|
U bent hier: Onderwijs en Vorming
> Edulex
|
Ambten, vakken, bekwaamheidsbewijzen en bezoldigingsregeling vanaf 1 september 1989 in het secundair onderwijs
Toepassingsgebied: de omzendbrief is van toepassing op het voltijds en het deeltijds secundair onderwijs en op de internaten. Deze omzendbrief behandelt dus niet het secundair onderwijs voor sociale promotie, noch het aanvullend secundair beroepsonderwijs noch het buitengewoon secundair onderwijs. Voor de godsdienstleraars en voor de personeelsleden van de vierde graad worden afzonderlijke omzendbrieven verspreid. Om gebruiksvriendelijker te zijn, vervangt deze omzendbrief de volgende omzendbrieven:
Met ingang van 1 september 1989 werd de nieuwe structuur voor het secundair onderwijs geleidelijk ingevoerd. Tegelijkertijd werd de reglementering inzake ambten, vakken, bekwaamheidsbewijzen en bezoldigingsregeling aangepast. De nieuwe structuur van het secundair onderwijs wordt weliswaar jaar per jaar ingevoerd, maar de gewijzigde reglementering inzake de ambten, de vakken, de bekwaamheidsbewijzen en de bezoldigingsregeling geldt vanaf 1 september 1989 voor alle leerjaren van het secundair onderwijs. De wijze waarop deze reglementeringen moeten worden toegepast in de onderwijsinstellingen die nog onderwijs inrichten van het type II is bepaald in artikel 18 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs. Na september 1989 zijn de meeste besluiten één of meerdere malen aangepast, zodat het nuttig is om in één omzendbrief de nodige verduidelijkingen te geven. De laatste wijzigingen die in deze reglementering werden aangebracht werden in vetjes afgedrukt. Waar nodig wordt de ingangsdatum van de wijzigingen aangegeven, indien deze verschilt van 1-9-1989. Bij de bespreking van de 5 onderdelen is het nuttig om de tekst van de besluiten van de Vlaamse regering bij de hand te hebben: a) Ambten Besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989 tot vaststelling en indeling van de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van instellingen voor secundair onderwijs, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 24 oktober 1990, 19 oktober 1994 en 9 juli 1996. b) Vakken Besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de praktische vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs en aanvullend secundair beroepsonderwijs, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 31 juli 1990, 5 juni 1991, 19 december 1991,30 mei 1996 en 9 juli 1996. c) Bekwaamheidsbewijzen, weddenschalen en prestatiestelsel Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 31 juli 1990, 26 september 1990, 12 juni 1991, 19 december 1991, 15 juli 1992, 3 februari 1993, 7 juli 1993, 15 september 1993, 18 mei 1994, 7 september 1994, 14 december 1994, 25 januari 1995 en 4 november 1997. d) Concordantie van de vakken Besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 1990 betreffende de concordantie van de vakken en de specialiteiten in het gewoon secundair onderwijs met volledig leerplan, zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 1990 betreffende de concordantie van de vakken en de specialiteiten in het gewoon secundair onderwijs met volledig leerplan. 2. Vaststelling en indeling van de ambten Overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989 kunnen met ingang van 1 september 1989 in het secundair onderwijs in de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel enkel nog de volgende ambten worden bekleed: a) wervingsambten:
b) selectieambten:
c) bevorderingsambten:
Het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989 deelt de vakken in het secundair onderwijs met ingang van 1 september 1989 als volgt in:
Ter verduidelijking: vanaf 1 september 1989 worden de "bijzondere vakken" en de "technische vakken en beroepspraktijk" afgeschaft en wordt de benaming "beroepspraktijk" vervangen door de benaming "praktisch vak".
Uit bovenstaande principes volgt dus duidelijk dat op de documenten die worden ingediend met het oog op bezoldiging of subsidiëring (PERS 2, AL 3 e.a.) enkel en alleen die vakken en specialiteiten voorkomen waarvan de benaming overeenkomt met die welke in het besluit is vastgesteld. Vakken of specialiteiten die onder een andere benaming zijn aangeduid, komen niet in aanmerking voor bezoldiging of subsidiëring. De vakken moeten op alle desbetreffende documenten steeds op volgende wijze worden aangeduid: Voorbeelden: A.V. Nederlands K.V. Beeldende vorming T.V. Toegepaste biologie T.V. Agrarische technieken P.V. Praktijk mechanica P.V. Stages hotel 4. Bekwaamheidsbewijzen, weddenschalen en prestatiestelsel Zoals voorgeschreven door artikel 12bis, § 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, werd door de Vlaamse regering een eenvormig stelsel van bekwaamheidsbewijzen uitgewerkt dat vanaf 1 september 1989 toepasselijk werd op alle personeelsleden behorend tot de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel zowel van het Gemeenschapsonderwijs als van het gesubsidieerd onderwijs die een ambt in het secundair onderwijs uitoefenen, met uitsluiting van het secundair onderwijs voor sociale promotie, het buitengewoon secundair onderwijs en het aanvullend secundair beroepsonderwijs. Dit betekent dat voor deze onderwijssectoren de reglementering die van toepassing was vóór 1 september 1989, van kracht blijft. Deze reglementering werd vastgesteld in het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs. In punt 4 van onderhavige omzendbrief wordt, wanneer sprake is van "het besluit", voormeld besluit van de Vlaamse Executieve bedoeld. Dit besluit werd integraal opgenomen in de Officieuze Codificatie van de Onderwijswetgeving en - reglementering (deel VIII, I(2)). Bij dit besluit is een verslag aan de Vlaamse regering gevoegd, evenals acht bijlagen. Voor het administratief personeel werd eveneens vanaf 1 september 1989 uitvoering gegeven aan de hierboven vermelde wettelijke bepaling; hiervoor verwijs ik naar de ministeriële omzendbrief van 18 februari 1992, die is opgenomen in de coördinatie van de omzendbrieven (deel Personeel, rubriek Bekwaamheidsbewijzen). In het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 werd de reglementering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars vastgesteld. Dit besluit werd eveneens opgenomen in de Codificatie Wetgeving (deel VIII, I(3)). 4.1.2. Indeling van de bekwaamheidsbewijzen De bekwaamheidsbewijzen worden als volgt ingedeeld:
In de tabellen die als bijlage bij voornoemd besluit zijn gevoegd, worden de hierboven bedoelde bekwaamheidsbewijzen vastgesteld:
In de linkerkolom zijn de vereiste bekwaamheidsbewijzen vermeld terwijl in de middenkolom de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen zijn bepaald. In de rechterkolom komen de "andere" bekwaamheidsbewijzen voor. 4.1.4. Aanstelling, aanwerving, bezoldiging Wat de aanstelling of de aanwerving en de bezoldiging of de subsidiëring betreft is er geen onderscheid tussen de vereiste bekwaamheidsbewijzen enerzijds en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen anderzijds. Een inrichtende macht moet derhalve geen enkele motivering voorleggen, wanneer zij een houder van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aanwerft. De principes waarop de vereiste en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen zijn gebaseerd, zijn als volgt verwoord in het verslag aan de Vlaamse regering bij het besluit:
Uitzondering hierop vormt de geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de Klassieke filologie, die over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt voor Latijn en Grieks in de eerste graad.
Het staat de inrichtende overheid vrij één van beiden aan te werven. In het beroepssecundair onderwijs zijn, voor de vereiste bekwaamheidsbewijzen, enkel de geaggregeerden voor het lager secundair onderwijs toegelaten.
In het beroepssecundair onderwijs beschikken evenwel zowel de geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs als de geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs over een vereist bekwaamheidsbewijs.
De vastgestelde principes gaan uit van het beginsel van lokale autonomie. Hiermede wordt bedoeld dat aan de plaatselijke scholen de kans moet geboden worden om een volwaardig personeelsbeleid te voeren in functie van de eigen pedagogische visies en accenten. Het open karakter van de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen komt aldus tegemoet aan de pedagogische verzuchtingen om terug volwaardige klastitulariaten te kunnen organiseren. Volgens artikel 8 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt met ingang van 1 september 1993 een academische lerarenopleiding bekrachtigd met één van de academische graden van "Geaggregeerde voor het onderwijs". Voor de nieuwe academische opleidingen die bekrachtigd worden met een diploma van licentiaat in de taal- en letterkunde: Germaanse talen of Romaanse talen dient naast het diploma eveneens het diplomasupplement aan het bevoegde werkstation te worden toegezonden. 4.1.5. Aanwerving van een personeelslid met een "ander" bekwaamheidsbewijs Een inrichtende macht kan, indien zij in de onmogelijkheid is een houder aan te werven van hetzij een vereist bekwaamheidsbewijs, hetzij een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, een personeelslid in dienst nemen dat houder is van een "ander" bekwaamheidsbewijs. Door de wet van 29 mei 1959, inzonderheid artikel 12bis, § 2, is deze aanwerving slechts onder twee voorwaarden mogelijk:
Een inrichtende macht die een houder van een "ander" bekwaamheidsbewijs aanwerft of opnieuw aanwerft, moet de hierna volgende procedure naleven: zij moet op eer verklaren dat zij geen personeelslid met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft kunnen aanwerven. Deze verklaring op eer, die in voorkomend geval moet vermeld worden in de rubriek "Opmerkingen" van het document Pers 2, luidt als volgt: "De inrichtende macht verklaart op eer dat zij in de onmogelijkheid is geweest om voor de hierboven met een (*) aangeduide opdracht een kandidaat aan te werven die in het bezit is van een vereist of van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs". Deze verklaring moet niet worden afgelegd wanneer de aanwerving van het personeelslid een periode van 97 dagen niet overschrijdt. Bovendien moet die verklaring evenmin worden afgelegd:
Wat onder "bewijs van pedagogische bekwaamheid" wordt verstaan is omschreven in artikel 3, § 2 van het besluit. In de twee bovenvermelde uitzonderingen kan deze bepaling slechts worden toegepast gedurende een periode gelijk aan de minimumduur, rekening houdend met de bekwaamheidsbewijzen van het personeelslid, nodig voor het behalen van één van de vereiste bewijzen van pedagogische bekwaamheid, vermeerderd met één school- of academiejaar. Indien de aanwerving gebeurt op een tijdstip in de loop van het schooljaar waarop de inschrijving voor het volgen van de cursus met het oog op het behalen van het bewijs van pedagogische bekwaamheid, niet meer mogelijk is, vangt de hierboven vermelde termijn aan bij het begin van het volgend school- of academiejaar. Daar de belangen van de houders van vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen niet mogen geschaad worden indien ze na een geldige kandidatuurstelling niet worden aangeworven, werd een procedure van verhaalrecht in het leven geroepen. In grote lijnen ziet de procedure, die zo eenvoudig mogelijk werd gehouden, eruit als volgt. Telkens een inrichtende macht ertoe verplicht is bij de aanwerving van een houder van een "ander" bekwaamheidsbewijs een verklaring op eer af te leggen, kan elke persoon die houder is van een voor het betrokken ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en niet werd aangeworven, een bezwaarschrift indienen in eerste instantie bij de inrichtende macht en vervolgens eventueel bij het Departement Onderwijs, voorzover hij voor dit ambt een geldige kandidatuur heeft ingediend. De verder te volgen procedure wordt uiteengezet in artikel 9 van het besluit. Er weze aan herinnerd dat bekwaamheidsbewijzen van het onderwijs voor sociale promotie moeten uitgereikt zijn na een onderwijscyclus van ten minste 900 lestijden voor de technische en beroepsleergangen en van ten minste 450 lestijden voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen en het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie. De vakken exploratie, expressie, psychomotorische oefeningen, sociale activiteiten en sportactiviteit opgesomd in artikel 10, § 2 van het besluit moeten worden gelijkgesteld met één van de vakken/specialiteiten die in dezelfde graad worden onderwezen en die voorkomen in de bijlagen 1 tot en met 5 bij het besluit. De gelijkstelling gebeurt in functie van het (de) bekwaamheidsbewijs(zen) dat (die) het personeelslid bezit. De hier bedoelde uren worden bezoldigd overeenkomstig de weddenscha(a)l(en) vastgesteld in de graad en voor het (de) ambt(en) waarmede zij gelijkgesteld werden. Dezelfde regeling is van toepassing voor de andere uren die geen lesuren zijn. Voorbeeld: De inrichtende macht stelt het algemeen vak "exploratie" in de 1ste graad gelijk met het algemeen vak Nederlands. Het personeelslid dat met deze opdracht wordt belast, is houder van het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs Nederlands-Engels. Op de formulieren die bestemd zijn voor het Departement, wordt vermeld: - 1ste graad - A.V. Exploratie (Nederlands) De uren zullen bezoldigd worden op basis van de opdrachtbreuk 22 (A.V.) en van de weddenschaal, vastgesteld voor het A.V. Nederlands in de 1ste graad - code 301. Opmerkingen: 1) Klasseraad - Klassedirectie worden, met welk vak zij ook worden gelijkgesteld, qua opdrachtbreuk steeds beschouwd als een Algemeen Vak. 2) Bij gelijkstelling van de vakken exploratie, expressie, psychomotorische oefeningen, sociale activiteiten en sportactiviteit met de vakken Latijn, klassieke studiën, antieke cultuur of Grieks in de eerste graad wordt de weddenschaal code 301 en niet 501 toegekend, indien het personeelslid dat met deze opdracht wordt belast houder is van het diploma van GHSO Klassieke filologie. Dezelfde regeling is van toepassing voor de andere uren die geen lesuren zijn. Indien dit personeelslid belast wordt met Klasseraad - Klassedirectie, gelijkgesteld met Latijn, klassieke studiën, antieke cultuur of Grieks, wordt de weddenschaal code 501 toegekend. Deze bepaling gaat in op 1 september 1990. 3) Overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989 worden de vakken "exploratie", "expressie", "psychomotorische oefeningen", "sociale activiteiten" en "sportactiviteit" ingedeeld bij de algemene vakken. Een gelijkstelling door de inrichtende macht van één van deze vakken met een vak dat anders is ingedeeld (bv. P.V.), wijzigt niet de indeling bij de algemene vakken en dus evenmin het vereiste minimum en maximum aantal uren voor volledige prestaties noch uiteraard de deler (20, 21, 22) van de opdrachtbreuk op basis waarvan deze uren dienen te worden bezoldigd. Voorbeeld: 5u. A.V. Expressie 2de graad wordt gelijkgesteld met P.V. Hout. De opdrachtbreuk zal dus zijn: 5/21. Wat betreft de toepassing van de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling worden deze personeelsleden beschouwd als zijnde belast met P.V. Hout. 4) Vanaf 1 september 1990 is het mogelijk de uren die geen lesuren zijn gelijk te stellen met A.V. Godsdienst, A.V. Niet-confessionele zedenleer, A.V. Eigen cultuur en religie en A.V. Cultuurbeschouwing. Voorbeeld: Een personeelslid, houder van een diploma van geaggregeerde in het godsdienstonderricht in het LSO, is in dienst met 20u. A.V. Godsdienst + 1u. Klasseraad + 1u. Klassedirectie in de 1ste graad. Bezoldiging: 20u. A.V. Godsdienst: 301 + 2u. Klasseraad - Klassedirectie (A.V. Godsdienst): 301 4.2. Weddenschalen en bezoldigingsregeling De weddenschalen, op grond waarvan de personeelsleden die onder toepassing vallen van het eenvormig stelsel van de bekwaamheidsbewijzen worden bezoldigd, worden onder hun codenummers vermeld in de bijlagen bij het besluit. De principes waarop deze weddenschalen zijn gebaseerd, zijn als volgt verwoord in het Verslag aan de Vlaamse regering bij het besluit: "Voor de eerste graad wordt uitgegaan van de hierna volgende beginselen. Aan de houders van de vereiste bekwaamheidsbewijzen wordt de weddenschaal toegekend die in de huidige reglementering eveneens wordt toegepast voor de houder van het vereiste bekwaamheidsbewijs. De houders van de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen genieten dezelfde weddenschaal als deze vastgesteld voor de vereiste, teneinde de keuzevrijheid van de inrichtende machten tussen beide categorieën van bekwaamheidsbewijzen niet te beperken. Aan de houders van een "ander" bekwaamheidsbewijs wordt een lagere weddenschaal toegekend, overeenstemmend met deze die verleend wordt voor prestaties verricht op het onmiddellijk lager liggend niveau. Deze principes gelden eveneens voor de algemene vakken in de tweede en de derde graad. Voor de technische en de praktische vakken in de tweede en de derde graad worden die principes eveneens toegepast, evenwel daarbij rekening houdend met het niveau van het diploma waarover het personeelslid beschikt. In het beroepssecundair onderwijs wordt de geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs als dusdanig bezoldigd, onafgezien in welke graad hij prestaties verricht." Het prestatiestelsel dat vanaf 1 september 1990 van toepassing is in het secundair onderwijs wordt samengevat in bijgaande tabel (zie prestatietabel). Voor de duidelijkheid worden het minimum en maximum aantal lesuren, de delers voor een ambt met onvolledige prestaties en de delers voor een bijbetrekking vermeld. Toepassing van artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989: 1) Artikel 14, § 1 van voormeld besluit bepaalt dat voor de personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 1989 op grond van de vóór deze datum geldende reglementering in een wervingsambt van leraar technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs van de lagere of van de hogere cyclus, hetzij tot de stage toegelaten, hetzij vastbenoemd, hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden, ongeacht de rangschikking van de vakken waarmee zij vanaf het schooljaar 1989-1990 belast zijn:
2) De bepalingen van artikel 14 gelden enkel voor het aantal uren waarvoor het personeelslid tot de stage toegelaten of vastbenoemd werd. Voor het vaststellen van dit aantal uren wordt rekening gehouden met:
Voor het Gemeenschapsonderwijs wordt de aandacht erop gevestigd dat dit artikel ook toepasselijk is op de vastbenoemde leraars technische vakken en de vastbenoemde praktijkleraars in het lager secundair onderwijs, waarvan het ambt vóór 1 september 1989 op basis van de circulaire van 30 augustus 1984 diende beschouwd te worden als een ambt van leraar technische vakken en beroepspraktijk (T.V. + B.P.). Artikel 14, § 2 bepaalt dat voornoemde regeling niet van toepassing is in de eerste graad. 3) Prestatietabel toepasselijk vanaf 1 september 1990 op de leerkrachten bedoeld in artikel 14
4) Vaststelling van een betrekking met volledige prestaties en de bezoldiging Het aantal uren waarvoor de minimum-maximum prestaties vastgesteld blijven op 24/28 dient eerst geput te worden uit het vak waarvoor het minimum aantal uren voor volledige prestaties het hoogst is. Indien de som van de opdrachtbreuken aldus de eenheid overschrijdt, geldt de regel van de best bezoldigde uren en komen die eerst in aanmerking voor bezoldiging. 5) Vaststelling van het aantal uren waarvoor de minimum- en maximumprestaties 24 en 28 blijven Voorbeelden
4.4.1. Waarom overgangsbepalingen? De invoering van het stelsel inzake bekwaamheidsbewijzen vanaf 1 september 1989 kan tot gevolg hebben dat bekwaamheidsbewijzen waarover personeelsleden beschikken met ingang van voormelde datum op een minder gunstige wijze worden gerangschikt. Zo kan bv. een bekwaamheidsbewijs, dat vóór 1 september 1989 voor de uitoefening van een bepaald ambt of voor het onderwijs van een bepaald vak als een vereist bekwaamheidsbewijs werd beschouwd, vanaf 1 september 1989 als een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of zelfs als een "ander" bekwaamheidsbewijs in de tabellen voorkomen. Dergelijke wijziging betekent dat een personeelslid wiens bekwaamheidsbewijs vanaf 1 september 1989 op een minder gunstige wijze wordt geklasseerd, het gevaar loopt niet meer te kunnen aangeworven of gesubsidieerd worden of met een lagere weddenschaal bezoldigd te worden of nog definitief het recht te verliezen op een vaste benoeming. Om deze redenen voorziet het besluit in overgangsbepalingen. Het is duidelijk dat bedoelde overgangsbepalingen niet nodig zijn voor die personeelsleden wier bekwaamheidsbewijzen op dezelfde wijze als vóór 1 september 1989 worden gecatalogeerd of eventueel op een betere wijze worden gerangschikt. Dit betekent ook dat personeelsleden die volgens het nieuw organiek stelsel kunnen bezoldigd of gesubsidieerd worden geen overgangsbepalingen nodig hebben, tenzij zij bij toepassing van de overgangsbepalingen recht blijven hebben op de weddenschaal die hun vóór 1 september 1989 mocht worden verleend. De overgangsbepalingen zijn persoonsgebonden en vervallen niet wanneer het betrokken personeelslid naar een andere instelling overgaat. Ze zijn niet beperkt tot een aantal uren, maar gelden ook voor de uren van hetzelfde ambt, vak en/of specialiteit waarmee de opdracht van het personeelslid eventueel later wordt uitgebreid. Deze overgangsbepalingen zijn evenmin beperkt tot de onderwijsvorm waarin ze zijn verworven. 4.4.2. Het voltijds secundair onderwijs Toepassing van artikel 16 en 17 van het besluit. 4.4.2.1. Welke personeelsleden kunnen overgangsbepalingen inroepen? De volgende personeelsleden kunnen overgangsbepalingen inroepen:
Als onderbreking worden niet beschouwd:
Opmerkingen: 1) Het personeelslid dient op 1 september 1986 in dienst te zijn geweest in het secundair onderwijs met volledig leerplan in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel en als dusdanig bezoldigd te zijn geweest door het Departement. De vermelde toegelaten onderbrekingen kunnen pas ingaan vanaf 2 september 1986. 2) Het uitoefenen vanaf 2 september 1986 van een ander ambt, vak en/of specialiteit hetzij in het voltijds secundair onderwijs hetzij in een ander soort onderwijs wordt niet als een onderbreking beschouwd zolang het personeelslid hiervoor bezoldigd werd ten laste van het Departement. 3) De onderbrekingen hoeven niet bezoldigd te zijn; ze moeten wel vallen in de periode van aanstelling. 4) De periode van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar moet niet in éénmaal genomen zijn, doch kan ook bestaan uit verschillende periodes van minder dan 30 dagen; zij worden samengeteld tot het maximum van 30 kalenderdagen per schooljaar is bereikt. 4.4.2.2. Welke overgangsbepalingen worden voorzien? Er worden overgangsbepalingen voorzien op twee vlakken:
Wat betreft de prestatieregeling zijn geen overgangsbepalingen voorzien, tenzij deze vermeld in punt 4.3. 4.4.2.2.1. Bekwaamheidsbewijzen Volgende personeelsleden:
De personeelsleden die genieten van overgangsbepalingen blijven de weddenschaal genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1989 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere weddenschaal. De personeelsleden die genieten van overgangsbepalingen en die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1989:
In de eerste en in de tweede graad genieten deze personeelsleden voor de vakken en/of specialiteit van het ambt waarvoor zij overgangsbepalingen genieten de weddenschaal die hun op grond van de vóór 1 september 1989 geldende reglementering mocht verleend worden in het lager secundair onderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere weddenschaal. In de tweede, in de derde en in de vierde graad genieten deze personeelsleden voor de vakken en/of specialiteit van het ambt waarvoor zij overgangsbepalingen genieten de weddenschaal die hun op grond van de vóór 1 september 1989 geldende reglementering mocht verleend worden in het hoger secundair onderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere weddenschaal. Indien beide voorgaande bepalingen van toepassing zijn op een personeelslid, wordt aan dit personeelslid de voordeligste weddenschaal toegekend. 4.4.2.3. Waarvoor kunnen overgangsbepalingen worden ingeroepen? De hierboven bedoelde overgangsbepalingen kunnen worden ingeroepen:
Geval 1: Vast benoemde personeelsleden (d.w.z. personeelsleden bedoeld in artikel 16, § 1, 1° van het besluit) Op 1 september 1989: De overgangsbepalingen kunnen ingeroepen worden voor het ambt of de vakken en/of specialiteiten waarmee zij op 1 februari 1988 of 1 februari 1989 belast waren. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met reglementaire verloven en afwezigheden en met de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking d.w.z. dat men het ambt of vak en/of specialiteit niet noodzakelijk effectief dient te hebben uitgeoefend op één van deze twee data. Na 1 september 1989: De overgangsbepalingen blijven gelden voor de duur van de loopbaan tot het ontslag. Voorbeelden: 1. GLSO Frans-Geschiedenis Vast benoemd voor Frans en Geschiedenis HSO
2. GLSO Frans-Geschiedenis Vast benoemd voor Frans en Geschiedenis HSO
Geval 2: Tijdelijke personeelsleden Op 1 september 1989: Overgangsbepalingen kunnen ingeroepen worden voor het ambt, vak en/of specialiteit waarmee het personeelslid op 1 februari 1988 en/of 1 februari 1989 effectief belast was in het secundair onderwijs met volledig leerplan. Na 1 september 1989: Het recht op overgangsbepalingen blijft behouden zolang er geen andere onderbreking is dan die bedoeld in artikel 16, § 1, 2° van het besluit. Voorbeelden: 1. GLSO Nederlands-Geschiedenis Tijdelijk ononderbroken in dienst gebleven sedert 1 september 1986
2. GLSO Nederlands-Geschiedenis Tijdelijk ononderbroken in dienst gebleven sedert 1 september 1986
* OM weddenschaal, toepassing artikel 17 van het besluit. 3. GHSO Romaanse filologie Tijdelijk ononderbroken in dienst gebleven sedert 1 september 1986
4. GLSO Tijdelijk ononderbroken in dienst gebleven sedert 1 september 1986
Geval 3: Vast benoemde personeelsleden die op 1 februari 1988 of 1 februari 1989 tijdelijk met een ander ambt, vak of specialiteit belast waren Op 1 september 1989 kunnen overgangsbepalingen ingeroepen worden:
Na 1 september 1989 blijft het recht op overgangsbepalingen voor al deze ambten, vakken en/of specialiteiten behouden voor de verdere duur van de loopbaan tot het ontslag. Voorbeeld: Een personeelslid is in het bezit van de bekwaamheidsbewijzen A3 Mechanica + 6 jaar nuttige ervaring + D en wordt op 1 september 1982 vast benoemd tot leraar beroepspraktijk (mechanica) LSO (VE - 301). Op 1 september 1987 wordt hij tijdelijk belast met het ambt van werkmeester.
Geval 4: Een personeelslid fungeerde op 1 februari 1988 als vastbenoemd leraar en op 1 februari 1989 als vast benoemd directeur Op 1 september 1989: kan het zo nodig overgangsbepalingen inroepen voor het ambt van leraar en voor het ambt van directeur. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met de reglementaire verloven en afwezigheden op deze data. Na 1 september 1989: blijft het recht op overgangsbepalingen voor beide ambten behouden voor de verdere duur van de loopbaan tot het ontslag. 4.4.3. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs Personeelsleden die fungeren in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en die de overgangsbepalingen genieten zoals bepaald in artikel 16 en 17 van het besluit (zie punt 4.4.1) kunnen op deze overgangsbepalingen eveneens een beroep doen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Daarnaast bestaan nog specifieke regels inzake overgangsbepalingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs: toepassing van artikel 16bis en 17bis van het besluit. Deze worden hieronder besproken. 4.4.3.1. Welke personeelsleden kunnen overgangsbepalingen inroepen? De personeelsleden die op 1 februari 1988 in dienst waren in het experimenteel secundair onderwijs met beperkt leerplan en sedertdien ononderbroken in dienst zijn gebleven in het onderwijs, het universitair onderwijs uitgezonderd, in de hoedanigheid van lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel. Als onderbreking worden niet beschouwd:
Deze verloven en afwezigheden kunnen eveneens aanvangen op 1 februari 1988. 4.4.3.2. Welke overgangsbepalingen worden voorzien? 4.4.3.2.1. Bekwaamheidsbewijzen
Deze personeelsleden die genieten van overgangsbepalingen blijven de weddenschaal genieten die hun op grond van de voor 1 september 1990 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij organiek beschikken recht geeft op een hogere weddenschaal. De personeelsleden die genieten van overgangsbepalingen en die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1990:
4.4.3.2.3. Waarvoor kunnen overgangsbepalingen worden ingeroepen? De hierboven bedoelde overgangsbepalingen kunnen worden ingeroepen:
Voorbeelden 1. HSTS mechanica-elektriciteit + D-diploma + 3 jaar nuttige ervaring tijdelijk in dienst in het EDO op 1 februari 1988
* OM weddenschaal, toepassing artikel 17bis van het besluit. 2. Licentiaat wiskunde Vast benoemd in het volledig leerplan op 1 september 1985
4.4.4. Het voltijds en deeltijds secundair zeevisserijonderwijs 4.4.4.1. Welke personeelsleden kunnen overgangsbepalingen inroepen?
Worden niet als onderbreking beschouwd:
Opmerkingen: 1. De onderbrekingen hoeven niet bezoldigd te zijn; ze moeten wel vallen in de periode van aanstelling. 2. De periode van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar moet niet in éénmaal genomen zijn doch kan ook bestaan uit verschillende periodes van minder dan 30 dagen; zij worden samengeteld tot het maximum van 30 kalenderdagen per schooljaar is bereikt. 3. Deze verloven kunnen aanvangen op 29 juni 1990. 4. Voor de vastbenoemde personeelsleden gelden de overgangsbepalingen niet alleen voor het ambt, het vak en/of de specialiteit van het ambt dat zij op 1 februari 1990 effectief uitoefenden, maar eveneens voor het ambt, het vak en/of specialiteit van het ambt waarvan zij titularis zijn gebleven. 4.4.4.2. Welke overgangsbepalingen worden voorzien? Er worden overgangsbepalingen voorzien op twee vlakken:
4.4.4.2.1. Bekwaamheidsbewijzen
De personeelsleden die van overgangsbepalingen genieten, blijven de weddenschaal genieten die zij op grond van de voor 1 september 1990 geldende reglementering bekwamen, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij organiek beschikken recht geeft op een hogere weddenschaal. 4.4.4.3. Waarvoor kunnen overgangsbepalingen worden ingeroepen? De hierboven bedoelde overgangsbepalingen kunnen worden ingeroepen:
4.4.5.1. A.V. Project algemene vakken De personeelsleden die in toepassing van het besluit overgangsmaatregelen genieten voor een vak dat genoemd is in het laatste lid van artikel 53, § 4, artikel 54, § 3 en artikel 55, §§ 3, 6 en 7 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II, genieten deze overgangsbepalingen eveneens wanneer zij belast worden met het algemeen vak "Project algemene vakken". Met het algemeen vak "Project algemene vakken" wordt het vak bedoeld zoals het is bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989. De vakken bedoeld in de hierboven opgesomde artikels van het decreet betreffende het Onderwijs-II zijn:
Deze overgangsbepalingen gaan in op 1 september 1990. Voorbeeld GLSO Nederlands-Geschiedenis Vast benoemd ten laatste op 31 augustus 1989
4.4.5.2. Het ambt van beheerder De personeelsleden die:
en
De personeelsleden die:
en
Deze overgangsbepalingen gaan in op 1 september 1990. 4.4.5.3. Het ambt van werkplaatsleider 4.4.5.3.1. Overgangsbepalingen 4.4.5.3.1.1. In het Gemeenschapsonderwijs De personeelsleden die niet in het bezit zijn van één der vereiste bekwaamheidsbewijzen die in de bijlagen gevoegd bij dit besluit bepaald zijn voor het ambt van werkplaatsleider, doch die uiterlijk op 1 juni 1986 het bevorderingsbrevet voor dit ambt behaald hebben worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van werkplaatsleider met als weddenschaal 311. 4.4.5.3.1.2. In het gesubsidieerd onderwijs De personeelsleden die niet in het bezit zijn van één van de vereiste bekwaamheidsbewijzen die in de bijlagen gevoegd bij dit besluit bepaald zijn voor het ambt van werkplaatsleider, doch die het ambt van werkmeester uitoefenen en uiterlijk op 1 juni 1986 in dit ambt hetzij vast benoemd en als dusdanig erkend daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vast benoemde of definitief erkende personeelsleden, worden eveneens geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van werkplaatsleider met als weddenschaal 311. Deze bepaling treedt in werking op 1 september 1990. Vanaf 1 september 1991 wordt de hierboven vermelde datum van 1 juni 1986 voor het gesubsidieerd onderwijs vervangen door 1 juni 1991. Dit betekent dat voormelde bepalingen ingaan op 1 september 1991 voor de personeelsleden die benoemd werden vóór 1 juni 1991. Aan de werkplaatsleider in het bezit van een diploma van "tenminste HOLT + bewijs van pedagogische bekwaamheid" wordt met ingang van 1 januari 1994 de weddenschaal "501" toegekend. 4.4.5.4. Het ambt van directeur van een instelling met een derde graad, ontstaan door omvorming van een instelling zonder derde graad Een vast benoemd directeur van een instelling voor secundair onderwijs zonder derde graad kan het ambt van directeur verder blijven uitoefenen wanneer die instelling wordt omgevormd tot een instelling met derde graad. Hij behoudt daarbij zijn weddenschaal en zijn vaste benoeming. Indien hij beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van directeur van een instelling met een derde graad, heeft hij recht op de weddenschaal verbonden aan dat ambt. Deze overgangsbepaling gaat in op 1 september 1989. 4.4.6. Schrapping in bekwaamheidsbewijzen met ingang van 1 september 1992 Met ingang van 1 september 1992 worden een aantal bekwaamheidsbewijzen uit de bijlagen geschrapt. Hiervoor werden overgangsbepalingen voorzien (zie verder). Met ingang van 1 september 1992 worden een aantal bekwaamheidsbewijzen geschrapt: a) 1ste graad, A.V. Socio-economische initiatie - economie: in de rubriek vereiste:
b) 1ste graad, begeleider: in de rubriek vereiste:
c) 2de graad, ASO ,TSO ,KSO, T.V., specialiteit elektromechanica: in de rubriek vereiste:
d) 2de graad, ASO, TSO, KSO, T.V., specialiteit elektronica: in de rubriek vereiste:
e) 2de graad, ASO, TSO, KSO, T.V., specialiteit handelscorrespondentie (met vermelding van de betrokken taal, nl. Nederlands, Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans of Russisch): in de rubriek vereiste:
f) 2de graad, ASO, TSO, KSO, T.V., specialiteit tuinbouw :in de rubriek vereiste:
g) 2de graad, ASO, TSO, KSO, P.V., specialiteit elektromechanica: in de rubriek vereiste:
h) 2de graad, ASO, TSO, KSO, P.V., specialiteit elektronica: in de rubriek vereiste:
i) 2de graad, ASO, TSO, KSO, P.V., specialiteit handelscorrespondentie (met vermelding van de betrokken taal, nl. Nederlands, Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans of Russisch): in de rubriek vereiste:
j) 2de graad, ASO , TSO, KSO, PV, specialiteit tuinbouw: in de rubriek vereiste:
k) 2de graad, ASO, TSO, KSO, PV specialiteit verpleegkunde: in de rubriek vereiste:
l) 3de graad, ASO, TSO, KSO, T.V., specialiteit elektromechanica: in de rubriek vereiste:
m) 3de graad, ASO, TSO, KSO, T.V., specialiteit elektronica: in de rubriek vereiste:
n) 3de graad, ASO, TSO, KSO, T.V., specialiteit handelscorrespondentie (met vermelding van de betrokken taal, nl. Nederlands, Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans of Russisch): in de rubriek vereiste:
o) 3de graad, ASO ,TSO, KSO, T.V., specialiteit tuinbouw: in de rubriek vereiste:
p) 3de graad, ASO, TSO, KSO, P.V., specialiteit elektromechanica: in de rubriek vereiste:
q) 3de graad, ASO, TSO, KSO, P.V., specialiteit elektronica: in de rubriek vereiste:
r) 3de graad, ASO, TSO, KSO, P.V., specialiteit handelscorrespondentie (met vermelding van de betrokken taal, nl. Nederlands, Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans of Russisch): in de rubriek vereiste:
s) 3de graad, ASO, TSO, KSO, P.V., specialiteit tuinbouw: in de rubriek vereiste:
t) 3de graad, BSO, T.V., specialiteit elektromechanica: in de rubriek vereiste:
u) 3de graad, BSO, T.V., specialiteit elektronica: in de rubriek vereiste:
v) 3de graad, BSO, T.V., specialiteit handelscorrespondentie (met vermelding van de betrokken taal, nl. Nederlands, Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans of Russisch): in de rubriek vereiste:
w) 3de graad, ASO, TSO, KSO, T.V. specialiteit verpleegkunde: in de rubriek vereiste:
Personeelsleden die op 30 juni 1992 op basis van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 voor een bepaald ambt, vak of specialiteit in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en dit vanaf 1 september 1992 niet meer zijn op grond van deze schrappingen, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt, vak of specialiteit die zij op 30 juni 1992 effectief uitoefenden en eveneens voor het ambt, het vak of de specialiteit waarvan zij titularis zijn gebleven. Deze personeelsleden blijven de weddenschaal genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1992 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere weddenschaal. 4.4.7. Toevoegingen met ingang van 1-9-1991 1. In de bijlagen gevoegd bij het besluit werden een aantal bekwaamheidsbewijzen toegevoegd. Deze toevoegingen treden in werking op 1 september 1989 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1989 tot 31 augustus 1991 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze toevoegingen werden in de bijlagen bij het besluit van de Vlaamse regering en op de diskette ofwel aangeduid met het cijfer "2" ofwel onderstreept. 2. Het diploma van licentiaat in de pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de psychologische en pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de opvoedkunde of van licentiaat in de opvoedingswetenschappen of van licentiaat in de psycho-pedagogische wetenschappen uitgereikt vóór 1 januari 1968 wordt gelijkgesteld met respectievelijk het diploma van licentiaat in de pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de psychologische en pedagogische wetenschappen of van licentiaat in de opvoedkunde of van licentiaat in de opvoedingswetenschappen of van licentiaat in de psycho-pedagogische wetenschappen, aangevuld met het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs, evenals met een bekwaamheidsbewijs van hoger onderwijs van het lange type, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid. 3. Voor de houder van het diploma van licentiaat, die tevens houder is van het diploma van GLSO, wordt dit laatste diploma gelijkgesteld met het diploma van GHSO. 4. Voor het onderricht van de technische vakken of de praktische vakken in de specialiteiten nautische technieken, zeemanschap en werktuigkunde zeevisserij worden als basisdiploma beschouwd:
Voor het onderricht van de technische of de praktische vakken in de specialiteiten Rijn- en binnenvaart en Scheepvaart worden daarenboven als basisdiploma beschouwd:
4.4.8. Schrapping in bekwaamheidsbewijzen met ingang van 1 januari 1995 Met ingang van 1 januari 1995 worden een aantal bekwaamheidsbewijzen uit de bijlagen geschrapt:
4.4.9. Toevoegingen met ingang van 1 januari 1995 In de bijlagen gevoegd bij het besluit werden een aantal bekwaamheidsbewijzen toegevoegd. Deze toevoegingen treden in werking op 1 september 1989 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1989 tot 31 december 1994 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze toevoegingen werden in de bijlagen bij het besluit van de Vlaamse regering en op de diskette aangeduid met het cijfer "5". 4.4.10. Wijzigingen door het besluit van 4 november 1997 Het besluit werd op 4 november 1997 gewijzigd. Het gaat niet om fundamentele wijzigingen aan de principes maar om technische aanpassingen aan nieuwe reglementering en om toevoeging van "vergeten" diploma's. De belangrijkste wijzigingen zijn : 4.4.10.1. Aanpassing aan het decreet hoger onderwijs 1. opnemen van diploma van "meester" en "interieurarchitect" als basisdiploma's 2. opnemen van diploma's van een basisopleiding van 1 cyclus als basisdiploma 3. opnemen van de diploma's van een basisopleiding van 2 cycli als basisdiploma en als HOLT 4. opnemen van "meester" als een diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan 5. opnemen van diploma's van een opleiding van 1 cyclus als HOKT 4.4.10.2. Aanpassing aan de omvorming ASBO tot vierde graad Opnemen van de diploma's uitgereikt in de vierde graad ter vervanging van getuigschriften en brevetten van het vroegere ASBO/ASBS Er bestond verwarring over de waarde van enkele godsdienstdiploma's. Daarom werden ze nu expliciet opgenomen in het besluit:
De diploma's die gelijkgesteld zijn met een GLSO, GHSO of GVO zijn pedagogische bekwaamheidsbewijzen, ook voor andere vakken dan godsdienst (bijvoorbeeld als HOKT + BPB). 4.4.10.4. Loopbaanonderbreking Sinds 1 januari 1997 kunnen tijdelijke personeelsleden loopbaanonderbreking nemen. De loopbaanonderbreking werd toegevoegd aan de lijst van toegelaten onderbrekingen voor het toekennen van overgangsmaatregelen. M.a.w. een tijdelijke die loopbaanonderbreking neemt verliest daardoor zijn overgangsmaatregelen niet. 4.4.10.5. Wijzigingen in de bijlagen
4.4.10.6. Kort overzicht van de toegevoegde bekwaamheidsbewijzen
De codes (code dd.) geven de ingangsdata aan van de bekwaamheidsbewijzen:
4.5. Concordantie van de vakken Aangezien vanaf 1 september 1989 nog slechts die vakken en/of specialiteiten mogen worden ingericht die bepaald zijn in het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 1989 (zie punt 2 van deze omzendbrief) is voor de toepassing van de overgangsbepalingen een omzetting noodzakelijk van de vóór 1 september 1989 bestaande vakken en/of specialiteiten naar die welke nog kunnen voorkomen vanaf 1 september 1989. De richtlijnen betreffende de omzetting (concordantie genoemd) werden uiteengezet bij de omzendbrieven van
De 8 bijlagen horend bij het besluit worden door het Departement verwerkt op diskette. Zodra het programma bijgewerkt is, wordt het naar alle scholen opgestuurd. Nadien kan de diskette besteld worden op het Departement Onderwijs Afdeling Informatie en Documentatie, Koning Albert II-laan 15 te 1210 Brussel (tel.: 02/553.96.52 - fax: 02/553.96.55).
|