Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

  • goedkeuringsdatum
    15 DECEMBER 1993
  • publicatiedatum
    B.S.08/02/1994
  • datum laatste wijziging
    07/10/2015

COORDINATIE

B.Vl.R. 14-12-1994 - B.S. 24-3-1995

B.Vl.R. 31-1-1996 - B.S. 20-3-1996

B.Vl.R. 10-12-1999 - B.S. 1-4-2000

B.Vl.R. 5-10-2001 - B.S. 12-12-2001

B.Vl.R. 21-11-2003 - B.S. 11-2-2004

B.Vl.R. 23-4-2004 - B.S. 22-9-2004

B.Vl.R. 9-11-2007 - B.S. 18-12-2007

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

B.Vl.R. 5-2-2010 - B.S. 17-5-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

B.Vl.R. 12-10-2012 - B.S. 21-11-2012

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

B.Vl.R. 4-9-2015 - B.S. 7-10-2015

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;

Gelet op het protocol nr. 100 van 18 juni 1993 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van sectorcomité X en van de onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en de plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 5 april 1993;

Gelet op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 27 april 1993;

Gelet op het voorstel, bepaald in artikel 6, § 4, tweede lid, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van onderwijs en ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL I. - Personeelsformatie van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken

Artikel 1.

§ 1. De personeelsformatie van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wordt vastgesteld als volgt :

1° Voor de katholieke godsdienst :

- Inspecteur-adviseur voor het lager onderwijs : [11,5]³

- Inspecteur-adviseur coördinator voor het lager onderwijs : 6

- Inspecteur-adviseur voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs : 7

2°[voor de niet-confessionele zedenleer :

a) inspecteur-adviseur voor het lager onderwijs : [[4]];

b) inspecteur-adviseur coördinator voor het lager onderwijs : 1;

c) inspecteur-adviseur voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs : 3.

Eén ambt van inspecteur-adviseur coördinatorkan georganiseerdworden, als de organisatie ervan geen boventalligheid tot gevolg heeft en de toegekende personeelsformatie als volgt wordt aangepast.

Als het ambt wordt vervuld door een personeelslid met een bekwaamheidsbewijs van tenminste master, wordt één ambt van inspecteur-adviseur coördinator voor het lager onderwijs ingeleverd en bijkomend één functie van inspecteur-adviseur voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs geschrapt. Om het aantal personeelsleden binnen de personeelsformatie gelijk te houden, wordt één bijkomende functie van inspecteur-adviseur voor het lager onderwijs toegekend.

Als het ambt wordt vervuld door een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs, wordt alleen het ambt van inspecteur-adviseur coördinator voor het lager onderwijs ingeleverd.]²

3° Voor de protestantse godsdienst :

- Inspecteur-adviseur voor het lager onderwijs : 1

- Inspecteur-adviseur voor het lager, het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs : 2

4° Voor de anglicaanse [...]¹ godsdienst :

- Inspecteur-adviseur voor het lager, het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs : 1/2

5° Voor de israëlitische [en de orthodoxe]¹ godsdienst :

- Inspecteur-adviseur voor het lager, het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs : 1

[6° Voor de islamitische godsdienst :

Inspecteur-adviseur : 1

Inspecteur-adviseur voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs : 2]¹

§ 2. Ter uitvoering van artikel 6, § 4, tweede lid, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, hierna te noemen het decreet van 1 december 1993, wordt het maximum aantal personeelsleden dat aan de in § 1 vermelde personeelsformatie toegevoegd kan worden, vastgesteld als volgt :

Voor de inspectie en de begeleiding van :

1° de katholieke godsdienst : 2

2° de protestantse godsdienst : -

3° de israëlitische godsdienst : -

4° de anglicaanse godsdienst : -

5° de islamitische godsdienst : -

6° de orthodoxe godsdienst : -

7° de niet-confessionele zedenleer : 1

[ ]¹ B.Vl.R. 23-4-2004; [ ]² Decr. 12-10-2012; [ ]³ Decr. 19-12-2014; [[ ]] Decr. 19-12-2014

TITEL II. - Rechtspositieregeling

HOOFDSTUK I. - De preventieve schorsing

Art. 2.

§ 1. De preventieve schorsing, vermeld in artikel 16 van het decreet van 1 december 1993, is een bewarende maatregel. Het personeelslid blijft tijdens de schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag vóór de preventieve schorsing.

§ 2. De [inspecteur-generaal] stelt de preventieve schorsing voor, indien het belang van de dienst zulks vereist, inzonderheid tijdens de behandeling van tuchtstraffen die, overeenkomstig artikel 18, § 1, van het decreet van 1 december 1993, door de [inspecteur-generaal] zijn voorgesteld.

§ 3. De preventieve schorsing tijdens de behandeling van een tuchtvordering die, overeenkomstig artikel 18, § 2, van het decreet van 1 december 1993, voorgesteld is door de [inspecteur-generaal] op voorstel van de bevoegde instantie van de erkende godsdiensten, of op voorstel van de voorzitter van de vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, wordt voorgesteld door de [inspecteur-generaal], op voorstel van de bevoegde instantie van de betreffende godsdienst of de voorzitter van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap.

B.Vl.R. 5-2-2010

Art. 3.

[De bepalingen van artikel 27, eerste lid, en de artikelen 28 tot en met 31 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot de rechtspositie zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

B.Vl.R. 5-2-2010

HOOFDSTUK II. - Tuchtregeling

Art. 4.

[De bepalingen van titel II, hoofdstuk VII, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

B.Vl.R. 5-2-2010

HOOFDSTUK III. - Raad van beroep

Art. 5.

§ 1. [De bepalingen van titel II, hoofdstuk VIII, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

§ 2. De raad van beroep beraadslaagt geldig als de voorzitter en de helft plus één van de leden aanwezig zijn.

§ 3. Na onderzoek van de raad van beroep wordt de beslissing genomen door de Vlaamse minister van Onderwijs. De beslissing wordt binnen een termijn van één maand na ontvangst van het advies aan de raad van beroep bekendgemaakt.

De Vlaamse minister van Onderwijs deelt zijn gemotiveerde beslissing mee aan de raad van beroep.

B.Vl.R. 5-2-2010

HOOFDSTUK IV. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking

Art. 6.

§ 1. Bij een ontstentenis van betrekking, zoals bepaald [in artikel 21, § 3 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken]¹ wordt onder de leden van de inspectie en de begeleiding van het levensbeschouwelijke vak diegene ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking die de kleinste dienstanciënniteit heeft.

§ 2. Voor het berekenen van de in § 1 bedoelde dienstanciënniteit komen alle diensten in aanmerking die door het personeelslid werden gepresteerd als lid van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Komen eveneens in aanmerking de diensten die het personeelslid vóór zijn indiensttreding bij de inspectie gepresteerd heeft als tijdelijk of vast benoemd lid van de inspectiedienst, [levensbeschouwelijk onderricht]².

§ 3. [De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking gaat in op 1 september.]¹

[§ 4. Het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid geniet een wachtgeld dat de eerste twee jaar gelijk is aan zijn laatste activiteitswedde.

Vanaf het derde jaar wordt dat wachtgeld elk jaar met 20 % verminderd. Het mag evenwel niet lager zijn dan zoveel keer een dertigste van de laatste activiteitswedde als het personeelslid op de datum van zijn terbeschikkingstelling dienstjaren telt. De opeenvolgende verminderingen worden berekend met de laatste activiteitswedde als basis.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder dienstjaren verstaan : de jaren die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. De bonificaties wegens diploma's tellen niet mee. De militaire dienst, verricht voor de indiensttreding, wordt echter niet in aanmerking genomen, en de in aanmerking komende militaire dienst wordt alleen meegerekend voor zijn gewone duur.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 5-2-2010; [ ]² B.Vl.R. 17-12-2010

HOOFDSTUK V. - Overdracht van personeelsleden naar de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken

Art. 7.

Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 25, § 1, van het decreet van 1 december 1993, worden de ambten waarin de leden van de inspectie benoemd waren voor 1 januari 1994 en die vermeld zijn in de linkerkolom, beschouwd als zijnde in overeenstemming met het ambt vermeld in de rechterkolom. De leden van de inspectie behouden hun administratieve standplaats.

1. Inspecteur of inspectrice over de niet-confessionele zedenleer in het gesubsidieerd officieel lager onderwijs

Inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer voor het lager onderwijs

2. Inspecteur zedenleer voor

het rijkslager onderwijs

Inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer voor het lager onderwijs

3. Inspecteur niet-confessionele zedenleer

Inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs

4. Inspecteur zedenleer in het secundair en het niet-universitair hoger onderwijs

Inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs

5. Inspecteur rooms-katholieke godsdienst voor het secundair onderwijs en voor het hoger onderwijs van het korte type van de Staat

Inspecteur-adviseur katholieke godsdienst voor het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs

6. Inspecteur rooms-katholieke godsdienst voor het rijksbasisonderwijs

Inspecteur-adviseur coördinator katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

7. Diocesaan inspecteur van de lagere gesubsidieerde scholen van het Nederlands taalregime

Inspecteur-adviseur katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

8. Diocesaan inspecteur van de lagere gesubsidieerde scholen

Inspecteur-adviseur katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

9. Diocesaan inspecteur van het basisonderwijs

Inspecteur-adviseur katholie-ke godsdienst voor het lager onderwijs

10. Diocesaan inspecteur van het lager onderwijs

Inspecteur-adviseur katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

11. Diocesaan inspecteur van het officieel gesubsidieerd basisonderwijs

Inspecteur-adviseur katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

12. Diocesaan inspecteur

Inspecteur-adviseur katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

13. Diocesaan hoofdinspecteur van het officieel gesubsidieerd basisonderwijs

Inspecteur-adviseur coördinator katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

14. Diocesaan hoofdinspecteur van de lagere gesubsidieerde scholen van het Nederlands taalregime

Inspecteur-adviseur coördinator katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

15. Diocesaan hoofdinspecteur

Inspecteur-adviseur coördina-tor katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

16. Diocesaan hoofdinspecteur van het normaal en lager onderwijs

Inspecteur-adviseur coördinator katholieke godsdienst voor het lager onderwijs

17. Inspecteur protestantse godsdienst bij het basis-, het secundair en het hoger onderwijs van het korte type van de Staat

Inspecteur-adiveur protestantse godsdienst voor het lager, het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs

18. Inspectrice protestantse godsdienst voor het nederlandstalig gesubsidieerd basisonderwijs

Inspecteur-adviseur protestantse godsdienst voor het lager onderwijs

19. Inspecteur israëlitische godsdienst bij het basis- en het secundair onderwijs van de Staat

Inspecteur-adviseur israëlitische godsdienst voor het lager, het secundair en het pedagogisch hoger onderwijs

HOOFDSTUK VI. - Bezoldiging en vergoedingen

Art. 8.

[ § 1. De salarisschalen die verbonden zijn aan de ambten, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993, worden vastgesteld als volgt :

1° inspecteur-adviseur voor het lager onderwijs : 167;

[[1° /1 inspecteur-adviseur coördinator voor het lager onderwijs: 166;]]²

2°[[ inspecteur-adviseur coördinator :

a) houder van een bekwaamheidsbewijs van ten minste master als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs :604;

b) houder van een ander bekwaamheidsbewijs dan een bekwaamheidsbewijs als vermeld in punt a) : 166;]]¹

3° inspecteur-adviseur voor het lager en het secundair onderwijs of inspecteur-adviseur voor het secundair onderwijs :

a) houder van een bekwaamheidsbewijs van ten minste master, als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs en in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon onderwijs : 541;

b) houder van andere bekwaamheidsbewijzen : 354.

§ 2. De salarisschalen, vermeld in § 1, worden met ingang van 1 september 2007 vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.]

B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]¹ B.Vl.R. 12-10-2012; [[ ]]² B.Vl.R. 4-9-2015

Art. 9.

§ 1. De vergoeding bedoeld in artikel 6, § 4, derde lid, van het decreet van 1 december 1993 wordt berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries en het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. Zij worden in dit opzicht gelijkgesteld met de ambtenaren van rang 14. Hun administratieve standplaats is de woonplaats.

§ 2. Het in artikel 24 van het decreet van 1 december 1993 vermelde bedrag van de forfaitaire vergoeding voor het uitoefenen van een voltijds ambt wordt vastgesteld als volgt :

1° 101.626 F als het ambtsgebied één volledige provincie omvat;

2° 120.103 F als het ambtsgebied twee of drie volledige provincies omvat;

3° 147.820 F als het ambtsgebied meer dan 3 volledige provincies omvat.

§ 3. De in § 2 vermelde forfaitaire vergoeding wordt met 1/24 ingehouden voor elke onderbreking van de ambtsuitoefening van 15 aaneensluitende kalenderdagen.

§ 4. Het in § 2 vermeld bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01 en schommelt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

§ 5. De leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken worden gemachtigd om hun eigen wagen te gebruiken om hun ambt uit te oefenen.

HOOFDSTUK VII. - Vakantie- en prestatieregeling

Art. 10.

[De bepalingen van titel II, hoofdstuk X, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

B.Vl.R. 5-2-2010

TITEL III. - Financiering

Art. 11.

Het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 27, § 1, van het decreet van 1 december 1993 wordt vastgesteld op 140.000 Fr.

De controle op de echtheid van de uitgaven en de aanwending van de uitbetaalde bedragen geschiedt door de verificatiediensten van het Departement Onderwijs op de zetel van de vereniging zonder winstoogmerk. De ten onrechte aangewende bedragen dienen binnen de maand teruggestort te worden aan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - departement Onderwijs.

TITEL IV. - Opheffingsbepalingen

Art. 12.

Opgeheven worden :

1° het besluit van de Regent van 9 augustus 1948 inzake de Inspectie - Uitbreiding van het kader;

2° het koninklijk besluit van 24 november 1967 houdende vaststelling van het kader van de inspectie van het lager onderwijs en van het kleuteronderwijs, zoals gewijzigd bij ...;

3° hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs; lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen;

4° het koninklijk besluit van 20 mei 1975 tot vaststelling van het nederlandstalig organiek kader van de inspectie van het secundair onderwijs en van het niet-universitair hoger onderwijs, zoals gewijzigd door ...;

5° Het koninklijk besluit van 14 november 1978 houdende aanvulling van het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen ter toepassing van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;

6° het ministerieel besluit van 28 juli 1948 van de minister van openbaar onderwijs betreffende het bedrag der forfaitaire vergoedingen die als reis- en verblijfkosten worden verleend aan de leden van het burgelijk en kerkelijk toezicht over het lager onderwijs;

7° het ministerieel besluit van 30 november 1951 betreffende de maximumvergoedingen voor reis- en verblijfkosten verleend aan de inspecteurs-generaal, de hoofdopzieners, de kantonnale opzieners, de opziensters over de vrouwelijke handwerken, de dioscesane hoofdopzieners en de dioscesane opzieners.

TITEL V. - Overgangsbepaling

Art. 13.

De vastbenoemde leden van de inspectie, bedoeld in artikel 25 van het decreet van 1 december 1993, die op 31 december 1993 de weddenschaal 950 genoten en die geen houder zijn van een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het lange type, zoals bepaald in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel, en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs, behouden de weddenschaal 950.

TITEL VI. - Slotbepaling

Art. 14.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1994.

Art. 15.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.