OPGEHEVEN : Ministerieel besluit tot vaststelling van het minimumprogramma en de vorm van het jaarprogramma van de psycho-medisch-sociale centra, evenals van de vorm van het activiteitenprogramma van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.

  • goedkeuringsdatum
    05 OKTOBER 1981
  • publicatiedatum
    B.S.17/10/1981
  • datum laatste wijziging
    18/12/2001

COORDINATIE

opgeheven door B.Vl.R. 7-9-2001 - B.S. 18-12-2001

De Minister van Nationale Opvoeding,

De Minister van de Vlaamse Gemeenschap en Adjunct voor de Nationale Opvoeding,

Gelet op het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra, inzonderheid op de artikelen 3, 4 en 5, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 24 augustus 1981;

Gelet op het koninklijk besluit van 24 augustus 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra en van de diensten voor studie- en beroepsoriëntering, inzonderheid op artikel 20,

Besluiten :

HOOFDSTUK I. - Minimumprogramma

Artikel 1.

Het minimumprogramma dat door een psycho-medisch-sociaal centrum, hierna centrum genoemd, jaarlijks dient uitgevoerd, omvat de in artikel 2 van dit besluit bepaalde taken in het kleuter- en lager onderwijs, het secundair onderwijs met volledig leerplan en het buitengewoon onderwijs.

Evenwel wordt de uitvoering van dit programma beperkt tot de taken op de onderwijsniveaus en in de onderwijsvormen die binnen het werkgebied van het centrum worden georganiseerd.

Art. 2.

Het minimumprogramma omvat volgende taken :

1. het bekend maken, in het bijzonder t.o.v. de leerlingen, de personen die over hen de ouderlijke macht uitoefenen en het personeel van de onderwijsinrichtingen die tot het werkgebied van het centrum behoren, van de activiteiten die door het betrokken centrum worden georganiseerd;

2. het antwoorden op elke individuele vraag van een consultant;

3. voor iedere leerling die een eerste maal wordt ingeschreven in een onderwijsinrichting die tot het werkgebied van het centrum behoort en voor wie een schriftelijke toestemming tot begeleiding werd verstrekt, kennis nemen van de maatschappelijke, psycho-pedagogische, schoolse en/of somatische gegevens voor zover deze beschikbaar zijn.

Uit deze gegevens worden de mogelijke relevante elementen weerhouden in functie van de doelstellingen van de werkzaamheden, vermeld onder de hierna volgende punten 4 en 5.

Deze elementen worden in een individueel dossier aangebracht dat tevens omvat : de identificatiegegevens van de leerling, de toestemming tot begeleiding en, voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs, het inschrijvingsverslag, bedoeld in artikel 5 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs.

4. begeleidingswerkzaamheden ten behoeve van de leerlingen voor wie de onderwijs- en/of opvoedingskansen bedreigd of belemmerd worden wegens maatschappelijke, psycho-pedagogische, schoolse of somatische factoren;

5. begeleidingswerkzaamheden in functie van de overgang naar het lager, het secundair, het buitengewoon en het hoger onderwijs, evenals naar andere studie- en vormingsmogelijkheden of naar de beroepswereld.

Begeleidingswerkzaamheden m.b.t. het studie- en beroepskeuzeproces bestaan ten minste uit het verstrekken van informatie betreffende de onderwijsstructuur en/of de beroepswereld.

HOOFDSTUK II. - Vorm van het jaarprogramma

Art. 3.

Voor elk centrum wordt per dienstjaar een jaarprogramma opgesteld, waarin de planning wordt weergegeven van de uit te voeren werkzaamheden, die in het activiteitenprogramma werden vermeld.

Art. 4.

Het jaarprogramma dient de geplande werkzaamheden van ieder technisch personeelslid of van elke groep van technische personeelsleden van het betrokken centrum te vermelden.

Art. 5.

§ 1. Het jaarprogramma bevat volgende delen :

Deel I. - Gegevens betreffende het centrum.

Deel II. - Werkzaamheden ten behoeve van de consultanten van het centrum.

§ 2. Deel I bevat in volgorde :

benaming en adres van het centrum;
benaming van de inrichtende macht waartoe het centrum behoort;
naam en voornaam van de directeur van het centrum;
naam en voornaam van elk der andere technische personeelsleden, gerangschikt per ambt, en van de geneesheren, verbonden aan het centrum;
vermelding van het dienstjaar waarop het jaarprogramma betrekking heeft.

§ 3. Deel II bevat de werkzaamheden ten behoeve van de consultanten van het centrum.

De werkzaamheden worden, voor ieder technisch personeelslid of elke groep van technische personeelsleden, als volgt gespecificeerd :

de concrete aard van de werkzaamheden door de betrokkene(n) zal (zullen) worden vervuld, in uitvoering van het minimumprogramma en van het activiteitenprogramma;
de onderwijsinrichtingen, -niveaus en -vormen en de consultantencategorieën voor wie de activiteiten bestemd zijn;
de periode waarin de uitvoering van de respectieve werkzaamheden wordt gepland.

Art. 6.

Het jaarprogramma wordt ondertekend en gedateerd door de directeur van het centrum en,indien het een gesubsidieerd centrum betreft, tevens door de mandataris van de betrokken inrichtende macht.

HOOFDSTUK III. - Vorm van het activiteitenprogramma van gesubsidieerde centra

Art. 7.

Het activiteitenprogramma van gesubsidieerde centra omvat de activiteiten die worden afgeleid uit de respectieve opdrachten, bepaald in de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962, in artikel 2 van onderhavig besluit, en uit de vormingsactiviteiten, bedoeld in artikel 5, § 1, 2, b, van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962.

Art. 8.

Het activiteitenprogramma dient betrekking te hebben op alle centra die ressorteren onder de inrichtende macht die het programma bepaalt.

Art. 9.

§ 1. Het activiteitenprogramma bevat volgende delen :

Deel I. - Gegevens betreffende de inrichtende macht en de centra;

Deel II. - Activiteiten ten behoeve van de consultanten van de centra;

Deel III. - Vormingsactiviteiten ten behoeve van het technisch personeel.

§ 2. Deel I bevat in volgorde :

identiteit van de inrichtende macht;
identiteit en adres van de mandataris;
lijst met de benamingen en adressen van de centra die onder de inrichtende macht ressorteren;
vermelding van het dienstjaar waarin het programma in werking dient te treden.

§ 3. Deel II bevat de krachtlijnen die de inrichtende macht in de werking van de centra, die onder haar verantwoordelijkheid ressorteren, wenst te benadrukken.

De activiteiten worden zo gerubriceerd en geformuleerd dat hieruit blijkt welke werkzaamheden worden bedoeld en welke hiervan de doelstellingen zijn.

Tevens moet worden vermeld uit welke opdrachten, bepaald in de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 en in artikel 2 van onderhavig besluit, de respectieve activiteiten worden afgeleid.

§ 4. Deel III bevat de vormingsactiviteiten ten behoeve van het technisch personeel van de centra.

Deze activiteiten worden zo omschreven dat hieruit blijkt welke hun aard, hun doelstellingen en hun maximumduur zijn, en voor welke ambten van het technisch personeel zij bestemd zijn. Voor de vormingsactiviteiten die niet voorzien kunnen worden, dient uitsluitend de maximumduur vermeld.

Art. 10.

Het activiteitenprogramma en elke wijziging aan dit programma worden ondertekend en gedateerd door de mandataris, en ter goedkeuring aan de Minister voorgelegd.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling

Art. 11.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1981.