Bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    14 JULI 1998
  • publicatiedatum
    B.S.30/09/1998
  • datum laatste wijziging
    01/09/2015
  • erratum
    B.S.28-4-2010

COORDINATIE

Bijz. Decr. 4-4-2014 - B.S. 19-6-2014

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

TITEL I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit bijzonder decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit bijzonder decreet wordt onder gemeenschapsonderwijs begrepen, het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van :

1° het onderwijs ingericht door de universiteiten;

2° het onderwijs ingericht door de hogescholen;

3° het hoger zeevaartonderwijs;

4° het onderwijs georganiseerd door gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand;

5° het schriftelijk onderwijs.

TITEL II. - Algemene bepalingen

Art. 3.

Bij de Vlaamse regering, hierna regering te noemen, wordt onder de benaming "het Gemeenschapsonderwijs" een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de zetel van het Gemeenschapsonderwijs.

Art. 4.

§ 1. Met uitsluiting van ieder ander orgaan zijn de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs de inrichtende macht van het in artikel 2 bedoelde onderwijs, binnen de bevoegdheden die door en krachtens dit bijzonder decreet worden toegekend.

§ 2. De inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs bezitten al de bevoegdheden die rechtstreeks of onrechtstreeks noodzakelijk of nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdracht, met inbegrip van het oprichten van of deelnemen in andere rechtspersonen.

§ 3. In de uitoefening van de bevoegdbeden bedoeld in § 2 worden geen middelen die de inrichtende machten van de Vlaamse Gemeenschap ontvangen, gebruikt voor de financiering van deze andere rechtspersonen, en worden geen bevoegdheden die voortspruiten uit artikel 24, § 2, van de Grondwet, afgestaan.

TITEL III. - De structuur van het Gemeenschapsonderwijs

HOOFDSTUK I. - Bestuursniveaus van het Gemeenschapsonderwijs

Art. 5.

§ 1. De bestuursniveaus van het Gemeenschapsonderwijs zijn :

1° het lokale niveau : de scholen;

2° het meso-niveau : de scholengroepen;

3° het centrale niveau : het niveau waar artikel 127, § 2, van de Grondwet op van toepassing is.

§ 2. Elke school wordt bestuurd door een directeur, bijgestaan door een adviserende schoolraad. Schoolraden van hetzelfde onderwijsniveau die in eenzelfde omgeving zijn gevestigd, kunnen één schoolraad vormen. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de wijze waarop de nieuwe schoolraad wordt gevormd.

§ 3. De scholengroepen worden bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur.

§ 4. Het centrale niveau wordt bestuurd door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de afgevaardigd-bestuurder.

§ 5. De raden van bestuur van de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs dragen de juridische aansprakelijkheid voor de hen door dit bijzonder decreet verleende bevoegdheden, en voeren de op hun door dit bijzonder decreet verleende bevoegdheden betrekking hebbende gedingen.

§ 6. Een scholengroep is een geografisch samenhangende entiteit waarin onderwijsinstellingen van alle niveaus en een centrum voor leerlingenbegeleiding kunnen vertegenwoordigd zijn, en die tenminste basisonderwijs en secundair onderwijs aanbiedt.

Art. 6.

§ 1. De leden van de bestuursorganen en van de schoolraden ondertekenen de verklaring van gehechtheid aan het gemeenschapsonderwijs, de neutraliteitsverklaring en het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs. Deze ondertekening gebeurt bij de aanvaarding van het lidmaatschap van een bestuursorgaan of van een schoolraad van het Gemeenschapsonderwijs.

§ 2. Bij de samenstelling van de bestuursorganen en van de schoolraden van het Gemeenschapsonderwijs worden de rechten van de ideologische en filosofische minderheidsstrekkingen gewaarborgd.

HOOFDSTUK II. - De scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding

Afdeling 1. - De schoolraden

Onderafdeling A. - Samenstelling

Art. 7.

§ 1. De schoolraad is samengesteld uit :

1° drie stemgerechtigde leden, rechtstreeks verkozen door en uit de ouders van de regelmatige leerlingen, uitgezonderd in het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs voor volwassenen, waar de meerderjarige cursisten kiesgerechtigd en verkiesbaar zijn;

2° drie stemgerechtigde leden, rechtstreeks verkozen door en uit het personeel, tewerkgesteld in een onder de schoolraad ressorterende school;

3° twee meerderjarige stemgerechtigde leden, door de groepen onder 1° en 2° gecoöpteerd uit de lokale sociale, economische en culturele milieus;

4° de directeur, die de vergaderingen bijwoont met raadgevende stem;

[5° in het secundair onderwijs twee stemgerechtigde leden, aangewezen door de leerlingenraad. Indien er geen leerlingenraad bestaat of indien de leerlingenraad ervoor kiest geen gebruik te maken van die mogelijkheid, dan worden de leden rechtstreeks verkozen door en uit de leerlingen. In het buitengewoon secundair onderwijs oordeelt de directeur in overleg met de pedagogische raad over de opportuniteit van een of meer leerlingen in de schoolraad, rekening houdend met de mogelijkheden en de draagkracht van de leerlingen. Wanneer de school opleidingsvorm 4 aanbiedt, is de opname van een of meer leerlingen verplicht.]

§ 2. Voor de verkiezingen bedoeld in § 1, 1°, is ieder die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent over een kind dat ingeschreven is in een onder de schoolraad ressorterende school, stemgerechtigd en verkiesbaar. Meerderjarige leerlingen en ontvoogde minderjarigen zijn stemgerechtigd, maar niet verkiesbaar. Niemand kan over meer dan een stem beschikken.

§ 3. De rechtstreeks verkozen leden uit § 1, 1°, voltooien hun mandaat in de schoolraad ook nadat :

1° hun kinderen de school verlaten hebben;

2° zijzelf als cursist in het onderwijs voor sociale promotie de school hebben verlaten.

§ 4. De rechtstreeks verkozen leden bedoeld in § 1, 2°, beëindigen van rechtswege han mandaat wanneer ze niet langer tewerkgesteld zijn in een onderwijsinstelling die onder de schoolraad ressorteert.

§ 5. De schoolraden worden verkozen voor een periode van vier jaar, met uitzondering van het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs, waar de schoolraad voor een periode van twee jaar wordt gekozen.

§ 6. Een verkozen lid van de schoolraad dat zijn mandaat voortijdig beëindigt, wordt opgevolgd door diegene die bij de laatste verkiezing de eerste niet verkozen kandidaat was. Bij voortijdige beëindiging van een mandaat van gecoöpteerd lid, gebeurt er een nieuwe coöptatie. Het aldus verkozen of gecoöpteerd lid voleindigt het mandaat.

§ 7. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs stelt de kiesprocedure voor de schoolraden vast en bepaalt de wijze waarop de coöptatie van de leden, bedoeld in § 1, 3°, gebeurt.

Bijz. Decr. 4-4-2014

Art. 8.

De schoolraad kiest onder de leden, bedoeld in artikel 7, § 1,1° en 3°, een voorzitter.

Art. 9.

§ 1. Met het stemgerechtigd lidmaatschap van een schoolraad is onverenigbaar :

1° het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een regering, een bestendige deputatie, of de hoedanigheid van burgemeester;

2° de hoedanigheid van personeelslid van de school;

3° bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad, of de hoedanigheid van echtgenoot of samenwonende partner met een persoon bedoeld in 2°;

4° de hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van een scholengroep van het gemeenschapsonderwijs;

5° de hoedanigheid van personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst;

6° de hoedanigheid van accountant belast met het financieel toezicht op het gemeenschapsonderwijs;

7° de hoedanigheid van verantwoordelijk leider, vast gevolmachtigde of vast afgevaardigde van een vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van het onderwijs behartigt;

8° de hoedanigheid van personeelslid van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap;

9° de hoedanigheid van personeelslid of lid van het bestuur van een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs of van een gesubsidieerd centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;

10° het lidmaatschap van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;

11° het lidmaatschap van een andere schoolraad.

§ 2. De onverenigbaarheden, bedoeld in § 1, 2° en 3°, gelden niet voor de door de personeelsleden verkozen leden van de schoolraad.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden en werking

Art. 10.

In het secundair onderwijs bepaalt de schoolraad de wijze waarop de leerlingen worden betrokken bij de werking van de schoolraad. Hij kan daartoe een leerlingenraad oprichten.

Art. 11.

§ 1. De schoolraad heeft volgende bevoegdheden :

1° advies aan de directeur inzake :

a) de algemene organisatie van de school;

b) de werving van leerlingen of cursisten;

c) de organisatie van extra muros-activiteiten en parascolaire activiteiten

d) het schoolbudget;

e) het schoolwerkplan.

2° advies aan de raad van bestuur en de algemeen directeur inzake :

a) de toewijzing van het mandaat van directeur;

b) de programmatie van het studieaanbod;

c) de schoolinfrastructuur;

d) de organisatie van het leerlingenvervoer.

3° overleg met de directeur inzake :

a) het vastleggen van de criteria voor de aanwending van het lestijdenpakket;

b) de organisatie van de niet-lesgebonden opdrachten;

c) welzijn en veiligheid op de school;

d) het schoolreglement.

§ 2. De schoolraad stelt een eigen reglement van orde op.

§ 3. De organen van het Gemeenschapsonderwijs die bevoegd zijn beslissingen te nemen in de in § 1 genoemde aangelegenheden, kunnen slechts rechtsgeldig beslissen indien het advies van de schoolraad is gegeven. Indien de schoolraad in de aangelegenheden bedoeld in § 1, 1° en 2°, geen advies geeft binnen een termijn van 21 kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de vraag om advies, kan het bevoegde orgaan vrij een beslissing nemen.

§ 4. De schoolraad kan voor aangelegenheden bedoeld in § 1, 1° en 2°, en voor andere aangelegenheden op eigen initiatief een advies geven aan de directeur, de raad van bestuur en de algemeen directeur.

§ 5. Andere advies- en overlegbevoegdheden kunnen bij decreet of besluit worden verleend aan de schoolraad.

Art. 12.

§ 1. De schoolraad heeft het recht informatie te vragen over beslissingen van de directeur en van de bestuursorganen van de scholengroep die het schoolleven beïnvloeden.

§ 2. De bestuursorganen van de scholengroep moeten de vraag om informatie van de schoolraad binnen een redelijke termijn beantwoorden.

Art. 13.

De schoolraad formuleert zijn advies bij gewone meerderheid. De schoolraad kan slechts geldig adviseren wanneer meer dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is. Voor de bepaling van het meederheidsquorum worden onthoudingen, ongeldige stemmen en blanco stemmen niet meegeteld.

Afdeling 2. - De directeur

Art. 14.

§ 1. De directeur is bevoegd voor :

1° de algemene en pedagogische organisatie van de school;

2° het schoolwerkplan;

3° het opstellen van het schoolreglement;

4° het vaststellen van de ambtsbevoegdheden van de personeelsleden;

5° het opstellen van de functiebeschrijvingen van de personeelsleden;

6° de begeleiding en evaluatie van de personeelsleden;

7° het formuleren van voorstellen voor de vaste benoeming van personeelsleden;

8° de tijdelijke aanstelling van personeelsleden ten behoeve van de scholen;

9° de uitvoering van de vernieuwingsprojecten;

10° de vaststelling van de behoeften van het onderwijzend personeel inzake navorming;

11° maatregelen van orde en tucht tegen de leerlingen;

12° de toepassing van de toelatingsvoorwaarden in het onderwijs voor sociale promotie;

13° de organisatie van extra muros-activiteiten en parascolaire activiteiten;

14° de aanwending van het door de scholengroep toegekende schoolbudget;

15° de externe relaties van de school;

16° daden van behoud en daden van voorlopig beheer aan de schoolinfrastructuur, en de uitvoering van de kleine infrastructuurwerken.

§ 2. De directeur heeft de bevoegdheid om in de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 13°, 15° en 16°, overeenkomsten te sluiten, met inbegrip van overeenkomsten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

§ 3. De directeur kan daarnaast bevoegdheden uitoefenen die hem door de raad van bestuur of de algemeen directeur van de scholengroep gedelegeerd worden.

§ 4. De directeur kan de bij dit artikel toegewezen bevoegdheden aan een personeelslid van de school delegeren.

Art. 15.

Het mandaat van directeur wordt toegewezen en beëindigd onder de voorwaarden en op de wijze zoals bij decreet bepaald.

Afdeling 3. - De directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding

Art. 16.

§ 1. De directeur is bevoegd voor :

1° de algemene organisatie van het centrum voor leerlingenbegeleiding;

2° het opstellen van een beleidsplan of een beleidscontract;

3° het vaststellen van de ambtsbevoegdheden van de personeelsleden;

4° het opstellen van de functiebeschrijvingen van de personeelsleden;

5° de begeleiding en evaluatie van de personeelsleden;

6° het formuleren van voorstellen voor de benoeming van personeelsleden;

7° de tijdelijke aanstelling van personeelsleden;

8° de uitvoering van de vernieuwingsprojecten;

9° de aanwending van het door de scholengroep toegekende budget;

10° de externe relaties van het centrum voor leerlingenbegeleiding;

11° daden van behoud en daden van voorlopig beheer en kleine infrastructuurwerken.

§ 2. De directeur heeft de bevoegdheid om binnen de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomsten te sluiten.

§ 3. De directeur kan daarnaast bevoegdheden uitoefenen die hem door de raad van bestuur of door de algemeen directeur van de scholengroep gedelegeerd worden.

HOOFDSTUK III. - De scholengroepen

Afdeling 1. - De algemene vergadering

Onderafdeling A. - Samenstelling

Art. 17.

§ 1. De algemene vergadering wordt gevormd door twee afgevaardigden per schoolraad die onder de scholengroep ressorteert, en de voorzitter van de raad van bestuur, die de algemene vergadering voorzit.

§ 2. Een afgevaardigde van elke schoolraad wordt gekozen door en uit de in artikel 7, § 1, 1° en 3°, bedoelde leden van de schoolraad. Een afgevaardigde van elke schoolraad wordt verkozen door en uit de in artikel 7, § 1, 2°, bedoelde leden van de schoolraad. De vertegenwoordigers van de schoolraden kunnen voor elke vergadering opnieuw worden aangeduid.

§ 3. De algemeen directeur woont de vergaderingen van de algemene vergadering bij.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden en werking

Art. 18.

§ 1. De algemene vergadering bekrachtigt :

1° de begroting en de jaarrekening;

2° de aanstelling van de algemeen directeur door de raad van bestuur.

§ 2. Indien de algemene vergadering een beslissing zoals bedoeld in § 1 niet bekrachtigt, formuleert de raad van bestuur binnen een termijn van 21 kalenderdagen vanaf de datum van de beslissing van de algemene raad een nieuw voorstel.

Art. 19.

De algemene vergadering is bevoegd om bij beslissing van ten minste tweederden van de uitgebrachte stemmen het mandaat van de algemeen directeur te beëindigen. Voor de bepaling van het meerderheidsquorum worden onthoudingen, ongeldige stemmen en blanco stemmen niet meegeteld.

Art. 20.

§ 1. De voorzitter van de raad van bestuur roept de algemene vergadering samen op eigen initiatief, of op vraag van ten minste een derde van de schoolraden van de scholengroep.

§ 2. De raad van bestuur stelt een eigen reglement van orde op en bepaalt het reglement van orde van de algemene vergadering.

§ 3. De bekrachtigingsbeslissingen bedoeld in artikel 18, § 1, kunnen alleen rechtsgeldig worden genomen indien de helft plus een van de leden aanwezig zijn. Indien dit quorum niet wordt bereikt, roept de voorzitter van de raad van bestuur binnen de 21 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van de eerste vergadering een nieuwe vergadering samen waarop hetzelfde punt geagendeerd wordt. Indien bij de tweede vergadering het quorum niet wordt bereikt, zijn de voorgelegde beslissingen van rechtswege bekrachtigd.

Afdeling 2. - De raad van bestuur van de scholengroepen

Onderafdeling A. - Samenstelling

Art. 21.

§ 1. De raad van bestuur van een scholengroep is samengesteld uit :

1° zes meerderjarige stemgerechtigde leden, rechtstreeks verkozen door de leden van de schoolraden;

2° drie meerderjarige stemgerechtigde leden, gecoöpteerd door de in 1° bedoelde verkozenen, op voorstel van het college van directeurs;

3° de algemeen directeur, die een raadgevende stem heeft.

§ 2. De raad van bestuur wordt verkozen voor een periode van vier jaar.

§ 3. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs stelt de kiesprocedure voor de raden van bestuur vast en bepaalt de wijze waarop de coöptatie van de leden van de raden van bestuur, bedoeld in § 1, 2°, gebeurt.

§ 4. Een verkozen lid van de raad van bestuur dat zijn mandaat voortijdig beëindigt, wordt opgevolgd door degene die bij de laatste verkiezing het best gerangschikt was. Bij het voortijdig beëindigen van het mandaat van een gecoöpteerd lid, gebeurt een nieuwe coöptatie. Het aldus verkozen of gecoöpteerd lid voleindigt het mandaat.

§ 5. Een stemgerechtigd lid van de raad van bestuur dat op drie opeenvolgende vergaderingen zonder geldige verontschuldiging afwezig blijft, kan door de raad van bestuur worden opgeroepen om zich te verantwoorden op de eerstvolgende vergadering van de raad van bestuur, die ten vroegste 21 dagen na de voorgaande vergadering plaats heeft. Blijft de betrokkene op deze vergadering zonder geldige reden afwezig, of oordeelt een meerderheid van de overige stemgerechtigde leden dat de gegeven verklaring de afwezigheden niet kan rechtvaardigen, dan verliest het betrokken lid van rechtswege zijn mandaat. Blijft betrokkene op deze vergadering met een geldige reden afwezig, dan wordt dit punt op een volgende vergadering geagendeerd.

Art. 22.

Het stemgerechtigd lidmaatschap van de raad van bestuur is onverenigbaar met :

1° het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een regering, een bestendige deputatie, of de hoedanigheid van burgemeester;

2° de hoedanigheid van personeelslid van het gemeenschapsonderwijs;

3° de hoedanigheid van lid van het bestuur van een andere scholengroep van het gemeenschapsonderwijs, behoudens voor de algemeen directeur;

4° het lidmaatschap van een schoolraad;

5° de hoedanigheid van personeelslid of lid van het bestuur van een inrichtende macht of van een schoolbestuur van het gesubsidieerd onderwijs of van een gesubsidieerd centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;

6° het lidmaatschap van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;

7° de hoedanigheid van personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst;

8° de hoedanigheid van accountant belast met het financieel toezicht op het gemeenschapsonderwijs;

9° de hoedanigheid van verantwoordelijk leider, vast gevolmachtigde of vast afgevaardigde van een vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van het onderwijs behartigt;

10° de hoedanigheid van personeelslid van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden en werking

Art. 23.

§ 1. De raad van bestuur heeft volgende bevoegdheden :

1° inzake algemeen beleid :

a) de oprichting, samenvoeging en afschaffing van onderwijsinstellingen, centra voor leerlingenbegeleiding en vestigingsplaatsen, binnen de grenzen die worden gesteld door het grondwettelijk beginsel van de vrije keuze;

b) het formuleren van voorstellen tot oprichting, samenvoeging en afschaffing van scholengroepen;

c) het formuleren van voorstellen tot oprichting, samenvoeging en afschaffing van scholengemeenschappen met inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs;

d) het organiseren van de vrijwillige samenwerking met andere scholengroepen;

e) het aangaan van samenwerkingsakkoorden met inrichtende machten of schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;

f) het beslechten van geschillen tussen scholen of schoolraden en tussen het centrum voor leerlingenbegeleiding en scholen binnen de scholengroep;

g) het beheer van de autonome internaten.

2° inzake het pedagogisch beleid :

a) het bekrachtigen van de schoolreglementen, bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van dit bijzonder decreet;

b) de organisatie van de werking van het centrum voor leerlingenbegeleiding, op advies van het college van directeurs; de organisatie van een centrum voor leerlingenbegeleiding dat meer dan een scholengroep bedient, komt toe aan de scholengroep met het grootst aantal leerlingen;

c) de verdeling van de studiegebieden en de programmatie van studierichtingen;

d) het formuleren van voorstellen aan de afgevaardigd-bestuurder inzake de programmatie van unieke studierichtingen;

e) het sluiten van de overeenkomst met een centrum voor leerlingenbegeleiding.

3° inzake het personeelsbeleid :

a) de benoeming van personeelsleden overeenkomstig het personeelsstatuut;

b) de toewijzing en beëindiging van het mandaat van directeur en het mandaat van algemeen directeur;

c) de aanstelling van de overige leden van het bestuurspersoneel, op voordracht van het college van directeurs;

d) maatregelen inzake tucht en orde met betrekking tot personeelsleden;

e) beslissingen over de taakverdeling van de leden van het bestuurspersoneel van de scholengroep.

4° inzake het materieel en financieel beleid :

a) het beheer en de toewijzing van de middelen van de scholengroep aan de scholen en het centrum voor leerlingenbegeleiding;

b) het voeren van het boekhoudkundig plan;

c) het afsluiten van overeenkomsten ten bezwarende titel, uitgezonderd deze met betrekking tot zakelijke rechten en onverminderd het andersbepaalde in dit bijzonder decreet;

d) de goedkeuring van de begroting en de jaarrekening van de scholengroep, op voorstel van de algemeen directeur;

e) het formuleren van voorstellen tot verwerving of vervreemding van onroerende goederen;

f) het formuleren van voorstellen voor nieuwbouw of verbouwingen;

g) het sluiten van overeenkomsten inzake de huur en de verhuring van gebouwen; de duur van de overeenkomsten inzake verhuring van gebouwen is niet langer dan 9 jaar;

h) het beleid inzake de contractuele personeelsleden;

i) de verdeling tussen de scholen van de middelen voor kleine infrastructuurwerken en voor beslissingen inzake daden van behoud en de middelen voor daden van voorlopig beheer aan de schoolinfrastructuur;

j) het innen van de inschrijvingsgelden van de cursisten.

§ 2. De beslissingen bedoeld in § 1, 2°, b), worden genomen in overleg met de algemeen directeurs van de scholengroepen waarvoor het centrum voor leerlingenbegeleiding de begeleiding doet.

§ 3. De raden van bestuur van de scholengroepen zijn bevoegd voor alle aangelegenheden die bij dit bijzonder decreet niet uitdrukkelijk aan andere bestuursorganen zijn toegewezen.

Art. 24.

§ 1. De raad van bestuur kan slechts rechtsgeldig beslissen indien meer dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is. De raad van bestuur neemt zijn beslissingen bij gewone meerderheid. Voor de bepaling van het meerderheidsquorum worden onthoudingen, ongeldige stemmen en blanco stemmen niet meegeteld.

§ 2. De raad van bestuur vergadert minstens vier keer per schooljaar.

§ 3. De raad van bestuur kan de hem bij dit bijzonder decreet toegekende bevoegdheden, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, a) tot en met f), 2°, a), d) en e), 3°, a) tot en met c), 4°, a), d) tot en met g), delegeren aan de algemeen directeur.

§ 4. De bevoegdheid om de tuchtmaatregel van ontslag uit te spreken, kan niet worden gedelegeerd.

Art. 25.

§ 1. De raad van bestuur stelt onder zijn leden een voorzitter aan en stelt een reglement van orde op.

§ 2. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de procedure voor de aanstelling van de voorzitters van de raden van bestuur.

Afdeling 3. - Het college van directeurs

Onderafdeling A. - Samenstelling

Art. 26.

§ 1. Het college van directeurs is samengesteld uit :

1° de directeurs van de scholen die tot de scholengroep behoren;

2° de directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding dat tot de scholengroep behoort, volgens het criterium bepaald in artikel 23, § 1, 2°, b), van dit decreet.

§ 2. Elk lid van het college van directeurs is stemgerechtigd.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden en werking

Art. 27.

§ 1. Inzake algemeen beleid kan het college van directeurs afspraken maken tussen de scholen van de scholengroep, voorstellen formuleren en adviezen geven aan de raad van bestuur van de scholengroep en aan de algemeen directeur, en kan het eigen punten op de agenda van de raad van bestuur van de scholengroep laten plaatsen. Het college kan slechts rechtsgeldig beslissen indien meer dan de helft van de leden aanwezig is. Het college neemt zijn beslissingen bij gewone meerderheid.

§ 2. Het college van directeurs bereidt de vergaderingen van de raad van bestuur voor en staat in voor de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur. De algemeen directeur zit het college van directeurs voor.

§ 3. Inzake het pedagogisch beleid is het college van directeurs bevoegd voor :

1° het formuleren van voorstellen aan de raad van bestuur met betrekking tot de organisatie en de werking van het centrum voor leerlingenbegeleiding;

2° het maken van taakafspraken voor het centrum voor leerlingenbegeleiding;

3° het maken van algemene afspraken inzake oriëntatie van leerlingen;

4° de organisatie van de beroepsprocedure voor maatregelen inzake orde en tucht tegen leerlingen en cursisten;

5° het formuleren van voorstellen inzake de verdeling van studiegebieden en de programmatie van studierichtingen.

§ 4. Inzake het personeelsbeleid is het college van directeurs bevoegd voor :

1° het beheer van de loopbaan van de personeelsleden;

2° het maken van afspraken inzake de werving van personeelsleden;

3° het maken van afspraken inzake de lesbevoegdheid van het onderwijzend personeel;

4° de coördinatie van de functiebeschrijvingen en evaluatiemechanismen;

5° de vaststelling van de behoeften inzake nascholing van het ander personeel dan bedoeld in artikel 14, § 1, 10°, en de coördinatie van de vraag inzake nascholing binnen de scholengroep;

6° het voordragen van bestuurspersoneel aan de raad van bestuur;

7° de planning van de inzetbaarheid van het ondersteunend personeel.

Afdeling 4. - De algemeen directeur

Onderafdeling A. - Aanduiding

Art. 28.

§ 1. Het mandaat van algemeen directeur wordt door de raad van bestuur toegewezen. Alleen directeurs van scholen van de scholengroep komen in aanmerking voor het mandaat van algemeen directeur.

§ 2. De procedure voor de toewijzing en beëindiging van het mandaat van algemeen directeur wordt bij decreet bepaald.

§ 3. Het geldelijk statuut van de algemeen directeur wordt bij decreet bepaald.

Art. 29.

Het mandaat van algemeen directeur kan worden beëindigd op de wijze zoals bepaald in de artikelen 19, 23, § 1, 3°, b), en 35, 2°, van dit bijzonder decreet.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden

Art. 30.

§ 1. De algemeen directeur is bevoegd voor :

1° het opstellen van het jaarverslag van de scholengroep inzake de algemene werking, de financiële toestand en de kwaliteitsbewaking;

2° het opstellen van een budgettair meerjarenplan voor de scholengroep;

3° het opstellen van de begroting van de scholengroep;

4° de taakverdeling van het ondersteunend personeel, het opvoedend hulppersoneel, en administratief personeel van de scholengroep;

5° het beheer van de gemeenschappelijke keukenvoorzieningen;

6° het beheer en de invulling van het contractuele personeelskader;

7° de kleine infrastructuurwerken;

8° het formuleren van voorstellen aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs inzake grote infrastructuurwerken en de uitvoering van de grote infrastructuurwerken in samenwerking met de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;

9° de organisatie van het leerlingenvervoer;

10° het opstellen en uitvoeren van een remediëringsplan, in toepassing van de artikelen 52 en 57 van dit bijzonder decreet;

11° het formuleren van voorstellen aan de raad van bestuur met betrekking tot de taakverdeling van de leden van het bestuurspersoneel.

Voor de bevoegdheden sub 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, kan hij in naam en voor rekening van de scholengroep alle overeenkomsten sluiten, met inbegrip van overeenkomsten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

§ 2. In geval van hoogdringendheid kan de algemeen directeur beslissingen nemen om de belangen van de scholengroep te vrijwaren. Deze beslissingen dienen op de eerstvolgende raad van bestuur te worden voorgelegd, die ze kan herroepen of wijzigen voorzover aan de beslissingen nog geen uitvoering is gegeven.

§ 3. Voor alle aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de scholengroep of de scholen vertegenwoordigt de algemeen directeur het Gemeenschapsonderwijs in en buiten rechte.

§ 4. De algemeen directeur kan de hem bij dit bijzonder decreet toegewezen bevoegdheden, met uitzondering van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 10° en 11°, en de hem gedelegeerde bevoegdheden delegeren binnen de scholengroep aan de directeur of het hoofd van een instelling. Deze delegatie is slechts mogelijk na goedkeuring door de Raad van Bestuur.

HOOFDSTUK IV. - Het niveau van de Vlaamse Gemeenschap

Afdeling 1. - De Raad van het Gemeenschapsonderwijs

Onderafdeling A. - Samenstelling

Art. 31.

§ 1. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs, hierna de Raad genoemd, is samengesteld uit :

1° vijf leden, rechtstreeks verkozen door een kiescollege dat bestaat uit de in artikel 7, § 1, 1° en 3°, bedoelde leden van de schoolraden;

2° vijf leden, die worden verkozen door een kiescollege, dat bestaat uit de directeurs en de in artikel 7, § 1, 2°, bedoelde leden van de schoolraad :

3° drie leden die worden aangeduid door de Vlaamse universiteiten met een pedagogische faculteit, op voordracht van de faculteiten pedagogie, economie en rechten van deze universiteiten;

4° twee leden die gezamenlijk worden aangeduid door de Vlaamse Autonome Hogescholen.

§ 2. De Raad wordt verkozen voor een periode van vier jaar. De regering legt de kiesprocedure voor de Raad vast, op voorstel van de Raad.

§ 3. Alle leden van de Raad zijn stemgerechtigd.

§ 4. De afgevaardigd bestuurder woont de vergaderingen van de Raad bij met raadgevende stem.

§ 5. Een verkozen lid van de Raad dat zijn mandaat voortijdig beëindigt, wordt opgevolgd door diegene die bij de laatste verkiezing de eerste niet verkozen kandidaat was. De leden bedoeld in § 1, 3° en 4°, die hun mandaat voortijdig beëindigen, worden opgevolgd door leden die de universiteiten of hogescholen aanduiden. Het aldus verkozen of aangeduid lid voleindigt het mandaat.

Art. 32.

Met het lidmaatschap van de Raad is onverenigbaar :

1° het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een regering, een bestendige deputatie, of de hoedanigheid van burgemeester;

2° de hoedanigheid van personeelslid van het gemeenschapsonderwijs, behalve voor de leden bedoeld in artikel 31, 2°;

3° de hoedanigheid van lid van een bestuursorgaan van een scholengroep van het gemeenschapsonderwijs;

4° de hoedanigheid van personeelslid of van lid van een schoolbestuur of een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs of van een gesubsidieerd centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;

5° de hoedanigheid van personeelslid van de diensten van de Raad;

6° de hoedanigheid van personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst;

7° de hoedanigheid van personeelslid van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap;

8° de hoedanigheid van accountant belast met het toezicht op de organen van het Gemeenschapsonderwijs;

9° de hoedanigheid van verantwoordelijk leider, vast gevolmachtigde of vast afgevaardigde van een vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van het onderwijs behartigt;

10° de hoedanigheid van personeelslid van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;

11° de hoedanigheid van algemeen directeur van een scholengroep van het gemeenschapsonderwijs.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden en werking

Art. 33.

§ 1. Inzake algemeen beleid is de Raad bevoegd voor :

1° het opstellen van de neutraliteitsverklaring en de verklaring van gehechtheid aan het gemeenschapsonderwijs;

2° de interne kwaliteitszorg van het gemeenschapsonderwijs, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder;

3° het uitwerken van een algemeen strategisch plan voor het gemeenschapsonderwijs, met inbegrip van het formuleren van voorstellen aan de raden van bestuur van scholengroepen inzake onderwijsorganisatie en studieaanbod in het kader van de vrijwaring van de grondwettelijk gewaarborgde keuzevrijheid;

4° de beslissing over het oprichten, samenvoegen en afschaffen van een scholengroep, op voorstel van de raad van bestuur van de scholengroepen waarbij de weigering tot bekrachtiging moet worden gemotiveerd;

5° de beslissing over het oprichten, samenvoegen en afschaffen van scholengemeenschappen met inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, op voorstel van de raad van bestuur van de Scholengroepen waarbij de weigering tot bekrachtiging moet worden gemotiveerd;

6° het oprichten, samenvoegen en afschaffen van interne adviesorganen en pedagogische diensten, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder :

7° de programmatie van unieke studierichtingen, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder;

8° de vernietiging van beslissingen tot afschaffing van scholen, internaten, vestigingsplaatsen, of centra voor leerlingenbegeleiding wanneer dit de grondwettelijk gewaarborgde keuzevrijheid in gevaar brengt;

9° de ondersteuning van de andere bestuursniveaus, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder;

10° het opstellen van een procedure voor de aanstelling van de algemeen directeur van een scholengroep, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder;

11° de goedkeuring van het jaarverslag, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder;

12° de toewijzing en beëindiging van het mandaat van afgevaardigd-bestuurder;

13° het afsluiten van samenwerkingsakkoorden met het gesubsidieerd onderwijs en andere instellingen of diensten ter uitvoering van zijn bevoegdheden.

§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel 33, § 1, 4° en 5°, kan de Raad na de tweede weigering tot bekrachtiging een beslissing nemen in de plaats van de raad van bestuur van een scholengroep. Elke weigeringsbeslissing wordt gemotiveerd.

Art. 34.

Inzake het pedagogisch beleid is de Raad bevoegd voor :

1° het opstellen van het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs;

2° het opstellen van de leerplannen en de aanvaarding van de door scholen ingediende leerplannen;

3° de organisatie van de pedagogische begeleiding.

Art. 35.

Inzake personeelsbeleid is de Raad bevoegd voor :

1° de organisatie van nascholing, op basis van de vraag vanuit de lokale bestuursniveaus en de organisatie van het vormingscentrum van de centra voor leerlingenbegeleiding;

2° de beëindiging van het mandaat van een directeur en van de algemeen directeur, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder, wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 58.

Art. 36.

Inzake materieel en financieel beleid is de Raad bevoegd voor :

1° de goedkeuring van de eigen begroting en jaarrekeningen, op voorstel van de afgevaardigdbestuurder;

2° het vaststellen van criteria voor de verdeling tussen de scholengroepen van werkingsmiddelen, middelen voor eigenaarsonderhoud en kleine infrastructuurwerken;

3° het vastleggen van de algemene bouwplanning, de planning van grote infrastructuurwerken, en voor de zware didactische apparatuur op basis van voorstellen van de scholengroepen en op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder;

4° de uitvoering van de in 3° bedoelde werken, in samenwerking met de betrokken scholengroep;

5° het opstellen van een algemeen plan voor het leerlingenvervoer;

6° het verwerven, beheren en vervreemden van onroerende goederen, op voorstel van de raad van bestuur van een scholengroep.

Art. 37.

§ 1. De Raad kan slechts rechtsgeldig beslissen in aanwezigheid van meer dan de helft van de stemgerechtigde leden. De Raad beslist bij gewone meerderheid, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 33, § 1, 1°, en artikel 34, 1°, waarvoor een tweederde meerderheid nodig is om geldig te beslissen. Voor de bepaling van het meerderheidsquorum worden onthoudingen, ongeldige stemmen en blanco stemmen niet meegeteld.

§ 2. De Raad verkiest onder zijn leden, bedoeld in artikel 31, 1°, 3° en 4°, een voorzitter. De regering bepaalt de procedure voor de verkiezing van de voorzitter van de Raad.

§ 3. De Raad stelt een eigen reglement van orde op.

§ 4. De leden van de Raad onthouden zich van het beraadslagen en het stemmen over aangelegenheden die de school waar ze zijn tewerkgesteld of de scholengroep waaronder de school, het centrum voor leerlingenbegeleiding en het internaat waar ze zijn tewerkgesteld, ressorteert, betreffen.

Art. 38.

De Raad kan de in dit bijzonder decreet toegewezen bevoegdheden, behoudens deze bedoeld in artikel 33, § 1, 1°, en artikel 34, 1°, delegeren aan de afgevaardigd-bestuurder.

Afdeling 2. - De afgevaardigd-bestuurder

Onderafdeling A. - Toewijzing van het mandaat

Art. 39.

§ 1. De afgevaardigd-bestuurder wordt aangesteld door de Raad, op basis van een algemeen bekendgemaakte selectieprocedure door de instelling bevoegd voor de personeelswerving voor de Vlaamse Gemeenschap, of door een privaatrechtelijke organisatie voor personeelswerving en -selectie.

§ 2. De regering bepaalt het profiel en de functiebeschrijving van de afgevaardigd-bestuurder.

§ 3. De functie van afgevaardigd-bestuurder is een mandaatfunctie die voor onbepaalde duur wordt uitgeoefend. De Raad kan het mandaat op elk ogenblik beëindigen.

Onderafdeling B. - Bevoegdheden

Art. 40.

De afgevaardigd-bestuurder voert het dagelijks beheer en beleid. Hij leidt de centrale administratie. De afgevaardigd-bestuurder is ertoe gehouden aan de Raad te rapporteren over zijn beheer en beleid.

Art. 41.

Inzake het algemeen beleid is de afgevaardigd-bestuurder bevoegd voor :

1° het formuleren van voorstellen inzake de organisatie van de algemene kwaliteitszorg;

2° het formuleren van voorstellen tot het oprichten, afschaffen en samenvoegen van adviesorganen en van pedagogische diensten;

3° het formuleren van voorstellen voor de programmatie van unieke studierichtingen;

4° het formuleren van voorstellen tot het aanbieden van diensten aan de andere bestuursniveaus;

5° het beslechten van geschillen tussen scholengroepen;

6° overleg namens het gemeenschapsonderwijs met de overheid, met andere inrichtende machten dan die van het Gemeenschapsonderwijs en met andere instanties;

7° het opstellen van het jaarverslag;

8° de organisatie van de door de Raad aangeboden diensten, bedoeld onder 4°.

Art. 42.

Inzake het pedagogisch beleid is de afgevaardigd-bestuurder bevoegd voor de toewijzing van de centraal toegekende middelen, in het kader van het algemeen strategisch plan bedoeld in artikel 33, § 1, 3°, in overleg met de algemeen directeurs.

Art. 43.

§ 1. Inzake het personeelsbeleid is de afgevaardigd-bestuurder bevoegd voor :

1° de personeelsleden van de administratie van de Raad, met inbegrip van de pedagogische begeleidingsdiensten en het vormingscentrum van de centra voor leerlingenbegeleiding;

2° het beheer van de bijzondere tewerkstellingscircuits en het beheren van de verloven en de terbeschikkingstellingen van de personeelsleden die op het centrale niveau fungeren;

3° het organiseren van de reaffectaties buiten een scholengroep;

4° het formuleren van voorstellen tot het beëindigen van een mandaat van een directeur of een algemeen directeur, wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 58.

§ 2. De voorstellen bedoeld in § 1, 4°, zijn gesteund op vaststellingen uit de verslagen van de accountants, belast met het financieel toezicht op de scholengroepen of van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 44.

§ 1. Inzake het materieel en financieel beleid is de afgevaardigd-bestuurder bevoegd voor :

1° het opstellen van de begroting en de rekeningen van de Raad;

2° het consolideren van de begroting en de rekeningen van de scholengroepen;

3° het formuleren van voorstellen voor criteria voor de verdeling tussen de scholengroepen van de middelen voor eigenaarsonderhoud en kleine infrastructuurwerken;

4° het formuleren van voorstellen voor de algemene bouwplanning en grote infrastructuurwerken, op voorstel van de scholengroepen;

5° het formuleren van voorstellen voor het algemeen plan voor het leerlingenvervoer;

6° het organiseren van stockaanbiedingen voor materiële uitrusting, waarvan de scholengroepen op vrijwillige basis gebruik kunnen maken;

7° het opleggen van een budgettair saneringsplan aan scholengroepen die een onevenwichtige begroting, die niet kadert in een meerjarenplan, hebben ingediend of die een onevenwichtig meerjarenplan hebben ingediend wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 58.

§ 2. Binnen zijn bevoegdheden kan de afgevaardigd-bestuurder in naam en voor rekening van het Gemeenschapsonderwijs overeenkomsten sluiten.

§ 3. Voor alle aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de Raad en van de afgevaardigd-bestuurder, vertegenwoordigt de afgevaardigd-bestuurder het Gemeenschapsonderwijs in en buiten rechte.

§ 4. De algevaardigd-bestuurder kan de hem bij dit bijzonder decreet toegekende en gedelegeerde bevoegdheden delegeren aan personeelsleden van de administratieve diensten bedoeld in artikel 66, na goedkeuring door de Raad.

Art. 45.

In spoedeisende gevallen en binnen de bevoegdheden van de Raad en de afgevaardigd-bestuurder, kan de afgevaardigd-bestuurder ter vrijwaring van de belangen van het gemeenschapsonderwijs beslissingen nemen. De beslissingen genomen in toepassing van dit artikel moeten ter bekrachtiging aan de eerstvolgende vergadering van de Raad worden voorgelegd, die ze kan herroepen of wijzigen voor zover nog geen uitvoering aan deze beslissingen is gegeven.

TITEL IV. - Toezicht

HOOFDSTUK I. - Financieel toezicht

Afdeling 1. - Algemeen

Art. 46.

§ 1. De scholengroepen en het Gemeenschapsonderwijs, bij wege van de Raad, voeren ten aanzien van alle voorzieningen, elk wat hen betreft, een volledige boekhouding, volgens een door de regering vast te stellen eenvormig boekhoudkundig plan.

§ 2. Elk jaar vóór 30 april dienen de scholengroepen een goedgekeurde jaarrekening over het voorgaande begrotingsjaar in bij de Raad.

§ 3. Elk jaar vóór 30 september dient de Raad een goedgekeurde jaarrekening over het voorgaande begrotingsjaar in bij de regering.

§ 4. De regering bepaalt de voorschriften waaraan de jaarrekeningen bedoeld in § 2 en § 3 moeten voldoen.

§ 5. Het college van accountants, en elk lid ervan, beschikt over alle bevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn controleopdracht. Ze kunnen door de algemene vergadering van de scholengroepen en door de afgevaardigd-bestuurder worden gehoord over alle punten die tot hun opdracht behoren en door dezelfden worden verzocht een tussentijds accountantsverslag op te stellen.

Afdeling 2. - Toezicht op scholengroepen

Art. 47.

§ 1. De financiële controle op het beheer van de scholengroepen wordt voor rekening van het Gemeenschapsonderwijs, verricht door een college van vijf accountants, hiertoe aangesteld door de regering voor een termijn van vier jaar.

§ 2. Het eerste college van accountants wordt aangesteld voor een termijn van 8 jaar.

§ 3. Het college verkiest onder zijn leden een coördinator.

Art. 48.

De controle door een lid van het college van accountants heeft betrekking op de aanwending van door de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking gestelde financiële middelen.

Art. 49.

De controle omvat :

1° het financieel evenwicht van de begroting en de rekeningen;

2° het onderzoek van de rekeningen en de financiële staten.

Art. 50.

§ 1. Het college van accountants, of elk lid ervan, kan de scholengroepen in het algemeen, of een scholengroep in het bijzonder, adviseren aangaande de boekhoudkundige organisatie en omtrent de aan te brengen correcties.

Art. 51.

§ 1. Elk lid van het college stelt jaarlijks een verslag op van zijn bevindingen, en deelt het mee aan de raad van bestuur van de betrokken scholengroep en aan de coördinator van het college van accountants.

§ 2. Het verslag, bedoeld in § 1, wordt gevoegd bij het jaarverslag.

Art. 52.

§ 1. Is de afgevaardigd-bestuurder of de Raad van oordeel dat de goedgekeurde jaarrekening van een scholengroep onregelmatig is, of stellen zij vast dat de door de scholengroep ingediende begroting in onevenwicht is, of dat deze niet kadert in het meerjarenplan van de scholengroep, of dat het meerjarenplan niet in evenwicht is, dan kunnen zij de goedkeuring van de jaarrekening of de begroting bij gemotiveerde beslissing vernietigen binnen de zestig kalenderdagen na de ontvangst ervan.

§ 2. Wordt door de scholengroep een nieuwe goedgekeurde jaarrekening ingediend die onregelmatig is of wordt een nieuwe begroting ingediend die niet voldoet, of blijft de scholengroep in gebreke een nieuwe beslissing te nemen gedurende een termijn van zestig dagen volgend op de eerste vernietigingsbeslissing, dan stelt de afgevaardigd-bestuurder bij gemotiveerde beslissing, en in voorkomend geval na vernietiging, de jaarrekening en/of de begroting van de betrokken scholengroep vast.

§ 3. Bij de beslissing zoals bedoeld in artikel 52, § 2, kan de afgevaardigd-bestuurder aan de betrokken scholengroep een budgettair saneringsplan opleggen.

Afdeling 3. - Het niveau van de Vlaamse Gemeenschap

Art. 53.

§ 1. Het college van accountants is met betrekking tot het financieel toezicht op de Raad belast met dezelfde opdracht als bepaald in afdeling 2 van dit hoofdstuk.

§ 2. Het college voert zijn controleopdracht op de Raad voor rekening van de regering.

Art. 54.

Het college van accountants stelt een jaarlijks accountantsverslag op met zijn bevindingen, en voegt het bij het jaarverslag van de Raad, zoals bedoeld in de artikelen 60 en 61 van dit bijzonder decreet.

HOOFDSTUK II. - Beleidstoezicht

Afdeling 1. - Scholengroepen

Art. 55.

Het toezicht over de scholengroepen berust bij de Raad en de afgevaardigd-bestuurder, elk wat hun bevoegdheden betreft.

Art. 56.

§ 1. Het toezicht bedoeld in artikel 55 wordt uitsluitend uitgeoefend op basis van de doorlichtingsverslagen en tussentijdse verslagen van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap en van de jaarlijkse of de tussentijdse accountantsverslagen.

§ 2. De Raad en de afgevaardigd-bestuurder kunnen de onderwijsinspectie verzoeken om tussentijdse inspecties uit te voeren.

Art. 57.

§ 1. Zijn de conclusies van de in artikel 56 genoemde verslagen geheel of ten dele negatief, dan kan de afgevaardigd-bestuurder daaromtrent een of meer agendapunten doen opnemen op de eerstvolgende vergadering van de raad van bestuur of van het college van directeurs van de betrokken scholengroep.

§ 2. De bestuursorganen van de scholengroep zijn ertoe gehouden binnen de dertig dagen volgend op het verzoek van de afgevaardigd-bestuurder te vergaderen.

§ 3. De afgevaardigd-bestuurder kan de vergaderingen waarop de door hem geagendeerde punten worden behandeld, bijwonen en er voorstellen van beslissing formuleren.

Art. 58.

Indien de raad van bestuur of het college van directeurs geen beslissing neemt binnen de zestig dagen vanaf de datum van mededeling van het verzoek tot agendering, of indien de afgevaardigd-bestuurder oordeelt dat de beslissing niet of onvoldoende tegemoetkomt aan de vaststellingen van een in artikel 56 genoemd verslag, dan neemt hij een beslissing in de plaats van de scholengroep.

Afdeling 2. - Het niveau van de Vlaamse Gemeenschap

Art. 59.

Het beleidstoezicht over de Raad en de afgevaardigd-bestuurder wordt uitgeoefend door de regering.

Art. 60.

Het toezicht bedoeld in artikel 59 wordt uitgeoefend op basis van een jaarverslag dat vóór 30 september van elk jaar aan de regering wordt voorgelegd. De regering deelt het jaarverslag mee aan het Vlaams Parlement.

Art. 61.

In het jaarverslag wordt verplicht vermeld :

1° op welke manier de afgevaardigd-bestuurder gebruik heeft gemaakt van zijn injunctierecht, zoals bedoeld in de artikelen 52, 57 en 58 van dit bijzonder decreet;

2° de manier waarop de vrije keuze als grondwettelijke opdracht van het gemeenschapsonderwijs werd gewaarborgd;

3° de wijze waarop de taken van openbare dienst, de acceptatieplicht in het bijzonder, werd vervuld;

4° de stand van de algemene kwaliteitszorg van het gemeenschapsonderwijs

TITEL V. - Financiering

Art. 62.

§ 1. De financiële middelen van het gemeenschapsonderwijs bestaan uit :

1° de op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap uitgetrokken middelen;

2° de vergoedingen voor prestaties geleverd door het gemeenschapsonderwijs;

3° de inkomsten van de onroerende goederen waarvan het gemeenschapsonderwijs het beheer heeft :

4° de schenkingen en legaten;

5° de opbrengst van tegoeden en van de belegging van beschikbare gelden;

6° de opbrengst van de vervreemding van roerende en onroerende goederen;

7° andere inkomsten.

§ 2. De in artikel § 1, 1° bedoelde middelen mogen de uitgaven dekken voor :

1° de werking van de bestuurs- en adviesorganen van het gemeenschapsonderwijs;

2° de administratieve dienstverlening van het gemeenschapsonderwijs;

3° de werking en uitrusting van de instellingen van het gemeenschapsonderwijs;

4° de werking en uitrusting van de diensten en centra voor pedagogische begeleiding en vorming van het gemeenschapsonderwijs;

5° de investeringen ten behoeve van het gemeenschapsonderwijs;

6° de infrastructuurwerken en het eigenaarsonderhoud.

De saldi van de middelen bedoeld in 3° zijn, met behoud van hun bestemming, jaarlijks overdraagbaar.

Art. 63.

De middelen bedoeld in artikel 62, § 1, 1° worden door de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks gestort aan de scholengroepen, conform de criteria die de Raad in toepassing van artikel 36, 2°, van dit bijzonder decreet heeft vastgelegd en aan het centrale niveau voor de aan dit niveau toegewezen bevoegdheden.

Art. 64.

Indien op de eerste dag van het begrotingsjaar geen goedkeuring is gegeven aan de begroting van de raad van bestuur van een scholengroep of van de Raad, is de raad van bestuur van de betrokken scholengroep of de Raad ertoe gemachtigd uitgaven te doen ten belope van het bedrag ingeschreven op de begroting van het voorgaande jaar, tenzij het principieel nieuwe uitgaven betreft, waartoe geen machtiging is verleend bij de begroting van het vorige jaar, behoudens andersluidende beslissingen van de regering.

TITEL VI. - Personeel

HOOFDSTUK I. - Personeel van het Gemeenschapsonderwijs

Art. 65.

§ 1. Het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs wordt bij decreet bepaald.

§ 2. De Vlaamse Gemeenschap betaalt rechtstreeks de wedde uit van de krachtens de geldende wetten en reglementen in dienst genomen personeelsleden.

§ 3. Om als lid van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs in dienst te kunnen worden genomen, moet het personeelslid bij de indiensttreding de neutraliteitsverklaring, de verklaring van gehechtheid aan het gemeenschapsonderwijs, zoals vastgelegd in uitvoering van artikel 33, § 1, 1°, en het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs, zoals vastgelegd in uitvoering van artikel 34, 1°, ondertekenen.

HOOFDSTUK II. - De administratieve diensten

Art. 66.

Het centrale niveau beschikt over administratieve diensten. De afgevaardigd-bestuurder bepaalt de dienstaanwijzing en de plaats van tewerkstelling van het personeel van de administratieve diensten.

Art. 67.

§ 1. De personeelsformatie van de Raad wordt door de regering, op voorstel van de afgevaardigd-bestuurder vastgelegd, in functie van de door dit bijzonder decreet aan de Raad verleende bevoegdheden.

§ 2. De regering bepaalt het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de administratieve diensten van de Raad.

TITEL VII. - Slotbepalingen

HOOFDSTUK I. - Opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 68.

Het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs wordt opgeheven.

Art. 69.

In afwijking op artikel 68 wordt titel VIbis van het bijzonder decreet van 19 december 1988 niet opgeheven. Het opschrift van dit bijzonder decreet wordt gewijzigd in "Bijzonder decreet van 13 juli 1994 betreffende de Vlaamse Autonome Hogescholen". De regering coördineert de tekst, inzonderheid wat de nummering van de artikelen betreft.

Art. 70.

§ 1. De colleges van directeurs worden samengesteld vóór 1 april 1999. Zij duiden onder hun leden een voorzitter aan.

§ 2. De colleges van directeurs oefenen de bevoegdheden van de scholengemeenschappen, zoals door of krachtens de decreten bepaald, uit met ingang van 1 september 1999.

Art. 71.

De schoolraden worden samengesteld vóór 1 april 2001.

Art. 72.

De algemene vergaderingen en de raden van bestuur worden vóór 1 april 2002 samengesteld en nemen vanaf 1 april 2002 hun bevoegdheden op. De raden van bestuur stellen vóór 1 mei 2002 de algemeen directeurs aan. De regering legt de kiesprocedure voor de eerste verkiezing van de Raad vast, op voorstel van de centrale raad van de ARGO.

Art. 73.

De Raad wordt voor 1 januari 2003 samengesteld en neemt vanaf 1 januari 2003 zijn bevoegdheden op. De Raad stelt op de eerste vergadering de afgevaardigd-bestuurder aan.

Art. 74.

§ 1. De voorzitters van de lokale raden uit het bijzonder decreet van 19 december 1988, of de door hen aangewezen personen, oefenen vanaf 1 januari 2000 tot 31 maart 2002 de bevoegdheden van de raden van bestuur, zoals bepaald in dit bijzonder decreet, uit.

§ 2. Een voorlopige algemene vergadering oefent met ingang van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2002 de bevoegdheden van de algemene vergadering uit. Deze voorlopige algemene vergadering wordt samengesteld uit twee leden per lokale raad, zoals bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988, en wordt als volgt samengesteld :

1° een lid verkozen door en uit de verkozen ouders en de verkozen leden uit de sociale, economische en culturele milieus;

2° een lid verkozen door en uit de gecoöpteerde personeelsleden.

Art. 75.

§ 1. De lokale schoolraden van de ARGO en de lokale raden van bestuur van de ARGO, bedoeld in artikel 5, § 1, 2° en 3°, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, oefenen de in dat bijzonder decreet toegewezen bevoegdheden uit tot en met 31 december 1999.

§ 2. De centrale raad van de ARGO, bedoeld in artikel 5, § 1, 1° van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, oefent tot en met 31 december 2002 de in dat bijzonder decreet toegewezen bevoegdheden uit, met uitsluiting van de bevoegdheden die vanaf de inwerkingtreding van dit bijzonder decreet worden uitgeoefend door de bestuursorganen van de scholengroepen, de voorlopige bestuursorganen bedoeld in artikel 74 inbegrepen. De centrale raad oefent de in het bijzonder decreet van 19 december 1988 verleende bevoegdheden ten aanzien van de centra voor leerlingenbegeleiding uit tot en met 31 augustus 2000.

§ 3. De organen van de ARGO blijven gedurende de in § 1 en § 2 vermelde overgangsperiodes fungeren volgens de bepalingen uit het bijzonder decreet van 19 december 1988.

§ 4. In de plaats van de in dit bijzonder decreet voorziene toezichtsregeling blijft de toezichtsregeling voorzien in titel VI van het bijzonder decreet van 19 december 1988, tot en met 31 december 1999 van toepassing op de lokale schoolraden en de raden van bestuur en tot en met 31 december 2002 op de centrale raad.

Art. 76.

De centrale raad van de ARGO wijst vóór 1 januari 2000 de scholengroepen aan, alsook de bevoegde centra voor leerlingenbegeleiding op voorstel van de lokale raden, en de lokale raden van bestuur. De centrale raad stelt tegelijk met de vorming van de scholengroepen de criteria vast voor de verdeling van de middelen, met inbegrip van de saldi van de door de centrale raad voorafgenomen werkingsmiddelen, tussen de scholengroepen.

Art. 77.

§ 1. De organen van het Gemeenschapsonderwijs treden binnen de door dit bijzonder decreet toegekende bevoegdheden in de rechten en verplichtingen van de ARGO die voor de inwerkingtreding van dit bijzonder decreet zijn ontstaan. In deze overdracht zijn begrepen alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.

§ 2. Onverminderd hetgeen werd bepaald in § 1, treden de scholengroepen met ingang van 1 april 2002 in de rechten en verplichtingen van de lokale raden en raden van bestuur die met deze scholengroep overeenstemt, en treedt de Raad met ingang van 1 januari 2003 in de rechten en verplichtingen van de centrale raad van de ARGO. Indien de onderwijsinstellingen, ressorterend onder een lokale raad of raad van bestuur, in uitvoering van dit bijzonder decreet aan meer dan een scholengroep worden overgedragen, bepaalt de centrale raad bij de beslissing bedoeld in artikel 76 welke scholengroep de rechten en verplichtingen van de lokale raad of raad van bestuur overneemt.

Art. 78.

§ 1. De roerende en onroerende goederen uitsluitend bestemd voor het gemeenschapsonderwijs bedoeld in artikel 2, die overeenkomstig artikel 57, § 1 van de Financieringswet van 16 januari 1989 zonder vergoeding van de Staat aan de Vlaamse Gemeenschap worden overgedragen, worden aan het Gemeenschapsonderwijs overgedragen.

§ 2. De sedert 1 jannari 1989 door de ARGO verworven roerende en onroerende goederen, bestemd voor het Gemeenschapsonderwijs, worden aan het Gemeenschapsonderwijs overgedragen.

§ 3. De saldi vastgesteld op 31 december 1999 bij de lokale raden en de diensten met afzonderlijk beheer, worden op 1 januari 2000 aan de scholengroepen overgedragen. De saldi van lokale raden en diensten met afzonderlijk beheer die onder meerdere scholengroepen zullen ressorteren, worden uitgesplitst over de scholengroepen volgens criteria die de centrale raad van de ARGO vaststelt.

§ 4. De saldi vastgesteld bij de centrale raad van de ARGO op 31 december 2002, worden op 1 januari 2003 overgedragen aan de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.

Art. 79.

§ 1. Tot de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de personeelsformatie van de diensten van de Raad, bedoeld in artikel 66 en 67, worden de administratieve diensten van de ARGO, bedoeld in titel V, hoofdstuk II, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, ter beschikking gesteld van de instelling bedoeld in artikel 3.

§ 2. Tot de datum van het bereiken van deze personeelsformatie waarborgt de Vlaamse Gemeenschap de middelen voor de werking van de administratieve diensten van de ARGO van het refertejaar 1997. De middelen worden jaarlijks geïndexeerd.

Art. 80.

Voor de toepassing van dit bijzonder decreet moet tot de vorming van de centra voor leerlingenbegeleiding, het begrip "centrum voor leerlingenbegeleiding" worden vervangen door het begrip "centrum voor psychologische, medische en sociale begeleiding".

HOOFDSTUK II. - Inwerkingtreding

Art. 81.

Onverminderd het in hoofdstuk 1 bepaalde, treedt dit bijzonder decreet in werking op 1 april 1999.