisatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 4, § 3, wordt een samenwerkingsverband opgericht. Een samenwerkingsverband kan bestaan uit een van volgende combinaties :

1°één hogeschool, met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding verpleegkunde, met één of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, tweede lid;

2°één hogeschool met één of meer Centra voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs;

3°één hogeschool met één of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs als vermeld in artikel 4, § 3, tweede lid, en met één of meer Centra voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.

Eén onderwijsinstelling kan maar participeren in één samenwerkingsverband. Binnen het samenwerkingsverband wordt steeds één onderwijsinstelling aangewezen als inhoudelijk coördinerende instelling en één of meerdere onderwijsinstellingen worden aangewezen als administratief beherende instelling voor een opleiding. Deze taken kunnen aan dezelfde instellingen toegewezen worden.

De inhoudelijk coördinerende instelling heeft als taak om de gezamenlijke organisatie van de hbo5-opleiding binnen een samenwerkingsverband te coördineren. Binnen het samenwerkingsverband worden afspraken gemaakt welke onderwijsinstellingen een deel of het geheel van de gemeenschappelijk georganiseerde hbo5-opleiding aanbieden.

De administratief beherende instelling is steeds een centrum voor volwassenenonderwijs of een secundaire school. De cursist schrijft zich in aan de administratief beherende instelling voor het totaal van de hbo5-opleiding. Op het vlak van financiering, subsidiëring en inschrijvingsgelden gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de administratief beherende instelling.

De verschillende instellingen van een samenwerkingsverband kunnen middelen overdragen naar een andere instelling van het samenwerkingsverband, volgens de bepalingen, vermeld in artikel 53.

De opleidingen die deel uitmaken van het secundair volwassenenonderwijs en die leiden tot een beroepskwalificatie van niveau 5 zoals vermeld in artikel 5 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs kunnen niet georganiseerd worden binnen het kader van het samenwerkingsverband.

§ 2. In afwijking van § 1 kan de Hogere Zeevaartschool, voor de organisatie van hbo5-opleidingen toetreden tot een samenwerkingsverband waar al een hogeschool deel van uitmaakt.

§ 3. Een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan slechts toetreden tot een samenwerkingsverband indien het in de referteperiode voorafgaand aan de toetreding ten minste 60.000 lesurencursist heeft behaald voor de opleidingen uit de studiegebieden zoals vermeld in artikel 8 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

§ 4. Bij de samenstelling van de samenwerkingsverbanden moet, waar mogelijk, gestreefd worden naar het samenbrengen van verwante opleidingen.

§ 5. Binnen het samenwerkingsverband reiken de onderwijsinstellingen gezamenlijk het diploma van gegradueerde met bijbehorende kwalificatie en de deelcertificaten uit.

Het diploma van gegradueerde kan worden uitgereikt door een van volgende samenwerkingsverbanden :

1°één hogeschool, met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding verpleegkunde, met één of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs, als vermeld in artikel 4, § 3, tweede lid;

2°één hogeschool met één of meer Centra voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.

§ 6. Een samenwerkingsverband kan samenwerken met :

1°één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;

2°één of meer sectoren van het beroep waartoe de opleiding leidt;

3° bedrijven en organisaties.

§ 7. Als een onderwijsinstelling uit een samenwerkingsverband stapt, behoudt ze, voor hbo5-opleidingen, enkel de onderwijsbevoegdheid die ze had op 31 augustus 2013, of in voorkomend geval, deze van hbo5-opleidingen die door de omvorming, zoals vermeld in artikel 161, hieruit zijn voortgekomen.

§ 8. Indien twee of meer hogescholen fuseren, fuseren ook de samenwerkingsverbanden waarvan zij lid zijn.

§ 9. Indien twee of meer centra voor volwassenenonderwijs fuseren die lid zijn van hetzelfde samenwerkingsverband, wordt het nieuwe centrum automatisch lid van het samenwerkingsverband.

Onverminderd de bepalingen in § 7 kiest een nieuw centrum, ontstaan na fusie van twee of meer centra voor volwassenenonderwijs die lid zijn van verschillende samenwerkingsverbanden, tot welk samenwerkingsverband het wil toetreden.]

Decr. 12-7-2013

Art. 51.

[Een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 50, § 1, van dit decreet, vervult de volgende opdrachten :

1° de gezamenlijke organisatie van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs;

2° het vastleggen van een gezamenlijke onderwijs- en examenregeling en evaluatiereglement voor deze opleidingen;

3° het ontwikkelen van een gemeenschappelijk intern kwaliteitszorgsysteem voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs;

4° het aanvragen van de accreditatie voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs als gezamenlijke opleidingen;

5° het indienen van het dossier voor de omvorming van de opleidingen, vermeld in artikel 160 van dit decreet;

6° het aanvragen van de erkenning van een nieuwe opleiding overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;

7° de ontwikkeling van het curriculum met inbegrip van het uittekenen van vervolgtrajecten in inhoudelijk aansluitende professionele bacheloropleidingen;

8° de opdeling van het opleidingsprogramma in modules en het vastleggen van het aantal lestijden en studiepunten per module;

9° de optimalisering van de dienstverlening voor de cursisten;

10° de programmatie van het aanbod met als doelstelling dat de verschillende participerende instellingen - elk vanuit hun sterkte - zoveel mogelijk verschillende doelgroepen bereiken;

11° de optimalisering van de inzetbaarheid en professionalisering van het personeel, binnen de grenzen van de regelgeving die op de betrokken personeelsleden van toepassing is;

12° het delen van gebouwen en technische infrastructuur;

13° de uitbouw van een cursistenbegeleiding;

14° het beschikbaar maken van de sociale voorzieningen voor de cursisten;

15° het uitwerken en evalueren van een kwaliteitsvolle EVC-procedure;

16° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod hoger beroepsonderwijs;

17° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 34, § 2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en artikel 15ter van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen.]

Decr. 12-7-2013

Art. 52.

[...]

Decr. 12-7-2013

Art. 53.

[Een school van het voltijds secundair onderwijs als vermeld in artikel 4, § 3, tweede lid, kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen naar een andere partner van het samenwerkingsverband. In geval van overdracht van uren-leraar naar een hogeschool worden de uren-leraar in kwestie omgezet in krediet.

Een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan, na onderhandeling in het lokale comité, leraarsuren overdragen naar een andere partner van het samenwerkingsverband. In geval van overdracht van leraarsuren naar een hogeschool worden de leraarsuren in kwestie omgezet in krediet.

Een hogeschool kan, na onderhandeling in het hogeschoolonderhandelingscomité, middelen overdragen naar een andere partner van het samenwerkingsverband. In geval van overdracht van middelen naar een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een school van het voltijds secundair onderwijs als vermeld in artikel 4, § 3, tweede lid, worden de middelen omgezet in leraarsuren of uren-leraar.

De omzetting van middelen naar leraarsuren en omgekeerd loopt volgens de bedragen, vermeld in artikel 6bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007 tot regeling van een aantal aangelegenheden voor de Centra voor Volwassenenonderwijs in uitvoering van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Deze omzetting valt niet onder de bepaling van artikel 103 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, met uitzondering van § 3 van dit artikel, die wel van toepassing blijft.

De omzetting van middelen naar uren-leraar en omgekeerd loopt volgens de bedragen, vermeld in artikel 13ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs.]

Decr. 12-7-2013

[Titel III/I. - Financiering van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs

Art 53/1.

§ 1. De Vlaamse Regering voorziet binnen de perken van de jaarlijkse begrotingskredieten in financiering of subsidiëring van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, die gezamenlijk georganiseerd worden in het kader van een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 50 en 51.

§ 2. De financiering of de subsidiering van een hbo5-opleiding kan enkel toegekend worden aan een centrum voor volwassenenonderwijs en wordt berekend volgens de bepalingen in titel V, hoofdstuk II, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

§ 3. In afwijking van § 2 kan de financiering voor een hbo5-opleiding verpleegkunde enkel toegekend worden aan een secundaire school en wordt berekend volgens titel I, hoofdstuk III, van de codex secundair onderwijs.]

Decr. 12-7-2013

TITEL IV. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen

...

HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen

Art. 160.

Vanaf de inwerkingtreding van dit decreet worden de volgende opleidingen van rechtswege vastgelegd als opleidingen van het hoger beroepsonderwijs :

1° de opleiding verpleegkunde van de vierde graad in het secundair onderwijs;

2° de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd in bijlage I bij het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Art. 161.

§ 1. [De opleidingen vermeld in artikel 160 worden omgevormd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.]²

§ 2. [De Centra voor Volwassenenonderwijs, de hogescholen en de scholen voor secundair onderwijs dienen daarvoor in het kader van een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 50 en 51, een aanvraag in volgens de procedure vermeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling II. De bestaande hbo5-opleidingen worden afgebouwd volgens de bepalingen in artikel 49 van dit decreet.]²

In het geval er voor [1 januari 2013]² geen erkende beroepskwalificatie voor die opleidingen bestaat, legt de Vlaamse Regering de competenties voor die opleidingen vast, tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders die hiervoor gebruikt moeten worden en de wijze van beschrijving van deze competenties op basis van [...]¹ descriptorelementen, als vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

[§ 3. Tot aan de omvorming van de opleidingen, vermeld in artikel 160, 2°, worden die opleidingen niet in studiepunten uitgedrukt.]²

[ ]¹ Decr. 1-7-2011; [ ]² Decr. 12-7-2013

[Art 161/1.

Tot aan de omvorming van de opleidingen, vermeld in artikel 160, oefent de Commissie Hoger Onderwijs het kwaliteitstoezicht uit. Deze commissie oefent het kwaliteitstoezicht uit op basis van een zelfevaluatierapport opgemaakt door de betrokken instellingen in het kader van een samenwerkingsverband. Het zelfevaluatierapport omvat een kritische reflectie op de volgende onderwerpen :

1° de onderwijsinhoud : de competenties die in de opleiding behaald worden en de relatie tussen de competenties en de inhoud van het opleidingsprogramma;

2° het onderwijsproces : de gebruikte onderwijs- en leervormen, de instroom en doorstroom van de cursisten, de studiebegeleiding, de toetsing en examinering en het rendement;

3° de uitkomst van het onderwijs : maatschappelijke relevantie van de bereikte kwalificaties, de inzetbaarheid van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt en eventueel de doorstroming naar vervolgopleidingen;

4° de kwantiteit en kwaliteit van het personeel, de materiële voorzieningen en de interne kwaliteitszorg.

De Commissie Hoger Onderwijs legt haar bevindingen neer in een openbaar rapport. De Commissie Hoger Onderwijs biedt het bestuur van de instellingen die de opleiding organiseren de mogelijkheid om op het ontwerp rapport te reageren voor de Commissie haar rapport definitief vaststelt.

Als de Commissie Hoger Onderwijs in haar definitieve rapport een negatief oordeel velt over één of meer van de vier elementen, vermeld in het eerste lid, is de instelling verplicht om binnen een termijn van drie maanden een verbeterplan aan de Vlaamse Regering voor te leggen.

Het definitieve rapport van de Commissie Hoger Onderwijs en het verbeterplan maken deel uit van het dossier dat de opleidingen, vermeld in artikel 160, moeten indienen volgens de procedure, vermeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling II.

De Commissie Hoger Onderwijs bepaalt daarvoor een tijdsrooster en deelt dat uiterlijk op 1 januari 2014 aan de betrokken instellingen mee.]

Decr. 12-7-2013

[Art. 161/2.

Tot aan de omvorming van de opleidingen, vermeld in artikel 160, kan het instellingsbestuur een wijziging van het opleidingsprofiel voorleggen aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het gewijzigde opleidingsprofiel overeenkomstig de bepalingen van artikel 24bis van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en na advies van de Commissie Hoger Onderwijs, vermeld in artikel 9/1 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.]

Decr. 12-7-2013

[Art. 161/3.

Tot 1 september 2014 kan het bewijs van lidmaatschap van een samenwerkingsverband vervangen worden door een intentieverklaring.]

Decr. 12-7-2013

[Art. 161/4.

Tot aan de installatie van de Commissie Hoger Onderwijs blijven de taken van deze commissie met betrekking tot hbo5-opleidingen een opdracht van de Commissie hbo.]

Decr. 12-7-2013

Art. 162.

§ 1.[In de volgende gevallen wordt een opleiding van het hoger beroepsonderwijs als vermeld in artikel 160 afgebouwd :

1° in geval een samenwerkingsverband een hbo5-opleiding wenst te programmeren waarvoor een verwantschap is vastgesteld, zoals vermeld in artikel 20. In het dossier "toets nieuwe hbo5-opleiding" geeft het samenwerkingsverband aan welke verwante opleiding omgevormd wordt. Deze opleiding wordt, bij erkenning van de programmatie van de hbo5-opleiding, afgebouwd vanaf de start van de nieuwe hbo5-opleiding;

2° alle andere opleidingen vermeld in artikel 160 van dit decreet worden afgebouwd vanaf 1 september 2017. De Vlaamse Regering kan deze termijn twee keer met één jaar verlengen.]

[§ 1/1. De Vlaamse Regering neemt op basis van het advies van de Commissie Hoger Onderwijs een besluit over het voortbestaan van een opleiding als vermeld in artikel 160, waarvoor er geen overeenstemmende beroepskwalificatie werd erkend.]

§ 2. De cursisten, ingeschreven in de instelling voor het voltijds secundair onderwijs, het centrum voor volwassenenonderwijs op het ogenblik dat beslist wordt tot afbouw, moeten de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een onderdeel. De afbouw moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren.

Decr. 12-7-2013

HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen

Art. 163.

De evaluatie van het hoger beroepsonderwijs wordt uiterlijk in [2018] opgestart. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten van de evaluatie. De programmatieprocedure en het kwaliteitszorgsysteem maken in ieder geval deel uit van de evaluatie. De resultaten van de evaluatie worden aan het Vlaams Parlement meegedeeld.

Decr. 12-7-2013

Art. 164.

§ 1. [...]

§ 2. De Vlaamse Regering kan vanaf 1 september 2009 een subsidie toekennen aan :

1° de stuurgroep en de VLHORA, om de kosten te dekken voor de organisatie van de visitaties van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs;

2° de accreditatieorganisatie, als vermeld in artikel 12, om de kosten te dekken voor de programmatie en de accreditatie van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs;

3° het instellingsbestuur dat de opleiding organiseert, als tussenkomst in de kosten die verbonden zijn aan de visitatie van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.

§ 3. Indien van toepassing wordt de subsidie, vermeld in § 2, 3°, toegekend aan de [inhoudelijk coördinerende instelling, zoals vermeld in artikel 50].

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt minstens de volgende modaliteiten voor de toekenning van de subsidie, vermeld in § 2 :

1° het tijdstip waarop de subsidie wordt toegekend;

2° de hoogte van het bedrag van de subsidie;

3° de wijze van toekenning van de subsidie.

Decr. 12-7-2013

Art. 165.

Dit decreet treedt in werking op 1 september 2009 met uitzondering van titel I, hoofdstuk II, dat in werking treedt op 1 mei 2009.